CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B12.0 Onderbouwing Kempsestraat 1-3 Wehl.pdf

beeldvormende raad 12 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G26.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

36

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl altijd vooral hier voor. Vitaal landelijk gebied Dankzij agrariërs en de overige grondeigenaren wordt er goed gezorgd voor het landelijk gebied, de groene omgeving waar de inwoners van genieten. De agrarische sector is een belangrijke economische bedrijfstak in de gemeente. Bovendien spelen zij een belangrijke rol in de voedselketen. Hoewel het totaal aantal agrarische bedrijven sinds 2000 is gehalveerd, neemt de bedrijfsgrootte en professionaliteit van deze bedrijven wel toe. In gebruik ziet de gemeente op de (hogere) zandgronden meer intensievere vormen van veehouderij. Op de laaggelegen gronden is gras een logische gewasteelt. Ook ziet de gemeente hier meer grondgebonden veehouderij. In de gebieden langs de Oude IJssel liggen dan verhoudingsgewijs ook meer melkveehouderijen. Veel andere ondernemers en organisaties in het landelijk gebied zijn actief in de dag- en verblijfsrecreatie voor toeristen, maar vooral voor inwoners uit de eigen gemeente. Het landelijk gebied is steeds vaker een plek waar mensen naartoe gaan voor ontspanning of om actief bezig te zijn. De veelzijdigheid van het landelijk gebied maakt het landelijk gebied een aantrekkelijke omgeving om te verblijven. Mensen die vakantie houden, fietsen, wandelen of andere activiteiten ondernemen in het landelijk gebied zorgen voor leefbaarheid.

Recreatie draagt ook bij aan de economie van het landelijk gebied. Uitdagingen vragen om verandering in het landelijk gebied Denk daarbij aan de energietransitie die ruimte vraagt, het nationaal programma landelijk gebied en wonen, maar ook uitdagende milieuwet- en regelgeving en klimaatadaptie. Voor die laatste toont de ‘klimaateffectatlas Doetinchem’ de gevolgen van klimaatverandering voor onze gemeenten. Toets Voorliggend plan maakt de beëindiging van een agrarisch bedrijf en de toevoeging van 4 woningen mogelijk, waarbij de woningen landschappelijk worden ingepast (zie Bijlage 1) . Ondanks dat de agrarische sector belangrijk is voor de economische bedrijfstak van de gemeente, wordt gesteld dat de beëindiging van het agrarisch bedrijf geen belemmering vormt voor het landelijk gebied. Dit omdat voorliggend plan leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied door leegstand/ verrommeling tegen te gaan en tegelijkertijd een steentje kan bijdragen aan het realiseren van voldoende woningen binnen de gemeente, waaraan volgens de woonvisie behoefte en ruimte voor is. Van de vier nieuwe twee-onder-een-kapwoningen bevinden zich twee woningen in het dure segment en twee woningen in het midden dure segment. Door de ontwikkeling verlaten mensen mogelijk een kleinere woning waardoor er in de gemeente doorstroming ontstaat.

De woningen worden door middel van de garage aan elkaar gekoppeld. Van de vier woningen is 50% in het hoge segment en 50% in het midden dure segment. In paragraaf 5.5.6 wordt nader getoetst aan de gemeentelijke woonvisie.Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan aan de omgevingsvisie van gemeente Doetinchem voldoet. 5.5.2

Notitie wonen landelijk gebied

Op 17 december 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem de ‘Notitie wonen landelijk gebied’ vastgesteld. Deze notitie beschrijft wanneer de gemeente ruimte biedt voor nieuwe woningen in het landelijk gebied. De notitie is op 2 maart 2023 geactualiseerd en op 28 september 2023 gecorrigeerd door de gemeenteraad. De correctie ziet toe op het vervangen van de tabel, die bij voorwaarde 4 ‘functieverandering voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing naar wonen’ hoort. De volgende voorwaarden staan centraal bij het kunnen krijgen van medewerking van de gemeente:  Het landelijke karakter van het landelijk gebied blijft zo veel mogelijk behouden. Het plan wordt landschappelijk ingepast waarbij de kwaliteiten van landelijk gebied zoveel mogelijk intact blijven.  Het toevoegen van nieuwe woningen staat de bedrijfsvoering van bestaande (agrarische) bedrijven en het bestaande gebruik van gronden (voor agrarische doeleinden niet in de weg. Hier wordt onder het kopje ‘geur’ en ‘milieubelastende activiteiten’ aan getoetst. Op voorhand wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn.  Een toename van ‘verstening’ in het landelijk gebied wordt zo veel mogelijk beperkt en kwaliteitsverbetering van ‘bestaande stenen’ en ‘ontstening’ wordt gestimuleerd. Deelname aan deze regeling zorgt automatisch ervoor dat er minder kan worden teruggebouwd.

37

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl De aanwezige landschaps- en natuurwaarden worden hersteld en versterkt. Er is een erf- en landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waaruit dit blijkt. Tevens moet, zoals in voorliggend geval waarbij het agrarische bedrijf wordt beëindigd en 4 woningen toegevoegd worden, voldaan worden aan de volgende voorwaarden: 1. In de basis geldt het volgende: a. Aangetoond is dat de te slopen opstallen legaal tot stand zijn gekomen en gedurende minimaal 3 jaar in gebruik zijn geweest ten dienste van de (agrarische) bedrijfsbestemming. Dit is aangetoond middels bouw- en milieuvergunningen. b. Vaststaat dat de bedrijfsvoering is of wordt beëindigd. Dit betekent ook dat een verzoek om intrekken van een omgevingsvergunning activiteit milieu of melding Activiteitenbesluit milieu moet zijn ingediend uiterlijk binnen 1 maand na onherroepelijk worden van het ruimtelijk plan dat functieverandering mogelijk maakt. Het agrarische bedrijf wordt beëindigd, intrekking van de omgevingsvergunning activiteit of melding Activiteitenbesluit milieu zal worden gedaan uiterlijk 1 maand na het onherroepelijk worden van voorliggend plan. c. De (agrarische) bestemming ter plaatse wordt geheel of gedeeltelijk gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’, met dien verstande dat het (agrarisch) bouwvlak in elk geval is verwijderd.

Het plangebied krijgt de functie ‘Wonen’. De overige gronden behouden de agrarische bestemming, echter zonder bouwvlak. d. Aangetoond is dat het realiseren van de woning(en) met bijbehorende bouwwerken niet leidt aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken en dat een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is gewaarborgd. Hier wordt onder het kopje ‘milieubelastende activiteiten’ aan getoetst. Op voorhand wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn. 2. De behoefte aan de te realiseren woning(en) moet zijn aangetoond. Daarom moet een onderbouwd verzoek om medewerking gezamenlijk worden ingediend door de eigenaar van locatie en de potentiële koper(s) van de te realiseren woning(en). De behoefte aan de woningen wordt aangetoond bij de toetsing van het plan aan de gemeentelijke woonvisie. Gezien de krappe woningmarkt wordt geacht dat de woningen snel verkocht kunnen worden aan potentiële kopers. Aangezien de twee-onder-een-kapwoningen in het midden en dure segmant bevinden is de verwachting dat potentiële kopers een woning achterlaten, waardoor er doorstroming ontstaat. 3. Voor het realiseren van de woning(en) wordt een termijn gesteld van maximaal 1 jaar. In principe kan de initiatiefnemer hieraan voldoen. 4. De volgende voorwaarden: a.

Alle (agrarische) bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met uitzondering van monumentale en/of gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Deze kunnen worden ingezet als bijbehorend bouwwerk en/ of woning. De oppervlakte van de bebouwing wordt wel meegerekend met het totaal aantal te slopen bebouwing. Onder de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen valt ook het verwijderen van bouwwerken geen gebouwen zijnde (bijv. mest-/sleuf- en voersilo’s, erfverharding/-afscheiding). Het aantal m² dat aan bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt verwijderd wordt niet meegerekend in de benodigde m² sloop voor de realisatie van 1 of meerdere woningen. b. In ruil voor de sloop van alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen kunnen maximaal 4 zelfstandige woningen worden toegestaan verdeeld over maximaal 2 woongebouwen (elk woongebouw maximaal 2 woningen) binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak. Zie onderstaande tabel. 

38

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

c.

Met in achtneming van 4a, het maximaal aantal woningen zoals genoemd in 4b en het 1-erfprincipe is hergebruik van monumentale en/of gebouwen met cultuurhistorische waarden als woning of bijgebouw mogelijk. Voor de maximale inhoud per woning/woongebouw geldt als maximum de bestaande inhoud. d. De oppervlakte gesloopte bebouwing dat niet benodigd is voor de bouw van 1 of meerdere woningen, mag niet op een locatie elders worden ingezet. Er wordt circa 3.071 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Enkel 2 bestaande bijgebouwen blijven behouden

39

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl voor de 2 bestaande woningen. Hiermee ontstaat een recht op 2 woongebouwen met ieders 2 woningen, wat neerkomt op in totaal 4 woningen. Er komen 2 woningen met een maximum inhoud van 750 m3 en 2 woningen met een maximum inhoud van 375 m3. Per woning mag maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd (of maximaal 150 m2 als voldaan wordt aan de (landelijke) regels voor vergunningsvrij bouwen). 5. Als om redenen de nieuwbouw van een woning niet kan plaatsvinden binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak, dan kan realisatie van de woning: a. plaatsvinden op een perceel aansluitend op het voormalig (agrarisch) bouwvlak; b. plaatsvinden op een andere VAB-locatie als realisatie op een perceel aansluitend op het (agrarisch) bouwvlak ook niet kan plaatsvinden;mits dat niet leidt tot aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken, een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is gewaarborgd en aansluitend op de uitgangspunten van het beleid in voldoende mate sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. De nieuwbouw woningen worden gerealiseerd binnen het voormalig agrarisch bouwvlak. 6. De benodigde sloop voor de realisatie van het aantal gewenste woningen kan verdeeld over meerdere locaties plaatsvinden.

Voor een slooplocatie geldt een sloopondergrens van minimaal 300 m2. De bouw van de woning(en) vindt plaats op 1 locatie Voor deze locatie geldt een sloopondergrens van 500 m2. Als gebruik wordt gemaakt van meerdere locaties, dan wordt voor die locaties met 1 planologisch procedure vastgelegd dat gesloopte bebouwing niet kan worden teruggebouwd. Niet van toepassing. 7. Als op basis van een Rijks-of provinciale regeling een financiële vergoeding is of wordt toegekend voor het beëindigen van agrarische bedrijfsactiviteiten, dan moet worden aangetoond dat de realisatie van 1 of meerdere woningen noodzakelijk is om de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te kunnen bekostigen. Niet van toepassing. 8. De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. Het aardgasloos en (bijna) energieneutraal bouwen waren vaste onderdelen van het voormalige Bouwbesluit, en zijn nu ook vaste onderdelen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL), waaraan voldaan moet worden. Wat betreft levensloopbestendig en natuurinclusief bouwen zijn dit kwalitatieve verplichtingen die voortvloeien uit de gemeentelijke woonvisie. Hier wordt bij de toetsing van het plan aan de gemeentelijke woonvisie nader op ingegaan. 9.

De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woningen te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. Dit zal de initiatiefnemer aantonen bij de verdere uitwerking van het plan. De bestaande woning wordt geïsoleerd, voorzien van zonnepanelen en warmtepomp. 10. . a. Elke zelfstandige woning (bestaand en nieuw) heeft recht op maximaal 100 m 2 aan bijbehorende bouwwerken of maximaal 150 m2 als voldaan wordt aan de (landelijke) regels voor vergunningsvrij bouwen. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken. In het inrichtingsplan wordt uitgegaan van de maximale (vergunningsvrije) mogelijkheden aan bijbehorende bouwwerken (zie Bijlage 1). De bestaande woningen worden verduurzaamd en behouden de huidige inhoud van de woning. De grote twee-onder-een-kapwoning krijgt een maximum inhoud van 750 m 3 en de kleinere twee-onder-een-kapwoning een inhoud van maximaal 375 m3. b. hergebruik van bestaande bebouwing als bijbehorende bouwwerken is mogelijk tot bij de woningen behorende maximum, mits passend in/bij het inrichtingsplan voor de gehele locatie (zie Bijlage 1). Zoals reeds beschreven worden 2 bestaande bijgebouwen behouden bij de bestaande woningen met een vloeroppervlakte van maximaal 150 m 2.

Bij de nieuwbouwwoningen wordt bij de woningen aan de noordzijde bergingen gerealiseerd met een oppervlakte van circa 100 m2 en bij de kleinere woning circa 50 m2. Het oppervlak van deze bijgebouwen gezamenlijk bedraagt aanzienlijk minder dan dat er toegestaan is (600 m 2). 11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing. Daarvoor moet een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erf-en landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4. De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden. Sloop op een andere locatie die onderdeel uitmaakt van het initiatief, mag niet leiden tot een substantiële afbreuk van de uitstraling op de omgeving. Bijlage 4 voor wat betreft het onderdeel ‘bebouwing’ maakt onderdeel uit van de welstandsnota en initiatieven worden daar door de Welstandscommissie aan

40

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl getoetst. Een erf- en landschappelijk inrichtingsplan is als bijlage 1 opgenomen bij deze motivering. 12. Als een woning op basis van functieverandering wordt/is gerealiseerd, dan komt deze niet aanmerking voor splitsing. De splitsing van de nieuwbouw woningen kan in de regels behorende bij dit plan worden uitgesloten. Toets Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan past binnen de ‘Notitie wonen landelijk gebied’. In de regels van dit plan wordt het maximum bebouwd oppervlak en inhoud van de nieuwe en bestaande woningen bijbehorende bijgebouwen aangegeven. Bij de aanvraag bouwen zal worden aangetoond dat aan deze regels wordt voldaan. 5.5.3

Beleidsregel ‘planologisch kader voor het landelijk gebied 2021’

Op basis van de beleidsregel ‘Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021’ kan bepaald worden of meegewerkt kan gaan worden aan ontwikkelingen. Het gaat hierbij om ontwikkelingen die, als voor het landelijk gebied een bestemmingsplan opgesteld zou zijn, met een afwijking- of wijzigingsbevoegdheid door de raad aan het college gedelegeerd zouden zijn. Medewerking aan deze ontwikkelingen is niet mogelijk op grond van de beheersverordening ‘Landelijk gebied - 2020’. Een beheersverordening mag namelijk alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken die onder beheer vallen en dus ruimtelijk en functioneel ondergeschikt zijn. Deze beleidsregel geldt als toetsingskader voor de ontwikkelingen die verder gaan. Zo kan de initiatiefnemer op basis van de beleidsregel inschatten of aan de door hem geplande ontwikkeling meegewerkt zal worden. Past een ontwikkeling niet binnen deze beleidsregel, dan is medewerking nog niet op voorhand uitgesloten. Per plan wordt altijd gekeken of medewerking mogelijk is. Hiervoor kan met de gemeente contact opgenomen worden. De volgende ontwikkelingen worden als veel voorkomende ontwikkelingen gezien en daar kan, als voldaan wordt aan de voorwaarden aan meegewerkt worden. Daarbij worden 3 categorieën onderscheiden.  Categorie 1. Ontwikkelingen met een ondergeschikte invloed, ruimtelijk en functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie.  Categorie 2.

Ontwikkelingen met een beperkte invloed, ruimtelijk en functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie.  Categorie 3. Ontwikkelingen met een grotere invloed, ruimtelijk en functioneel, die leiden tot een aanpassing van de hoofdfunctie. Toets Hoewel voorliggende ontwikkeling niet geheel binnen 1 van de hierboven beschreven categorieën valt, wordt geacht dat de beste aansluiting bij categorie 3 kan worden gemaakt. Hierbij is het nodig dat er wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een ETFAL. Daarnaast moet worden getoetst aan het op moment van toetsing actuele en relevante beleid van gemeente, waterschap, provincie en Rijk. In de voorgaande paragrafen is deze toetsing reeds verricht en in de volgende paragrafen wordt de toetsing verder afgerond, waarbij tevens wordt aangetoond dat sprake is van een ETFAL. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan past binnen de beleidsregel ‘Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021’. 5.5.4

Groenstructuurplan 2017

In 2017 heeft het college van B&W van de gemeente Doetinchem het vernieuwde Groenstructuurplan 2017 vastgesteld. Het vorige Groenstructuurplan dateerde van 1992 en was aan vernieuwing toe. Het Groenstructuurplan beschrijft de belangrijkste groene kwaliteiten en ambities van gemeente Doetinchem. Ook geeft het plan aan waar en hoe Doetinchem nóg groener gemaakt kan worden. Want een groene gemeente is een prettige, duurzame en gezonde gemeente.  Het Groenstructuurplan heeft de volgende doelen:  Vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren.

41

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Verwoorden van groene ambities en deze uit te werken naar concrete projecten en acties. Bieden van richtlijnen voor belangenafwegingen bij ruimtelijke ontwikkelingen en claims en bij het afstoten van openbaar groen.  Fungeren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening.  Richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud. Het vergroenen van Doetinchem kan de gemeente natuurlijk niet alleen. Daarin wordt samen opgetrokken met de samenleving en natuur- en milieuorganisaties. Zij hebben ook actief meegedacht met het vormgeven van dit Groenstructuurplan.  

Elke 4 jaar stelt de gemeente het programma vast voor het doorlopende Uitvoeringsprogramma Groen, waarin wordt beschreven aan welke groenambities gewerkt gaat worden. Het groenstructuurplan vormt een vertrekpunt voor het uitvoeringsprogramma. Toets Volgens de groenstructuurkaart opgenomen in figuur 5.2, ligt het plangebied (zie rode cirkel) niet binnen de hoofdstructuur groen, maar langs de hoofdstructuur bomen. De ambitie hier is het aanbrengen van een bomenstructuur ter markering van het historische wegenpatroon ter vergroting van de herkenbaarheid en ruimtelijke karakteristiek van de kern Wehl. Opgemerkt wordt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk wordt gedaan aan de hoofdstructuur bomen. De ontwikkeling vindt plaats binnen het plangebied, waar de hoofdstructuur bomen niet aanwezig is. Op basis van het vorenstaande wordt geacht dat voorliggend plan binnen het ‘Groenstructuurplan 2017’ past.

Figuur 5.2: Groenstructuurkaart Doetinchem

42

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

5.5.5

Welstand Doetinchem

In 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem de notitie ‘Welstand Doetinchem’ vastgesteld. De gemeente toetst plannen voor nieuwe bouwwerken en aanpassingen aan de verschijningsvorm van bestaande bouwwerken. De redelijke eisen van welstand waaraan de gemeente toetst, liggen vast in de welstandnota. De gemeente wil meer aandacht waar dat moet en meer vrijheid waar dat kan. Dat doet de gemeente door alleen aan welstand te toetsen in gebieden waar doorgaans veel mensen komen, bijvoorbeeld door de publieke functie of door de toeristische of recreatieve waarde. In welstandvrije gebieden zijn bewoners vrij in de vormgeving van een bouwwerk. De enige voorwaarde die in die gebieden geldt, is dat ook een welstandvrij bouwwerk geen exces mag zijn, ofwel niet te sterk mag afwijken van of afbreuk doen aan de omgeving. Van een exces is sprake als het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Binnen de gemeente Doetinchem gelden welstandeisen alleen in het stedelijk gebied. Het buitengebied is welstandvrij. In het buitengebied is voor ingrijpende bouwactiviteiten een bestemmingsplanwijziging nodig. In het buitengebied dragen nieuwe ontwikkelingen en aanpassingen aan bestaande bouwwerken bij aan het behouden en waar mogelijk versterken van de kenmerken van de landschapstypes en zo van streekeigen verscheidenheid.

Als gevolg van de grote invloed van boerenerven op het beeld van het landschap staat daarbij het erf centraal. De gemeente is terughoudend met het voorschrijven van de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken. Verder zijn de algemene welstandscriteria van toepassing. De algemene criteria richten zich op vakmanschap en worden belangrijker naar mate een bouwwerk meer afwijkt van de omgeving. Een bouwwerk voldoet aan de algemene welstandeisen als:  De verschijningsvorm van het bouwwerk een relatie heeft met het gebruik ervan en met de wijze waarop het is gemaakt, terwijl de vormgeving daarnaast ook een eigen samenhang en logica heeft.  Het bouwwerk een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte. De eisen worden hoger naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.  Het gebruik en de uitwerking van verwijzingen (bijvoorbeeld: pilaren in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels) en associaties (bijvoorbeeld: transparante gevels van glas verbindt men vaak met techniek en vooruitgang) zo zorgvuldig zijn, dat het concept en de vorm bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit van de omgeving.  Het beeld van het bouwwerk een heldere structuur bevat, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

 Het bouwwerk een samenhangend geheel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.  Materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk en de ruimtelijke samenhang ervan met de omgeving ondersteunen. Toets Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Doetinchem. De ontwikkeling betreft de beëindiging van het agrarische bedrijf en de toevoeging van 4 woningen, die landschappelijk worden ingepast. Gezien de erf- en landschappelijk inrichtingsplan is er sprake van een 1-erf-gedachte en worden landschapsmaatregelen getroffen teneinde het landschap en de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Daarbij is rekening gehouden met zo veel mogelijk plantmateriaal van streekeigen, autochtone herkomst. Het ontwerp van de woningen is nog in ontwikkeling, waardoor toetsing aan de algemene welstandcriteria pas kan plaatsvinden bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Voor de voorliggende planwijziging wordt geacht dat het plan past binnen de notitie ‘Welstand Doetinchem’.

43

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

5.5.6

De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid

De woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure – dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1.

Groeien in kwaliteit.

Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2.

Kwalitatief goed wonen.

Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3.

Een passende woning voor iedereen.

Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. Totaal: minimaal 2.470 woningen, prijspeil april 2025, onderverdeeld in:  28% sociale huur tot € 900,07, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 260.000;  8% middenhuur tot € 1.184,82, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 295.000;  14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 295.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.184,82;  17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 370.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.184,82 );  33% dure koopwoningen (boven € 370.000) of dure huur (boven € 1.184,82 ). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt.

Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4.

Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven.

Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren:

44

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stadsen dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld (zie figuur 5.3). De 5 speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA. 2. Bouwen in en aan buurten. 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes. 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden. 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.

Figuur 5.3: Kaart ruimtelijk streefbeeld woonvisie De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Toets Het onderhavige plan maakt de beëindiging van een agrarisch bedrijf en de realisatie van 4 extra woningen in het buitengebied mogelijk. Dit plan voldoet aan het gemeentelijke beleid zoals beschreven in de Woonvisie. Met de toevoeging van deze woningen wordt bijgedragen aan de gemeentelijke doelstelling om voor 2030 minimaal 2.470 woningen toe te voegen binnen de hele gemeente. De prijsklasse van de geplande woningen is nog niet definitief vastgesteld. Het gaat om nieuwbouw met vereiste duurzaamheidsmaatregelen en de ligging in het buitengebied. Gelet op de gemeentelijke doelstelling om tot 2030 ten minste 2.470 woningen te realiseren, waarvan 33% in het segment dure

45

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl koopwoningen, wordt aangenomen dat dit plan slechts een beperkt aandeel vertegenwoordigt binnen de totale woningbouwopgave en daarom past bij de ambities van de gemeente. De verwachte kwaliteit van de woningen zal bovendien hoog zijn, wat bijdraagt aan een duurzame en toekomstbestendige woonomgeving voor de bewoners. De woningen worden landschappelijk ingepast en omgeven door diverse groenvoorzieningen, wat bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en een natuurlijke overgang vormt naar het omliggende landschap. Hiermee wordt ook de biodiversiteit en de leefbaarheid voor toekomstige bewoners vergroot. In 5.3.2 is nader ingegaan op de doorwerking van de regionale woonagenda voor dit plan. Op basis van het bovenstaande wordt geacht dat dit plan past binnen de woonvisie van de gemeente Doetinchem. 5.5.7

Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote "winsten" behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen.

In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Toetsing Met onderhavig project is sprake van duurzaam ruimtegebruik. Een inbreidingslocatie op een voormalig agrarisch bedrijf krijgt een invulling die de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving respecteert en versterkt. De vier woningen worden duurzaam gebouwd, voorzien van zonnenpanelen en niet aangesloten op het aardgasnetwerk. Er worden duurzaamheidsambities nagestreefd, namelijk: Het toepassen van gemengd groen, zowel op maaiveld- als gebouwniveau;  Bloemrijke wadizones en regentuinen.  Klimplanten voor schaduwwerking en privacy.  Erfafscheidingen welke bestaan uit groene hagen.  Bloemrijk grasland.  Natuurinclusief bouwen. Daarmee wordt nadrukkelijk beantwoord aan de ambities uit het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid, zie ook Bijlage 1. 5.5.8

Bomenbeleid en bomenverordening

Het bomenbeleid en de bomenverordening van Doetinchem zijn gericht op het behoud en beheer van bomen, met speciale aandacht voor bijzondere bomen en de bebouwingscontour houtkap. Er is een omgevingsvergunning nodig voor het kappen van bomen met een bepaalde stamomtrek of voor het vellen van grotere houtopstanden binnen de bebouwde kom. De gemeente Doetinchem en Buha, die het beheer van ongeveer 34.000 straat- en laanbomen uitvoert, hechten veel waarde aan bomen vanwege hun bijdrage aan de leefomgeving en biodiversiteit.

46

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Belangrijkste punten uit het bomenbeleid en de bomenverordening: Omgevingsvergunning: Voor het kappen van bomen is een omgevingsvergunning vereist, afhankelijk van de stamomtrek en of de boom binnen of buiten de bebouwingscontour houtkap valt. Bebouwingscontour houtkap: Deze contour is digitaal beschikbaar via de kaartviewer van de gemeente en geeft aan waar extra regels gelden voor het kappen van bomen. Bijzondere bomen: Bomen die op de lijst van bijzondere bomen staan, zijn extra beschermd en vallen onder specifieke regelgeving. Broedseizoen: Er zijn extra voorwaarden voor het kappen van bomen tijdens het broedseizoen (15 maart tot 15 juli) om vogels te beschermen. Herplantplicht: Bij het kappen van bomen kan een herplantplicht gelden, waarbij nieuwe bomen moeten worden geplant. Toetsing Uit figuur 2.2 blijkt dat er op de locatie van de schuren geen bomen aanwezig zijn. Wel worden er extra bomen toegevoegd in het plan (zie Bijlage 1). 5.5.9

Maatschappelijke behoefte

Bij de totstandkoming van dit plan is rekening gehouden met de algemene sociaal-maatschappelijke behoefte aan de extra woningen. Dit plan voorziet niet alleen in de lokale vraag naar kwalitatieve en duurzame woningen, maar sluit ook aan bij de gemeentelijke doelstelling om een evenwichtige woningmarkt te realiseren. De belangen van omwonenden, toekomstige bewoners en de landschappelijke kwaliteit zijn zorgvuldig meegewogen. Door de woningen landschappelijk in te passen en te omringen met groenvoorzieningen, is de impact op de omgeving geminimaliseerd en de leefkwaliteit in het buitengebied bevorderd. Dit plan biedt daarmee een verantwoorde invulling van de ruimtelijke en maatschappelijke opgaven binnen de gemeente. 5.5.10 Conclusie gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.

47

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

48

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Hoofdstuk 6

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een 2zijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:  Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties.  Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen.  Het bevorderen van bronmaatregelen.  Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels.

 Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2

Onderzoek

In artikel 3.21 Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Daarnaast zijn er andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals onderwijsgebouwen (met uitzondering van voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een woning is een geluidsgevoelig gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21, lid 1, sub a Bkl. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde als bedoeld in tabel 5.78t BKL (zie figuur 5.4).

49

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter wel als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als: 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt; 6. besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen. Tabel 5.78t:Standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen Rijkswegen

50 Lden

Gemeentewegen Waterwegen

53 Lden

Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen

55 Lden

Industrieterreinen

50 Lden 40 Lnight

Figuur 6.1: tabel 5.78t: standaardwaarde geluidsgevoelige gebouwen Toets Het plangebied ligt niet in de buurt van een spoorweg of nabij functies met milieubelastende activiteiten die tot geluidhinder zouden kunnen zorgen, zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.1 Bkl. De Kempsestraat staat niet in het gemeentelijk verkeersmodel, wat een indicatie is dat er weinig verkeer over heen rijdt. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet nodig. 6.1.3

Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect ‘geluid’ geen belemmeringen zijn voor voorliggende omgevingsplanwijziging.

6.2

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

50

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan 1 van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Onderzoek

Middels voorliggend plan wordt een agrarisch bedrijf beëindigd en er worden 4 extra woningen toegevoegd. Op grond van artikel 5.54, sub b, van het BKL wordt een project met 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg aangemerkt als ‘niet in betekende mate’ (NIBM). Gelet op dat het aantal woningen middels voorliggend plan aanzienlijk lager is dan 1.500 woningen, wordt geconcludeerd dat voorliggend plan aan te merken is als een project dat NIBM is. Dit blijkt ook de navolgende worst-case berekening. Hierin is uitgegaan van 8 verkeersbewegingen per woning per etmaal en een aandeel van 0,1 % voor vrachtverkeer.

51

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Figuur 6.2: Worst-case berekening 6.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect ‘Luchtkwaliteit’ omgevingsplanwijziging.

6.3

zijn

er

geen

belemmeringen

voor

voorliggende

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2

Onderzoek

Zoals reeds beschreven voorziet voorliggende omgevingsplanwijziging o.a. in de toevoeging van 4 extra woningen binnen het plangebied. Op grond van artikel 5.91, lid 1, sub 1 BKL wordt een woning aangemerkt als een geurgevoelig gebouw. In artikel 5.112, lid 1 BKL zijn wettelijke afstanden opgenomen, die ten minste in acht genomen moeten worden tussen een agrarisch bedrijf en een geurgevoelig gebouw. Dit geldt alleen voor agrarische bedrijven waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. De afstand bedraagt minimaal 100 meter. Gezien het feit dat er binnen een straal van 500 meter geen agrarische bedrijven aanwezig zijn, wordt hieraan ruimschoots voldaan. 6.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect ‘Geur’ geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging.

6.4

Bodemkwaliteit

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

52

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl 6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden 3 basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;  Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;  Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;  Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2 Onderzoek Middels voorliggende omgevingsplanwijziging wordt de o.a. de realisatie van 4 extra woningen mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw, zoals bedoeld in artikel 5.89g, lid 1, sub a BKL.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), noodzakelijk. In april 2025 is door Eco Reest een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen) (zie Bijlage 3). Doel van het asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. Veldwerkzaamheden Uit de veldwerkzaamheden van het chemisch onderzoek blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit matig fijn zand tot 3,4 m-mv. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op 1,9 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. In meetpunt 3 nabij de voormalige bovengrondse tank zijn zwakke tot matige olie-water reacties waargenomen. Ter plaatse van meetpunt 27 onder het betonpad zijn sporen aan baksteen waargenomen.

Ter plaatse van het betonpad, aan de oostzijde van het terrein, is een boring gestaakt op een asbestverdachte puinverharding. Geverifieerd is dat de verhardingslaag zich niet breder dan het betonpad bevindt. De veldwerkzaamheden van het asbestonderzoek hebben bestaan uit een visuele inspectie van het maaiveld en het nemen van 20 grepen per verdachte toplaag van ten minste 0,5 kg tot circa 0,1 m-mv. per toplaag is een mengmonster samengesteld van minimaal 10 kg ds. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Analyseresultaten Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: A: vm. bovengrondse tank In de (meng)monsters van de boven- of ondergrond is geen minerale olie boven de grens landbouw/natuur en/of detectiegrens gemeten.

53

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie, xylenen en naftaleen gemeten. De gehalten overschrijden de signaleringsparameter niet waarmee het grondwater voldoet aan de eis goede chemische toestand van een grondwaterlichaam. B: overig terrein In het bovengrondmengmonster van de meetpunten 5, 6, 7 en 18 zijn licht verhoogde gehalten aan zink en PCB gemeten boven de grens landbouw/natuur. In de andere twee mengmonsters van de bovengrond zijn geen van de onderzochte parameters boven de grens landbouw/natuur en/of detectiegrenzen gemeten. In het bovengrondmonster van meetpunt 27 zijn licht verhoogde gehalten aan zink en koper gemeten boven de respectievelijke grens van de kwaliteitsklassen landbouw/natuur en wonen. In het grondwater van de peilbuizen 4 en 5 zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten gemeten ten opzichte van de (voormalige) streefwaarden en/of detectiegrenzen. Uit de asbestanalyses is het volgende naar voren gekomen: In de toplaag van de druppelzones 2 en 3 zijn gehalten aan asbest gemeten boven de interventiewaarde. Uit de toplaag van druppelzone 1 is het gehalte asbest gemeten onder de interventiewaarde. Asbest is in het monster van druppelzone 1 wel kwalitatief aangetoond in de kleinste fractie (< 0,5 mm).

Uit de SEM analyse blijkt dat 2,2 mg/kg is aangetoond, ruim beneden de risiconorm van 10 mg/kg. Conclusie chemisch onderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond overschrijdingen van de toetsingswaarden zijn aangetoond. Het doel van het onderzoek, namelijk het verkrijgen van een indruk omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein, is hiermee behaald. Uit de onderzoeksresultaten blijkt namelijk dat plaatselijk lichte verontreinigingen aan zink, PCB en koper zijn gemeten. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming toekomstige woonbestemming van het terrein, concludeerd Eco Reest dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige bestemming van het terrein. Opgemerkt wordt dat dit onderzoek geen partijkeuring betreft in de zin van het Besluit bodemkwaliteit. Eco Reest acht het milieuhygiënisch verantwoord om de grond op de locatie te hergebruiken. Afvoer en hergebruik van grond valt onder de regelgeving van het Besluit bodemkwaliteit.

In het geval van afvoer van grond adviseren wij om vooraf te overleggen over de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond met het bevoegd gezag (meestal de gemeente waarin de grond wordt toegepast). Hierbij wordt opgemerkt dat er geen analyses op PFAS zijn uitgevoerd, hetgeen mogelijk noodzakelijk is indien de grond wordt afgevoerd van de locatie. Conclusie asbest onderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek concluderen wij, dat in de geanalyseerde monsters van de druppelzones 2 en 3 gehalten aan asbest zijn aangetoond boven de interventiewaarde (gehalten >100 mg/kg d.s.). In het geanalyseerde monster van druppelzone 1 is een gehalte aangetoond beneden de interventiewaarde en beneden de risiconorm voor respirabele vezels. De hypothese “verdachte locatie” wordt derhalve, op grond van de resultaten van het huidige asbest-onderzoek met betrekking tot de bodem ter plaatse van de onderzochte druppelzones 1, 2 en 3 bevestigd. Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek concluderen wij dat, getoetst aan de normen zoals verwoord in Circulaire Bodemsanering 2013, ter plaatse van de onderzochte terreindelen van de druppelzones 2 en 3 sprake is van een asbestverontreiniging in de bodem.

54

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl In het kader van de Omgevingswet zal de gemeente met betrekking tot de grond die niet voldoet aan de normen voor de klasse wonen sanerende maatregelen verlangen. Geadviseerd wordt, om de ter plaatse van druppelzone 2 en 3 aangetoonde asbestverontreiniging in de bodem te saneren. Deze asbestsanering dient, in het kader van de Omgevingswet als een Milieu Belastende Activiteit (MBA) te worden gemeld bij het bevoegd gezag (gemeente Doetinchem). Afhankelijk van het volume van de te ontgraven grond is hierbij tevens mogelijk milieukundige begeleiding noodzakelijk. De betreffende, te saneren (delen van de) grond dienen op basis van de gemeten gehalten aan asbest als Niet Toepasbare grond naar een daartoe erkende verwerker te worden afgevoerd. Conclusie stuitboring puinlaag t.p.v. betonpad De puinlaag onder het betonpad dient onderzocht te worden in een nader asbestonderzoek. Voorafgaande aan de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw zal het nader onderzoek asbest zijn afgerond. De bodemkwaliteit zal daarbij geschikt voor het beoogde gebruik bevonden moeten zijn. Aanvullend bodemondergrond Aangezien het plangebied groter is geworden is in januari 2026 door Boluwa een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4).

Doel van het onderzoek is het vaststellen van eventuele verontreiniging van grond en grondwater van de locatie en een globaal inzicht te verschaffen in de aard, plaats en concentratie van eventueel verontreinigende stoffen. Resultaten van dit onderzoek Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in zowel de boven- als de ondergrond van de onderzoekslocatie geen overschrijdingen van de interventiewaarden aan onderzochte componenten zijn aangetoond. Tevens zijn geen verhoogde gehalten met een GSSD-index > 0,5 vastgesteld. In het grondwatermonster overschrijden geen van de gemeten concentraties signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

de

Toetsing van de onderzoekshypothese: De hypothese dat er wordt uitgegaan van een onverdachte locatie wordt aangenomen. Met betrekking tot de gevolgde onderzoeksstrategie wordt gesteld dat op basis van de beschikbare gegevens, de strategie voldoende van opzet is geweest om de toetsing te verrichten. 6.4.3

Conclusie en aanbevelingen

De bodemkwaliteit is voldoende vastgesteld. Wel dient na het verwijderen van het betonpad de puinlaag hieronder nog onderzocht te worden. Formeel is dit geen bodem. Voor een groot deel is de bodemkwaliteit binnen het plangebied geschikt voor het beoogde gebruik. Omdat er plaatselijk (druppelzones) hoge asbestconcentraties zijn aangetroffen dient ter plaatse voor de start van de bouw een bodemsanering uit gevoerd te worden om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Deze voorwaarde zal in de vergunning komen. Geadviseerd wordt om hierbij niet alleen de druppelzones 2 en 3 (hoge asbestconcentraties) af te graven, maar ook zone 1 (lage asbestconcentraties). Dit om verspreiding van asbestvezels tijdens het grondverzet te voorkomen. Verder wordt geadviseerd om de asbestsanering voor de sloop uit te voeren omdat anders het risico bestaat dat de verontreiniging onvoldoende getraceerd kan worden.

6.5

Waterhuishouding

De vier nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt doordat er in totaal ruim 3.500 m 2 aan bebouwing en verhardingen worden verwijderd.

55

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor ruimtelijke plannen. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (NBW-actueel, juni 2008) hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen onder meer afgesproken dat de watertoets ook wordt toegepast bij waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen. Dit houdt in dat in een vroegtijdig stadium overleg gepleegd wordt met de waterbeheerders. De watertoets is digitaal doorlopen op de site van het waterschap Rijn en IJssel. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat bij voorliggend initiatief de normale procedure van toepassing is. Bij realisatie dient rekening te worden gehouden met een waterbergende voorziening. Deze voorziening is getroffen in de vorm van een te graven wadi aan de noordzijde van het plangebied (zie figuur 3.2.). Doordat de verharding enorm afneemt hoeft er minder water te worden opgevangen. Het water van de daken en verhardingen wordt afgevoerd naar de wadi. Het vuilwater van de vier woningen wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool. Over het algemeen wordt geadviseerd om het toekomstig geheel gesloten verhard oppervlak binnen het projectgebied beperkt te houden. De bergingseis voor hemelwater vanuit het waterschap is voor nieuwe verharding hoger dan bij afkoppeling van bestaande verhardingen (80 vs.

20 mm). Afhankelijk van de infiltratiesnelheid bedraagt de benodigde berging vanuit de gemeente 40-70 mm. Tevens mag een bui van T=100 (neerslagbui van 70 mm in 1 uur) geen wateroverlast veroorzaken. Het is niet bekend of de bestaande panden geheel afgekoppeld en aangesloten zijn op het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. Minimaal dient het hemelwater van het bijkomend verhard oppervlak geheel op eigen terrein verwerkt te worden. Bij afkoppeling van de bestaande panden en heraanleg van het overig verhard oppervlak in de eindsituatie dient hierbij ook een infiltratievoorziening aangelegd te worden. Aanvullende maatregelen die genomen kunnen worden zijn o.a. de toepassing van waterpasserende bestrating, halfverharding of grasdallen bij de aanleg van (wandel)paden en parkeervakken, zodat hemelwater lokaal kan wegzijgen en de benodigde hemelwaterberging ook kleiner ontworpen kan worden. Verder kan hemelwater ook opgevangen worden ten behoeve van hergebruik in de tuinen of in een grijswatercircuit (o.a. toiletspoeling). Door het planvoornemen worden diverse maatregelen genomen ten aanzien van klimaatbestendig bouwen. Zo wordt het hemelwater 100% afgekoppeld en ter plaatse geïnfiltreerd (vermindering verdroging). Het hemelwater van de bestaande woningen wordt ook afgekoppeld van het riool en geïnfiltreerd in de bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8364/documents/51590