B08.00 Onderbouwing Hoekhorsterweg, Nieuw-Wehl (Versie V)
Tekst van het document
Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toet- sing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM- grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwij- ken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blij- ven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via de- tailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschre- den; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel men- sen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een pro- ject in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn de- tailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
73 Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglo- meraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevings- waarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bij- voorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.7.2 Onderzoek Op en rondom het plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende over- schrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing. De aanvraag heeft betrekking op de realisatie van 38 woningen en het herbestemmen van een bestaande bedrijfswoning als burgerwoning. De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. De ontwik- keling blijft daar ruimschoots onder. Dit blijkt ook uit de NIBM-rekentool die is inge- vuld voor dit project. Hierbij is op grond van de CROW-publicatie 381 uitgegaan van een verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag van 8,6 voertuigbewegingen per woning.
Omdat het woningbouw betreft, is het aandeel vrachtverkeer op 1,0% gezet. Tabel NIBM tool (bron: Rijkswaterstaat)
74 6.7.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 6.8 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt ge- houden met het aspect geur. 6.8.1 (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en land- bouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het even- wichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het be- voegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.8.2 Onderzoek Op circa 250 meter en 400 meter ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich twee percelen met een agrarische bestemming: • Kruithofseweg 4, Wehl: gevestigd agrarisch bedrijf, met als activiteit het opfokken van jongvee voor de melkveehouderij.
• Kruithofseweg 8, Wehl: perceel met de functie Agrarisch; hier is een klussenbedrijf in de bouw gevestigd. Voor beide percelen geldt in het geldende omgevingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ met bouwvlak. Binnen deze bouwvlakken zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Er is geen aanduiding voor intensieve veehouderij opgenomen. Dit betekent dat uitbreiding of vestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse niet planologisch is toegestaan. Hiermee is geborgd dat de nabijgelegen bedrijven geen in- vloed hebben op de milieukwaliteit of het woon- en leefklimaat binnen het plangebied, 75 anders dan passend binnen een regulier grondgebonden agrarisch landschap. Dit be- tekent dat voor het aspect geur een vaste richtafstand van 100 m moet worden aange- houden tussen de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf en (nieuwe) geur- gevoelige gebouwen (zie artikel 22.101 en tabel 22.3.12 van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan). Het plangebied voldoet ruimschoots aan de richtafstanden van de agrarische bedrijven. Aan de noordwestzijde van het plangebied ligt een kleinschalig rioolgemaal van Water- schap Rijn en IJssel. Het gemaal maakt onderdeel uit van het lokale afvalwatertrans- portsysteem en heeft tot doel afvalwater uit het lokale rioolstelsel te verzamelen en te verpompen naar een transportleiding of een centrale rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het gemaal is daarmee een transportvoorziening en geen rioolwaterzuiveringsinstalla- tie. Er vinden op deze locatie dan ook geen biologische of chemische zuiveringspro- cessen plaats. De installatie bestaat in hoofdzaak uit een ondergrondse pompput, pompen en ontluchtingsvoorzieningen. Bij een regulier en goed onderhouden functioneren is de geuruitstoot van een dergelijk gemaal in de regel zeer beperkt. Eventuele geur kan ontstaan door ontluchting of stagnatie van afvalwater en kan daarnaast incidenteel optreden bij onderhoudswerk- zaamheden, storingen, calamiteiten of het openen van de pompput tijdens inspecties. Structurele geurhinder is daarom niet te verwachten. Daarbij is van belang dat het ge- maal reeds jarenlang binnen bestaand woongebied functioneert, in de nabijheid van bestaande geurgevoelige functies, en er geen aanwijzingen zijn dat het gemaal struc- tureel tot hinder leidt. Voor kleine rioolgemalen bestaan geen wettelijke geurcontouren of grenswaarden. De aanvaardbaarheid moet daarom in het kader van een evenwichtige toedeling van func- ties aan locaties worden beoordeeld aan de hand van onder meer de aard en omvang van de activiteit, de afstand tot de woningen, de feitelijke kans op geurhinder en de bestaande ruimtelijke situatie.
Voor deze beoordeling wordt aangesloten bij de door Waterschap Rijn en IJssel gehanteerde adviesafstand van 30 meter, gemeten vanaf de perceelsgrens van het rioolgemaal. Uit de situering van het woningbouwplan blijkt dat een beperkt deel van één woning binnen de adviesafstand van 30 meter ligt. De overige woningen worden buiten de 30 meterzone gerealiseerd. Dat een beperkt deel van een woning binnen de adviesafstand ligt, betekent op zichzelf niet dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefkli- maat. Van belang is dat sprake is van een kleinschalig transportgemaal, dat structurele geurhinder niet wordt verwacht en dat eventuele geurhinder slechts incidenteel kan optreden. Dit met name tijdens onderhoudswerkzaamheden, storingen of calamiteiten. 76 Ook ligt de achtertuin bij de woning volledig buiten de adviesafstand van 30 meter zo- dat de bewoners geen geurhinder zullen ondervinden bij het gebruiken van die tuin. Afbeelding 3: rioolgemaal en dichtstbijzijnde woning Om toekomstige bewoners hierover vooraf duidelijkheid te geven, wordt voor de wo- ning binnen de adviesafstand een met het waterschap afgestemde bepaling opgeno- men in de koopakte ten aanzien van het thema geur en het rioolgemaal. In die bepa- ling wordt gewezen op de mogelijkheid van incidentele geurhinder als gevolg van werkzaamheden aan of storingen bij het rioolgemaal.
Daarnaast wordt de 30 meter advieszone vanaf de perceelsgrens van het rioolgemaal planologisch geborgd in het omgevingsplan. Het waterschap heeft aangegeven met deze maatregelen in te kunnen stemmen. Hiermee wordt tevens gewaarborgd dat het bestaande rioolgemaal zijn functie duurzaam kan blijven vervullen en door de woningbouw niet onevenredig in zijn functioneren wordt beperkt. 6.8.3 Conclusie De enige voor dit plan relevante geurbron is een rioolgemaal. Gelet op de aard en be- perkte omvang van het rioolgemaal, de bestaande ligging in woongebied, het
77 ontbreken van structurele geurhinder, de beperkte overschrijding van de adviesafstand bij één woning en de getroffen borgingsmaatregelen, wordt geconcludeerd dat het ri- oolgemaal geen belemmering vormt voor de voorgenomen woningbouw. Ter plaatse van de nieuwe woningen is vanuit het aspect geur sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent dat het plan uitvoerbaar is met betrekking tot het aspect geur. 6.9 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbe- wegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en rail- verkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechani- sche golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. 6.9.1 (Wettelijk) kader De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Om- gevingswet.
De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. 6.9.2 Onderzoek Op ongeveer 1,88 km ten zuiden van het plangebied is de spoorweg Arnhem-Winters- wijk gelegen. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt meestal binnen een afstand van ongeveer 100 m vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. Doordat het plangebied op ongeveer 1,88 km afstand van het plangebied is gelegen, worden geen negatieve effecten met betrekking tot trillingen van (spoor)wegen ver- wacht. 78 6.9.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect tril- lingen. 6.10 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bo- dem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.10.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instruc- tieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbe- sluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl.
Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruiks- waarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwa- liteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigin- gen en -aantastingen. 6.10.2 Onderzoek In het kader van de realisatie van 38 woningen is beoordeeld of de bodemkwaliteit ge- schikt is voor het beoogde gebruik wonen met tuin. Hiervoor zijn op de locatie Hoek- horsterweg 8-10-12 te Nieuw-Wehl meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd door Dumea Bodemadvies: 79 • Verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707, uit- gevoerd op 24 en 25 juni 2025 en gerapporteerd op 16 juli 2025; • Nader asbestonderzoek, uitgevoerd in oktober 2025 en gerapporteerd op 6 no- vember 2025. Beide onderzoeken zijn als bijlage 8 en 9 bij deze ruimtelijke onderbouwing opgeno- men.
Verkennend bodemonderzoek (juli 2025) Uitvoering Het verkennend bodemonderzoek had als doel vast te stellen of de milieuhygiënische bodemkwaliteit past bij het beoogde woongebruik. Daarbij zijn grondmonsters geno- men uit de bovengrond en ondergrond en is grondwater bemonsterd. Tevens is visueel gecontroleerd op tekenen van puin, bijmengingen of asbestverdacht materiaal. Resultaten • In de bovengrond zijn lichte verhogingen van enkele metalen aangetroffen, passend binnen de bodemkwaliteitsklassen Landbouw/Natuur en Industrie. • De ondergrond valt binnen de klasse Landbouw/Natuur. • In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties stoffen aangetroffen. • Er zijn geen aanwijzingen voor puntverontreinigingen. • Op basis van gebruikshistorie en analyseresultaten is het terrein niet verdacht voor PFAS. Advies De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor woongebruik. Alleen bij afvoer van grond naar elders dient de grond conform het Besluit bodemkwaliteit te worden ge- classificeerd. Nader asbestonderzoek (november 2025) Uitvoering In het verkennend onderzoek werd in inspectiegat 15 en de voormalige druppelzone onder een eerder aanwezig asbesthoudend dak asbest aangetroffen. In het nadere on- derzoek is de verontreiniging horizontaal en verticaal afgeperkten is de aard van het materiaal nader vastgesteld.
Resultaten • Het betreft hechtgebonden asbesthoudend plaatmateriaal in een lokaal be- grensde toplaag. 80 • De omvang is beperkt en overzichtelijk af te graven. • Buiten het afgebakende gebied is geen aanvullende asbestverontreiniging aan- getroffen. • Er zijn geen aanwijzingen voor verspreiding in ondergrond of grondwater. Advies De verontreiniging is technisch goed te saneren in het kader van de bouwrijpfase. De sanering dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf en gevolgd te wor- den door een evaluatierapport. Conclusie De locatie is in beginsel geschikt voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Voor de start van de bouw dient de aangetoonde asbestverontreiniging (ter plaatse van inspectiegat 15 en de druppelzone) te worden gesaneerd. Na uitvoering van deze saneringsmaatregel is de locatie geschikt voor het beoogde ge- bruik als woongebied. De uitvoering en afronding van de sanering kan als voorwaarde- lijke verplichting worden opgenomen bij de te verlenen omgevingsvergunning(en). De volgende voorwaardelijke verplichting kan aan de omgevingsvergunning worden ver- bonden: Voorwaarde bodemgeschiktheid Voor de start van de bouwwerkzaamheden wordt de aangetroffen asbestverontreini- ging gesaneerd en wordt hiervan een evaluatierapport conform het Besluit bodemkwa- liteit overgelegd aan het bevoegd gezag.
Na uitvoering van deze saneringsmaatregel is de locatie volledig geschikt voor het gebruik als woongebied. 6.10.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bo- demkwaliteit. 6.11 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt ge- houden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.11.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.11.2 Onderzoek Het plan betreft de realisatie van 38 woningen aan de rand van het dorp Nieuw-Wehl. Verkeersontsluiting Het plangebied wordt primair ontsloten via de Hoekhorsterweg. Aan de zuidzijde blijft de bestaande keerlus gehandhaafd, waardoor verkeer kan keren en hulpdiensten en inzamelvoertuigen voldoende manoeuvreerruimte behouden. Hiermee blijft de ver- keersstructuur overzichtelijk en herkenbaar voor bewoners en bezoekers. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Deutseveldstraat. Deze straat wordt in het plan uitsluitend aan de noordwestzijde aangesloten op het nieuwe woongebied.
Hiermee ontstaat een logische verbinding voor bestemmingsverkeer binnen de wijk, zonder dat sprake is van een doorgaande route of nieuwe verkeersdruk op omliggende woonstraten. 33 55 | B1736 77 99 1133 | 1111 1155 17 | B1712 B1612 | B1461 1729 | B1611 | B1614 | 44 B | B1715 B1609 B1610 12.872.80 1 12.84 2.67 | 12.77 | 1122..788012.851122.8.84312.8912.9913.0713.31153.3.1111 12.84 | 13.11 | 121.26.25612.4212.451122..55001122.3.36812.371122..339912.531122..557612.571 12.40 | 12.5012.54 | 12.4012.39 12.3712.39 12.54 | 12.4912.52 12.5312.59 1I2.59 Deutseveldstraat | 2.54 | .42 | B1463 1I | 12 | 13.13 12.50 12.50 | 12.4712.5212.56121.52.53812.46 12.78 | 1462 12.94 | B 66 12.37 | 12.62 12.38 12.30 12.30 1B1B | 12.85 11AA | 13.17 13.44 13.47 12.36 | 12.45 B1468 12.75 | 13.43 B1724 | 13.4713.44 12.42 | 12.95 2 | 13.21 191 m2 108 m2 108 m2 108 m2 164 m | 13.06 | 13.42 12.44 12.41 | 88 13.43 12.63 | 280 m2 B1726 | 291 m2 | 13.41 174 m2 115 m2 115 m2 115 m2 174 m2 B1762 | 460 m2 13.29 12.46 | 12.87 | 330 m2 | 13.02 330m2 | B1802 | B1800 B1555 | 12.52 | 13.39 2.47 | 13.45 1 | 13.23 | 13.44 B1727 | 12.6612.54 | 13.386 13.09 | 13.4 12.60 | 2 | 13.33 392 m | 2 460 m2 12.71 | 2 | 349 m 330 m | 330 m2 44 | g13.43 2 | 2 | 115 m2 115 m2 174 m2 1133..33 | B1801 | e 13.04 | 174 m 115 m | 13.34 | 13.3438 | kkhhoorrsstteerrwwegeg 2 | 12.55 | 13.10 | 13.1213.
| 13.44HHoeoew B155 | B1551 | 12.72 | 13.17 | B1799 | 13.39r te 13.39 12.49 | rs 13.22 B1553 | 13.19 | o13.34 12.71 | 3.35 12.73 | 191 m2 108 m2 108 m2 108 m2 164 m2 | 13.17 | 13.3313.341h k B1788 | 13.33e 12.79 | 13.09 | 1100--1122o 13.56HP 13.29 | 13.3413.29H 12.58 12.71 | 13.27 13C13C | 13.18 13D13D | 13.2813.2613.23 13.18 | 13.20 | B1803 | 13.25 13.13 | 13.30 13.24 12.81 | 13.01 8 121.529.6 | 12.57 | 13.23 | 2 12.5212.64 | 12.49 | 12.76 | 13.19 | 13.1 | 13.03 73 12.67 | 1122.59.58 | B1649 12.12.55 | 12.5512.57 | B1804 bk12.4912.5112.4912.5112.72 | 13.18 | 13.07 2 | 12.5412.53 | 12.65 | 13.38 | 13.06 12.612.53012.515 | 12.641211.6722.77.64 | 12.97 12.5 | 1I2.51I2.5712.6812.8012.80 | 13.04 | 13.48 | 13.43 | 12.99 12.5012.4412.49at12.60.64 | 3.30 12.49 dstra12.59 1212.6613.80 | 12.90 | 1 | 12.96 utsevel12.68 | B1798 | 13.01 De12.5712.65 | 12.6112.71 | 13.08 | 13.14 13.27 | 1122..9914 13.07 | 13.19 | 12.91 13.0312.62 | 13.11 12.88 12.57 | 12.55 | 13.20 | 12.8912.79 12.7012.66 12.87 334 m2 12.78 12.93 | 12.76 321 m2 12.53 | 478 m2 | 478 m2 | 299 m2 | 299 m2 | 13.03 12.47 | 13.01 | 300 m2 | 299 m2 13.12 | 12.77 12.28 | 12.97 | 12.83 12.65 12.21 12.24 | 12.80 12.26 | .37 | 12.81 12.7712.74 12.44 | 12 | 12.45 | 12.54 12.40 | 12.56 12.672.66 12.36 | 12.62 | 12.66 | 1 12.64 12.93 | B1467 | 12.76 12.52 | 13.06 | 12.62 12.85 | 212.63 1122..232012.23 | 29 | 12.6512.55 12.612.66 12.34 |
12. | 12.04 | 12.54 12.17 | 12.10 | 12.52 12.55 | 12.62 12.23 | 12.21 | 12.58 12.29 | 2.30 11.92 | 1 | 12.52 12.28 12.85 | 13.2212.45 | 12.54 12.62 | 11.76 | 2.48 | 12.4712.49 | 12.61 11.76 | 1 | 12.53 71 | 11.77 | 12.57 11. | 11.68 | 12.71 | 12.43 12.17 | 12.16 | 12.59 12.45 | 12.57 11.78 | 1.65 1 | 11.62 | 1.96 | 12.37 | 12.5812.39 1 | 12.42 11.72 | 12.53 11.05 | 12.10 | 12.54 12.98 | 11.71 | 62.2512.33 | 12.42 12.15 | 12.2112.3612.34 | 12.50 12.32 | 11.72 | 12.34 | 12.47 11.71 | 12.16 11.68 | 12.2162.2312.3312.3612.5012.4512.40 12.19 | 19 11.91 12. 12.21 | 12.3712.4012.4312.38 .73 | 11.83 11.58 | 11 | 12.03 | 12.3712.30 12.36 12.07 | 12.31 12.2712.2912.3012.33 12.22 12.3412.3212.27 | LOOP- FIETSPAD 12.13 8 | 11.79 | 12.13 | 12.3012.2512.23 11.6 | 4 11.69 | 12.112.06 | 12.23 12.09 | 12.24 11.73 | HOOFDWEG 12.18 12.12 11.88 ONTSLUITING 6 Schaal: 1:250 81 82 Aan de zuidwestzijde wordt géén verbinding voor gemotoriseerd verkeer aangebracht. Hier wordt uitsluitend een langzaamverkeerverbinding gerealiseerd (fietsen en lopen). Deze route draagt bij aan: • veilige en directe loop- en fietsverbindingen binnen de wijk, • goede toegankelijkheid richting voorzieningen, • behoud van een rustig woonmilieu zonder sluipverkeer. Het autoverkeer ten behoeve van de 38 woningen maakt daarmee gebruik van één centrale inrijroute aan de Hoekhorsterweg.
De verkeersgeneratie (gemiddeld circa 230– 300 voertuigbewegingen per etmaal, dit is laag) kan door de bestaande Hoekhorster- weg worden verwerkt zonder aanpassing van het profiel of doorstromingsmaatregelen. Het plangebied maakt onderdeel uit van een 30 km/uur-gebied, passend bij het ver- blijfs- en woonkarakter. Voor voetgangers en fietsers sluit het plan aan op de be- staande langzaamverkeerstructuur van Nieuw-Wehl, waarmee korte en veilige verbin- dingen ontstaan naar voorzieningen en het omliggende landschap. Conclusie De verkeersontsluiting is duidelijk en verkeersveilig vormgegeven. De Hoekhorsterweg vormt de enige gemotoriseerde in- en uitrijroute, terwijl de Deutseveldstraat uitsluitend aan de noordwestzijde wordt aangesloten voor bestem- mingsverkeer binnen de wijk. De verbinding aan de zuidwestzijde is alleen bestemd voor langzaam verkeer. Hiermee wordt een rustig en veilig woonmilieu gewaarborgd en sluit de interne infrastructuur logisch aan op het bestaande wegennet. Parkeernormen Gemeente Doetinchem hanteert voor parkeernormen in de gemeente de ‘Nota Parkeer- normen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem’. Na de realisatie van het plan maakt het plangebied onderdeel uit van de bebouwde kom van Nieuw-Wehl. In bijgevoegde tabel uit bovengenoemde nota zijn de parkeernormen weergegeven onder de kop ‘rest be- bouwde kom’.
Uitsnede ‘Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem’ In onderstaande tabel is het woningbouwprogramma met de bijbehorende parkeernor- men weergegeven. Parkeren Voor de ontwikkeling is de parkeerbehoefte berekend conform de parkeernormen van de gemeente Doetinchem. Op basis van het woningbouwprogramma geldt de volgende parkeerbehoefte: Woningtype | Aantal wonin- | Norm (pp/wo- | Benodigd gen | ning) Vrijstaande woningen | 4 | 2,2 | 8,8 Tweekappers | 14 | 2,1 | 29,4 Rijwoningen (incl. hoekwo- | 20 | 1,9 | 38,0 ningen) Totaal benodigd | 38 | 76,2 parkeer- plaatsen In het plan worden 78 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee ruim wordt voldaan aan de parkeernorm. Locatie | Aantal Op eigen terrein (tweekappers + vrijstaand) | 36 83 84 Parkeerkoffers in de openbare ruimte (deels halfopen verhar- ding) 42 Totaal aanwezig 78 parkeerplaat- sen De parkeerkoffers worden groen ingericht, met halfopen verharding en beplanting, zo- dat zij onderdeel vormen van de groene openbare ruimte en bijdragen aan infiltratie en klimaatadaptatie. Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect mo- biliteit en parkeren. 6.12 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsvei- ligheid gewaarborgd wordt.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbi- nes. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.12.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aan- gewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieube- lastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsge- bied geldt van rechtswege.
Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het 85 aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en lo- caties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deel- plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de ex- tra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
6.12.2 Onderzoek Aan de hand van de Atlas leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op bijgevoegde afbeelding is een uitsnede van de Atlas leefomgeving weergegeven. Uitsnede Atlas leefomgeving, plangebied blauw aangeduid (bron: atlasleefomge- ving.nl/kaarten) Het plangebied ligt niet binnen een zone van relevante risicovolle bedrijven en trans- portroutes voor gevaarlijke stoffen. Er reiken geen plaatsgebonden risicocontouren of
86 aandachtsgebieden over het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarden uit de wetgeving. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde plan. 6.12.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect om- gevingsveiligheid. 6.13 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt ge- houden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stik- stofdepositie. 6.13.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbe- scherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatricht- lijn (92/43/EEG). 6.13.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website https://www.natura2000.nl/gebieden geraadpleegd.
Op bijgevoegde screenshot van die website is weergegeven dat in de omgeving van het plangebied geen Natura-2000 gebieden zijn gelegen. 87 Uitsnede natuurkaart Nederland (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden) Op de bijgevoegde uitsnede is weergegeven dat op ongeveer 5,5 km ten noordwesten en 8,15 km ten zuidwesten van het plangebied het Natura 2000-gebied Rijntakken is gelegen. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De volledige rappor- tage van dit onderzoek is weergegeven in bijlage 10. Beoogde gebruiksfase Uit de berekening van de beoogde gebruiksfase voor het rekenjaar 2026 is gebleken dat de stikstofdepositie geen toename laat zien hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats als gevolg van dit plan kunnen daarmee nog niet worden uitgesloten. Aanlegfase Uit de berekening van de aanlegfase voor het rekenjaar 2026 is gebleken dat de stik- stofdepositie geen toename veroorzaakt op stikstofgevoelige habitats in de Rijntakken, Brummense Landgoederen en de Veluwe (0,00 mol/ha/jaar). Omdat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie is nadere ecologische beoordeling niet noodzakelijk. De volledige rapportage van dit onderzoek is weergegeven in bijlage 10.
Soortenbescherming Het plan voorziet in de realisatie van 38 woningen aan de rand van het dorp Nieuw- Wehl. De gronden waarop het plangebied betrekking heeft zijn in gebruik als weiland
88 en bedrijfsgrond. Gelet op dit gebruik is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is weergegeven in bijlage 11. Vogels • De bebouwing in het plangebied en het plangebied zijn niet geschikt als nestplaats voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. De geplande werkzaamheden leiden daarom niet tot overtreding van de omgevingswet. Aanvullend onderzoek naar vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats is niet nodig. • Voorkom aantasting of verstoring van bezette nesten van algemene broedvogels in bomen, en andere groenstructuren binnen invloedssfeer van de werkzaamheden tij- dens het broedseizoen. Laat bij twijfel altijd een broedvogelcheck uitvoeren. In de pe- riode maart t/m augustus is de kans op broedgevallen het grootst, maar met name duiven kunnen tot ver buiten deze periode broeden. Vleermuizen • De bebouwing in het plangebied en bomen naast het plangebied zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Aanwezigheid van vaste, jaarrond beschermde ver- blijfplaatsen van vleermuizen is daarom uitgesloten. • Voorkom lichtverstoring van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Werk bij voorkeur uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang. Wanneer het onver- mijdelijk is om verlichting toe te passen voorkom dan het beschijnen van bomen en beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter.
Overige zoogdieren • Aanwezigheid van verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van overige beschermde grondgebonden zoogdieren is uitgesloten. Er zijn geen vervolgacties, zoals aanvullend soortgericht onderzoek of een omgevingsvergunning, nodig ten aanzien van be- schermde grondgebonden zoogdieren. • In het plangebied kunnen enkele algemene soorten voorkomen zoals haas en mui- zen. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling en is geen nader onderzoek nodig. Wel is de zorgplicht van toepassing. Overige soortgroepen • Wat betreft beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, vissen, reptie- len, ongewervelden en flora) is aanwezigheid binnen het plangebied uitgesloten. Er zijn geen vervolgacties nodig ten aanzien van beschermde soorten uit overige soortgroe- pen. • Houd wel rekening met de zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. Dit geldt met name voor algemene amfibieën; voer werkzaamheden op een rustig tempo uit en in één richting zodat eventueel aanwezige fauna tijd en ruimte heeft om een veilig heenkomen te zoeken. 89 Ten aanzien van zorgplicht en calamiteiten • Naarmate een perceel verruigt, kan het geschikter worden voor al dan niet be- schermde flora en fauna, door het ontstaan van hogere vegetatie.
Laat voorafgaand aan werkzaamheden een terreincheck uitvoeren door een ecologisch deskundige om negatieve effecten op beschermde soorten uit te sluiten en om aan de zorgplicht te voldoen. • Ten aanzien van álle flora en fauna (beschermd of niet beschermd) geldt de zorg- plicht, afdeling 1.3 van de Omgevingswet. Dit geldt met name voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Deze provinciale vrijstelling houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er ‘met zorg voor de natuur’ gewerkt dient te worden. • Als er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen waarvoor geen aanvullend onderzoek is uitgevoerd of omgevingsvergunning is verkre- gen, dan dient het werk tijdelijk te worden stilgelegd en contact te worden opgenomen met een ecoloog. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval dui- delijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. Samenvatting In onderstaande tabel betreft een samenvatting van de quickscan flora en fauna. Tabel quickscan flora en fauna (bron: De Slijpkruik) Biodiversiteit
90 De biodiversiteit in Nederland en in de regio staat onder druk. De gemeente Doetin- chem en de Provincie Gelderland streven er daarom naar om biodiversiteit te behouden en te versterken, ook binnen woonwijken. Nieuwe ontwikkelingen dragen hieraan bij door groen op een manier in te richten die niet alleen een woon- en verblijfsfunctie heeft, maar ook betekenis heeft voor planten en dieren. In dit plan wordt rekening gehouden met biodiversiteit door te kiezen voor een groene en landschappelijke inrichting, waarbij wordt aangesloten op de bestaande groene structuren in Nieuw-Wehl en de landschappelijke overgang richting natuur- en agra- risch gebied De Tuut. Dit gebeurt onder meer door: • het realiseren van doorlopende groenstructuren in de openbare ruimte; • het toepassen van overwegend inheemse beplanting, passend bij de bodem en het lokale ecosysteem; • het creëren van variatie in groen (struiken, hagen, bomen en kruidenrijke plantvakken), zodat voedsel, schuilplekken en verplaatsingsroutes ontstaan voor kleine dieren. Hierdoor kan het plangebied functioneren als groene schakel richting het omliggende landschap, zonder het karakter van een woonwijk te verliezen. Ondersteuning van bestuivers Inheemse bloeiende planten en struiken zullen worden ingezet om bestuivende insec- ten (zoals wilde bijen, hommels en vlinders) te ondersteunen.
Deze soorten zijn afhan- kelijk van voedselbronnen binnen korte afstanden. Door in de openbare ruimte en tui- nen bloei door het seizoen heen te realiseren, wordt het gebied aantrekkelijk voor deze soorten. Kleine zoogdieren en vogels Voor kleine zoogdieren, zoals de egel, wordt rekening gehouden met beweegbaarheid door het gebied (bijvoorbeeld door openingen in erfafscheidingen). Struweelranden en natuurlijke groenranden bieden daarnaast dekking en nest-/schuilgelegenheid. Langs de zuidrand biedt een groene overgangszone richting De Tuut kansen voor soorten zoals de patrijs, zonder dat hiervoor ingrijpende maatregelen nodig zijn. Uitwerking De verdere uitwerking van de beplanting en eventuele natuurinclusieve maatregelen wordt in een vervolgfase opgenomen in een beplantingsplan. Deze uitwerking vindt plaats in afstemming met de gemeentelijke afdeling beheer, zodat de inrichting aan- sluit bij het gewenste onderhoudsniveau en de kwaliteit van de openbare ruimte. In 91 deze fase van het omgevingsplan wordt nog niet op dit detailniveau ontworpen. Het beplantingsplan werkt de uitgangspunten en ambities vanuit stedenbouw en beeld- kwaliteit verder uit. Het plan draagt hiermee op een realistische en uitvoerbare wijze bij aan het versterken van biodiversiteit. 6.13.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect na- tuur.
6.14 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeolo- gie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.14.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (arti- kel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeolo- gische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.14.2 Onderzoek Cultuurhistorie Het plangebied betreft een voormalig agrarisch erf en grasland. Binnen het gebied zijn geen cultuurhistorische elementen aanwezig die behoud of bescherming vereisen. Een deel van het plangebied ligt echter binnen de molenbiotoop van de Bernadette-molen (Kerkhofweg 10A, Nieuw-Wehl).
Binnen deze zone gelden richtlijnen ten aanzien van 92 bouwhoogte en ruimtelijke openheid, met het doel de windvang en de landschappe- lijke herkenbaarheid van de molen als werktuig te behouden. Op basis van de toetsing aan de vrijwaringszone molenbiotoop (zie bijlage 5) geldt het volgende: De woningen aan de Hoekhorsterweg (vervangende bebouwing) vallen binnen de reeds bestaande bebouwingscontouren en blijven onder de maximaal toegestane hoogte. De rijwoningen en grondgebonden woningen in het binnengebied liggen in het beslo- ten deel van de biotoop, waar reeds omliggende bebouwing en erfstructuren de wind- vang beïnvloeden. Deze woningen blijven ruim onder de berekende maximale nok- hoogte voor dit gebied. De ontwikkeling leidt niet tot verslechtering van de windvang en de molen blijft vol- waardig functioneel en visueel herkenbaar in het landschap. Conclusie cultuurhistorie: Er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig in het plangebied. Daarnaast is de ontwikkeling is inpasbaar binnen de molenbiotoop en heeft geen nadelige effecten op de windvang van de molen. Archeologie Het plan betreft de realisatie van 38 woningen. De archeologische bescherming van gronden is geregeld in het geldende (tijdelijke) omgevingsplan ‘Parapluherziening Ar- cheologie - 2020’. Binnen het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelfunctie ‘Waarde - Archeologische verwachting 3’.
Voor deze gronden geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 250 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,4 m. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is weergegeven in bijlage 12. Het plangebied ligt op een hooggelegen dekzandrug, op de overgang naar een rivier- terrasrest en een complex van dekzandwelvingen. In potentie kan nog sprake zijn van (afgetopte) archeologische resten uit de tijd van jagers/verzamelaars en van sporen van de eerste landbouwers uit de latere prehistorie. Op basis van het beschikbare his- torisch kaartmateriaal blijkt pas vanaf de jaren zestig sprake van de huidige woning aan de Hoekhorsterweg 12. Sindsdien groeit het bedrijf en stond bijvoorbeeld in de ja- ren tachtig tot circa 1997 aan de zuidoostzijde van het perceel nog een schurencom- plex. Zodoende kunnen in het plangebied nog archeologische resten van (tijdelijke) bewoning, begraving en landbewerking worden verwacht uit met name de periode vanaf het neolithicum. 93 Op basis van het verkennende booronderzoek is gebleken dat de bodemgaafheid in het plangebied overwegend goed is. In twaalf van de veertien boringen is namelijk nog sprake van een plaggendek.
In een enkele boring blijkt de bodem tot in de natuurlijke ondergrond (C-horizont) verstoord en in een andere kon geen waarneming worden ge- daan. Op sommige locaties in het plangebied zal de bodem verstoord zijn, maar is het niet mogelijk om daar middels boringen een vlakdekkend beeld van te krijgen. Ter plaatse van de huidige bebouwing kon immers niet worden geboord. Aanvullend traject (proefsleuvenonderzoek en afstemming met gemeente) Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek is aanvullend proefsleuven- onderzoek gewenst om vast te stellen of zich daadwerkelijk archeologische waarden in de ondergrond bevinden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd vóór de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw. In de tussenliggende periode wordt, in overleg met de gemeente, een Programma van Eisen (PvE) opgesteld waarin de exacte onder- zoeksopzet, onderzoeksstrategie en selectiekaders worden vastgelegd. Het verkennende onderzoek geeft voor nu echter voldoende inzicht voor deze omge- vingsplanfase om te kunnen concluderen dat het plan uitvoerbaar is en dat eventuele aanwezige waarden zorgvuldig en volgens archeologische richtlijnen kunnen worden behandeld in de vervolgfase. De archeologische verwachtingswaarde blijven op het ge- bied liggen in dit op te stellen omgevingsplan. Daarmee vervalt de bescherming niet.
Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cul- tureel erfgoed. 6.15 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omge- vingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie ca- tegorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.15.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige genera- tie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit 94 betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijnef- fecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen.
De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebou- wen en GWW-werken. 95 Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.15.2 Onderzoek energietransitie De nieuwe woningen worden gebouwd zonder gasaansluiting en conform de BENG normen. Er wordt zo veel mogelijk ingezet op duurzaamheid. Installaties bestaan uit eventueel warmtepomp en/of aircosystemen. Voor parkeerplaatsen wordt veelal inge- zet op parkeren op eigen terrein en haaks parkeren in de openbare ruimte zodat het elektrisch rijden, multifunctioneel gebruik van de openbare ruimte en het plaatsen van oplaadpunten wordt gestimuleerd. 6.15.3 Onderzoek circulariteit De uitkomst van de berekening milieuprestatie (MPG) maakt onderdeel uit van de aan- vraag omgevingsvergunning.
Voor de ontwikkeling van 38 nieuwbouwwoningen wordt aangesloten bij de geldende landelijke eisen voor duurzaam en circulair bouwen. De woningen worden ontworpen en gerealiseerd conform de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw) en voldoen aan de geldende norm voor de milieuprestatie van ge- bouwen. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling op een verantwoorde en toe- komstbestendige wijze plaatsvindt. 6.15.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Voor de ontwikkeling van 38 woningen aan de Hoekhorsterweg is beoordeeld hoe wordt omgegaan met water en klimaatadaptatie. Daarbij is gekeken naar hemelwater, grondwater, wateroverlast, waterveiligheid, verharding, hittestress en droogte. De be- leidsmatige kaders, de watertoetsprocedure en de technische uitwerking van het wa- tersysteem zijn opgenomen in paragraaf 5.5 (Waterparagraaf). In deze paragraaf wordt toegelicht hoe deze uitgangspunten zijn vertaald naar de planopzet en hoe wordt om- gegaan met de aandachtspunten uit de Klimaatatlas Doetinchem. Watertoets en afkoppelen Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft aangegeven dat de normale procedure van toepassing is. Dit betekent dat water en klimaatadaptatie een integraal onderdeel vormen van de planuitwerking. 96 Alle woningen en verhardingen worden volledig afgekoppeld van het vuilwaterri- ool.
Hemelwater wordt niet afgevoerd naar het riool, maar lokaal verwerkt binnen het plangebied. De gekozen systeemopzet (vasthouden–bergen–infiltreren) en de aansluiting van vuilwater op het bestaande gescheiden stelsel zijn nader uitge- werkt in paragraaf 5.5.2 en 5.5.3. Klimaatatlas Doetinchem en wateroverlast Volgens de Klimaatatlas Doetinchem kent met name het westelijk en noordweste- lijk deel van het plangebied een theoretische kans op tijdelijke waterophoping bij extreme neerslag. Deze aanduiding is gebaseerd op modelmatige analyses met generieke maaiveldhoogten. In de feitelijke situatie is sprake van beperkte hoogteverschillen binnen het plan- gebied, met een iets lager gelegen zone in de noordwesthoek. In de huidige situa- tie (grasland) kan hier bij hevige neerslag tijdelijk water blijven staan. Dit leidt niet tot structurele wateroverlast, maar vormt wel een belangrijk aandachtspunt bij de herontwikkeling. Bij de planopzet is hier expliciet rekening mee gehouden. In het noordwestelijk deel van het plangebied worden wadi’s en verlaagde groenzones gerealiseerd, die fungeren als gecontroleerde opvang voor overtollig hemelwater. Hierdoor wordt het water niet versneld afgevoerd, maar tijdelijk vastgehouden en geïnfiltreerd. De ligging en werking van deze voorzieningen zijn nader uitgewerkt in paragraaf 5.5.4 en 5.5.5.
Verharding en waterhuishouding De ontwikkeling leidt tot een toename van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Tegelijkertijd blijft circa 60% van het plangebied onverhard, waar- door een groot deel van het gebied van nature bijdraagt aan infiltratie en buffering van hemelwater. De benodigde hemelwaterberging wordt bepaald op basis van de netto toename van effectief verhard oppervlak. De berekening en onderbouwing van de bergings- opgave, evenals de verdeling tussen wadi’s en planbrede infiltratie, zijn opgeno- men in paragraaf 5.5.6. Hieruit blijkt dat de minimale bergingsnorm wordt gehaald en dat ruimte aanwezig is om toe te werken naar een hogere klimaatadaptieve am- bitie. 97 Hittestress en droogte Naast wateroverlast is ook gekeken naar hittestress en droogte. Door de toevoe- ging van bebouwing en verharding kan de gevoelstemperatuur in warme perioden toenemen en kan verdroging optreden. Om dit te compenseren is in de planopzet ingezet op: • een groene inrichting van de openbare ruimte; • het realiseren van bomen en groenstructuren die zorgen voor schaduwwer- king en verdamping; • het beperken van grote aaneengesloten vlakken gesloten verharding; • het stimuleren van groene tuinen en erfafscheidingen via de beeldkwaliteit.
Door het vasthouden en infiltreren van hemelwater blijft bovendien bodemvocht langer beschikbaar, wat de vitaliteit van het groen versterkt en bijdraagt aan het beperken van droogte-effecten. De samenhang tussen waterberging, groen en kli- maatadaptatie is nader toegelicht in paragraaf 5.5.7. 6.10.5 Conclusie De ontwikkeling aan de Hoekhorsterweg is uitvoerbaar vanuit het aspect water en klimaatadaptatie. Uit de beoordeling blijkt dat: • hemelwater volledig wordt afgekoppeld en lokaal wordt verwerkt; • expliciet rekening is gehouden met aandachtspunten uit de Klimaatatlas Doetinchem, waaronder tijdelijke wateroverlast in de noordwesthoek; • waterberging en infiltratie integraal onderdeel vormen van de planopzet; • hittestress en droogte worden beperkt door een groene en klimaatadaptieve inrichting; • geen afwenteling plaatsvindt naar de omgeving. De technische uitwerking van het watersysteem, inclusief de dimensionering van wadi’s en infiltratievoorzieningen, is vastgelegd in de waterparagraaf (paragraaf 5.5) en wordt in de civieltechnische uitwerking en vergunningfase verder verfijnd in overleg met de gemeente en het waterschap. 6.16 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen.
Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mo- gelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten be- hoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een 98 milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.16.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project- m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieuef- fecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde pro- jecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lo- kaal niveau of voor kleine wijzigingen.
Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.16.2 Onderzoek Het plan betreft de realisatie van 38 woningen aan de rand van het dorp Nieuw-Wehl. De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelings- project en staat genoemd onder J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden meer benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzien- lijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. De vraag of een plan nieuw is hangt mede samen met het huidige gebruik in een plan- gebied. Een plan is in beginsel voldoende substantieel als het nieuwe ruimtebeslag meer dan 500 m2 bedraagt. Voor dit plan geldt dat het geldende (tijdelijke) omge- vingsplan de bouw van woningen niet bij recht toelaat. De woningen komen groten- deels op gronden die nu de functie ‘Agrarisch’ heeft.
Die gronden hebben een 99 oppervlakte van groter dan 500 m2. Het perceel is nu in gebruik als grasland. Daarmee kan het plan aangemerkt worden als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van categorie J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat een project- m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Deze ruimtelijke motivering dient daarom ook als aanmeldnotitie. Uit de deze ruimtelijke motivering en de uitgevoerde onderzoeken volgt dat belangrijke nadelige milieueffecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor de vraag of de er sprake is van een passende beoordeling in de zin van de Omge- vingswet moet in dit geval gekeken worden of de aangevraagde activiteit ‘per saldo’ leidt tot een toename aan stikstofdepositie. Is er ‘per saldo’ geen sprake van een toe- name dan kunnen significante effecten worden uitgesloten, hoeft er geen passende beoordeling gemaakt te worden en is de activiteit niet (natuur-) vergunningplichtig met betrekking tot stikstofaspecten. In paragraaf 6.8 is dit onderdeel uitgebreid toe- gelicht. Hieruit komt naar voren dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve gevolgen voor de Natura 2000 gebieden. Hieruit volgt dat significant negatieve effecten als ge- volg van de uitstoot van stikstof op voorhand kunnen worden uitgesloten.
6.16.3 Conclusie Op basis van de beoordeling en op basis van de behandelde milieu- en omgevingsas- pecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van onderhavig plan vol- doende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Omgevingsbesluit, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. 6.17 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende 100 ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.17.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwik- keling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikke- ling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt on- der meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlo- catie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ont- wikkeling. 6.17.2 Onderzoek Het plan betreft een stedelijke ontwikkeling, grotendeels buiten bestaand stedelijk ge- bied. Het plan past binnen het lokale verzorgingsgebied en voorziet in concrete be- hoefte.
Het plan voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de Ladder voor duur- zame verstedelijking. Onderstaand zijn de betreffende onderdelen toegelicht. Stedelijke ontwikkeling Het plan betreft de realisatie van 38 woningen aan de rand van het dorp Nieuw-Wehl. Doordat meer dan 11 woningen worden gerealiseerd is sprake van een 'stedelijke ont- wikkeling'. Bestaand stedelijk gebied Het plan is direct gelegen tegen de kern Nieuw-Wehl. Het weiland binnen het plange- bied wordt beschouwd als buitengebied. De gronden ter plaatse van het voormalig aannemersbedrijf ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is daarmee grotendeels buiten bestaand stedelijk gebied gelegen. Ruimtelijk verzorgingsgebied Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de behoefte aan die woningen. De behoefte wordt bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. Binnen de beperkt beschikbare inbreidingslocaties in 101 Nieuw-Wehl zijn de wenselijke 38 woningen niet in te passen. Die beschikbare ruimte is veel kleiner dan de vraag aan capaciteit van nieuwbouw in Doetinchem. Behoefte In paragraaf 5.5.2 is toegelicht dat het plan voorziet in de lokale woningbouwbehoefte. De toevoeging van 38 woningen is noodzakelijk om de woningbouwopgave die op de gehele gemeente Doetinchem afkomt de komende jaren, te kunnen faciliteren.
6.17.3 Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand stede- lijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl. 6.18 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het inte- greren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activi- teiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.
6.18.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. 102 In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwer- kingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk ge- meentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieube- lastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofd- stuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-re- gels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘mili- eubelastende activiteiten’ worden bedoeld.
6.18.2 Onderzoek Binnen het plangebied is een voormalig aannemersbedrijf aanwezig. Dit bedrijf wordt gesloopt en er worden woningen gerealiseerd. Met het verdwijnen van deze bedrijfslo- catie worden geen nieuwe mogelijkheden voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten (MBA’s) mogelijk gemaakt. 6.18.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect mili- eubelastende activiteiten. 6.19 Gezondheid 6.14.1 (Wettelijk) kader Het bevorderen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). Bij ruimtelijke ontwik- kelingen moet worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leef- klimaat en dat de ontwikkeling niet leidt tot onevenredige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Hierbij worden zowel milieukundige aspecten (zoals luchtkwaliteit, geur en geluid) als bredere omgevingskwaliteitsaspecten betrokken. 6.14.2 Onderzoek Algemene leefomgevingskwaliteit In de voorgaande paragrafen is ingegaan op de aspecten geluid, bodem, luchtkwaliteit, geur, externe veiligheid en water. Uit deze onderzoeken blijkt dat de voorgenomen 103 ontwikkeling voldoet aan de daarvoor geldende normen en richtlijnen. Daarmee is van- uit deze milieuthema’s sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.