CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B12.0 Onderbouwing Kempsestraat 1-3 Wehl.pdf

beeldvormende raad 12 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G26.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Infiltratie kratten worden toegepast bij zowel de bestaande woningen als ook de nieuwe woningen. De exacte locatie wordt nader bepaald. Door een hoger bouwpeil en de ligging op de hogere terreindelen is bij de nieuwbouw geen wateroverlast te verwachten. Door de aanvullende infiltratievoorzieningen op eigen terrein neemt ook de kans op wateroverlast bij piekbuien af. De nieuwe parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk voorzien/uitgevoerd middels halfopen/ waterpasserende verharding om hemelwater beter te kunnen verwerken. Om vervuiling van het hemelwater te voorkomen worden er geen uitlogende materialen toegepast. Verharding In de bestaande situatie is het totaal bebouwde oppervlakte 3.300 m 2 en 1.738 m2 aan bestrating, in totaal 5.038 m2 (zie figuur 6.3). In de nieuwe situatie is het totaal bebouwde oppervlakte 1.623 m 2 en 1.521 m2 aan bestrating, in totaal 3.144 m2 (zie figuur 6.4). De totale oppervlakte aan verharding neemt met 1.894 m2 af, waarbij opgemerkt dat de parkeerplaatsen worden uitgevoerd in half-open verharding. Daarnaast zal bij de verdere uitwerking worden bekeken of de bestrating minder kan worden.

56

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Figuur 6.3: Bestaande verharding

Figuur 6.4: Nieuwe verharding De wens van het waterschap is om in het buitengebied een bergingscapaciteit te hebben van 80 mm, dit is echter geen verplichting. Initiatiefnemer gaat van de bestaande gebouwen het hemelwater afkoppelen van het riool. Het hemelwater van de daken en bestratingen wordt afgevoerd naar de wadi (2.500 m2), zie figuur 6.5. Hierbij wordt rekening gehouden met de GHG.

57

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Figuur 6.5: Locatie van de wadi (blauw omkaderd ) De wadi wordt boven de GHG aangelegd en heeft een oppervlakte van circa 2.500 m 2. Uitgaande van een totale m2 aan verharding van 3.144 m2 komt dit neer op circa 250 m3 berging. Hierbij is geen rekening gehouden met halfverharding, welke niet meegerekend hoeft te worden. De berging van het water is dus geen enkel probleem. Conclusie Het wateraspect is geen belemmering voor de realisatie van plan. Er is een grote afname van verharding en ten gevolge van het groene inrichtingsplan zal ter plaatse de hittestress ook afnemen.

6.6

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

58

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

6.6.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Doetinchem heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.6.2

Mobiliteitsplan Doetinchem 2036

Het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 geeft een beeld waar de gemeente Doetinchem in 2036 wil staan als het gaat om verkeer en mobiliteit. Het mobiliteitsplan bestaat uit 3 delen: 1. Visiedeel: met mobiliteitsambities en wensbeelden over mobiliteit. 2. Uitvoeringsprogramma: maatregelen hoe we de ambities en de wensbeelden kunnen realiseren. 3. Bijlagen: ter onderbouwing van het visiedeel en het uitvoeringsprogramma. In het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 worden vier hoofdambities beschreven: 4. Bruisende binnenstad. Hierbij gaat het om het aantrekkelijker maken van de binnenstad, het beperken van gemotoriseerd verkeer en het parkeren aan de randen. Zorgen voor een goede en aantrekkelijke bereikbaarheid van het centrum en de binnenstad voor fietsers, voetgangers en met het openbaar vervoer. 5. Het fijner maken om te leven en wonen in wijken en kernen. Hierbij gaan we uit van het zoveel mogelijk terugbrengen van de maximale snelheid van wegen naar 30 km/h. Ook kijken we naar het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. 6. Aanmoedigen actieve mobiliteit en openbaar vervoer. Hierbij gaan we uit, dat we het zo makkelijk mogelijk maken voor fietsers en voetgangers, daar waar het kan. Bijvoorbeeld door het bieden van goede en logische loop- en fietsroutes. Het openbaar vervoer maken we aantrekkelijker, onder andere door haltes van goede kwaliteit op logische locaties.

Onderzoek en realisatie van hubs kan zorgen voor minder (overlast van zwaar) verkeer en biedt meer opties voor een verplaatsing. Het delen van fietsen en/of auto’s kan ook zorgen voor minder verkeer en daardoor fijner wonen en leven. 7. Zo goed mogelijk sturen verkeer. Naast het afwaarderen van wegen, wijzen we ook een aantal wegen aan waar we de doorstroomfunctie voor gemotoriseerd verkeer willen verbeteren. Hiermee faciliteren we dit verkeer daar waar we het willen hebben. Naast fysieke maatregelen speelt het gebruik van data en andere nieuwe technologieën een rol. Uitvoeringsprogramma In het uitvoeringsprogramma beschrijft de gemeente hoe zij de ambities en wensen uit het visiedeel wil uitvoeren. Hiervoor heeft de gemeente een pakket van maatregelen opgesteld. Deze maatregelen gaan bijvoorbeeld over:  het verbeteren en aanleggen van schakels in het fietsnetwerk;  het verbeteren van bestaande wegen voor een betere doorstroming;  het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. Uitvoeringsagenda In de uitvoeringsagenda geeft de gemeente bij elke maatregel aan welke maatregel belangrijker is en een inschatting van de kosten.

59

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

6.6.3

Parkeervisie

De Parkeervisie is in nauwe samenhang met het Mobiliteitsplan opgesteld. In de parkeervisie wordt ingespeeld op de ruimtelijke ontwikkelingen die zich de komende jaren gaan voordoen, nu Doetinchem de wens heeft uitgesproken om te willen groeien naar 70.000 inwoners. Het parkeren in Doetinchem bevindt zich nog altijd in een lastig vaarwater. Dit omdat de parkeerinkomsten minder groeien dan de kosten. De landelijke trend van het kopen via internet is niet gewijzigd. Dit betekent dat minder mensen voor de inkopen naar de binnenstad komen. Daar staat tegenover dat er steeds meer winkelpanden omgebouwd worden tot woningen. Dit alles maakt dat er een heldere visie en concrete maatregelen noodzakelijk zijn. In de Parkeernota 2024 staan verschillende voorstellen om de inkomsten te verhogen maar ook om het parkeren in de binnenstad de komende jaren mogelijk te houden. Onderdeel van de parkeervisie is de nieuwe Nota Parkeernormen Doetinchem 2024. Nota Parkeernormen Doetinchem 2024 Met de Nota Parkeernormen 2024 is een kader geschept, waaraan toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de hele gemeente ten aanzien van parkeren getoetst kunnen worden. Het is een maatschappelijk belang dat woonruimte wordt gerealiseerd, zowel door transformaties, als door bouwprojecten en gebiedsontwikkelingen.

Voor de transformaties geldt dat de realisatie van parkeerplaatsen vaak niet mogelijk is door ruimtegebrek. Deze nota parkeernormen zorgt ervoor om op een verantwoorde wijze ruimtelijke ontwikkelingen met minder parkeerplaatsen toch mogelijk gemaakt kunnen worden. De parkeernorm is een vast gegeven, gebaseerd op de functie die wordt gerealiseerd en de omvang ervan. De parkeereis is het aantal parkeerplaatsen dat uiteindelijk aangelegd dient te worden, nadat de stappen van de berekening in de parkeerbalans doorlopen zijn, zoals de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende functies en de mogelijkheid van het afkopen van een reductie. De CROW-richtlijnen (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek) voor de parkeernormen liggen aan de basis voor deze parkeernorm voor de gemeente Doetinchem. In de CROW-richtlijnen worden bandbreedtes en stedelijkheidsgraden aangegeven. De stedelijkheidsgraad is van invloed op de parkeerbehoefte van veel functies. Volgens het CBS is de stedelijkheidsgraad het aantal adressen per km2. Doetinchem heeft een “adressendichtheid” van 1.115 adressen per km2 (bron: CBS). Dat wordt gekwalificeerd als ‘matig stedelijk’. De kernen Wehl, nieuw Wehl en Gaanderen behoren tot “rest bebouwde kom Voor de parkeernormering wordt gebruik gemaakt van onderstaande gebiedsindeling.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen Centrum, Schil/overloopgebied, Rest bebouwde kom en Buitengebied. Daarbij wordt de gemiddelde parkeernorm van het CROW gehanteerd. 6.6.4

Onderzoek

Verkeer Middels voorliggende omgevingsplanwijziging wordt de beëindiging van het agrarische bedrijf en de realisatie van 4 extra woningen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Door realisatie van de 4 extra woningen zal de verkeersgeneratie in het gebied toenemen. Het aantal extra verkeersbewegingen bedraagt op basis van de CROW uitgave 381 afgerond 33 verkeersbewegingen per etmaal. Hierbij is uitgegaan van ‘koop, huis, twee-onder-een-kap’ met het gebiedstype ‘buitengebied’ en een niet stedelijke stedelijkheidsgraad. Hiervan vindt 10% plaats tijdens de spits, dit resulteert in één auto per 20 minuten. Dit is voor de Kempsestraat geen enkel probleem. Geacht wordt dat vanuit verkeer geen belemmeringen zijn voor de voorliggende planwijziging. Parkeren De 4 te realiseren woningen hebben een bepaalde parkeernorm, zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen Doetinchem 2024. Uitgaande van twee 2-onder-één-kapwoningen bedraagt de parkeernorm afgerond 9 parkeerplaatsen en voor de twee voormalige bedrijfswoningen per woning 3 parkeerplaatsen. Uit figuur 6.4 blijkt dat er voldoende ruimte is binnen het plangebied om parkeerplaatsen aan te leggen.

60

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Figuur 6.4: Parkeren Vanuit parkeren zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorliggende planwijziging. Het parkeren vindt plaats op halfverharding. Bij de verdere uitwerking van het plan zal worden bekeken of het aantal m2 nog kan afnemen. 6.6.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect ‘mobiliteit en parkeren’ geen belemmeringen zijn voor de voorliggende omgevingsplanwijziging, mits er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

6.7

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.  Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).  Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

61

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:  Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).  Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).  Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).  Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2 Onderzoek Er is met behulp van de risicokaart van Atlas Leefomgeving een inventarisatie verricht naar mogelijke risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 6.5 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied globaal is aangegeven door middel van een rode stip.

Figuur 6.5: Uitsnede risicokaart (plangebied rode stip) Transport door buisleidingen Het plangebied ligt op circa 1.100 meter afstand van buisleiding N-566-1. In de onderstaande tabel zijn de eigenschappen van deze leiding samengevat. Tabel Leidinggegevens Buisleiding

Diameter

Druk

100 % letaliteitsafstand

1 % letaliteitsafstand Afstand plangebied

N-566-1

324 mm

40 bar

70 m

140 m

tot

ca. 1.100 m

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied niet binnen de 1% letaliteitsafstand van de buisleidingen ligt. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

62

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl vormen derhalve geen aandachtspunt voor het planvoornemen. In de directe omgeving bevinden zich wegen en/of spoorwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. ook bevinden er geen geen inrichtingen in de directe omgeving die een belemmering zijn voor de realisatie van de woningen. Gelet op dat er slechts 4 extra woningen worden toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie, er bij het bouwen van de woningen voldaan moet worden aan strenge bouweisen vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving, de bewoners van de woningen voldoende zelfredzaam zijn en het plangebied eenvoudig bereikt kan worden door hulpdiensten, wordt geacht dat er geen onderzoek noodzakelijk is. Bereikbaarheid en water De ontwikkeling ligt in het buitengebied van Wehl. De bluswatervoorzieningen liggen daar op een aanzienlijke afstand van de ontwikkeling. De gemeente is verantwoordelijk voor de bluswatervoorzieningen. In het plangebied wordt aan de noordzijde een vijver aangelegd waarop het hemelwater van daken en verhardingen voor een groot deel wordt afgevoerd. Indien noodzakelijk kan de brandweer van deze vijver gebruik maken. 6.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging.

6.8

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

63

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:  er soorten aanwezig zijn; en  welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 6.8.2

Onderzoek

Quickscan natuurwaardenonderzoek Ten behoeve van de voorliggende omgevingsplanwijziging is in juli 2025 een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (zie Bijlage 5). Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezennaar het onderzoek. Onderstaand volgen de belangrijkste bevindingen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Als gevolg van het slopen van de toegankelijke bebouwing en het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden, omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de varkensstallen wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de varkensstallen vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden.

64

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of (winter)rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen en/of (winter)rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijke gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:  Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken).  Verwijderen beplanting en slopen toegankelijke bebouwing buiten de voorplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren).  Nader onderzoek naar de functie van de varkensstallen voor vleermuizen uitvoeren. In het kader van de zorgplicht (Art. 11.27, Bal) moet voorafgaand aan een ingreep, welke mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde diersoorten, een effectbeoordeling plaats vinden. Omdat met een eenmalige visuele inspectie, de functie en betekenis van de aanwezige bebouwing voor vleermuizen niet (volledig) vastgesteld kan worden, is gericht vervolgonderzoek noodzakelijk. In de periode half mei - half september is door Natuurbank Overijssel dit aanvullende vleermuisonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied zijn vastgesteld. 6.8.3

Conclusie

Uit de onderzoeken blijkt dat dit aspect geen belemmering is voor de realisatie van het plan. Bij de aanvraag voor de bouw van de woningen en bijgebouwen wordt aangegeven welke natuurinclusieve maatregelen er worden aangebracht ten gunste van o.a vogels, vleermuizen, insecten e.d.

6.9

Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:  Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten.  Verplaatsing van beschermde monumenten.  Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand.  Aantasting van de omgeving van een beschermd monument.  Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

65

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl 6.9.2

Onderzoek

Archeologie Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem blijkt het volgende. Voor het plangebied (rode cirkel) geldt met name een middelmatige archeologische verwachting. Zie figuur 6.6. Hierbij hoort het volgende advies. Bij bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm -Mv of dieper dan de bekende bodemverstoring is een vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek vereist, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek.

Figuur 6.6: Uitsnede archeologische beleidskaart (gemeente Doetinchem) In maart 2025 is door Bureau voor Archeologie een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoekuitgevoerd (zie Bijlage 7). Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Noordelijk zandgebied', in de landschapszone dekzandvlakten, dekzandruggen en rivierduinen. In de ondergrond ligt het pleniglaciaal Laagterras dat plaatselijk wordt afgedekt door dekzand. Het westelijke plandeel (1) ligt op een dekzandrug waar zich vorstvaaggronden in hebben ontwikkeld. In de naastliggende vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss (plandeel 2) hebben zich volgens de bodemkaart vlakvaaggronden ontwikkeld. In het westen van het plangebied heeft tussen midden 18e eeuw en begin 19e eeuw een boerderij gestaan. Het huidige erf is begin 20e eeuw opgericht en in de loop van de 20e eeuw uitgebreid. Vanwege de bouw van onderkelderde varkensstallen en egalisatie in de 20e eeuw worden in het westelijke plandeel (1) diepe bodemverstoringen verwacht. In het plangebied zijn acht boringen gezet tot maximaal 220 cm -mv.

Hieruit blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit rivierafzettingen. Hierop ligt in het westelijke plandeel 40 tot 95 cm dekzand. In de top van het dekzand zijn geen resten van bodemvorming (meer) herkenbaar. Op het dekzand ligt een omgewerkt pakket van 60 tot 120 cm dik. In het oostelijke plandeel (2) is geen dekzand aanwezig. Hier heeft zich direct in de top van het pleistocene rivierterras een 30 cm dikke humeuze bouwvoor ontwikkeld.

66

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Op de plek van het historische erf zijn enkele fragmenten kalkmortel en baksteen aanwezig. Echter, het bodemprofiel bij dit erf is tot 120 cm -mv verstoord. Gezien de vrij jonge ouderdom van het erf en de vergraven staat van het plangebied wordt de kans klein geacht dat op de plek van het erf, net zoals in de rest van dit plandeel, nog sprake kan zijn van behoudenswaardige archeologische resten. De bodem in het oostelijke plandeel 2 bestaat uit een A-C profiel. De lage ligging ten opzichte van het grondwater maakt het geen geschikte vestigingsplaats. De kans dat in deze zone archeologische resten aanwezig zijn wordt ook in dit plandeel als klein ingeschat. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Doetinchem. Cultuurhistorie De gemeente Doetinchem heeft een zeer uitgestrekt en gevarieerd landelijk gebied.

Verschillende landschapstypen, oude wegen- en waterstructuren en verschillen in hoogte en verkaveling zorgen voor veel afwisseling en een aantrekkelijk kleinschalig landschap. Van oudsher zijn vooral de hoger gelegen essengronden bebouwd. Hier konden boeren een gemengd bedrijf voeren en een bestaan opbouwen. De historische boerderijen in het buitengebied van Doetinchem Wehl en Gaanderen behoren in hoofdopzet tot hetzelfde type: de hallehuisboerderij. Deze boerderijen zijn bescheiden van omvang, waarbij het dak oorspronkelijk ondersteund werd door houten gebinten, en het woon- en bedrijfsgedeelte van elkaar gescheiden zijn door een dwarsmuur. Vaak zijn er vele bijgebouwen op het erf, zoals schuren en hooibergen. De meeste boerderijen in de gemeente Doetinchem dateren uit de periode 1850 – 1940. Binnen het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 6.9.3

Conclusie

Vanuit het aspect ‘cultureel omgevingsplanwijziging.

6.10

erfgoed’

zijn

geen

belemmeringen

voor

de

voorliggende

Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in 3 categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

67

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5). 6.10.2 Onderzoek energietransitie De beoogde woningen zullen volledig elektrisch zijn, waarbij de benodigde stroom voor het verwarmen van de woning en voor de diverse installaties opgewekt zullen worden door middel van zonnepanelen. Hierbij zal minimaal voldaan worden aan het vereiste van Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). De toekomstige bewoners kunnen later ervoor kiezen om hun woningen geheel energieneutraal te maken. Dit kan worden gedaan door bijvoorbeeld extra zonnepanelen te plaatsen. De zonnepanelen wekken energie op en dit wordt gebruikt voor het huishouden. De eventuele overtollige energie kan worden teruggeleverd aan de energiemaatschappij, waarmee de bewoners kunnen bijdragen aan de energietransitie in Nederland.

Op voorhand is niet aan te geven of de toekomstige bewoners luchtwarmtepompen of bodemwarmtepompen gaan installeren. Dit wordt bij de omgevingsaanvraag voor de bouw van de woningen aangegeven. 6.10.3 Onderzoek circulariteit De uitkomst van de berekening milieuprestatie is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. De maatregelen die moeten worden genomen om te gaan voldoen aan milieuprestatie zijn voorlopig nog niet bekend. 6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving In Nederland krijgt men steeds vaker te maken met zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Om de bewoners tegen de gevolgen daarvan te beschermen, is het nodig dat de omgeving wordt aangepast. Dat betekent ook dat er anders gebouwd moet worden. De ‘Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet. De maatlat biedt houvast voor overheden, woningcorporaties en partijen uit de bouw zoals projectontwikkelaars. De maatlat is nodig om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Zo is het mogelijk om ook in de toekomst in een veilige, gezonde én groene omgeving te blijven wonen en werken. De maatlat maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen eruitziet.

Het instrument beschrijft doelen en prestatie-eisen, en geeft richtlijnen voor de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen. De maatlat schrijft geen specifieke maatregelen voor. Daardoor blijft er lokaal ruimte voor maatwerk en krijgen innovatieve en slimme oplossingen alle ruimte. Het plangebied wordt ontwikkeld met aandacht voor klimaatadaptatie. Het verharde oppervlak in de toekomstige situatie neemt ten opzichte van de huidige situatie aanzienlijk af, waardoor ruimte ontstaat voor het aanleggen van diverse groenvoorzieningen. Door minder verhard oppervlak kan het water binnen het plangebied langer worden vastgehouden, waardoor hitte binnen het plangebied afneemt en droogte voorkomen wordt. Door het aanleggen van groenvoorzieningen zoals beplantingen en bomen, ontstaat er meer schaduw binnen het plangebied, wat zal zorgen voor een verkoelend effect en een fijne woonomgeving voor de toekomstige bewoners. Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat voorliggende omgevingsplanwijziging in overeenstemming is met de ‘Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’. De watertoets is in april 2025 door EDOK-RO uitgevoerd (zie Bijlage 8). Hieruit blijkt dat voor het plan de normale procedure van toepassing is. Voor dit plan wordt het hemelwater van daken en bestrating opgevangen op het eigen perceel d.m.v.

een wadi en indien noodzakelijk in infiltratiekratten. Vuilwater wordt aangesloten op het gemeentelijke riool.

68

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Langs het plangebied ligt een drukriolering. Qua capaciteit kan dit aangesloten worden op de Kempseweg, de vier nieuwe woningen kunnen in principe dan onder vrij verval aansluiten op de bestaande pompput van huisnummer 1 en 3, mits de eigenaren van 1 en 3 akkoord zijn dat afvoer vrijverval leiding deels over hun grond mag lopen. Met de klimaatveranderingen worden extremere buien verwacht en langere droge en warme perioden. Het watersysteem (o.a. rivieren, beken, watergangen en het grondwater) zal te maken krijgen met hogere waterstanden. Niet alleen bij langere, natte perioden of extremere buien, maar ook om water vast te houden voor drogere periodes. Uit de figuren 6.7, 6.8 en 6.9 blijkt dat water, hitte en droogte niet tot grote problemen lijdt.

Figuur 6.7: Uitsnede waterdiepte hevige bui - 140 mm in 2 uur

Figuur 6.8: Uitsnede hittestress

69

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Figuur 6.9: Uitsnede droogtestress Doordat er sprake is van een behoorlijke afname van het verhard oppervlak, het aanbrengen van extra groen en aanleggen van een poel komt dit het klimaat ten goede (zie ook Bijlage 1). Bij de uitwerking van het plan zal overleg worden gevoerd met het waterschap. 6.10.5 Conclusie Vanuit het aspect ‘duurzaamheid’ zijn vooralsnog geen belemmeringen voor de voorliggende omgevingsplanwijziging.

6.11

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:  Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;  Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. De figuur van de vormvrije m.e.r.-beoordeling keert niet terug onder de Omgevingswet. Een project of plan kan voortaan alleen nog leiden tot m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit hangt samen met de aanwijzing van gevallen waarin de m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. In bijlage V van het Ob zijn die gevallen aangewezen, waarbij anders dan voorheen onder het Besluit

70

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl milieueffectrapportage nog maar sprake is van 1 lijst (voorheen was sprake van de zogenaamde C- of D-lijst). Groot verschil met dit besluit is dat voor m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen nu geen drempels meer gelden. 6.11.2 Onderzoek De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Het begrip ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:  de aard en omvang van de ontwikkeling;  de vormgeving en opzet;  de schaalgrootte;  de ligging;  de voorgenomen functie(wijziging), en;  de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Er is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). In voorliggend plan wordt de huidige agrarische bebouwing binnen het plangebied voor het grootste gedeelte gesloopt en vervangen door 4 nieuwbouw woningen. Het oppervlak aan bebouwing dat wordt gesloopt is velen malen groter dan het oppervlak van de toekomstige bebouwing.

Daarmee is sprake van een aanzienlijke afname in de bebouwde oppervlakte binnen het plangebied. Daarnaast wordt een milieubelastende functie met bijbehorende milieubelastende activiteiten gesaneerd en krijgt het plangebied de functie ‘wonen’ die geen milieubelastende activiteiten heeft voor de omgeving. Gelet op het vorenstaande in relatie tot de uitspraken van de Raad van State wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet aangemerkt hoef te worden als een project dat voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht. Belangrijke negatieve milieugevolgen zijn niet te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet noodzakelijk. 6.11.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘m.e.r.-beoordeling’ omgevingsplanwijziging.

6.12

zijn

geen

belemmeringen

voor

de

voorliggende

Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/de vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt:  Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja;  Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;  Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

71

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl 6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

activiteiten,

ook

In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de MvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba’s. Hierbij kan ged8 worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'.

De VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gaat uit van zones die die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering. 6.12.2 Onderzoek In de VNG-uitgave Activiteiten en Milieuzonering Omgevingswet is de lijst van bedrijfsactiviteiten van de VNG uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 getransponeerd en biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten in de omgeving. Daarbij wordt uitgegaan van richtafstanden voor geluid en geur. Milieuaspecten zoals externe veiligheid, trillingen en stofhinder zijn in specifieke gevallen relevant of zelfs maatgevend.

Deze aspecten lenen zich, anders dan geluid en geur, niet goed om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. In algemene zin geldt dat wanneer een activiteit een andere vorm van milieubelasting dan geluid- en geurhinder met zich mee brengt, aan de hand van de specifieke regelgeving moet worden bepaald of de activiteit op de gewenste locatie inpasbaar is. Het plangebied ligt aan de Kempsestraat 1-3 in Wehl, in het buitengebied van de kern Wehl. In de directe omgeving zijn hoofdzakelijk woonfuncties aanwezig. Woningen zijn geen milieubelastende functies en hoeven jegens elkaar niet te worden beschermd. Woningen worden wel beschermd tegen milieuhinder afkomst van milieubelastende functies. Op een grotere afstand zijn een aantal agrarische bedrijven aanwezig, waarbij eerder onder het aspect ‘geur’ is beschreven dat vanuit het aspect ‘geur’ geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling. Agrarische bedrijven hebben kunnen naast geurhinder ook zorgen voor geluidhinder. Voor veehouderijen geldt 30 meter voor het aspect ‘geluid’. Aangezien de dichtstbijzijnde veehouderij op een afstand van minimaal 500 meter is gelegen (zie aspect ‘geur’), wordt aan de afstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’ ruimschoots voldaan. Dat betekent tegelijkertijd ook dat de agrarische bedrijven niet belemmerd zullen worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

72

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Al met al wordt geconcludeerd dat er in de directe omgeving van het plangebied geen milieubelastende activiteiten zijn die voorliggende omgevingsplanwijziging onmogelijk maken. Anderzijds leidt deze omgevingsplanwijziging vanuit hinder of gevaar niet tot nadelige effecten voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De beoogde woonfuncties zijn naar aard en invloed geschikt in de omgeving en het wonen betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. 6.12.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘milieuzonering’ omgevingsplanwijziging.

6.13

zijn

geen

belemmeringen

voor

de

voorliggende

Spuitzone

6.13.1 Algemeen Binnen de Omgevingswet zijn er geen specifieke regels die een vaste afstand voor spuitzones voorschrijven. . In de jurisprudentie wordt echter veelal uitgegaan van een vuistregel van 50 meter tussen agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en zogenoemde gevoelige functies, zoals woningen. Deze afstand wordt aangeduid als spuitzone, spuitvrije zone of teeltvrije zone. De noodzaak en omvang van een spuitvrije zone zijn echter sterk afhankelijk van het type teelt en de bijbehorende spuitintensiteit. Niet elke agrarische teelt leidt tot een relevante blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. In hoofdlijnen geldt het volgende: Teelt

Spuitintensiteit

Relevantie 50 m

Boomkwekerij / fruitteelt

Hoog, opwaartse drift

soms nodig

Akkerbouw (graan, mais)

zeer beperkt

meestal niet

Grasland

incidenteel

niet relevant

Biologisch

geen chemische middelen

niet nodig

Een afstand van 50 meter is dus geen algemeen geldende norm. De vuistregel van 50 meter stamt uit de periode van een verplichte driftreductie van 50% goldt. Per 1 januari 2026 is een driftreductie van 90% verplicht, hetgeen een aanzienlijke vermindering (80%) van emissie en blootstelling betekent. Voor de meest voorkomende teelten zijn in de volgende tabel de variabelen weergegeven die de spuitbelasting beïnvloeden met daarbij een kwalitatieve duiding van elke variabele.

73

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Op grond van de jurisprudentie kan afgeweken worden van de vuistregel van 50 meter door middel van een locatiespecifiek onderzoek, waarbij aannemelijk moet worden gemaakt dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hiervoor dient onderzocht te worden wat de specifieke omstandigheden zijn. Bijvoorbeeld het plaatsen van een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking, de aanwezigheid van watergangen en feitelijke omstandigheden. 6.13.2 Onderzoek In figuur 6.10 worden de nabij gelegen percelen weergegeven, hierbij zijn de percelen 2, 3 en 4 van de initiatiefnemer. Perceel 1 ligt op ruim 50 meter afstand van de nieuwbouw. Perceel 5 ligt 21 meter vanaf het perceel Kempsestraat 1 en 23 meter vanaf perceel Kempsestraat 3 en ruim 50 meter vanaf de nieuwbouw. De percelen worden al circa 20 jaar gebruikt voor gras en snijmais.

Figuur 6.10: Overzicht aangrenzende agrarische percelen

74

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl 6.13.3 Conclusie Gelet op:  het feit dat de aangrenzende agrarische gronden hoofdzakelijk als grasland/snijmaisland worden gebruikt;  de daarmee samenhangende lage spuitbelasting;  de verplichte driftreductie van 75%;  het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij grasland en snijmais is ongewenst vanwege voederveiligheid en de gezondheid van het vee;  grasland vereist normaal geen chemische gewasbescherming, omdat ziekten en plagen nauwelijks een rol spelen in graslandproductie;  grasland wordt overwegend extensief beheerd en richt zich op maaien en beweiden;  het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op grasland is niet noodzakelijk voor het agrarisch rendement;  en de feitelijke afstanden tussen agrarische percelen en woningen, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Vanuit het aspect gewasbeschermingsmiddelen wordt derhalve voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

In het omgevingsplan hoeft daarom geen regels over spuitzoneringen opgenomen te worden. 6.14

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:  Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);  Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Onderzoek Met de voorliggende omgevingsplanwijziging wordt de beëindiging van het agrarische bedrijf mogelijk gemaakt, waarbij het grootste deel van de agrarische bebouwing wordt gesloopt en vier extra woningen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Zoals eerder beschreven, draagt de sanering van het agrarische bedrijf bij aan een verbeterd woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen.

Er zal geen stankoverlast meer zijn, wat de gezondheid van omwonenden ten goede komt. Daarnaast heeft de sanering van het agrarische bedrijf een positief effect op de natuur, omdat er geen dieren meer in stallen gehouden zullen worden. Hierdoor neemt de jaarlijkse uitstoot van stikstof en ammoniak af, wat op den duur leidt tot een verbetering van de milieukwaliteit en een toename van de biodiversiteit. Dit heeft uiteindelijk ook een positief effect op de volksgezondheid. Bovendien moeten bouwplannen tegenwoordig voldoen aan de meest recente (technische) eisen op het gebied van duurzaamheid, luchtkwaliteit en bouwkundige aspecten. Dit waarborgt een goed binnenmilieu voor de toekomstige bewoners, wat eveneens positieve gevolgen heeft voor de gezondheid.

75

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl Samenvattend kan worden gesteld dat dit plan niet alleen bijdraagt aan de oplossing van een maatschappelijk woonprobleem, waarbij extra woningen noodzakelijk zijn, maar ook de gezondheid van mensen bevordert. Gezondheid en geitenhouderij Uit verschillende studies in de onderzoeksreeks ‘’Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)’’ van het RIVM blijkt dat mensen die binnen een straal van twee kilometer rond een geitenhouderij wonen een verhoogde kans hebben op een longontsteking ten opzichte van mensen die rond andere veehouderijen wonen en mensen die niet bij een veehouderij in de buurt wonen. Binnen een straal van 2 km is slechts 1 geitenhouderij gevestigd op een afstand van circa 1,35 km aan de Bosslagstraat 2 in Loil. Echter deze geitenhouderij is gestopt, waardoor er geen belemmering meer is vanuit deze geitenhouderij. 6.14.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘gezondheid’ omgevingsplanwijziging.

76

zijn

er

geen

belemmeringen

voor

de

voorliggende

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Economische uitvoerbaarheid

7.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een projectontwikkelaar. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond. 7.1.2

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Hiertoe wordt tussen de initiatiefnemer en gemeente een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow afgesloten. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief geborgd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Participatie

De omwonenden hadden wij uitgenodigd op 20 februari 2025. Allereerst hebben we aangegeven dat we willen stoppen met het bedrijf. De omwonenden begrepen de keuze en staan er volledig achter. Het omgevingsplan hebben wij getoond. Ze waren geïnteresseerd en reageerde zeer positief op het plan. Er zijn geen negatieve reacties binnengekomen en iedereen wenst ons veel succes. De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. Gedurende de inzagetermijn zijn wel/geen zienswijzen binnengekomen.

77

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

78

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlagen

79

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

80

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

81

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

82

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 2

Woning Kempsestraat 1

83

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

84

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 3

Bodemonderzoek

85

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

86

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 4

Aanvullend bodemonderzoek

87

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

88

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 5

Natuurwaardenonderzoek

89

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

90

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 6

Vleermuis onderzoek

91

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

92

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 7

Archeologisch onderzoek

93

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

94

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

Bijlage 8

Watertoets

95

Wijziging omgevingsplan Doetinchem, Kempsestraat 1-3 Wehl

96

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8364/documents/51590