B13.00 Onderbouwing Naoberhoek, Doetinchem
Tekst van het document
De exacte aansluiting op het gemeentelijke rioolstelsel en de daarvoor beschikbare capaciteit worden in de technische uitwerking afgestemd het waterschap. 6.10.4 Conclusie Op basis van de huidige inzichten kan de ontwikkeling worden gerealiseerd met voldoende waterberging en klimaatadaptieve maatregelen, conform het beleid van de gemeente en het waterschap. De wateropgave is inzichtelijk gemaakt en er is binnen de Spoorzone voldoende ruimte om de ze opgave op te lossen. In de vervolgfase wordt dit nader uitgewerkt en geborgd via een waterhuishoudkundig plan. Hiermee wordt voldaan aan de provinciale instructieregels ten aanzien van klimaatadaptatie (art. 5.84 en 5.85, zie ook paragraaf 5.2.2). Verder is hiermee ook gemotiveerd hoe het planvoornemen voldoet aan de doelen uit het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap Rijn en IJssel. Het aspect duurzaamheid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Er wordt geconcludeerd dat het voorliggend plan voldoende aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid, waaronder ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. Ten aanzien van klimaatadaptieve maatregelen kan worden gesteld dat binnen het plan voldoende maatregelen kunnen worden getroffen ter voorkoming of beperking van mogelijke risico's als gevolg van klimaatverandering.
Hiermee wordt voldaan aan de provinciale instructieregels ten aanzien van klimaatadaptatie (art. 5.84 en 5.85, zie ook paragraaf 5.2.2). Verder is hiermee ook gemotiveerd hoe het planvoornemen voldoet aan de doelen uit het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap Rijn en IJssel. Het aspect duurzaamheid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 56 6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.- beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’, zoals opgenomen onder J11 in Bijlage V bij het Ob. Voor voorliggende ontwikkeling is in hoofdstuk 6 per omgevingsaspect beschreven welke invloed de ontwikkeling heeft op de fysieke leefomgeving. Bij elk aspect is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot negatieve milieueffecten. Daarom kan worden geconcludeerd dat voorliggend project niet leidt tot negatieve milieueffecten en dat het opstellen van een mer-beoordeling niet noodzakelijk is.
57 6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potenti ële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. 6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied ’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Onderzoek De ontwikkeling Naoberhoek maakt onder andere de realisatie van nieuwe woningen mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied van Doetinchem. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. De Ladder is daarom van toepassing.
Voor de beoordeling van de behoefte wordt aangesloten bij het regionale en gemeentelijke woningbouwprogramma, zoals vastgelegd in de Woonagenda Achterhoek en de gemeentelijke Woonvisie Doetinchem. In deze documenten is opgenomen dat Doetinchem tot 2030 een stevige woningbouwopgave heeft. Deze ontwikkeling draagt direct bij aan het realiseren van deze opgave. De woningtypen sluiten aan bij de actuele vraag: compacte appartementen, doelgroepenwoningen en betaalbare segmenten. Daarmee voorziet het plan in een duidelijke en aantoonbare 58 behoefte, die zowel kwantitatief als kwalitatief is onderbouwd in het gemeentelijke en regionale beleid. 6.12.3 Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee wel aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl. 6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning.
In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit” . Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet- plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld.
Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl - regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. 6.13.2 Onderzoek Het initiatief betreft hoofdzakelijk de realisatie van woningen, aangevuld met maatschappelijke functies, ondersteunende voorzieningen en een buurthub voor parkeren 59 en fietsen. Dit type functies wordt niet aangemerkt als een nieuwe zware milieubelastende activiteit. Er worden geen bedrijven of installaties mogelijk gemaakt die vallen onder hogere milieucategorieën of die relevante emissies van geluid, geur, stof of gevaarlijke stoffen veroorzaken. Wel kunnen enkele onderdelen van het initiatief worden aangemerkt als lichte milieubelastende activiteiten, zoals verkeersbewegingen, parkeer- en laad- en losactiviteiten en het gebruik van installaties voor verwarming en ventilatie van gebouwen. Deze activiteiten zijn inherent aan stedelijk wonen en verblijven en passen bij de beoogde stedelijke omgeving van het Stationskwartier.
De milieueffecten hiervan zijn onderzocht binnen de afzonderlijke milieuonderzoeken (onder andere geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid) en blijven binnen de geldende normen en richtwaarden. 6.13.3 Conclusie Het aspect ‘milieubelastende activiteiten’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan in niet in strijd met de instructieregels. Het opnemen van regels en/of het treffen van maatregelen is niet noodzakelijk. 6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.
De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Onderzoek Gezondheidsbescherming (milieuhygiënische situatie) Diverse omgevingsaspecten hebben een directe relatie met gezondheid, zoals geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, bodem en omgevingsveiligheid. Uit de afzonderlijke paragrafen hierover blijkt dat binnen het plangebied geen sprake is van significante negatieve milieueffecten voor de gezondheid. Waar nodig worden mitigerende maatregelen getroffen om een veilig en gezond woon- en leefmilieu te waarborgen. 60 Naast deze milieuhygiënische aspecten zijn ook windhinder, schaduwwerking, uitzicht en privacy relevant voor het woon- en leefklimaat. Deze worden hieronder afzonderlijk toegelicht. Windhinder Windhinder kan optreden rond hogere gebouwen, zoals woontorens, kantoren of hotels, waar verhoogde windsnelheden kunnen leiden tot een onaangenaam of zelfs onveilig verblijfsklimaat. Windhinder maakt deel uit van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2 Omgevingswet) en valt daardoor onder de gemeentelijke taak tot een evenwichtige functietoedeling. Hoewel er geen specifieke wettelijke normen bestaan, biedt de NEN 8100 een erkend beoordelingskader.
Deze norm onderscheidt windklimaten op basis van gemiddelde windsnelheden (m/s) en overschrijdingskansen (% van de uren per jaar), afhankelijk van de gebruiksfunctie van de buitenruimte (lopen, slenteren, zitten). Volgens deze norm geldt: • Bij gebouwen hoger dan 30 meter is een windonderzoek verplicht; • Bij beschut gelegen gebouwen van 15 tot 30 meter beoordeelt een specialist de noodzaak tot onderzoek; • Bij onbeschut gelegen gebouwen tot 30 meter wordt eveneens een deskundigenoordeel gevraagd. Schaduwwerking Hoge gebouwen kunnen een langdurige of overmatige schaduw veroorzaken. Vooral solitaire hoogbouw kan leiden tot hinder bij omliggende woningen. Door middel van bezonningstudies en schaduwdiagrammen wordt inzicht verkregen in de bezonning van gevels en de extra schaduwval op de omgeving. Schaduwwerking maakt, net als windhinder, onderdeel uit van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2 Omgevingswet). De TNO-norm wordt hierbij vaak toegepast als beoordelingskader. Deze schrijft voor dat gevels van woningen gedurende minimaal 2 à 3 uur per dag zonlicht ontvangen gedurende 8 tot 10 maanden per jaar, gemeten in het midden van de vensterbank aan de binnenzijde van het raam. Uitzicht en privacy Ook het verlies aan uitzicht en de aantasting van privacy zijn aspecten die relevant zijn bij de realisatie van hoogbouw.
Net als bij windhinder en schaduwwerking is er geen wet - en regelgeving die dit tegengaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft herhaaldelijk overwogen dat er geen blijvend recht op (vrij) uitzicht bestaat. Dat laat onverlet dat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd waarom het belang bij het behoud van het uitzicht niet opweegt tegen het belang dat bestaat bij realisering van de hoogbouw. Ditzelfde geldt ook voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy. Hierbij geldt logischerwijs dat naarmate hoogbouw op een grotere afstand van andere percelen en bebouwing wordt gerealiseerd, de kans op inbreuk op privacy afneemt. Een algemene lijn in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State lijkt te zijn dat hoge bebouwing op korte afstand van andere (lage) bebouwing in een stedelijke omgeving niet ongebruikelijk is en sneller aanvaardbaar moet worden geacht. Borging 61 De omgevingsplanwijziging maakt de realisatie van gemengde functies mogelijk (zoals wonen en maatschappelijke voorzieningen).
In de planregels wordt geborgd dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet worden aangetoond dat het bouwplan leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mede bezien vanuit de aspecten: • windhinder, • schaduwwerking, • uitzicht, en • privacy. Gezondheidsbevordering Met de inrichting van het projectgebied wordt verder invulling gegeven aan het aspect gezondheid. De nieuwbouw die in het projectgebied zal plaatsvinden en de stedenbouwkundige kwaliteit die daarbij wordt nagestreefd (zoals vastgelegd in het Gebiedsprogramma Spoorzone Doetinchem), zorgen ervoor dat de woonomgeving en huisvesting een positieve bijdrage leveren aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied. 6.14.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het realiseren van de ontwikkeling draagt bij aan een gezonde leefomgeving waarin toekomstige bewoners prettig kunnen wonen. 6.15 Ontplofbare Oorlogsresten De gemeente Doetinchem beschikt over een verwachtingskaart ontplofbare oorlogsresten (OO). Deze kaart geeft aan of voor een gebied een verhoogde verwachting geldt op de aanwezigheid van explosieven. De locatie Naoberhoek ligt binnen een rood gekleurd gebied, hetgeen betekent dat een hoge verwachting bestaat op mogelijke aanwezigheid van OO in de bodem.
62 Figuur 16: verwachtingskaart ontplofbare oorlogsresten 6.15.1 Onderzoek Deze hoge verwachting wordt bevestigd door het uitgevoerde vooronderzoek voor het spoortracé Zevenaar–Winterswijk (bijlage 7). Uit dat onderzoek blijkt dat het stationsgebied van Doetinchem tijdens de Tweede Wereldoorlog meerdere malen doelwit is geweest van geallieerde bombardementen, waaronder het bombardement van 30 november 1944 waarbij de nabijgelegen Beccon-fabriek werd verwoest. De luchtfoto van 21 maart 1945 toont bovendien dat de spoorbrug over de Oude IJssel is opgeblazen, waarschijnlijk door de Duitse bezetter, en dat grote delen van de spooromgeving zwaar beschadigd waren. Hoewel de grote Amerikaanse bombardementen van 19, 21 en 23 maart 1945 vooral het stadscentrum troffen, blijkt uit het vooronderzoek dat het gehele spoorgebied in deze periode een dynamisch oorlogsgebied was. De naoorlogse luchtfoto’s tonen daarnaast dat veel bebouwing in de omgeving van het station na 1945 opnieuw is opgetrokken, wat erop duidt dat de bodem mogelijk is geroerd maar niet volledig is opgeschoond. Dit alles ondersteunt de conclusie dat in de bodem van de Spoorzone theoretisch nog OO aanwezig kunnen zijn. Een locatiespecifiek explosievenonderzoek wordt pas uitgevoerd bij de omgevingsvergunning voor de bouw, omdat dan bekend is welke graafwerkzaamheden en welke dieptes aan de orde zijn.
63 6.15.2 Conclusie Met betrekking tot het onderzoek naar niet-gesprongen explosieven geldt dat het uitgevoerde vooronderzoek voldoende is om de omgevingsplanwijziging te onderbouwen. Er hoeven geen specifieke regels over ontplofbare oorlogsresten in het omgevingsplan te worden opgenomen. Wél moet het nader onderzoek plaatsvinden vóór aanvang van bodemroerende werkzaamheden. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 64 7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1 Financieel economische haalbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. Met betrekking tot de ontwikkeling van de Naoberhoek geldt dat de gemeente Doetinchem eigenaar is van de gronden in het oostelijk deel van het projectgebied Daarmee kan zij de grondexploitatie beheersen en voorwaarden stellen aan programma, duurzaamheid en doelgroepen. Waar het westelijk deel is een anterieure overeenkomst gesloten met Sité. De kosten voor planvoorbereiding, openbare ruimte en waterberging worden verhaald via grondverkoop en anterieure overeenkomsten met ontwikkelende partijen.
Er wordt uitgegaan van een sluitende grondexploitatie. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee gewaarborgd. 7.1.2 Nadeelcompensatie Onder de Omgevingswet is het zogenoemde schademoment verplaatst naar het moment van vergunningverlening. Dat betekent dat pas bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan worden beoordeeld of sprake is van daadwerkelijk compensabele schade. Omdat in deze planfase nog geen vergunning is verleend, kan de daadwerkelijke hoogte van een eventuele schadevergoeding nu nog niet worden vastgesteld. Op basis van een beoordeling van de voorgenomen ontwikkeling en de omgeving wordt verwacht dat het initiatief slechts in beperkte mate kan leiden tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie. Mogelijke planologische nadelen kunnen zich met name voordoen bij enkele nabijgelegen gronden, terwijl voor het merendeel van de omliggende functies en bedrijven geen relevant of slechts zeer beperkt nadeel wordt voorzien. Eventuele schadeclaims zullen bovendien worden beoordeeld aan de hand van het normaal maatschappelijk risico en de overige beoordelingscriteria uit hoofdstuk 15 van de Omgevingswet. 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform.
De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. 65 Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.