CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B12.00 Onderbouwing Hamminkstraat naast 15, Gaanderen

beeldvormende raad 14 oktober 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2026-1G17.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De totale bergingseis van (29,28 + 18,8) = 48,08 m³ kan dan door de wadi worden opgevangen. Theoretisch gezien heeft de wadi zelfs nog restcapaciteit over. Naast het verdiepen van de wadi worden verschillende methoden ingezet om regenwater op te vangen. Dit omvat het gebruik van regenwaterbuffers, infiltratie in tuinen en vlonders die water doorlaten. In het plan worden regenwaterbuffers 34 35 geïntegreerd als onderdeel van natuurinclusief bouwen. De buffers worden rondom de woningen toegepast. De buffers zijn van middelbare grootte en hebben een grootte van op en nabij de 4 tot 5 m3 per woning. Hiermee wordt het regenwater opgevangen en hergebruikt voor tuinonderhoud, het besproeien van planten en bloemen, en voor huishoudelijk gebruik, zoals toiletspoeling. Op deze manier blijft een groot deel van het regenwater op een circulaire manier binnen het projectgebied. Door het gebruik van deze buffers kan de wadi, indien gewenst, minder diep worden uitgevoerd. De buffers bestaan uit infiltratiekratten en ondergrondse opvangsystemen. Het perceel biedt voldoende ruimte om deze systemen te realiseren, waarmee de volledige bergingseis voor de woningen wordt gedekt.

Overige watermaatregelen Om wateroverlast te voorkomen en infiltratie te bevorderen, worden de volgende maatregelen genomen: • Groene daken (50% van het dakoppervlak) • Halfverharding en grastegels • Natte vegetatie in en langs de wadi • Doorlatende vlonders bij woningen • Groene inrichting van erven en tuinen • Regenwaterbuffers voor hergebruik in de woningen • Volledige afkoppeling van hemelwater Het hemelwater wordt volledig lokaal verwerkt en niet aangesloten op het riool. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool in de Hamminkstraat. De capaciteit van het rioolstelsel is bevestigd door BUHA. Conclusie Het plan is klimaatadaptief en robuust ingericht: • Bouwpeilen en rijbaanhoogtes zijn afgestemd op natuurlijke afstroming richting de wadi • Wadi met 33 m³ capaciteit kan de bergingseis van wegen en een deel van de woningen opvangen • De wadi kan verdiept worden waardoor het de bergingseis van zowel de wegen als de woningen kan opvangen • Infiltrerende oppervlakken en regenwaterbuffers zorgen voor aanvullende berging • Ondergrondse wateropvangsystemen kunnen worden gerealiseerd indien blijkt dat in de praktijk toch minder water wordt vastgehouden dan theoretisch berekend.

• Al het water wordt lokaal verwerkt, waardoor overlast wordt voorkomen 36 • Het gebruik van uitlogende en milieubelastende materialen in nieuwe bebouwing en verharding is uitgesloten Het plan voldoet volledig aan de gemeentelijke en waterschappelijke eisen voor berging en waterhuishouding. 5.5 Gemeentelijk beleid 5.5.1 Omgevingsvisie Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Omgevingsvisie ‘Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek’ vastgesteld. Daarin is de ambitie voor Doetinchem 2036 verwoord. Er spelen grote vraagstukken op het gebied van wonen, werken, landelijk gebied en leefbaarheid. Daarover wordt geschreven in het nieuws, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Die vraagstukken spelen ook in Doetinchem. Daarom benoemt de gemeente opgaven die hoge prioriteit hebben en waar als eerst mee aan de slag gaan gegaan wordt. Het gaat om de volgende opgaven: • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor Doetinchem woonstad en woondorpen richting 70.000 inwoners in 2036.

Deze opgave is verwerkt in het opstellen van een woonvisie; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor de spoorzone (omgeving rond station Doetinchem, eerder bekend onder de naam ‘stationsgebied’); • Het opstellen van een procesaanpak landelijk gebied voor de Slangenburg en omgeving en Gaanderen en omgeving; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor een toekomstbestendig centrum. Deze vier opgaven vormen de kern van de visie op onze leefomgeving. Daarom is de visie op de leefomgeving opgebouwd aan de hand van de vier thema’s: • Woongemeente voor iedereen; • Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; • Landelijk gebied in balans; • Mensen en ontmoeten. Toetsing 37 De voorgenomen woningontwikkeling sluit aan bij het beleid uit de Omgevingsvisie Doetinchem, Kloppend hart van de Achterhoek. De realisatie van toegankelijke, grondgebonden twee-onder-een-kapwoningen voorziet in de behoefte aan diverse en passende woonvormen voor een brede doelgroep. De landelijke setting met ruimte voor groen, natuur en wandelpaden draagt bij aan de omgevingskwaliteit, gezondheid en leefbaarheid. Bovendien bevordert de aanleg van wandelpaden sociale interactie en ontmoeting, wat aansluit bij de ambitie van Doetinchem om vitale, verbonden en toekomstbestendige woonomgevingen te creëren.

5.5.2 Overig relevant beleid gemeente De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2. Kwalitatief goed wonen. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3. Een passende woning voor iedereen.

Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: • | 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; • | 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; • | 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; • | 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); • | 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen a | an het realiseren van het gewenste programma hebben een pré.

Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren: Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. 38 39 Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen.

Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen. Afbeelding 5.2 Ruimtelijk streefbeeld Achterhoek (Bron: gemeente Doetinchem)

40 De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Het projectgebied valt in de woonmilieus ‘wonen in het groen’ en ‘kansrijke zoekgebieden stads- en dorpranden’. Wonen in het groen Het woonmilieu ‘wonen in het groen’ is van toepassing op alle woningbouw buiten het bestaand weefsel van stad en dorpen. De dichtheid van het woonmilieu is laag en is sterk afhankelijk van de ligging ten opzichte van stad/dorp. Het woonmilieu is onderverdeeld in drie deelgebieden en wordt per deelgebied nader toegelicht. Kansrijke zoekgebieden stads- en dorpsranden In de buurt van stad en dorp zijn kansrijke zoekzones weergegeven voor (relatief) kleinschalige uitbreidingen in de buurt van stad en dorp. Bij de zoekzones is rekening gehouden met de bestaande natuurgebieden, aansluiting op bestaande woongebieden en aantakking op de bestaande infrastructuur. Initiatieven in de zoekgebieden stads - en dorpsranden worden alleen in behandeling genomen als deze gecombineerd worden met een transformatie- of inbreidingsinitiatief of als er in het te ontwikkelen gebied combinaties met andere opgaven gemaakt kunnen worden die zorgen voor aanmerkelijke hogere kwaliteit van dit gebied.

Daarnaast moet uiteraard worden aangesloten bij de landschappelijke kwaliteiten van het gebied, moet de bereikbaarheid gegarandeerd zijn, moet rekening worden gehouden met klimaatadaptatie en moet rekening gehouden worden met omliggende functies. 5.5.3 Notitie wonen landelijk gebied De locatie van het voorgenomen project ligt binnen het werkingsgebied van het beleid voor "Wonen Landelijk Gebied" zoals vastgesteld in de gemeentelijke en regionale woonvisies. Tevens valt het projectgebied binnen het "Zoekgebied Verstedelijking" zoals gedefinieerd in de Omgevingsvisie van de gemeente Doetinchem en de Woonvisie van de Achterhoek. Aangezien deze locatie binnen het zoekgebied valt, voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de beleidsdoelen en uitgangspunten van de Woonvisie en het beleid voor het landelijk gebied. Nadere toetsing is derhalve dan ook niet noodzakelijk Toetsing Dit initiatief sluit aan bij het gemeentelijke beleid en draagt bij aan alle daarin benoemde hoofdpunten. De voorgenomen ontwikkeling vergroot de woningvoorraad en voorziet in de realisatie van toekomstbestendige middenhuurwoningen. Daarmee 41 wordt ingespeeld op de grote vraag naar woningen voor zowel ouderen als jongeren. Het plan is geschikt voor beide doelgroepen: door de goede toegankelijkheid kan men in alle rust en ruimte zelfstandig wonen, maar toch nabij voorzieningen.

Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de verdeling over de segmenten van het gewenste programma uit de Woonvisie. Voor plannen van minder dan 20 woningen die hieraan bijdragen geldt een pré. Omdat het hier om een kleinschalig plan van twee woningen gaat, kan maatwerk worden toegepast. In Gaanderen bestaat meer dan 60% van de woningvoorraad uit koopwoningen. Dit plan biedt daarom een mooie kans om middenhuurwoningen toe te voegen, waarmee wordt voorzien in een actuele behoefte. De woningen worden gerealiseerd op een gezamenlijk erf, waarbij het bevorderen van ‘naoberschap’ een belangrijk uitgangspunt vormt. Door de situering aan een hofje ontstaat een woonomgeving waarin bewoners naar elkaar omkijken. Het plan ligt in het landelijk gebied, maar wordt getoetst binnen het ‘zoekgebied verstedelijking’. Daarmee voldoet het aan de uitgangspunten van de Woonvisie van de gemeente Doetinchem. De ontwikkeling van twee woningen aan de rand van het dorp Gaanderen kan worden aangemerkt als passend binnen het woonmilieu ‘wonen in het groen’, aangezien de locatie buiten het bestaand stedelijk weefsel ligt en direct aansluit op het dorp. Met een beperkte omvang en lage woningdichtheid sluit het initiatief aan bij het kleinschalige en groene karakter dat voor dit woonmilieu wordt nagestreefd.

D e situering aan de dorpsrand zorgt voor een logische overgang tussen het dorp en het omliggende landschap, waarbij de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en versterkt. Daarnaast ligt de ontwikkeling binnen een kansrijk zoekgebied voor stads- en dorpsranden. De beperkte uitbreiding kan worden gezien als een kwalitatieve dorpsrandontwikkeling, aangezien de ontwikkeling gepaard gaat met landschappelijke inpassing en veel aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen. Door aansluiting te zoeken bij de bestaande infrastructuur en woonbebouwing blijft de bereikbaarheid gewaarborgd. De ontwikkeling houdt rekening met omliggende functies en veroorzaakt geen onevenredige hinder voor het agrarische en landschappelijke gebruik in de omgeving. 5.5.4 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de activiteit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. 42 De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 6.10.4 5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. 43 6.

Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. Zoals in hoofdstuk 1, de inleiding, van voorliggende ruimtelijke motivatie is aangegeven, is in eerste instantie een verkenning uitgevoerd om de bouw van 4 wooneenheden op het perceel mogelijk te maken. Voor die verkenning zijn ook de benodigde onderzoeken uitgevoerd. Besloten is echter om op het perceel maximaal 2 woonheden en een kapschuur te realiseren. Deze planaanpassing heeft geen invloed op de conclusies en resultaten van de uitgevoerde onderzoeken waarin hierna wordt ingegaan. De onderzoeken volstaan ook voor de realisatie van 2 wooneenheden. 6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

6.1.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: 44 • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai In voorliggend geval worden twee geluidsgevoelige wooneenheden gerealiseerd. De woningen liggen binnen geluidsaandachtsgebieden van meerdere wegen.

Het betreffen hier lokale ontsluitingswegen met lage verkeersintensiteiten. De geluidskaart wegverkeer van de Atlas leefomgeving (afbeelding 6.1) bevestigd dit beeld. 45 Afbeelding 6.1 Geluidskaart Wegverkeer (Bron: Atlas Leefomgeving) Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 45 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Nader akoestisch onderzoek kan daarmee achterwege blijven. Railverkeerslawaai en industrielawaai De dichtstbij liggende spoorweg ligt op circa 500 meter van het projectgebied. Het projectgebied ligt daarmee niet in het geluidsaandachtsgebied van de spoorweg. Verder ligt in de omgeving van het projectgebied geen gezoneerd bedrijventerrein waar rekening mee gehouden moet worden. Solitaire bedrijvigheid De projectlocatie bevindt zich direct naast Scouting Gaanderen. Volgens de VNG - handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" valt een scoutingfunctie onder milieucategorie 2, vergelijkbaar met een kinderopvang of een buurt- of clubhuis. Voor deze functie geldt een richtafstand van 30 meter, met het doel om geluidshinder te beperken. De te realiseren woningen zijn op een afstand van meer dan 30 meter van het scoutingterrein gesitueerd en voldoen daarmee aan de richtafstanden uit de VNG -

46 handreiking Bedrijven en milieuzonering. Door het aanhouden van deze afstand is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners. Geluid afkomstig van scoutingactiviteiten is hoofdzakelijk incidenteel, waardoor structurele geluidhinder is uitgesloten. Visuele hinder is beperkt door de situering van de woningen in combinatie met bestaande erfafscheidingen, groenstructuren en de situering van de kapschuur. Daarnaast bevinden zich in de huidige situatie reeds woningen op een kortere afstand van het scoutingterrein dan de nieuw te realiseren woningen. Hierdoor wordt het gebruik van het scoutingterrein in de bestaande situatie al begrensd. De toevoeging van de nieuwe woningen leidt dan ook niet tot een verdere beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van de scouting. Omgekeerd ondervinden de woningen geen onevenredige hinder van de scoutingactiviteiten. Het plan is daarmee vanuit het aspect milieuzonering ruimtelijk aanvaardbaar. 6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl.

Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er 47 zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM - grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl.

Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

6.2.2 Onderzoek Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of • twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 6.2.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 48 6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1 (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron.

Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2 Onderzoek Binnen een straal van 200 meter van het projectgebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Vanwege de afstand wordt verwacht dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.3.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de 49 bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie.

De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2 Onderzoek Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Op een locatie gelegen aan de Bethlehemstraat te Gaanderen, is op 4 juli 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. De locatie bestaat uit een perceel jong opgaand bos, gelegen tussen de Binnenweg, Bethlehemstraat en de Hamminkstraat.

Initiatiefnemer is voornemens om 2 wooneenheden te realiseren. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 (Bijlage 4) Gehele locatie 50 In de bovengrond mengmonsters en in het ondergrond mengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster is een lichte verhogingen barium aangetroffen. 6.4.3 Conclusie Op basis van onderhavig onderzoek kan geconcludeerd worden dat een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk wordt geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking.

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Doetinchem heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.5.2 Onderzoek Volgens de Nota Parkeernormen Doetinchem (2024) valt Gaanderen onder de categorie “Rest bebouwde kom”, waarbij geldt dat voor huurwoningen in de vrije sector een norm 1,9 parkeerplaats per woning geldt. - 2 woningen × 1,9 plekken = 3,8 parkeerplaatsen vereist - Het plan biedt 4 parkeerplaatsen in de kapschuur, dit voldoet aan de norm. 51 Afbeelding 6.2 Parkeren voorgenomen ontwikkeling (Bron: Buro ontwerp & omgeving) De beoogde ontwikkeling omvat de toevoeging van twee grondgebonden woningen. Op basis van de CROW-publicatie Parkeercijfers 2024 (hoofdgroep wonen, huurwoning/vrije sector, weinig stedelijk, rest bebouwde kom) genereert een woning gemiddeld 6,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent dat het plan leidt tot ongeveer 13 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De woningen worden ontsloten via een nieuw aan te leggen weg met een breedte van circa 5 meter.

Dit profiel is ruim voldoende voor de verwachte verkeersintensiteit. Gelet op de zeer beperkte toename van het verkeer en de huidige verkeersdruk op de Hamminkstraat, kan worden geconcludeerd dat deze infrastructuur de extra verkeersbewegingen probleemlos kan verwerken. Het wegprofiel van zowel de nieuwe ontsluitingsweg als de bestaande straten in de omgeving is daardoor voldoende breed en passend bij het woonmilieu. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling of verkeersveiligheid. 6.5.3 Conclusie De voorgestelde parkeeroplossing met 4 parkeerplaatsen voldoet het voorgenomen initiatief volledig aan het gemeentelijke parkeerbeleid. 6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die

52 ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.

In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) ; • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); 53 • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2 Onderzoek Aan de hand van de kaart externe veiligheid van de atlas voor de leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied.

Op de kaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.2 is een uitsnede weergegeven. Het projectgebied is met een blauwe stip aangeduid. Afbeelding 6.2 Externe veiligheid (Bron: Atlas Leefomgeving) Zoals te zien op de uitsnede van het projectgebied op de kaart externe veiligheid van de Atlas Leefomgeving, valt het projectgebied buiten de in de omgeving geldende risicocontouren. Daarnaast voorziet de gewenste ontwikkeling niet in nieuwe risicovolle activiteiten.

54 6.6.3 Conclusie Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd. 6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2 Onderzoek Natura 2000-gebied Het projectgebied bevindt zich op circa 15 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk ‘Rijntakken’. In voorliggend geval is door BJZ.NU een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 5. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten.

Onderzoeksresultaten Uit het stikstofonderzoek blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland 55 Het projectgebied ligt niet binnen of nabij het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNN ligt op circa 240 meter afstand van het projectgebied. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het projectgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Gelderland heeft veel natuurgebieden, samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het projectgebied ligt niet binnen of nabij het Gelders Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde GNN de Zumpe ligt op circa 2,3 kilometer afstand van het projectgebied. Groene ontwikkelingszone (GO) De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. Als u hier iets wilt bouwen of ontwikkelen, gelden daar regels voor.

Het projectgebied bevindt zich niet in een groene ontwikkelingszone. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen bijzondere bomen aanwezig (conform de gemeentelijke kaart). Het gebied ligt buiten de bebouwingscontour voor houtopstanden. Op grond van de provinciale regelgeving geldt een meldingsplicht bij kapwerkzaamheden; hieraan zal worden voldaan. Er is geen sprake van een vergunningsplicht, tenzij het gaat om een aaneengesloten groenstructuur groter dan 1.000 m² of om bomen met een stamomtrek van meer dan 120 cm die verwijderd moeten worden. Dit wordt door de initiatiefnemer beoordeeld en vormt onderdeel van de toetsing. Het huidige jonge opkomende bos maakt plaats voor een woonerf. Binnen het erf wordt ruim aandacht besteed aan groen en natuur, waardoor de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. Er worden geen bestaande houtopstanden negatief beïnvloed. Soorten bescherming Op het plangebied is een oriënterend natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een QuickScan (bijlage 6). Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van het plangebied en de directe omgeving voor beschermde plant- en diersoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten op kleine marterachtigen niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is noodzakelijk voor deze soort(groep)en.

De volledige QuickScan is te vinden in bijlage 6. 56 Tijdens het aanvullende onderzoek (bijlage 7) verricht naar de functie(s) van het plangebied voor kleine marterachtigen zijn geen waarnemingen van bunzing, hermelijn en wezel vastgesteld. Van de aangetroffen steenmarter en eekhoorn zijn ook geen vaste rust- en verblijfplaatsen in het plangebied vastgesteld. Het plangebied maakt ook geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving van steenmarter en eekhoorn. 6.7.3 Conclusie De geplande flora- en fauna activiteit heeft geen negatief effect op vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van kleine marterachtigen, steenmarter en eekhoorn. Uitvoering van compenserende en mitigerende maatregelen en het aanvragen van een Omgevingsvergunning is niet noodzakelijk. Op het gebied van natuur wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.8.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.8.2 Onderzoek Cultuurhistorie 57 In de directe omgeving van de locatie bevinden zich geen gemeentelijke of rijksmonumenten. De ontwikkeling heeft geen invloed op cultuurhistorische waarden, aangezien er geen beschermde objecten of gebieden in de nabijheid zijn. Archeologie Voor het projectgebied geldt op grond van het omgevingsplan van rechtswege een archeologische verwachting. Dit wordt aangegeven door de dubbelbestemming ‘archeologische verwachting 3’ en ‘archeologische verwachting 6’ in het paraplubestemmingsplan archeologie.

Op basis van deze dubbelbestemmingen geldt de volgende onderzoeksplicht: • Archeologische verwachting 3: bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m; • Archeologische verwachting 6: bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,3 m; Omdat de onderzoeksgrens voor waarde 3 wordt overschreden is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen monumenten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Er zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen, echter dient de hoge archeologische verwachting voor de periode Midden-Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen en de middelhoge/hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd worden gehandhaafd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).15 Hiervoor is een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen benodigd.

6.8.3 Conclusie Zodra de ruimtelijke procedure is afgerond, kunnen de overige omgevingsvergunningen worden aangevraagd, waaronder die voor de activiteit bouwen en voor werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning). In dit kader zal aanvullend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, als dat nog niet is gedaan. 58 Voorafgaand aan grondwerkzaamheden – bijvoorbeeld het bouwrijp maken van het terrein – geldt als voorwaarde dat het plangebied archeologisch moet zijn vrijgegeven. Deze voorwaarde wordt opgenomen in de omgevingsvergunning voor werkzaamheden. De werkzaamheden mogen pas starten zodra hieraan is voldaan. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten. 6.9 Spuitzonering 6.9.1 Wettelijk kader In de land- en tuinbouw kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Er gelden op dit moment geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld/bespoten en woningen (en tuinen) of andere gevoelige functies. Op basis van jurisprudentie is echter een vuistregel ontstaan om 50 meter aan te houden tussen agrarische grond en gevoelige functies.

Een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (hierbij dient de grens van het omgevingsplan met de bestemming Wonen te worden aangehouden) en agrarische bedrijvigheid is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (AbRvS) ‘niet onredelijk’. De AbRvS geeft aan dat de spuitzone kan worden verkleind op grond van een deugdelijke motivering en op basis van locatie-specifiek onderzoek. (Zie ook de ‘Handreiking aanpak spuitvrije zones bij nieuwbouwprojecten | RVO.nl’. 6.9.2 Beoordeling De nieuwe woonkavels grenzen aan de zuidzijde aan gronden met bestemming Agrarisch met waarden. De afstand tot deze gronden is minder dan 50 meter. Er zijn echter locatie-specifieke omstandigheden die maken dat hier geen reëel risico bestaat op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen: • Feitelijk gebruik Het perceel is al jarenlang ingericht en gebruikt als particuliere tuin. Uit luchtbeelden vanaf 2006 blijkt een consequent niet-agrarisch gebruik. • Eigendom Het perceel is in particulier eigendom en wordt niet gebruikt voor agrarische bedrijfsvoering. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de eigenaar dit gebruik wil wijzigen. • Economische onhaalbaarheid van agrarisch gebruik Het perceel is van te beperkte omvang om bedrijfsmatig economisch rendabel ingezet te worden voor de teelt van gewassen, bloementeelt of fruitteelt.

Het herstellen van agrarisch gebruik is daardoor niet aannemelijk. 59 Gezien de locatie-specifieke factoren is het planologisch relevante risico op toepassing van gewasbeschermingsmiddelen verwaarloosbaar. Het perceel aan de westzijde is als tuin in gebruik door de eigenaren van de Bethlehemstraat 25 (tevens de initiatiefnemers). De huidige planologische bestemming van deze gronden is Agrarisch met waarden. De afstand van het plangebied tot deze gronden is minder dan 50 meter. Er zijn echter locatie-specifieke omstandigheden die maken dat hier geen reëel risico bestaat op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen: • Feitelijk gebruik Het perceel is al jarenlang door de eigenaren ingericht en gebruikt als particuliere tuin. In deze tuin grazen een aantal schapen en staat een kas met moestuin. • Eigendom Het perceel is in eigendom van de initiatiefnemers en wordt niet gebruikt voor agrarische bedrijfsvoering. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de eigenaar dit gebruik wil wijzigen. Het perceel wordt nu en zal in de toekomst alleen gebruikt worden als tuin. • Economische onhaalbaarheid van agrarisch gebruik Het perceel is van te beperkte omvang om bedrijfsmatig economisch rendabel ingezet te worden voor de teelt van gewassen, bloementeelt of fruitteelt. Het herstellen van agrarisch gebruik is daardoor niet aannemelijk.

Gezien de locatie-specifieke factoren is het planologisch relevante risico op toepassing van gewasbeschermingsmiddelen verwaarloosbaar. 6.9.3 Conclusie Op basis van een locatie-specifieke beoordeling is vastgesteld dat: • De gronden binnen 50 meter van de beoogde woningen aan de zuidzijde momenteel en zeer waarschijnlijk in de toekomst niet-agrarisch worden gebruikt. • Dit perceel te klein en economisch ongeschikt is voor rendabele agrarische teelt. • Dit perceel in particulier eigendom is en er geen aanwijzingen zijn voor toekomstig agrarisch gebruik. • Het perceel aan de westzijde in eigendom en gebruik is door de initiatiefnemers als particuliere tuin. Er kan worden aangenomen dat het gebruik hiervan niet zal wijzigen. 60 Met deze beoordeling is het opnemen van een spuitzone in het omgevingsplan niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het plan vanuit het aspect spuitzonering ruimtelijk aanvaardbaar is. 6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water 61 Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.10.2 Onderzoek energietransitie Beide wooneenheden worden uitgerust met zonnepanelen. De locatie wordt daarnaast gekenmerkt door een groenrijke inrichting, die bijdraagt aan zowel verkoeling als waterberging. 6.10.3 Onderzoek circulariteit In het zuidelijkste deel van de locatie wordt een greppel/wadi aangelegd voor waterinfiltratie. Parallel daaraan komt een grote takkenril, opgebouwd uit snoeihout van het volledige perceel. Deze takkenril biedt onderdak aan diverse insectensoorten, wat op zijn beurt vogels en kleine zoogdieren aantrekt. Hiermee wordt bijgedragen aan een circulaire, biodiverse en natuurinclusieve inrichting van het gebied. 6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Een groene klimaatadaptieve omgeving maakt gebruik van natuurlijke en technologische oplossingen om de impact van klimaatverandering, zoals hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen, te mitigeren. Het doel is een duurzame en veerkrachtige leefomgeving te creëren die zowel ecologische als sociale voordelen biedt.

Door de integratie van groene infrastructuur, waterbeheersystemen en duurzame bouwtechnieken wordt de omgeving beter bestand tegen extremen in het klimaat, wat bijdraagt aan de lange termijn leefbaarheid en veiligheid van de bewoners. Hitte Om de effecten van hitte in de zomermaanden te mitigeren, worden verschillende maatregelen getroffen die bijdragen aan de verlaging van de lokale temperatuur en het voorkomen van het zogenaamde 'hitte-eilandeffect'. De woningen worden aan de schaduwzijde voorzien van groene daken, hetgeen niet alleen zorgt voor extra isolatie, maar tevens bijdraagt aan de verkoeling van de omliggende omgeving. Daarnaast wordt 70% van het plangebied ingericht als openbaar groen, wat het klimaat ten goede komt. Wateroverlast 62 Om wateroverlast te voorkomen, worden diverse maatregelen getroffen die gericht zijn op wateropvang en infiltratie. In het zuidelijke gedeelte van het plangebied wordt een wadi aangelegd die zorgt voor de volledige berging van het regenwater dat van de verhardingen afkomt. Deze wadi vergroot de capaciteit voor het infiltreren van neerslag en voorkomt daarmee overlast. Bovendien wordt de verharding op het terrein geminimaliseerd door zowel mogelijk gebruik te maken van halfverharding. Daarnaast worden er vlonders aangelegd die de infiltratiecapaciteit van het perceel vergroten.

Het water wordt afgevoerd via het bestaande rioolstelsel, waarvan de capaciteit voldoende is om het af te voeren regenwater op een gecontroleerde wijze te verwerken. Droogte Om de gevolgen van droogte te verlichten, wordt bij het ontwerp van het plangebied nadrukkelijk rekening gehouden met infiltratie en de bevordering van groene zones. De toepassing van halfverhardingen en het gebruik van groene daken dragen bij aan een hoge waterdoorlatendheid, zodat regenwater effectief kan infiltreren en vastgehouden kan worden voor latere droge perioden. Het behoud van het bestaande jonge bos, dat waar nodig wordt verplant, speelt eveneens een belangrijke rol bij het verbeteren van de bodemstructuur en het bevorderen van de waterhuishouding in het gebied. Door het hergebruik van regenwater kan het effect van drogere periodes beter worden opgevangen, doordat het regenwater lokaal wordt opgeslagen en efficiënt wordt ingezet voor bijvoorbeeld tuinonderhoud en huishoudelijk gebruik. Overstromingen Om overstromingen te voorkomen, wordt het plangebied zodanig ingericht dat het lager gelegen deel van het terrein ruimte biedt voor waterinfiltratie. De aanleg van de wadi in het zuidelijke deel van het gebied maakt het mogelijk om regenwater effectief op te vangen en langzaam in de bodem te laten infiltreren, waardoor het risico op overstromingen wordt verkleind.

De combinatie van verharding en groenzones biedt een oplossing voor het afvoeren van regenwater bij zware neerslag. Het watermanagementsysteem is bovendien gekoppeld aan het bestaande rioolstelsel, dat voldoende capaciteit heeft om het opgevangen regenwater op een veilige wijze te verwerken. 6.10.5 Conclusie Aan de hand van bovengenoemde onderzoeken, kan geconcludeerd worden, dat het voorgenomen initiatief voldoet aan alle huidige eisen omtrent duurzaamheid. 63 6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob).

Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project- m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.- (beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.11.2 Onderzoek Deze ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijke ontwikkeling’ (J11) uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Kolom 2 uit bijlage V Ob is hierbij niet van toepassing, waarmee geen mer-plicht geldt. Wel is sprake van een m.e.r.- beoordelingsplicht: er is sprake van de realisatie van twee grondgebonden woningen.

64 In de voorgaande hoofdstukken is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Ook heeft het project geen structurele nadelige effecten in relatie tot flora & fauna. 6.11.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd.

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien . 6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet 65 in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m 2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

6.12.2 Onderzoek Er is geen ondergrens bepaald voor wat een 'stedelijke ontwikkeling' is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voo r wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. a. 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) b. 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Dit project gaat uit van de realisatie van twee woningen op de rand van het dorp Gaanderen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is een toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet nodig. Het project voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl. 6.12.3 Conclusie Met dit voorgenomen initiatief is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. 6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning.

In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 66 6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8370/documents/52975