B08.00 Onderbouwing Hoekhorsterweg, Nieuw-Wehl (Versie V)
Tekst van het document
38 Hoewel het noordelijke deel van het plangebied nu uit een agrarisch weiland bestaat zonder uitgesproken landschappelijke elementen, vormt de ligging aan de esrand het aanknopingspunt voor de nieuwe inrichting. Het plan benut deze kwaliteit door een geleidelijke overgang van dorp naar landschap te realiseren. De stedenbouwkundige opzet sluit hierop aan door: • de esrand open te houden en vrij te houden van bebouwing; • drie zichtlijnen van noord naar zuid aan te houden, zodat het uitzicht op De Tuut behouden blijft; • de randen van de buurt groen in te richten, met inheemse bomen, struiken, bloemrijke grasvegetaties en hagen in plaats van schuttingen; • ruimere kavels en straatprofielen aan de randen toe te passen, zodat de bebou- wingsdichtheid afneemt richting het landschap; • de wijk aan te sluiten op het bestaande wandelnetwerk in De Tuut, waardoor de landschappelijke beleving voor bewoners en bezoekers toegankelijk blijft. Het resultaat is een zachte dorpsrand, geen harde begrenzing. De wijk loopt visueel en functioneel over in het landschap, waardoor: • de kenmerkende overgang van es naar de Tuut herkenbaar blijft; • het landschap tot in de woonbuurt voelbaar is; • bewoners worden uitgenodigd het landschap te gebruiken en te beleven. Het Inrichtingsplan Groen (bijlage 3) werkt deze landschappelijke overgang verder uit.
De gekozen beplanting is inheems, met aandacht voor biodiversiteit, seizoensbeleving en onderhoudsvriendelijkheid. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Achterhoek, waarin nieuwe ontwikkelingen worden ingepast met respect voor de historische landschapsstructuren en belevingslijnen, zonder terug te keren naar een historisch beeld, maar door deze kwaliteiten door te zetten in een eigentijdse inrichting. Infrastructuur De Hoekhorsterweg eindigt aan de zuidzijde momenteel in een lus zonder verbinding met wegen richting het buitengebied. Ook de Deutseveldstraat sluit als doodlopende straat aan op de noordwestzijde van het plangebied. Dit maakt het gebied verkeersluw en geschikt voor een ontsluiting die uitsluitend lokaal verkeer aantrekt. Het plan sluit hier logisch op aan door gebruik te maken van de bestaande wegstructuur: de wijk wordt ontsloten via de Hoekhorsterweg, waarbij de lus en de aansluitingen op de be- staande straten worden benut. Doorgaand verkeer wordt hiermee niet aangetrokken en de wijk blijft onderdeel van het fijne schaalniveau van het dorpswegennet. Fiets- en wandelroutes worden 39 geïntegreerd en sluiten aan op het netwerk richting De Tuut en het dorp, waardoor verkeersveiligheid en toegankelijkheid voor langzaam verkeer worden geborgd.
Dorpenlandschap Nieuw-Wehl kent een dorps karakter met een mix van vrijstaande woningen, tweekap- pers en rijwoningen. Dit project sluit hier direct op aan door een gedifferentieerd wo- ningaanbod te realiseren, passend bij zowel starters, gezinnen als senioren. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de lokale woonvraag en wordt doorstroming binnen het dorp bevorderd. Bewoners kunnen in Nieuw-Wehl blijven wonen wanneer hun woonbe- hoefte verandert, waardoor sociale netwerken, verenigingsleven en voorzieningen wor- den gedragen en versterkt. De nieuwe woonbuurt voegt zich qua schaal, opzet en uitstraling in de bestaande dorpsstructuur: een compact woonveld centraal, met ruimere bebouwing richting de rand en een groene overgang naar het landschap. Hierdoor sluit de wijk niet alleen ruimtelijk, maar ook sociaal en functioneel aan op het dorpsweefsel en draagt zij bij aan een levendig en toekomstbestendig dorpenlandschap. Conclusie regionaal beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de activiteit binnen de doelstellin- gen en het beleid van de regio Achterhoek. 5.4 Beleid waterschap Het Waterschap Rijn en IJssel is verantwoordelijk voor het regionale watersysteem en stelt via de Waterschapsverordening en het Waterbeheerprogramma kaders voor ruim- telijke ontwikkelingen. Voor dit plan is beoordeeld of wordt voldaan aan deze beleids- kaders.
5.4.1 Waterschapsverordening De eerste versie van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel is van rechtswege ont- staan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet): • De regels die zijn opgenomen in de Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009, met uitzondering van hoofdstuk 2 (over de onderhoudsplichten); • De regels die zijn opgenomen in de Aansluitverordening Rijn en IJssel; • De regels die zijn opgenomen in de Algemene regels, nadere regels en ver- plichtingen i.v.m. Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009; 40 • Artikel 8 Verkeersbesluit Oude IJssel; • De zones rond waterstaatswerken, die zijn opgenomen in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet; • De zogeheten ‘bruidsschat’: voormalige rijksregels (met name over lozingsacti- viteiten), die onder de Omgevingswet niet op rijksniveau terugkeren. De eerste wijziging van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel heeft tot doel om de Waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan te integreren tot een goed ge- ordende versie, die conform de toepasselijke standaarden is vormgegeven en van de benodigde annotaties en digitale werkingsgebieden is voorzien. Ten aanzien van dit project Het plan dient te voldoen aan de waterschapsverordening.
Het project raakt geen spe- cifieke onderdelen van de verordening. Verdere toetsing is om die reden dan ook niet noodzakelijk. Wel is de weging van het waterbelang uitgevoerd. Dit is uitgewerkt in de waterparagraaf. 5.4.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: - Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. - Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor watervei- ligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de bio- diversiteit van de dijken. - Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 41 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
- Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving ge- schikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat op- timaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Ten aanzien van dit project Voor de ontwikkeling van circa 38 woningen aan de Hoek-Horsterweg in Nieuw Wehl is het uitgangspunt dat het watersysteem in en rondom het plangebied toekomstbesten- dig, robuust en klimaatadaptief wordt ingericht. Het plan sluit aan bij de vier kernop- gaven uit het Waterbeheerprogramma: Klimaatrobuust gebied Het gebied wordt ingericht vanuit de voorkeursvolgorde vasthouden–bergen–infiltre- ren. Dat betekent dat hemelwater zoveel mogelijk lokaal in het plan wordt opgenomen, en niet wordt afgevoerd naar het riool. Dit wordt bereikt door: • het realiseren van wadi’s / verlaagde groenzones waar regenwater tijdelijk kan worden opgevangen en infiltreren; • het toepassen van groene erfstructuren, bomen en infiltrerende grondprofie- len in de openbare ruimte; • het inzetten van (half)doorlatende verharding voor parkeeroplossingen en pa- den.
Deze inrichting zorgt ervoor dat het plan neerslagpieken opvangt en niet afwentelt op de omgeving. Daarmee draagt de ontwikkeling concreet bij aan het voorkomen van wa- teroverlast en hittestress, én aan het vasthouden van vocht in droge periodes. Veilig gebied Het plangebied ligt niet binnen een waterkering of overstroombaar gebied. De ontwik- keling heeft daarmee geen effecten op de regionale of lokale waterveiligheid en raakt geen beschermingszones of waterstaatkundige functies. Circulaire economie & energietransitie Door hemelwater lokaal te verwerken en het gebruik van regentonnen bij woningen te stimuleren, wordt onnodige belasting van riool en zuivering voorkomen. Daarnaast 42 bevordert het plan een efficiënt watergebruik bij particuliere tuinen, wat aansluit bij de doelstelling van het waterschap om in 2050 klimaatneutraal en circulair te werken. Gezonde leefomgeving De inrichting van de openbare ruimte met groenstructuren, schaduwgevende bomen en ruimte voor infiltratie draagt bij aan een: • lagere gevoelstemperatuur in de woonomgeving, • versterking van plaatselijke biodiversiteit en beplantingsvariatie, • en een aantrekkelijke leefkwaliteit voor bewoners. Door de combinatie van wateropvang, verkoelend groen en doorlatende verharding ontstaat een duurzame, gezonde en prettig verblijfsomgeving.
Toetsing in een tabel Wateraspect Situatie plangebied Uitkomst Waterveiligheid Geen kering / geen over- stromingsrisico Geen belemmering Wateroverlast Hemelwater wordt lokaal verwerkt Waterneutraal, geen af- wenteling Droogte Groen-blauw raamwerk houdt vocht vast Positieve bijdrage aan bo- demvocht Hittestress Structureel mitigatie door bomen & open groen Verminderde hittebelasting Waterkwaliteit Geen watergangen worden beïnvloed Neutraal Afvalwaterketen Hemelwater wordt niet aangesloten op riool Belasting zuivering neemt niet toe Grondwaterbeheer Voldoende ontwaterings- diepte aanwezig Geen knelpunten te ver- wachten De resultaten van de digitale watertoets (zie ook bijlage 6) bevestigen dat de ontwik- keling binnen de normale watertoetsprocedure kan worden afgestemd. 5.4.3 Instrument de weging van het waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij 43 het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitge- breidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwa- terparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De water- paragraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De ini- tiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuis- houding. Ten aanzien van dit plan Ten aanzien van dit plan Het Waterschap Rijn en IJssel beoordeelt ruimtelijke ontwikke- lingen op hun effecten op het watersysteem via de weging van het waterbelang. Hierbij wordt gekeken naar waterveiligheid, wateroverlast, droogte, grondwater, hittestress en waterkwaliteit.
Voor dit plan (38 woningen) is het waterbelang relevant vanwege de toename aan ver- hard oppervlak en de wettelijke opgave om hemelwater lokaal te verwerken. De nor- male procedure van de watertoets wordt daarom gevolgd. De ontwikkeling is in para- graaf 5.5 getoetst volgens de vier verplichte stappen voor de beoordeling van water- huishoudkundige gevolgen. Dit zijn de volgende stappen: Stap 1: Huidig watersysteem (bestaande situatie in de waterparagraaf) Stap 2: Toekomstige visie & klimaatadaptatie (nieuwe situatie in de waterparagraaf) Stap 3: Gevolgen van de ontwikkeling op het watersysteem (effectenbeschrijving in de waterparagraaf) Stap 4: Maatregelen (maatregelen in de waterparagraaf) 44 5.4.3 Conclusie Het plan sluit volledig aan bij de doelstellingen en uitvoeringsrichtlijnen van het Water- beheerprogramma 2022–2027. Door het combineren van: lokaal verwerken van hemel- water, wadi’s en groene infiltratie, beperking van verharding en schaduwrijke groen- structuren, wordt een waterbewust, klimaatadaptief en toekomstbestendig woonge- bied gerealiseerd. 5.5 Waterparagraaf (weging van het waterbelang) Voor de ontwikkeling van 38 woningen in Nieuw Wehl is beoordeeld op welke wijze re- kening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten.
Deze waterparagraaf beschrijft de huidige en toekomstige watersituatie binnen het plangebied en geeft in- zicht in de gevolgen van de ontwikkeling voor het watersysteem. Doel van de waterparagraaf is het borgen van een klimaatadaptieve, waterneutrale en toekomstbestendige inrichting, waarbij wateroverlast wordt voorkomen en geen nega- tieve effecten optreden voor de omgeving. 5.5.1 Beschrijving bestaande situatie Huidig gebruik en inrichting Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een combinatie van een voormalig be- drijfsterrein met bebouwing en bijbehorende erfverharding en een aangrenzend agra- risch perceel dat in gebruik is als weiland. De bestaande bebouwing bestaat uit een bedrijfsgebouw en een voormalige bedrijfswoning. Het agrarische deel van het plange- bied is onbebouwd en bestaat uit grasland. Verhard en onverhard oppervlak Binnen het plangebied is sprake verharding. Ter plaatse van de bedrijfsbebouwing en het erf is 100% verharding aanwezig. Het overige deel van het plangebied bestaat uit onverhard terrein in de vorm van grasland. Het gebied heeft daarmee in de huidige si- tuatie een overwegend groen en open karakter, met beperkte waterafvoer via verhard oppervlak. Bodem Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit agrarische gronden en erfverharding. De ondergrond bestaat uit overwegend goed doorlatende zandgronden.
Dit betekent 45 dat neerslag in de bestaande situatie grotendeels natuurlijk in de bodem kan infiltre- ren. Grondwater Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (2025-034) blijkt dat de gemeten grondwater- standen variëren tussen circa 2,73 en 2,80 meter onder maaiveld. Na toepassing van een seizoenscorrectie ligt de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) op circa 2,0 meter onder maaiveld. Peilbuis Grondwaterstand (m –mv) Pb22 2,80 Pb23 2,76 Pb24 2,73 De ontwateringsdiepte is ruim voldoende voor woningbouw en infiltratievoorzieningen. Er is geen sprake van kwel of stagnatie. Het huidige watersysteem is daarmee stabiel en geschikt voor lokale waterverwerking. Hoogteligging Binnen het plangebied is sprake van een gering maar geleidelijk hoogteverschil van circa 0,8 meter. De maaiveldhoogte bedraagt circa +13,10 m NAP aan de oostzijde en circa +12,30 m NAP aan de westzijde. Dit levert een flauwe helling op (circa 0,8 meter hoogteverschil over ± 100 m), waarbij hemelwater geleidelijk van oost naar west bin- nen het plangebied afwatert. Ten zuiden van het plangebied ligt het lager gelegen natuurgebied De Tuut, op circa +11,60 m NAP. Door het hoogteverschil is sprake van een natuurlijke afwateringsrich- ting richting het zuiden. Waardoor geen waterdruk of kwel vanuit De Tuut naar het plan optreedt. Binnen en direct langs het plangebied zijn geen watergangen of water- keringen aanwezig.
46 Afbeelding: Hoogtekaart AHN (Bron: AHN Nederland) 5.5.2 Beschrijving nieuwe situatie Voorgenomen ontwikkeling en ruimtelijke opzet In de nieuwe situatie wordt het plangebied herontwikkeld tot een woongebied met in totaal 38 woningen, inclusief bijbehorende wegen, parkeervoorzieningen, tuinen en openbare ruimte. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en het agrarische gebruik van het weiland komt te vervallen. De woningen worden gegroepeerd in een samenhangende dorpsstructuur, met een centrale woonzone en ruimere kavels aan de randen. De ontsluiting vindt plaats via de bestaande wegenstructuur aan de Hoekhorsterweg en de Deutseveldstraat. Binnen het plangebied worden woonstraten en parkeerkoffers aangelegd, die onderdeel uitmaken van de openbare ruimte. Door deze ontwikkeling neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied toe ten opzichte van de huidige situatie. Tegelijkertijd wordt een sub- stantieel deel van het plangebied ingericht als groene openbare ruimte, waardoor een
47 evenwicht ontstaat tussen bebouwing, verharding en groen. Hoogteligging en maaiveldinrichting nieuwe situatie Uit de ontwerptekening met NAP-peilen (zie bijgevoegde uitsnede afbeelding, zie ook bijlage 6) is af te leiden dat het plangebied ook in de nieuwe situatie een licht glooiend maaiveld behoudt. De maaiveldhoogtes variëren globaal tussen circa +12,0 m NAP en +13,5 m NAP. De hogere maaiveldpeilen bevinden zich met name aan de oost- en noordoostzijde van het plangebied, langs de Hoekhorsterweg. Richting de west- en zuidzijde lopen de maaiveldhoogtes geleidelijk af. Deze inrichting sluit aan op de bestaande topografie en de ligging van het lager gelegen natuurgebied De Tuut ten zuiden van het plangebied. Bij de inrichting van het maaiveld is rekening gehouden met een logische afstroming van water binnen het plangebied, waarbij hoogteverschillen worden benut om water gecontroleerd richting groenzones te laten bewegen. Afbeelding: Uitsnede afbeelding hoogtes nieuwe situatie (Bron: de Hofmeesters) Groenstructuur, wadi’s en openbare ruimte De openbare ruimte krijgt een overwegend groen karakter, waarin verharding functio- neel wordt toegepast en waar mogelijk wordt gecombineerd met groenvoorzieningen.
48 Parkeerplaatsen worden deels geclusterd in parkeerkoffers die landschappelijk zijn in- gepast. Binnen het plangebied zijn meerdere verlaagde groenzones (wadi’s) opgenomen. Deze wadi’s liggen op de relatief lagere delen van het maaiveld en zijn logisch gepositio- neerd ten opzichte van de omliggende bebouwing en verharding. Op de ontwerpteke- ning zijn onder meer drie wadi’s aangeduid, waaronder een wadi aan de zuidzijde van het plangebied en een wadi in het westelijk deel. De wadi’s maken integraal onderdeel uit van de openbare ruimte en worden land- schappelijk ingericht, zodat zij bijdragen aan: • een groene en parkachtige uitstraling; • een zachte overgang tussen bebouwing en landschap; • een samenhangend groenblauw raamwerk binnen de wijk. Langs straten en groenzones worden bomen en andere beplanting toegepast, waarmee structuur wordt gegeven aan de wijk en schaduw en verblijfskwaliteit worden gecre- eerd. Relatie tussen bebouwing, verharding en groen De nieuwe inrichting is zodanig opgezet dat bebouwing, verharding en groen elkaar afwisselen en versterken. Verhard oppervlak is primair geconcentreerd bij: • woonstraten; • parkeervoorzieningen; • opritten en erven. De grotere aaneengesloten groenzones bevinden zich: • langs de randen van het plangebied; • tussen de woonclusters; • op de lagere delen van het maaiveld waar wadi’s zijn voorzien.
Deze opzet zorgt ervoor dat het plangebied ruimtelijk samenhangend blijft en dat de overgang naar het omliggende landschap aan de zuidzijde zorgvuldig wordt vormge- geven. Overgang naar waterhuishoudkundige uitwerking De beschreven inrichting van het maaiveld, de groenstructuur en de positionering van de wadi’s vormen het ruimtelijk-fysieke uitgangspunt voor de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. In de volgende subparagrafen wordt, aan de hand van het geldende beleid (zoals be- schreven in 5.4) op de weging van het waterbelang, ingegaan op de effecten van deze 49 inrichting op: • klimaatadaptatie en wateroverlast; • de afvalwaterketen; • grondwater; • waterveiligheid en overstromingsrisico; • en de benodigde hemelwaterberging en -berekening. Rioolgemaal Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een bestaand rioolgemaal van het Waterschap Rijn en IJssel. Het betreft een kleinschalig transportgemaal voor de afvoer van afvalwater en geen rioolwaterzuiveringsinstallatie. De milieubelasting van een der- gelijk rioolgemaal is beperkt. Eventuele geurhinder kan zich incidenteel voordoen, met name tijdens onderhoudswerkzaamheden, storingen of calamiteiten. Voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid is aangesloten bij de door het waterschap gehanteerde adviesafstand van 30 meter, gemeten vanaf de perceels- grens van het rioolgemaal.
Een gedeelte van een woning is binnen deze adviesafstand voorzien. De adviesafstand betreft echter geen wettelijke geurcontour, maar een indi- catieve afstand die aanleiding geeft tot een nadere ruimtelijke beoordeling. Uit het uitgevoerde advies naar de milieuhygiënische gevolgen van het rioolgemaal blijkt dat, gelet op de aard en omvang van het rioolgemaal, de ligging binnen bestaand woongebied en het incidentele karakter van eventuele geurhinder, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt het functioneren van het rioolge- maal niet beperkt. Voor de woningen die binnen de adviesafstand zijn gelegen wordt in de koopakte een kwalitatieve verplichting dan wel een kettingbeding opgenomen, waarin toekomstige eigenaren worden geïnformeerd over de mogelijkheid van inciden- tele geurhinder. Tevens wordt de adviesafstand planologisch geborgd in het omge- vingsplan. Geconcludeerd wordt dat het rioolgemaal geen belemmering vormt voor de voorgeno- men woningbouwontwikkeling en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.5.3 Effecten van de ontwikkeling op het watersysteem Effecten op klimaatadaptatie en wateroverlast De herontwikkeling van het plangebied naar een woongebied met 38 woningen leidt 50 tot een duidelijke wijziging van het ruimtegebruik.
Waar het gebied in de huidige situ- atie grotendeels bestaat uit agrarisch grasland en bedrijfsverharding, neemt in de nieuwe situatie het aandeel bebouwing en verhard oppervlak toe. • Deze toename van verharding heeft tot gevolg dat bij neerslag: • een groter deel van het hemelwater versneld afstroomt; • minder water direct in de bodem kan infiltreren; • piekafvoeren bij hevige buien toenemen. Hierdoor neemt de kans op tijdelijke waterophoping op maaiveld toe, met name bij ex- treme neerslagsituaties. Uitsnede klimaatatlas Doetinchem (bron: gemeente Doetinchem) Uit de Klimaatatlas Doetinchem blijkt dat aan de westzijde van het plangebied een donkerblauwe aanduiding aanwezig is. Deze aanduiding geeft een theoretische kans op tijdelijke plasvorming weer bij extreme neerslaggebeurtenissen. De Klimaatatlas is gebaseerd op modelberekeningen met generieke maaiveldhoogten en houdt geen re- kening met lokale detaillering van het terrein. In de feitelijke situatie is sprake van: • beperkte hoogteverschillen binnen het plangebied; • een licht lager gelegen zone in de noordwesthoek;
51 • een hoger gelegen maaiveld richting de Hoekhorsterweg. Bij langdurige en intensieve neerslag kan in de huidige situatie tijdelijk water blijven staan in de noordwesthoek van het plangebied. Omdat het gebied momenteel groten- deels bestaat uit grasland, infiltreert dit water geleidelijk in de bodem. Er is geen sprake van structurele wateroverlast, maar deze zone functioneert wel als een natuur- lijke opvanglocatie voor overtollig hemelwater. Het natuurgebied De Tuut aan de zuidzijde van het plangebied ligt aanzienlijk lager dan het maaiveld in het plangebied. Hierdoor is sprake van een natuurlijke afwate- ringsrichting richting het zuiden. Deze natuurlijke situatie blijft ook in de toekomstige inrichting relevant. Zonder nadere inrichting zou de combinatie van extra verharding en lokale laagtes kunnen leiden tot een toename van wateroverlast bij extreme neerslag. Dit maakt wa- terberging en gecontroleerde afvoer binnen het plangebied een essentieel aandachts- punt. Hier zijn daarom maatregelen voor getroffen die onder 5.5.4 maatregelen nader worden toegelicht. Effecten op de afvalwaterketen De realisatie van 38 woningen leidt tot een toename van de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater. Dit betekent een extra belasting van het gemeentelijke vuilwaterrioolstelsel.
Indien hemelwater en vuilwater gezamenlijk zouden worden afgevoerd, zou dit bij piekbuien kunnen leiden tot: • een hogere hydraulische belasting van het rioolstelsel; • een verhoogde kans op overstorten; • een grotere belasting van de rioolwaterzuivering. Voor de beoordeling van het plan is daarom relevant of: • het bestaande rioolstelsel geschikt is voor de afvoer van uitsluitend vuilwater; • de ontwikkeling leidt tot ongewenste afwenteling van hemelwater op het riool. Voor het plan dient een volledig nieuw gescheiden rioolstelsel aangelegd. Aandachts- punt is dat in de verdere planuitwerking wordt gecheckt op welke wijze kan worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Dit dient in een volgende fase in nauwe sa- menwerking met gemeente te worden afgestemd. Hier zijn daarom maatregelen voor voorgesteld die onder 5.5.4 maatregelen nader worden toegelicht. Effecten op grondwater Uit het bodemonderzoek blijkt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich bevindt op circa 2,0 meter onder maaiveld. Dit betekent dat in de huidige situatie 52 sprake is van een ruime ontwateringsdiepte. Door de toename van verhard oppervlak kan, zonder aanvullende voorzieningen, de hoeveelheid water die infiltreert in de bodem afnemen.
Dit kan leiden tot: • een verminderde aanvulling van het grondwater; • een snellere afvoer van regenwater uit het gebied; • een grotere gevoeligheid voor verdroging in droge perioden. Daarnaast kan bij extreme neerslag tijdelijk sprake zijn van een stijging van het grond- waterniveau of verzadiging van de bovenste bodemlaag, met name in lager gelegen delen van het plangebied. Zonder voldoende ontwateringsdiepte of buffering kan dit leiden tot natte omstandigheden in tuinen of openbare ruimte. Hier zijn daarom maat- regelen voor getroffen die onder 5.5.4 maatregelen nader worden toegelicht. Effecten op waterveiligheid en overstromingsrisico Het plangebied ligt niet binnen een overstroombaar gebied en niet binnen de bescher- mingszone van een primaire of regionale waterkering. Overstromingsrisico’s vanuit ri- vieren of regionale watergangen zijn daardoor beperkt. Wel is het relevant om de effecten van extreme neerslaggebeurtenissen te beschou- wen, zoals buien met een herhalingstijd van T=100 of T=1000. Bij dergelijke buien kan: water tijdelijk op maaiveld blijven staan; de toegankelijkheid van wegen en percelen tijdelijk worden beïnvloed; schade ontstaan indien bebouwing onvoldoende hoog ligt. Zonder nadere inrichting en peilkeuzes zou de toename van verharding kunnen leiden tot een hogere waterstand op maaiveld bij piekbuien.
De voorgestelde peilkeuzes zijn daarom in deze fase al uitgewerkt voor het openbaar gebied. Dit is weergegeven op de kaart zoals bijgevoegd in bijlage 6. Effecten van de toename van verhard oppervlak: hemelwaterberging en -berekening Uitgangspunten en systematiek Voor de bepaling van de benodigde hemelwaterberging is uitgegaan van het gemeen- telijk beleid van de gemeente Doetinchem en de uitgangspunten van het waterschap. De bergingsopgave wordt bepaald op basis van de netto toename van effectief verhard oppervlak. De daadwerkelijke verwerking van hemelwater vindt echter planbreed plaats, waarbij zowel wadi’s als het onverharde deel van het plangebied bijdragen aan 53 berging en infiltratie. De berekening is gebaseerd op: • het daadwerkelijk voorziene verhard oppervlak in de openbare ruimte; • een conservatieve benadering van verharding op woningbouwkavels, met een maximum van 75% verharding per kavel; • het onderscheid tussen gesloten verharding en half-open verharding; • de gemeentelijke minimumnorm van 60 mm waterberging per m² netto toe- name verharding; • een klimaatadaptieve ambitie om toe te werken naar 70–80 mm waterberging. • Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 22.150 m².
Verhard oppervlak nieuwe situatie Openbare ruimte Voor de openbare ruimte is uitgegaan van de daadwerkelijk voorziene verharding: Wegen (gesloten verharding): 1.725 m² Parkeren (half-open verharding): 550 m² Omdat de parkeerplaatsen worden uitgevoerd in half-open verharding die infiltratie mogelijk maakt, is hiervoor een rekenfactor van 50% gehanteerd. Effectief verhard oppervlak openbare ruimte: Wegen: 1.725 m² Parkeren: 550 m² × 50% = 275 m² Totaal effectief verhard openbare ruimte: 2.000 m² Woningbouwkavels De woningbouwkavels variëren in grootte van circa 108 m² tot circa 478 m². Voor alle kavels geldt een maximale verharding van 75%, waardoor minimaal 25% onverhard blijft. Op basis van de kaveloppervlakken uit de inrichtingskaart geldt: Totaal kaveloppervlak: circa 9.104 m² Maximaal effectief verhard (75%): circa 6.828 m² Minimaal onverhard op kavels: circa 2.276 m² Dit betreft een theoretische bovengrens; in de praktijk zal een deel van de kavels min- der verhard worden ingericht en aanvullend groen bevatten. Totale effectieve verharding en afzet t.o.v. het plangebied Het totale effectieve verhard oppervlak in de nieuwe situatie bedraagt: Onderdeel | Effectief verhard (m²) Openbare ruimte | 2.000 Woningbouwkavels (max.
75%) | 6.828 Totaal effectief verhard | 8.828 Dit betekent dat: • | circa 39,9% van het plangebied effectief verhard is; • | circa 60,1% van het plangebied (13.322 m²) onverhard/groen blijft. Dit grote aandeel onverhard terrein draagt planbreed bij aan infiltratie, buffering en vertraagde afstroming van hemelwater. Netto toename verhard oppervlak In de huidige situatie is binnen het plangebied circa 1.600 m² verhard oppervlak aan- wezig (voormalige bedrijfsbebouwing en erfverharding). Deze verharding wordt volle- dig verwijderd. De netto toename van effectief verhard oppervlak bedraagt daarmee: 8.828 − 1.600 = circa 7.228 m² Benodigde hemelwaterberging Op basis van de netto toename van effectief verhard oppervlak geldt de volgende ber- gingsopgave: Norm | Rekening | Benodigde berging 60 mm (minimaal) | 0,06 × 7.228 m² | ca. 434 m³ 70 mm (ambitie) | 0,07 × 7.228 m² | ca. 506 m³ 80 mm (ambitie) | 0,08 × 7.228 m² | ca. 578 m³ Beschikbare berging: wadi’s en onverhard gebied Berging in wadi’s De wadi’s zijn zodanig vormgegeven dat sprake is van gecontroleerde waterberging.
Uitgaande van een beschikbare waterdiepte van 0,40 m (verschil tussen bodemhoogte en boveninsteek) bedraagt de bergingscapaciteit: Onderdeel wadi | Oppervlak (m²) | Waterdiepte (m) | Berging (m³) Wadi-bodem | 665 | 0,40 | 265 54 Wadi-talud (effectief) | 340 | 0,40 | 135 Totaal wadi-berging | — | — | 400 Opvang en infiltratie in onverhard gebied Naast de wadi’s blijft circa 13.322 m² van het plangebied onverhard. Deze gronden dragen bij aan aanvullende opvang en infiltratie van hemelwater in de bodem. Afhan- kelijk van de uiteindelijke civiele inrichting kan hierin tijdelijk water worden vastge- houden. Gangbare ontwerpwaarden voor planbrede opvang zijn: • | 10 mm tijdelijke opslag (conservatief); • | 20 mm tijdelijke opslag (robuuster). Dit resulteert in: Scenario | Onverhard oppervlak (m²) | Opnamehoogte | Opvang (m³) Conservatief | 13.322 | 10 mm | 133 Robuust | 13.322 | 20 mm | 266 Totale beschikbare berging en toetsing Scenario | Wadi- | Gebiedsop- | Totaal be- | Toets | Toets | Toets berging | name (m³) | schikbaar | 60 mm | 70 mm | 80 mm (m³) | (m³) 10 mm ge- | 400 | 133 | 533 | ✔ | ✔ | ~ biedsop- name 20 mm ge- | 400 | 266 | 666 | ✔ | ✔ | ✔ biedsop- name Hieruit blijkt dat: • | de minimale norm van 60 mm ruimschoots wordt gehaald; • | de ambitie van 70 mm goed haalbaar is; • | richting 80 mm kan worden toegewerkt, afhankelijk van de uiteindelijke civiele uitwerking.
Relatie met maaiveld- en bouwpeilen 55 56 Het vloerpeil van de woningen ligt minimaal 30 cm boven de ashoogte van de rijbaan. Deze stijghoogte biedt voldoende ruimte om tijdelijke wateropstuwing (circa 40 mm) veilig op te vangen, waarbij het water gecontroleerd wordt geleid richting de lager ge- legen wadi’s en groenzones. Bodemhoogte wadi: ca.+11,90 NAP Boveninsteekhoogte wadi: ca. +12,30 - +12,40 NAP As-hoogte rijbaan: ca. +12,50 NAP Tussen de as van de rijbaan (+12,50 m NAP) en het vloerpeil van de woningen (+12,80 m NAP of hoger) is een stijghoogte van circa 0,30 m beschikbaar. Deze stijghoogte is voldoende om tijdelijke wateropstuwing (circa 40 mm) bij extreme neerslag te accom- moderen, waarbij het water gecontroleerd afstroomt naar de lager gelegen wadi’s. Afronding en vervolg in civiele uitwerking De hemelwaterberging wordt planbreed opgelost door een combinatie van gecontro- leerde berging in wadi’s en aanvullende opvang en infiltratie in het onverharde deel van het plangebied. In de civieltechnische uitwerking wordt de exacte dimensionering van de wadi’s en infiltratievoorzieningen nader uitgewerkt en geverifieerd. Indien uit deze uitwerking blijkt dat aanvullende berging gewenst of noodzakelijk is, kunnen de
57 wadi’s worden vergroot of aangepast. Het plangebied biedt hiervoor voldoende ruim- telijke mogelijkheden, zonder dat dit ten koste gaat van de beoogde ruimtelijke kwali- teit. Effecten op hittestress en droogte De ontwikkeling leidt tot een hogere bebouwingsdichtheid en een groter aandeel ver- hard oppervlak. Dit kan leiden tot: • hogere oppervlaktetemperaturen tijdens warme perioden; • vermindering van schaduw; • snellere verdamping van bodemvocht; • een grotere gevoeligheid voor droogte. Zonder aanvullende inrichting zou dit kunnen resulteren in een minder comfortabel leefklimaat in de openbare ruimte en een verminderde vitaliteit van groen in droge zo- mers. Hier zijn daarom maatregelen voor getroffen die onder 5.5.4 maatregelen nader worden toegelicht. 5.5.4 Maatregelen Uitgangspunten watersysteem en systeemkeuze De inrichting van het watersysteem is gebaseerd op de voorkeursvolgorde: Vasthouden – Bergen – Infiltreren Hemelwater wordt volledig afgekoppeld van het vuilwaterriool en lokaal verwerkt bin- nen het plangebied. Afvoer van hemelwater naar het riool of de omgeving wordt zoveel mogelijk voorkomen. Door het toepassen van deze systematiek wordt aangesloten bij het beleid van de gemeente en het waterschap en wordt een robuust en toekomstbe- stendig watersysteem gerealiseerd.
Vuilwater (DWA) wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel in de Hoekhorsterweg. Maatregelen voor klimaatadaptatie en het voorkomen van wateroverlast Om wateroverlast bij hevige neerslag te voorkomen, wordt hemelwater zo veel moge- lijk vastgehouden en vertraagd afgevoerd binnen het plangebied. Daarbij wordt ge- bruikgemaakt van het bestaande hoogteverloop en de natuurlijke afwateringsrichting richting het lager gelegen gebied aan de zuidzijde. De inrichting voorziet in: • verlaagde groenzones en wadi’s op de lager gelegen delen van het plangebied; 58 • een maaiveldinrichting die afstroming van verhard oppervlak richting groen mogelijk maakt; • beperking van gesloten verhard oppervlak in de openbare ruimte. • De wadi’s fungeren als gecontroleerde opvanglocaties voor piekbuien. Het ove- rige onverharde terrein draagt bij aan basisinfiltratie en buffering, waardoor het watersysteem niet uitsluitend afhankelijk is van de wadi’s. Maatregelen voor grondwater en ontwatering Bij de inrichting is rekening gehouden met de gemeten grondwaterstanden en de be- nodigde ontwateringsdiepte. De wadi’s worden ondiep aangelegd en blijven ruim bo- ven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand, zodat langdurige verzadiging van de bo- dem wordt voorkomen. De bodemhoogte van de wadi’s en de boveninsteek zijn afgestemd op het omliggende maaiveld.
Hierdoor kan water tijdelijk worden geborgen zonder dat structurele natte omstandigheden ontstaan. Het vloerpeil van de woningen wordt minimaal 30 cm boven de ashoogte van de rij- baan gerealiseerd. Deze stijghoogte biedt voldoende ruimte om tijdelijke wateropstu- wing (circa 40 mm) veilig op te vangen en voorkomt dat wateroverlast optreedt in of nabij de woningen. Maatregelen binnen de afvalwaterketen Het plan voorziet in een gescheiden stelsel: • vuilwater (DWA) wordt afgevoerd via het bestaande rioolstelsel; • hemelwater (HWA) wordt lokaal verwerkt. • Door deze scheiding: • wordt de hydraulische belasting van het rioolstelsel beperkt; • neemt de kans op overstorten niet toe; • wordt voldaan aan het gemeentelijk rioleringsbeleid. • Hemelwater wordt niet aangesloten op het riool en niet afgevoerd naar de ri- oolwaterzuivering. Maatregelen voor hemelwaterberging en -verwerking De benodigde hemelwaterberging wordt volledig binnen het plangebied gerealiseerd. Dit gebeurt door een combinatie van: • gecontroleerde berging in wadi’s; • opvang en infiltratie in het onverharde deel van het plangebied; • toepassing van half-open verharding bij parkeerplaatsen; • beperking van verharding op woningbouwkavels (maximaal 75%). 59 • De wadi’s hebben gezamenlijk een bergingscapaciteit van circa 400 m³, uit- gaande van een waterdiepte van circa 0,40 m.
Daarnaast draagt circa 60% van het plangebied, dat onverhard blijft, bij aan aanvullende opvang en infiltratie van hemelwater. • De voorzieningen worden zodanig ontworpen dat: • hemelwater binnen 24–48 uur kan infiltreren; • minimaal 60 mm berging wordt gerealiseerd; • aantoonbaar kan worden toegewerkt naar 70 mm of meer binnen de project- grens. Voor uitzonderlijke situaties wordt een noodoverlaat op hoog niveau aangesloten rich- ting het lager gelegen groene gebied aan de zuidzijde, niet op het DWA-stelsel. Maatregelen tegen hittestress en droogte Het plan draagt bij aan het beperken van hittestress en het omgaan met droogte door een groene en klimaatadaptieve inrichting. De maatregelen bestaan uit: • het realiseren van schaduwwerking op openbare verharding door bomen (zie ook groenplan bijlage 3); • toepassing van inheemse, droogtetolerante beplanting; • het vermijden van grote aaneengesloten vlakken gesloten verharding; • het stimuleren van groene tuinen en erfafscheidingen via beeldkwaliteitsregels. • Door het vasthouden en infiltreren van hemelwater blijft bodemvocht langer beschikbaar, wat bijdraagt aan de vitaliteit van groen en een aangenaam micro- klimaat. Borging en civieltechnische uitwerking In de civieltechnische uitwerking worden de exacte profielen, peilen en afmetingen van de wadi’s en overige infiltratievoorzieningen nader uitgewerkt en geverifieerd.
Indien uit deze uitwerking blijkt dat aanvullende berging gewenst of noodzakelijk is, kunnen de wadi’s worden vergroot of aangepast. De opzet van het plangebied biedt hiervoor voldoende ruimtelijke mogelijkheden, zonder dat dit ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. 5.6 Gemeentelijk beleid 5.6.1 Omgevingsvisie Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Omgevingsvisie 60 ‘Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek’ vastgesteld. Daarin is de ambitie voor Doetinchem 2036 verwoord. Er spelen grote vraagstukken op het gebied van wonen, werken, landelijk gebied en leefbaarheid. Daarover wordt geschreven in het nieuws, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Die vraagstukken spelen ook bij in Doetinchem. Daarom benoemt de gemeente opgaven die hoge prioriteit hebben en waar als eerst mee aan de slag gaan gegaan wordt. Het gaat om de volgende opgaven: • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor Doetinchem woonstad en woon- dorpen richting 70.000 inwoners in 2036.
Deze opgave is verwerkt in het op- stellen van een woonvisie; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor de spoorzone (omgeving rond station Doetinchem, eerder bekend onder de naam ‘stationsgebied’); • Het opstellen van een procesaanpak landelijk gebied voor de Slangenburg en omgeving en Gaanderen en omgeving; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor een toekomstbestendig centrum. Deze vier opgaven vormen de kern van de visie op onze leefomgeving. Daarom is de visie op de leefomgeving opgebouwd aan de hand van de vier thema’s: • Woongemeente voor iedereen; • Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; • Landelijk gebied in balans; • Mensen en ontmoeten. Ten aanzien van dit project Het plan voorziet in de realisatie van 38 grondgebonden woningen in verschillende prijscategorieën. Daarmee draagt het bij aan een gedifferentieerd en toegankelijk wo- ningaanbod in Nieuw-Wehl. Circa 2/3e% van de woningen valt binnen het betaalbare segment, waarmee wordt bijgedragen aan de positie van starters en jonge huishou- dens op de lokale woningmarkt. De twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen worden zodanig ontworpen dat deze geschikt kunnen worden gemaakt voor levensloopbestendig wonen (moge- lijkheid tot voorzieningen op de begane grond).
De keuze daarvoor wordt niet vooraf juridisch vastgelegd, maar functioneel mogelijk gemaakt in het ontwerp en wordt actief als optie aangeboden bij verkoop. Hiermee blijft het programma marktconform en flexibel, terwijl het potentieel voor doorstroming binnen het dorp wordt geborgd. 61 Daarnaast vindt op de locatie transformatie van een voormalige bedrijfsfunctie plaats. De bedrijfshal wordt gesloopt en de bijbehorende bedrijfswoning wordt als reguliere woning bestemd. Dit voorkomt leegstand, verwijdert een potentieel bronpunt van hin- der en verbetert het ruimtelijk beeld van de dorpsentree aan de zuidzijde. Landschap en dorpsstructuur De ontwikkeling wordt landschappelijk zorgvuldig ingepast. De aanwezige esrand wordt behouden en vrijgehouden van bebouwing, waarmee de overgang tussen dorp en het lager gelegen natuurgebied De Tuut herkenbaar blijft. Aan de zuidzijde wordt een groene dorpsrand gerealiseerd, met behoud van zichtlijnen richting het landschap en aansluiting op bestaande wandelroutes. Hiermee wordt voldaan aan de ambities binnen het thema Landelijk gebied in balans. Conclusie Het plan geeft op een passende wijze invulling aan de uitgangspunten uit de Omge- vingsvisie: Aspect Omgevingsvisie Bijdrage plan Passend en gedifferentieerd woning- aanbod 38 woningen, waarvan ca.
63% betaalbaar Doorstroming en leefbaarheid kleine kern Mogelijkheid levensloopbestendigheid → interne verhuisbeweging Hergebruik en kwaliteitsverbetering bestaande locatie Sloop bedrijfsbebouwing, omzetten bedrijfswo- ning naar burgerwoning Zorgvuldige overgang naar landschap Behoud esrand, groene dorpsrand, zichtlijnen en wandelverbindingen Het plan is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie Doetinchem (2023). 5.6.2 Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036 De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de wo- ningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisves- tingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofd- punt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetin- chem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omge- vingskwaliteit te versterken. 2.
Kwalitatief goed wonen. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: In- vesteren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt ge- werkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3. Een passende woning voor iedereen. Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschik- baarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Program- malijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgeno- men in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk.
Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: • | 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwo- ningen tot € 225.000; • | 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwo- ningen (categorie 1) tot € 280.000; • | 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervan- gen door middenhuurwoningen tot € 1.000; • | 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervan- gen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); • | 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verde- ling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een be- paalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezond- heid en het welbevinden van de inwoners.
Programmalijn 4: Wonen als integrale ge- biedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen 62 63 te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren: Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikke- laars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelin- gen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpun- ten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2.
Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen. 64 De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dicht- heid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de be- langrijkste kenmerken zijn. Ten aanzien van dit project Het plan voorziet in de realisatie van 38 grondgebonden woningen aan de zuidoost- zijde van Nieuw-Wehl. Het betreft een zorgvuldig ingepaste uitbreiding aan de dorps- rand, waarbij een voormalige bedrijfsfunctie wordt beëindigd en het terrein wordt ge- transformeerd naar een woongebied. Hiermee wordt invulling gegeven aan de woon- opgave binnen de kern en wordt leegstand en mogelijke verval van de bedrijfsfunctie voorkomen. De bestaande bedrijfswoning wordt als reguliere woning bestemd, waar- mee de planologische situatie wordt geactualiseerd zonder dat er extra woningen wor- den toegevoegd. Woningbouwprogramma en aansluiting op de woonvisie Het woningbouwprogramma sluit aan bij de uitgangspunten uit de Woonvisie Doetin- chem 2023–2036, waarin wordt gestreefd naar het bieden van woningen voor verschil- lende doelgroepen en het bevorderen van doorstroming. Segment woonvisie (koop) Woningtypen plan Aantal Sociale huur óf goedkope koop Rijwoningen 10
65 Middenhuur óf betaalbare koop cat.1 Rijwoningen 6 Betaalbare koop cat.2 hoek + 2-onder-1-kap 8 Dure koop 2-onder-1-kap + 4 vrij- staand 14 Totaal 38 Lokale woningbehoefte Uit de door de initiatiefnemer uitgevoerde enquête (n=138) onder inwoners van Nieuw-Wehl en directe omgeving blijkt dat: • 84% positief staat tegenover woningbouw op deze locatie; • er een concrete vraag is naar koopwoningen binnen de beoogde prijsklassen; • met name huishoudens in de leeftijdscategorie 45–65 jaar belangstelling tonen voor een woning in dit gebied (doorstromers / levensloopbestendig); • starters aangeven graag in hun geboortedorp te willen blijven, maar nu onvol- doende aanbod vinden. Het plan sluit daarmee aantoonbaar aan op de lokale behoefte aan betaalbare wonin- gen, gezinswoningen en woningen die geschikt zijn voor de latere levensfase. Woonmilieu en groen Het plan past binnen het woonmilieu “wonen aan de dorpsrand / wonen in het groen”. Hierbij hoort een zachte overgang naar het landschap in plaats van een harde dorps- rand. Dit wordt gerealiseerd door: • een groene randzone langs de esrand, • behoud van drie zichtlijnen naar natuurgebied De Tuut, • en het aansluiten van wandelroutes op het recreatieve netwerk. De openbare ruimte wordt overwegend groen ingericht. Daarmee wordt voldaan aan de groeneis van minimaal 45% uit de woonvisie.
Bij een plangebiedoppervlak van 21.212 m² betekent dit dat minimaal 9.545 m² als openbaar groen, infiltratiegroen en groene verblijfsruimte wordt ingericht. Op basis van de stedenbouwkundige opzet bedraagt het aandeel openbaar groen ≈ 45–46%. Zie hiervoor de bijgevoegde tabel, ook verwijzen we naar het Inrichtingsplan Groen (Bijlage 3). Onderdeel groene in- | Kenmerk / ligging in plan | Oppervlakte | % van richting | (indicatief) | plange- bied Structuurgroen dorps- | doorlopende groene rand, | ca. 5.900 m² | 28% rand & plantsoenen | bomenrijen, zichtlijnen Wadi’s en infiltratiezo- | groen ingerichte laagtes, | ca. 1.900 m² | 9% nes | regenopvang Groene speel- & ver- | natuurlijke speelaanleidin- | ca. 1.160 m² | 5,5% blijfsplekken | gen & gras Halfverharde paden & | Groene verbindingen rich- | ca. 530 m² | 2,5% groene verbindingen | ting De Tuut Totaal openbaar groen | ≈ 9.490 | – | ≈ 45 –46% 9.600 m² Conclusie Het plan: • | voldoet aan de programmatische betaalbaarheidsverdeling van de woonvisie, • | bevordert doorstroming en behoud van sociale verbanden in Nieuw-Wehl, • | en voldoet aan het woonomgevingsprofiel “wonen in het groen” met een groen aandeel ≥ 45%. Daarmee past de ontwikkeling binnen de doelstellingen van de Woonvisie Doetinchem 2023–2036.
5.6.3 | Afvalinzameling Voor de ontwikkeling van 38 woningen in het plangebied wordt aangesloten bij de ge- meentelijke inzamelstructuur waarbij afval zoveel mogelijk gescheiden wordt ingeza- meld aan huis en restafval centraal wordt aangeboden bij een ondergrondse restafval- container (ORAC). Binnen deze paragraaf worden enkel de ruimtelijk relevante aspec- tentoegelicht: bereikbaarheid, loopafstanden en inpassing in de openbare ruimte. Inzameling bij de woningen De woningen worden uitgevoerd met ruimte voor de opslag en aanbieding van mini- containers op eigen perceel. De inzamelwijze is als volgt: Afvalstroom | Inzamelsysteem | Toelichting GFT | Minicontainer aan huis | Ophalen aan straatzijde PBD (kunststof/blik/drank- | Minicontainer aan huis | Ophalen aan straatzijde kartons) Papier en karton | Minicontainer aan huis | Ophalen aan straatzijde 66 67 Restafval Ondergrondse restafval- container Centraal in de wijk aange- boden Loopafstand normering Voor de inzameling van restafval geldt een maximale loopafstand van 250 meter. De dichtstbijzijnde bestaande container (Boerenbondplein) ligt op circa 400 meter, waar- door een aanvullende voorziening noodzakelijk is. Locatie ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) De bestaande keerlus vormt een logische, goed bereikbare en verkeersveilig inpasbare locatie voor de ORAC.
De locatie voldoet aan de volgende criteria: • bestaande verharding maakt plaatsing en onderhoud praktisch uitvoerbaar, • bereikbaarheid voor inzamelvoertuigen is gewaarborgd (voldoende manoeu- vreerruimte), • loopafstand voor bewoners binnen de norm van 250 meter, • geen belemmering van zichtlijnen of verkeersveiligheid, • voldoende afstand tot gevels om hinder en geluid te voorkomen, • de locatie bevindt zich op grond in beheer bij de gemeente. De exacte positie binnen de keerlus wordt vastgelegd in de civieltechnische uitwerking, waarbij rekening wordt gehouden met kabels, leidingen en ondergrondse opbouw. Aanbiedplekken minicontainers In de openbare ruimte worden waar nodig vier aanbiedplekken opgenomen voor het tijdelijk aanbieden van minicontainers tijdens inzameldagen. Deze plekken worden: • landschappelijk ingepast, • vrij van obstakels gehouden (doorgang voetgangers en hulpdiensten), • buiten zichtlijnen van kruisingen geplaatst. Circulaire voorziening – “Kringloophuisje” Binnen de wijk wordt ruimte gereserveerd voor een kleinschalige deel- en ruilvoorzie- ning (kringloophuisje), waar bewoners onderling spullen kunnen delen en hergebrui- ken, zoals boeken, kleding, kinderspeelgoed, planten of moestuinoogst. Deze voor- ziening stimuleert: • afvalreductie bij de bron, • circulaire omgang met materialen, • sociale ontmoeting en cohesie binnen de wijk.
De locatie wordt gekozen langs de langzaam-verkeersstructuur, op een plek die toe- gankelijk en zichtbaar is, zonder verkeerstechnische belemmeringen. 68 In de oude keerlus een nieuwe restafvalcontainer. Aandachtspunt oc rest plaatsen op grond gD Vier aanbiedplekken voor 38 containers Kringloophuisje naar voorbeeld Kwekerij voor het delen en ruilen van spul- len. Dit kan van alles zijn. Denk bijvoorbeeld aan kleding, speelgoed en boeken, maar ook aan planten of producten uit de moestuin. Op deze ma- nier hoeven bewoners minder spullen te kopen, die uiteindelijk weer als afval eindigen. Daarnaast is het ook gewoon leuk en gezellig. Conclusie De afvalinzameling in het plangebied wordt doelmatig en ruimtelijk zorgvuldig gere- geld. Met gescheiden inzameling aan huis, het plaatsen van een ondergrondse restaf- valcontainer in de bestaande keerlus, het voorzien in aanbiedplekken en de mogelijk- heid voor een circulaire deelvoorziening, wordt een functionele, duurzame en leefbare woonomgeving gerealiseerd die past binnen het gemeentelijke beleid en de normen voor bereikbaarheid en hinderbeperking.
69 5.7 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde be- voegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. 70 6 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is ge- houden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toede- ling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikke- lingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. 6.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorza- ken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en lo- caties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.6.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid.
Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit ge- luid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)we- gen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsge- voelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellin- gen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in ge- luidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en lo- caties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. 71 Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaan- dachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisge- luidemissies.
De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgeno- men in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle rele- vante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachts- gebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.6.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai In de zin van het Bkl voorziet dit plan in een geluidgevoelig gebouw (wonen). Het plan- gebied ligt aan een weg waar een snelheid van 60 km per uur is toegestaan, namelijk de Hoekhorsterweg. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is weergegeven in bijlage 7. Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege alle relevante wegen de gezamenlijke ge- velbelasting maximaal 48 dB bedraagt. De standaardwaarde wordt niet overschreden. Voor de woningen zijn geen aanvullende gevelmaatregelen of verdere onderzoeken nodig. Voor de woningen zijn geen aanvullende gevelmaatregelen nodig om aan het voorge- schreven binnenniveau van 33 dB te kunnen voldoen.
Industrielawaai Binnen het plangebied is een voormalig aannemersbedrijf gevestigd. Dit bedrijf wordt weggestemd, gesloopt en ter plaatse worden woningen gerealiseerd. In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig die worden aangemerkt als industrie. Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ge- luid. 72 6.7 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt ge- houden met het aspect luchtkwaliteit. 6.7.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buiten- lucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grens- waarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreini- ging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.