B13.00 Onderbouwing Naoberhoek, Doetinchem
Tekst van het document
Als grondeigenaar kan de gemeente voorwaarden stellen aan de bouw en invulling van het gebied. Hierbij wordt aangesloten bij geldend beleid en de visie voor de Spoorzone. Zoals in subparagraaf 5.3.2 reeds is aangegeven, worden met het plan de afspraken ten aanzien van de regionale woonagenda nageleefd. Deze sluiten aan op de uitgangspunten van de doelgroepenverordening. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de doelgroepenverordening. 5.5.5 Inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem Het plangebied ligt niet in een welstandszone volgens de welstandsnota van de gemeente Doetinchem. Derhalve wordt nader ingegaan om de inspiratiebundel omgevingskwaliteit. De gemeente Doetinchem heeft een inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem. In deze bundel staan voorbeelden hoe initiatiefnemers in hun planvoornemen rekening kunnen houden met de volgende thema’s: 1. woonmilieus; 2. klimaatadaptatie; 3. biodiversiteit en natuurinclusief bouwen; 4. circulariteit; 5. energie; 6. mobiliteit; 7. leefbaarheid. Voor voorliggende ontwikkeling is een programma inclusief beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt rekening gehouden met de uitgangspunten die benoemd zijn in de inspiratiebundel. 5.5.6 Doetinchem Natuurlijk Duurzaam Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld.
In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor 31 Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking.
Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. De nieuw te bouwen gebouwen worden, conform geldende wet- en regelgeving, aardgasloos gerealiseerd. Als alternatief voor de verwarming worden andere oplossingen toegepast. Tot dusver zijn er geen plannen om een collectieve voorziening aan te leggen. Naar verwachting wordt de verwarming derhalve per gebouw afzonderlijk geregeld. 5.5.7 Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Deze strategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust wil zijn. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: 1. De verwachte klimaateffecten in onze gemeente (zie Klimaateffectatlas Doetinchem: Klimaatatlas - Weet van Water); 2. De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de Klimaatadaptatiestrategie).
De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers: - Stad en dorp gezond en groen; - Adaptief landelijk beleid; - Robuuste vitale infrastructuur; - Ontwikkelingen klimaatbestendig; - Betrokken en actieve mensen. Om onze ambities en doelen voor 2050 te bereiken heeft de gemeente een eerste uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie 2022-2026 vastgesteld. Hierin staan per pijler uitvoeringsacties om ons doel te bereiken. In 2026 volgt een nieuwe stresstest en uitvoeringsagenda. 32 Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050. Zo willen we bij de Gemeente Doetinchem buiten aan de slag: - Neerslag vasthouden waar het valt (bodem als ‘spons’ gebruiken); - Meer schaduw en minder verharding door meer groen en bomen; - Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen. Figuur 12: opgaven per gebied uit de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem Risico's als gevolg van klimaatverandering en klimaatadaptieve maatregelen in het plangebied moeten zoveel mogelijk voorkomen en beperkt worden. Op basis van de Klimaatatlas van Doetinchem is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen als gevolg van klimaatverandering. Dit is beschreven in paragraaf 6.10 Duurzaamheid.
5.5.8 Bomenverordening gemeente Doetinchem 2024 Vanaf 1 januari 2024 geldt de Bodemverordening gemeente Doetinchem 2024. In deze verordening zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden in de gemeente Doetinchem. In het plangebied zijn geen waardevolle bomen aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling zullen wel bomen worden geveld. Voordat deze werkzaamheden van start gaan, wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vellen van de houtopstanden in het plangebied. Dit is pas aan de orde zodra de bouwwerkzaamheden van start gaan. Teneinde van de kwaliteit van de bomen en de mogelijkheid tot behoud dan wel verplaatsing, is een boom effect analyse (BEA) uitgevoerd. Deze wordt behandeld in paragraaf 6.8 Natuur. 5.5.9 Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene functies in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgang spunten voor
33 het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: 1. vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groenen bomenstructuren; 2. verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; 3. handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; 4. functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; - mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud. Het projectgebied grenst aan een hoofdstructuur bomen langs de Hamburgerbroeklaan. De bomen binnen deze hoofdstructuur blijven behouden, en de groene inrichting van het plangebied draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het Groenstructuurplan Doetinchem 2017. 5.5.10 Mobiliteitsplan en parkeervisie Het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 geeft een beeld waar de gemeente Doetinchem in 2036 wil staan als het gaat om verkeer en mobiliteit. Het mobiliteitsplan bestaat uit drie delen: 1. Visiedeel: met mobiliteitsambities en wensbeelden over mobiliteit. 2. Uitvoeringsprogramma: maatregelen hoe we de ambities en de wensbeelden kunnen realiseren. 3. Bijlagen: ter onderbouwing van het visiedeel en het uitvoeringsprogramma.
Visiedeel In het visiedeel wordt beschreven dat wordt ingezet op duurzame mobiliteit en het zo goed mogelijk benutten van het bestaande netwerk. Het verkeer dat niet in gemeente Doetinchem hoeft te zijn, wil de gemeente zoveel mogelijk laten rijden over de provinciale en rijkswegen rond Doetinchem. In de stad Doetinchem wil de gemeente het gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk laten rijden via een ringstructuur ruim om het centrum. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor fietsers. En wordt het aantrekkelijker en fijner om te leven en te wonen in de stad. Er zijn vier hoofdambities beschreven: 1. Bruisende binnenstad. Hierbij gaat het om het aantrekkelijker maken van de binnenstad, het beperken van gemotoriseerd verkeer en het parkeren aan de randen. Zorgen voor een goede en aantrekkelijke bereikbaarheid van het centrum en de binnenstad voor fietsers, voetgangers en met het openbaar vervoer. 2. Het fijner maken om te leven en wonen in wijken en kernen. Hierbij wordt uitgegaan van het zoveel mogelijk terugbrengen van de maximale snelheid van wegen naar 30 km/h. Ook kijken we naar het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. 3. Aanmoedigen actieve mobiliteit en openbaar vervoer. Hierbij wordt uitgegaan van het zo makkelijk mogelijk maken voor fietsers en voetgangers, daar waar het kan. Bijvoorbeeld door het bieden van goede en logische loop- en fietsroutes.
Het openbaar vervoer wordt aantrekkelijker gemaakt, onder andere door haltes van goede kwaliteit op logische locaties. Onderzoek en realisatie van hubs kan zorgen voor minder (overlast van zwaar) verkeer en biedt meer opties voor een verplaatsing. Het delen van fietsen en/of auto’s kan ook zorgen voor minder verkeer en daardoor fijner wonen en leven. 34 4. Zo goed mogelijk sturen verkeer. Naast het afwaarderen van wegen, worden ook een aantal wegen aangewezen om de doorstroomfunctie voor gemotoriseerd verkeer te verbeteren. Naast fysieke maatregelen speelt het gebruik van data en andere nieuwe technologieën een rol. Uitvoeringsprogramma mobiliteitsplan In het uitvoeringsprogramma wordt beschreven hoe de ambities en wensen uit het visiedeel worden doorgevoerd. Hiervoor is een pakket van maatregelen opgesteld. Deze maatregelen gaan bijvoorbeeld over: - het verbeteren en aanleggen van schakels in het fietsnetwerk. - het verbeteren van bestaande wegen voor een betere doorstroming. - het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. Parkeervisie De Parkeervisie is in nauwe samenhang met het Mobiliteitsplan opgesteld. In de parkeervisie wordt ingespeeld op de ruimtelijke ontwikkelingen die zich de komende jaren gaan voordoen nu Doetinchem de wens heeft uitgesproken om te willen groeien naar 70.000 inwoners.
Het parkeren in Doetinchem bevindt zich nog altijd in een lastig vaarwater. Dit omdat de parkeerinkomsten minder groeien dan de kosten. De landelijke trend van het kopen via internet is niet gewijzigd. Dit betekent dat minder mensen voor de inkopen naar de binnenstad komen. Daar staat tegenover dat er steeds meer winkelpanden omgebouwd worden tot woningen. Dit alles maakt dat er een heldere visie en concrete maatregelen noodzakelijk zijn. In de Parkeernota 2024 staan verschillende voorstellen om de inkomsten te verhogen maar ook om het parkeren in de binnenstad de komende jaren mogelijk te houden. Onderdeel van de parkeervisie is de nieuwe Nota Parkeernormen Doetinchem 2024. Het doel van de Nota Parkeernormen 2024 is om een kader te scheppen waaraan toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de hele gemeente ten aanzien van parkeren getoetst kunnen worden. Het is een maatschappelijk belang dat woonruimte wordt gerealiseerd, zowel door transformaties, als door bouwprojecten en gebiedsontwikkelingen. Voor de transformaties geldt dat de realisatie van parkeerplaatsen vaak niet mogelijk is door ruimtegebrek. Deze nota parkeernormen zorgt ervoor om op een verantwoorde wijze ruimtelijke ontwikkelingen met minder parkeerplaatsen toch mogelijk gemaakt kunnen worden. De parkeernorm is een vast gegeven, gebaseerd op de functie die wordt gerealiseerd en de omvang ervan.
De parkeereis is het aantal parkeerplaatsen dat uiteindelijk aangelegd dient te worden, nadat de stappen van de berekening in de parkeerbalans doorlopen zijn, zoals de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende functies en de mogelijkheid van het afkopen van een reductie. Naast de gemeentelijke parkeernormen is gebruikgemaakt van de Parkeerstudie Spoorzone Doetinchem (bijlage 19). In deze studie is een gebiedsbrede parkeerbalans opgesteld voor de gehele Spoorzone. Daarbij is rekening gehouden met de toekomstige programmatische invulling van de ontwikkelvelden. De uitkomsten van deze studie vormen een belangrijk uitgangspunt voor de verdere uitwerking van het parkeren binnen de verschillende deelgebieden van de Spoorzone, waaronder Naoberhoek (deel van ontwikkelveld SK-2). Voor de ontwikkelingen gelden diverse parkeernormen. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel: 35 Uit bovenstaande normen blijkt dat er 245 parkeerplaatsen benodigd zijn. Door rekening te houden met bezoekersparkeren en dubbelgebruik tussen wonen, maatschappelijke functies en overige doelgroepen, resteert een maximale parkeervraag van 203 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. De benodigde parkeerplaatsen worden grotendeels gerealiseerd in een collectieve parkeerhub binnen het plangebied.
Door het parkeren te bundelen in een centrale voorzieningen ontstaat binnen de openbare ruimte plaats voor andere functies. Een deel van de parkeerplaatsen, waaronder de voor sociale huurwoningen (Sité) en het COA, wordt expliciet beschikbaar gesteld voor dubbelgebruik. De parkeerhub voorziet met maximaal 207 in voldoende capaciteit om te voldoen aan de berekende parkeervraag. Voor de Spoorzone wordt daarnaast uitgegaan van parkeerregulering. Dit voorkomt dat parkeerders uit andere delen van de stad uitwijken naar het gebied, en wordt geborgd dat de beschikbare parkeerplaatsen primair beschikbaar blijven voor bewoners, bezoekers en gebruikers van de functies in het plangebied, Voor de maatschappelijke functie is in de parkeerbalans gerekend met de parkeernorm voor een gezondheidscentrum, toegepast per 100 m² bvo. Bij een nadere invulling van het programma zal worden bezien of deze uitgangspunten ongewijzigd kunnen blijven of dat bijstelling noodzakelijk is. Eventuele afwijkingen worden binnen het kader van de Nota Parkeernormen 2024 opgevangen. Daarnaast wordt in het plangebied voldoende rekening gehouden met fietsparkeren, zodat toekomstige bewoners hun fiets kunnen stallen zonder dat dit leidt tot (visuele)overlast. 5.5.11 Gebiedsprogramma Spoorzone Doetinchem Voor de Spoorzone Doetinchem is het Gebiedsprogramma Spoorzone Doetinchem 2025 – 2036 opgesteld.
Dit programma vormt de nadere uitwerking van de Structuurschets Spoorzone Doetinchem en geeft richting aan de gefaseerde ontwikkeling van de Spoorzone als hoogstedelijk, gemengd en toekomstbestendig gebied. In het gebiedsprogramma is de Spoorzone aangewezen als een strategische binnenstedelijke ontwikkellocatie met een substantiële woningbouwopgave, gecombineerd met maatschappelijke voorzieningen, werkfuncties, groen en mobiliteit. Het deelgebied Stationskwartier, waarin het initiatief Naoberhoek is gelegen, is bestemd
36 voor een hoge mate van verdichting en functiemenging, met een sterke oriëntatie op het station als mobiliteitsknooppunt. De ontwikkeling Naoberhoek sluit hier direct op aan door de realisatie van stedelijke woonmilieus met een relatief hoge dichtheid, in combinatie met maatschappelijke functies, nieuwe woonconcepten en een geconcentreerde parkeeroplossing in de vorm van een buurthub. De ligging nabij station Doetinchem en de aandacht voor voetgangersverbindingen en duurzame mobiliteit passen bij de uitgangspunten van het gebiedsprogramma. Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen de ambities, ontwikkelprincipes en ruimtelijke uitgangspunten van het Gebiedsprogramma Spoorzone Doetinchem en kan worden beschouwd als een concrete uitwerking daarvan. 5.5.12 Maatschappelijke behoefte Voorliggende ontwikkeling voorziet in een aantoonbare maatschappelijke behoefte binnen de gemeente Doetinchem en de regio Achterhoek. In zowel rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk beleid is vastgesteld dat sprake is van een structureel tekort aa n woningen, in het bijzonder in stedelijke woonmilieus en voor specifieke doelgroepen zoals starters, eenpersoonshuishoudens, studenten en aandachtsgroepen.
De toevoeging van maatschappelijke functies in de plint van de Kop van de Passerelle versterkt bovendien de voorzieningenstructuur en de levendigheid van het Stationskwartier en de Spoorzone als geheel. 5.5.13 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. 5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. 37 6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. 6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
6.1.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels ; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 38 6.1.2 Onderzoek Het akoestisch onderzoek Spoorzone Doetinchem (bijlage 1) is uitgevoerd ten behoeve van enkele ontwikkelingen binnen de Spoorzone.
De belangrijkste resultaten voor Naoberhoek zijn hieronder samengevat. Wegverkeerslawaai Op de zuid- en westgevels van de meest zuidelijke bouwblokken van Naoberhoek wordt de standaardwaarde van 53 dB (Lden) overschreden, met een maximale belasting van 61 dB (Lden) (Hamburgerbroeklaan). De grenswaarde van 70 dB (Lden) wordt nergens overschreden. In het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 is reeds voorzien in de afwaardering van diverse wegen binnen de stad, waaronder de Ambachtsstraat en de Hamburgerbroeklaan, van 50 km/uur naar 30 km/uur. Deze maatregel maakt onderdeel uit van de gemeentelijke ambitie om de verkeersveiligheid te vergroten en de leefkwaliteit te verbeteren. De verlaging van de snelheid zal in de praktijk leiden tot een aanzienlijke vermindering van de geluidbelasting op Naoberhoek. Bij de beoordeling van de omgevingsplanwijziging wordt echter uitgegaan van de huidige verkeerssituatie, waarin deze afwaardering nog niet is gerealiseerd. Hierdoor wordt in het akoestisch onderzoek gerekend met de bestaande snelheid van 50 km/uur. Dit lei dt ertoe dat de geluidbelasting op sommige gevels de standaardwaarde overschrijdt, waardoor sprake is van een afwijking van de standaardwaarde. Spoorlawaai De noordgevels van Naoberhoek kennen een overschrijding van de standaardwaarde. Hier bedraagt het geluid maximaal 59 dB (Lden).
De grenswaarde van 65 dB (Lden) wordt niet overschreden. Bron- of overdrachtsmaatregelen (zoals raildempers of geluidschermen) zijn niet doelmatig of niet stedenbouwkundig inpasbaar. Industrielawaai Vanwege industrieterrein Verheulsweide wordt op de west- en zuidgevels van Naoberhoek de grenswaarde overschreden, met een maximale etmaalwaarde van 58 dB(A). Vanwege industrieterrein Hamburgerbroek wordt op noordgevels de grenswaarde eveneens overschreden, met een maximale etmaalwaarde van 64 dB(A). Deze gevels moeten daarom worden uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevels of als niet- geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen. Ter aanvulling op het akoestisch onderzoek zijn de gehanteerde modelgegevens voor de berekening van het industrielawaai opgenomen in bijlage 1a. Reflectie van geluid Uit akoestisch onderzoek blijkt, dat er sprake is van een verhoging van de geluidbelasting op de gevels van woningen in de omgeving van Naoberhoek door reflectie van het geluid van de papierfabriek op de bebouwing van Naoberhoek. Door het treffen van maatregelen aan Naoberhoek kan de verhoging van de geluidbelasting door reflectie zodanig verlaagd worden, dat gevelgeluidwerende maatregelen aan bestaande woningen in de omgeving van Naoberhoek niet noodzakelijk zijn en er voldaan blijft worden aan het vereiste binnenniveau voor geluid.
Het is nodig om het treffen van maatregelen aan Naoberhoek vast te leggen als regel in het omgevingsplan en daarnaast moeten de hogere geluidbelastingen op gevels van 39 woningen in de omgeving, waar noodzakelijk, worden vastgelegd in een besluit hogere waarde geluid. Geluid van het emplacement Ten zuiden van de spoorlijn bevindt zich het emplacement van station Doetinchem. Op de gevels van Naoberhoek bedraagt de etmaalwaarde maximaal 64 dB(A). Dit is een overschrijding van de grenswaarde, wat betekent dat deze gevels eveneens niet - geluidgevoelig of als niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen moeten worden uitgevoerd. Cumulatie van geluid In het onderzoek is ook de cumulatie van geluid van alle relevante bronnen beoordeeld. Het gecumuleerd geluid varieert van goed tot slecht, volgens de indeling van Miedema. Met de noodzakelijke maatregelen (geluidluwe gevels + gevelwering) wordt echter voor elke woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd. Indirecte effecten Voor Naoberhoek zelf treden geen relevante overschrijdingen op door gewijzigde verkeersstructuren. 6.1.3 Conclusie Op basis van het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting op Naoberhoek grotendeels binnen aanvaardbare grenzen blijft.
Voor wegverkeerslawaai, industrielawaai en geluid van het emplacement worden overschrijdingen vastgesteld die kunnen worden gecompenseerd door bouwkundige maatregelen of door bepaalde gevels als niet-geluidgevoelig uit te voeren. Na uitvoering van de genoemde maatregelen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging van Naoberhoek. 6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens dez e regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
40 De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2 Onderzoek Voor dit aspect is de luchtkwaliteit ter plaatse beoordeeld (bijlage 2). Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot is voldoende duidelijk dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling 6.2.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
41 6.3.1 (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2 Onderzoek Met de ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn bedrijfsmatige activiteiten aanwezig die geur uitstoten. Er is een milieukundige analyse uitgevoerd ten aanzien van omliggende bedrijven. Deze is opgenomen in bijlage 3. Voor het aspect geur vanuit bestaande bedrijven is slechts een aandachtspunt bij twee bedrijven: een diervoederfabriek en een bedrijf dat voedingsmiddelen produceert.
Bij beide bedrijven zijn echter eisen gesteld in de vergunning, waardoor dit niet leidt tot beperkingen van het realiseren van geurgevoelige gebouwen in het plangebied. 6.3.3 Conclusie Het aspect geur is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg - en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. 6.4.1 (Wettelijk) kader De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. 42 6.4.2 Onderzoek Voor Naoberhoek is een uitgebreid trillingsonderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Het onderzoek richt zich op de toekomstige woningen.
De afstand van de verschillende bouwblokken tot de spoorlijn varieert van ongeveer 7 tot 95 meter. Uit het onderzoek blijkt dat het wissel in spoor 2 ter hoogte van de locatie maatgevend is voor de trillingsniveaus. Treinpassages over dit wissel veroorzaken duidelijk hogere trillingen dan reguliere passages. Deze betreffende treinen rijden echter niet in de nachtperiode, waardoor de strengere nachtstreefwaarden van de SBR-richtlijn niet bepalend zijn. Tijdens het onderzoek zijn op vijf meetlocaties gedurende een volledige week trillingsmetingen uitgevoerd. Vervolgens zijn meerdere bouwkundige varianten doorgerekend met een semi-empirisch rekenmodel, waaronder betonbouw, kalkzandsteen/metselwerk en houtskeletbouw. Uit de resultaten blijkt dat conventionele bouwmethoden (beton en kalkzandsteen/metselwerk) ruimschoots voldoen aan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn, zowel voor Vmax als Vper. De berekende waarden blijven binnen de voorkeurs- en toelaatbare streefwaarden, ook op de meest trillingsbelaste plekken. Bij houtskeletbouw, een lichtere constructiemethode, kunnen binnen ongeveer 15 meter van het spoor incidenteel hogere trillingsniveaus optreden die de dagstreefwaarde kunnen overschrijden.
Deze mogelijke overschrijdingen zijn echter te voorkomen door aanvullende maatregelen, zoals het toepassen van een stijvere fundering, dikkere vloeren of specifieke trillingsisolerende voorzieningen. Het onderzoek concludeert dat bij toepassing van deze maatregelen ook voor houtskeletbouw de hinder kan worden voorkomen en voldaan kan worden aan de SBR-streefwaarden. Voor de meest nabijgelegen bouwblokken wordt daarom geadviseerd geen lichte bouwmethoden toe te passen zonder aanvullende berekeningen of maatregelen. Bij voorkeur wordt binnen deze zone gebouwd met een stijve constructie, zoals beton. 6.4.3 Conclusie Uit het trillingsonderzoek blijkt dat de trillingsbelasting op Naoberhoek beheersbaar is en dat bij toepassing van conventionele bouwmethoden zonder aanvullende maatregelen wordt voldaan aan de streefwaarden van de SBR-richtlijn. Alleen bij toepassing van houtskeletbouw op korte afstand van het spoor kunnen maatregelen noodzake lijk zijn, maar deze zijn goed uitvoerbaar. Daarmee is vastgesteld dat voor de toekomstige woningen op de locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. 6.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 43 6.5.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
6.5.2 Onderzoek Voor Naoberhoek zijn twee uitgebreide verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd volgens NEN 5740, aangevuld met vooronderzoek conform NEN 5725 (bijlage 5 en 6). In aanvulling daarop is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar asbest in grond (NEN 5707) en asbest in puin (NEN 5897). Het rapport is opgenomen als bijlage 5a.De onderzoeken hebben betrekking op (delen van) de ontwikkellocatie en sluiten qua bevindingen goed op elkaar aan. De uitgevoerde bodemonderzoeken bestaan uit een vooronderzoek en veldwerk met boringen, peilbuizen en analyse van grond en grondwater. Tijdens het veldwerk zijn in de bovenlaag (0–0,5 m-mv) puin-, slak- en baksteenbijmengingen aangetroffen, passend bij het historische gebruik van het terrein. In eerdere onderzoeken (2020) was in één monster een laag gehalteniveau asbest (0,4 mg/kg ds) aangetroffen; de nieuwe onderzoeken bevestigen dat er geen verhoogde asbestconcentraties aanwezig zijn. Zowel het Sigma-onderzoek als het Aveco-onderzoek toont aan dat in de bovengrond lichte verhogingen van zware metalen en PAK aanwezig zijn. In één ouder onderzoek werd een verhoogd arseengehalte gevonden. Dit is door Aveco beoordeeld als natuurlijk verhoogd en dus niet saneringsplichtig. PCB’s en minerale olie zijn alleen in lage concentraties aangetoond.
De ondergrond voldoet grotendeels aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, zoals weergegeven op de regionale bodemkwaliteitskaart. Uit het aanvullende Sigma-onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik en dat geen nader bodemonderzoek nodig is. Er zijn geen verhoogde asbestgehalten aangetroffen. PFAS is aanvullend onderzocht vanwege mogelijk toekomstig grondverzet. De aangetroffen gehalten zijn laag en binnen de toepassingsnormen. In het grondwater zijn geen waarden gemeten die wijzen op een verontreinigingssituatie. Één bovengrondmengmonster is op basis van PFAS geclassificeerd als wonen/industrie. Dit 44 vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, maar moet bij eventueel grondverzet worden betrokken. Uit de onderzoeken volgt dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en dat de diffuse lichte verontreinigingen passen binnen een stedelijke context en geen risico vormen voor het beoogde gebruik. Zowel Sigma als Aveco concludeert dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie wonen. 6.5.3 Conclusie Uit de verrichte bodemonderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse van Naoberhoek geschikt is voor het beoogde gebruik. Er zijn geen ernstige verontreinigingen aangetoond en de aanwezige lichte verhogingen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.
Er zijn geen saneringsmaatregelen noodzakelijk en het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van de omgevingsplanwijziging . 6.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.6.2 Onderzoek Verkeergeneratie De ontwikkeling van project Naoberhoek voorziet in maximaal 286 woningen en aanvullende functies zoals werken en maatschappelijke voorzieningen. De locatie ligt direct naast station Doetinchem en binnen het stedelijk gebied van de Spoorzone, wat uitstekende ontsluiting met het openbaar vervoer, fiets en voetgangersverkeer biedt. Op basis van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren) wordt de verkeersgeneratie van stedelijke woonprojecten in OV-rijk gebied relatief laag ingeschat. Verwacht wordt dat de verkeersbewegingen grotendeels via de Terborgseweg en Ambachtstraat worden afgewikkeld, beide wegen met voldoende capaciteit.
Er worden geen negatieve effecten verwacht op de verkeersveiligheid of doorstroming. Parkeren Voor de toetsing aan de Nota Parkeernormen Doetinchem 2024 en de Parkeervisie wordt verwezen naar subparagraaf 5.5.10. 45 6.6.3 Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.
Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 46 6.7.2 Onderzoek In de Atlas Leefomgeving is (ook) het onderwerp omgevingsveiligheid raadpleegbaar. In en rondom Naoberhoek bevinden zich geen milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico zoals opgenomen in bijlage VII Bkl. Figuur 13: uitsnede milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico (bron: Atlas Leefomgeving) 6.7.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid is niet in strijd met de instructieregels. Daarmee kan gesteld worden dat het aspect omgevingsveiligheid verder geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen.
Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de
47 soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is onderzocht of de uitvoering en het gebruik van het project kunnen leiden tot significante negatieve effecten op Natura 2000 -gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied en ligt op ruime afstand van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Duitse gebied NSG Hetter-Millinger Bruch, op een afstand van circa 12 kilometer. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Directe ruimtelijke effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten. Ten behoeve van het gehele projectgebied is een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS Calculator (bijlagen 15 t/m 18). In deze berekening zijn zowel de aanlegfase (rekenjaren 2026 en 2027) als de gebruiksfase (rekenjaar 2028) betrokken. Daarbij zijn alle relevante emissiebronnen meegenomen, waaronder mobiele werktuigen, bouwverkeer en verkeer in de gebruiksfase.
De gebouwen worden aardgasloos gerealiseerd, waardoor geen stikstofemissies optreden vanuit gebouwgebonden energiegebruik. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat in geen van de onderzochte fasen sprake is van een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Voor alle beschouwde Natura 2000-gebieden is derhalve vastgesteld dat geen sprake is van een meetbare toename van stikstofdepositie. Geconcludeerd wordt dat het project Naoberhoek niet leidt tot significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is niet noodzakelijk en er is geen sprake van een vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet. Soortenbescherming Uit de uitgevoerde Quickscan flora en fauna (bijlage 8) blijkt dat het plangebied voornamelijk bestaat uit een open, ruderaal terrein zonder bebouwing, water of oude bomen. Hierdoor is het gebied slechts beperkt geschikt voor strikt beschermde soorten. Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Mogelijk komen algemene zoogdieren zoals konijn voor. Deze soorten zijn vrijgesteld binnen ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij enkel de zorgplicht geldt. Vleermuisverblijfplaatsen of essentiële vliegroutes zijn uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikte structuren.
In de aanwezige ruigtevegetatie kunnen algemene broedvogels voorkomen, zodat verstoring van het broedseizoen moet worden voorkomen door werkzaamheden buiten deze periode uit te voeren of vooraf te controleren op broedsels. Verder is het terrein ecologisch geschikt voor de teunisbloempijlstaart. Omdat de veldinspectie buiten de optimale onderzoekstijd plaatsvond, is voor deze soort aanvullend onderzoek nodig in de 48 periode eind juni tot eind juli. Voor overige soortgroepen, zoals amfibieën, reptielen en vissen, zijn negatieve effecten uitgesloten vanwege de afwezigheid van geschikt habitat. Boom effect analyse In het kader van de ontwikkeling van Naoberhoek is een Boom Effect Analyse (BEA) (bijlage 9 tot en met 12) uitgevoerd om vast te stellen welke bomen binnen en rondom het plangebied aanwezig zijn, wat de staat en toekomstverwachting van deze bomen is en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling op deze bomen kan hebben. In totaal zijn 17 bomen op de Naoberhoek-locatie geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat de meeste bomen een goede conditie hebben en een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar. De boomveiligheidscontrole toont aan dat vrijwel alle bomen goedgekeurd zijn en geen directe risico’s opleveren. Alleen boom 8 is aangemerkt als risicoboom. Daarnaast is de potentiële verplantbaarheid beoordeeld.
De bomen op de Naoberhoek - locatie zijn niet verplantbaar, hoofdzakelijk vanwege de boomsoort (honingboom), die slecht verplantbaar is en zeer gevoelig voor verstoring van het wortelgestel. Dit betekent dat behoud óf kap met compensatie de enige realistische opties zijn wanneer bom en door de planvorming in het gedrang komen. Voor het kappen van een boom (niet-openbare houtopstand), met een stamdiameter van meer dan 38 cm en 1,30 meter hoogte geldt dat het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk is. 6.8.3 Conclusie Het aspect natuur is niet in strijd met de instructieregels. Ten aanzien van gebiedsbescherming is op basis van de uitgevoerde AERIUS-stikstofberekening vastgesteld dat het project Naoberhoek niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Significante negatieve effecten zijn uitgesloten. Het aspect natuur vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het p roject. Op basis van de Quickscan flora en fauna kan worden geconcludeerd dat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan , mits nader onderzoek naar teunisbloempijlstaart wordt uitgevoerd in de periode eind juni – eind juli, of dat mitigerende maatregelen worden getroffen indien de soort voorkomt .
De BEA laat zien dat de bomen binnen het plangebied overwegend in goede conditie verkeren, een lange levensverwachting hebben en veiligheidskundig acceptabel zijn. De honingbomen die in het plangebied staan, zijn echter niet verplantbaar, waardoor toekomstige planuitwerking moet bepalen welke bomen behoudenswaardig zijn en welke mogelijk moeten worden verwijderd. 6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 49 6.9.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
6.9.2 Onderzoek Cultuurhistorie Binnen het plangebied bevindt zich geen bestaande bebouwing en er zijn beschermde cultuurhistorische elementen aanwezig. Cultuurhistorische waarden spelen daarom geen rol bij dit initiatief. Archeologie In het geldende bestemmingsplan heeft het gebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 6’, wat betekent dat archeologisch onderzoek nodig kan zijn bij ingrepen dieper dan 30 cm. Voor de ontwikkeling van Naoberhoek is daarom een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 13). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deels is verstoord en dat in de overige delen sprake is van ophooglagen. Tijdens het veldonderzoek werden geen aanwijzingen aangetroffen voor archeologische vindplaatsen. Slechts een enkele houtskoolspikkel werd waargenomen, waarvan een natuurlijke herkomst waarschijnlijker wordt geacht. In het onderzoeksrapport is op basis van het opgestelde archeologisch verwachtingsmodel geadviseerd om voor de zones met een hoge archeologische verwachting vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De regioarcheoloog bevestigt in zijn beoordeling (zie bijlage 14) van 13 november 2025 dat het onderzoek voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en aan het gemeentelijk archeologiebeleid.
Hij onderschrijft dat het plangebied ten dele verstoord is en dat de kans op behoudenswaardige archeologische waarden gering is. De aangetroffen houtskoolspikkel vormt volgens de regioarcheoloog geen aanleiding voor vervolgonderzoek. Hij concludeert dat vervolgonderzoek voor Naoberhoek niet noodzakelijk is en dat het plangebied kan worden vrijgegeven voor archeologie. Eventuele toevalsvondsten moeten worden gemeld conform het Verdrag van Malta. 6.9.3 Conclusie Hoewel in het archeologisch vooronderzoek voor delen van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, is op basis van de beoordeling door de regioarcheoloog geconcludeerd dat de kans op archeologische waarden in het plangebied gering is. Het gebied kan daarom worden vrijgegeven, en archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Cultureel erfgoed vormt daarmee geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging. 50 6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.
6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.
Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.10.2 Onderzoek energietransitie en circulariteit De toekomstige woningen zullen voldoen aan de BENG-norm en de milieuprestatie-eis, zoals gesteld in het Bbl. Met de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen worden berekeningen opgenomen waarin wordt aangetoond dat de nieuwe woningen voldoen aan de BENG-norm en milieuprestatie-eis. Hetzelfde geldt voor het treffen van circulaire maatregelen, dit wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag. Na het opstellen van de inspiratiebundel (paragraaf 5.5.5) is een plan van aanpak en een uitvoeringsagenda Circulaire Economie ontwikkeld. In deze documenten staat concreet beschreven wat de ambities van de gemeente Doetinchem zijn op het gebied van circulair 51 bouwen: minimaal 25% circulair bouwen in 2029, vanaf 2030 wordt dit verhoogd naar 50%, en in 2050 wordt er in de gemeente Doetinchem volledig circulair gebouwd (100%). Onder circulair bouwen verstaan we hergebruik, conceptueel bouwen en biobased bouwen. Daarnaast wordt in de documenten gepleit voor een integrale aanpak van alle duurzaamheidsthema’s, onder de noemer Toekomstbestendige Gebiedsontwikkeling (TBGO).
Binnen gemeentelijke bouwprojecten passen wordt deze aanpak toegepast. Hiervoor neemt de gemeente deel aan de landelijke samenwerkingsagenda TBGO. De Spoorzone is aangedragen als een gebied dat de gemeente toekomstbestendig wil ontwikkelen. 6.10.3 Onderzoek klimaatadaptatie en water Waterberging Als uitgangspunt geldt dat hemelwater zoveel mogelijk op eigen terrein wordt vastgehouden en geborgen. Voor nieuwe verharding wordt uitgegaan van een minimale berging van 20 mm/m2 op eigen terrein. Daarnaast wordt rekening gehouden met een extreme bui (T=100+10%), wat neerkomt op een benodigde berging van circa 80 mm neerslag, zonder dat wateroverlast mag ontstaan binnen het plangebied. Bij de verdere uitwerking van de waterhuishouding wordt aangesloten bij de uitgangspunten van Waterschap Rijn en IJssel. Daarbij geldt dat hemelwater bij voorkeur lokaal wordt verwerkt door middel van infiltratie in de bodem. Infiltratievoorzieningen worden zodanig aangelegd dat deze boven de gemiddelde grondwaterstand worden geplaatst en deels boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Daarnaast worden de voorzieningen zo ontworpen dat zij binnen 24 uur weer beschikbaar zijn voor een volgende neerslaggebeurtenis. Indien hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater plaatsvindt, wordt uitgegaan van een leeglooptijd van maximaal 48 uur.
In de vervolgfase worden de infiltratie- en bergingsvoorzieningen in afstemming met het waterschap nader uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan voor de gehele Spoorzone. Het totale oppervlak van de ontwikkeling bedraagt circa 7.600 m2. Indien wordt uitgegaan van een bebouwd en verhard oppervlak van circa 2.550 m2, resulteert dit in een indicatieve waterbergingsopgave van circa 204 m3. Gezien het programma en het beperkte aantal private tuinen zal de waterberging grotendeels plaatsvinden op en onder de bebouwing, en in de openbare ruimte. De ondergrond bestaat volgens de regionale bodemgegevens uit overwegend zandige afzettingen, die in theorie een goede infiltratiecapaciteit kennen. Lokaal kunnen echter ook leem- en kleilagen voorkomen. Om deze reden is in de verdere planuitwerking nader onderzoek naar de doorlatendheid van de bodem wenselijk. Klimaatadaptatie Voor de ontwikkeling van Naoberhoek is onderzocht hoe het plan invulling geeft aan klimaatadaptatie en een toekomstbestendig watersysteem. Hierbij is aangesloten bij de 52 uitgangspunten van de Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. De maatlat vraagt om een groene en waterbewuste inrichting waarbij ruimte wordt geboden aan verkoeling, infiltratie en vergroting van de biodiversiteit.
In het plan wordt hieraan voldaan door een inrichting die rekening houdt met hittestress, hevige neerslag en droogte. Groenelementen en bomen zorgen voor schaduw en een verbeterd microklimaat, en verharding wordt waar mogelijk beperkt of uitgevoerd in waterpasserende materialen. Hemelwater wordt in beginsel op eigen terrein verwerkt door infiltratie in groenstroken en bodem, zodat het rioolstelsel niet wordt belast en de waterhuishouding robuust blijft. Wateroverlast Op de kaarten van de Klimaatatlas Doetinchem is het risico van wateroverlast in beeld gebracht voor een bui met respectievelijk een kans van eens per 100 jaar (70 mm in 1 uur) en eens per 1.000 jaar (160 mm in 2 uur). Op de kaarten is te zien dat het westelijk deel van het projectgebied, op basis van het model, in de huidige staat gevoelig is voor wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. Gezien de lagere ligging van dit deel is er risico op een grote waterdiepte na een klimaatbui. De Hamburgerbroeklaan ligt hoger en blijft bij beide neerslaggebeurtenissen grotendeels begaanbaar. 53 Figuur 14: uitsnede projectgebied bij bui van 70 mm in 1 uur (bron: Klimaatatlas)
54 Figuur 15: uitsnede projectgebied bij bui van 160 mm in 2 uur (bron: Klimaatatlas) Door de toepassing van voldoende waterberging, infiltratievoorzieningen en een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte wordt voorkomen dat bij hevige regenval wateroverlast ontstaat binnen het plangebied. In de verdere uitwerking wordt tevens aandacht besteed aan de hoogteligging van maaiveld en bebouwing, zodat water niet kan instromen in gebouwen. Voor het gebied geldt een bergingseis van 80 mm/m2 voor verhard oppervlak. Om wateroverlast zoveel mogelijk te beperken en te voorkomen wordt deze bergingseis daarom als regel in het omgevingsplan opgenomen. Daarmee is ten aanzien van wateroverlast de klimaatadaptatie van het plan onderbouwd. Hitte Het projectgebied, en dan met name het westelijk deel geldt momenteel als koelere plek in de omgeving. Dit heeft te maken met het ontbreken van bebouwing en verdere
55 verharding. De ontwikkeling voorziet in een stedelijk programma met een relatief hoge dichtheid. Om hittestress te beperken wordt ingezet op vergroening van de openbare ruimte. De inrichting biedt ruimte voor groen en waterberging. De locatie wordt daarmee zoveel mogelijk klimaatrobuust ingericht. Droogte De nieuwe ontwikkeling houdt rekening met het aspect droogte door water zoveel mogelijk volgens de voorkeurswijze van het waterschap (1) te bergen (bij voorkeur infiltratie), (2) vast te houden, en dan pas (3) af te voeren. Overstroming Er geldt voor het plangebied een klein overstromingsrisico (1/300 – 1/3000 jaar). Maatregelen die hiervoor zouden kunnen worden genomen zijn bijvoorbeeld het niet op de begane grond plaatsen van vitale infrastructuur. Eventuele maatregelen volgen bij verdere planuitwerking. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater wordt binnen het plangebied als vuilwater ingezameld en via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Het hemelwater wordt hiervan gescheiden gehouden en zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden, geborgen en geïnfiltreerd of, indien nodig, vertraagd afgevoerd. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater de vuilwaterafvoer onnodig belast. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater toe.