B07.00 Onderbouwing Landschapspark landgoed Hagen, Doetinchem (Versie V)
Tekst van het document
De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3 Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de water- huishouding. In de toelichting op de omgevingsplanwijziging moet een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem worden opgenomen. Deze bestaat uit de volgende stappen: 1 Omschrijf het huidig watersysteem; 2 Omschrijf de visie op het watersysteem in het plangebied. Houdt hierbij re- kening klimaatontwikkeling en benut uitkomsten uit stresstesten voor wa- teroverlast, droogte, hitte en overstroming; 32 3 Omschrijf de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op het watersys- teem; 4 Omschrijf welke maatregelen worden genomen om met de gevolgen om te gaan. Hierbij geldt als uitgangspunt, dat de ontwikkeling waterneutraal en klimaatrobuust is. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is Het Wateradvies ingevuld 3. Hieruit volgt dat waterschapsbelangen worden geraakt, waarvoor nadere afstemming met het waterschap nodig is. Er is immers sprake van een ontwikkeling met een toe- name van verharding. Het verhard oppervlak bestaat uit verharding van wegen, er- ven en tuinen en uit bebouwing.
Om wateroverlast bij hevige buien zoveel mogelijk te voorkomen en zoveel mogelijk water vast te houden voor droge perioden, is het vasthouden, bergen en vertraagd (indirect) afvoeren van hemelwater belangrijk. Er mag door de nieuwe ontwikkeling geen afwenteling plaatsvinden van waterpro- blemen op de omgeving en het watersysteem. Het waterschap geeft aan dat een uitwerking nodig is van de hoeveelheid toekomstig verhard oppervlak en de daar- mee benodigde hemelwaterberging. De uitwerking van de hoeveelheid verharding is navolgend uiteengezet. Deze cijfers betreffen een voorlopige schatting, gebaseerd op aannames. Totaal verhard oppervlak, inclusief bebouwing: − Erf I: 850 m2 + 40 m2 terrasverharding (20 m2 per woning); − Erf II: 1200 m2 + 60 m2 terrasverharding (20 m2 per woning); − Erf III: 520 m2 + 20 m2 terrasverharding (20 m2 per woning); − Schuurtje wijngaard: 30 m2; − Subtotaal: 2.720 m2. Gemeenschappelijke verharding: − Wandelpad: 750 m2 halfverharding − Mauritsstraat, inclusief verlegging: 1600 m2 halfverharding − De afwaardering van Mauritsstraat (van autopad naar fiets- wandelpad): 270 m2 halfverharding. − Nieuwe zandpad/toegang tot bos (wandelpad) inclusief parkeren fietsen: 1950 m2 halfverharding; − Subtotaal gemeenschappelijke verharding: 4.570 m2 Voor halfverharding wordt uitgegaan van 50% van het totale oppervlakte verhar- ding.
Daarmee wordt het subtotaal dus 4.570/2 = 2.285 m2. Totaal: 2.720 + 2.285 = 5.005 m2 Op basis van de eisen vanuit het waterschap Rijn en IJssel is compensatie over het verhard oppervlak nodig, omdat binnen het projectgebied sprake is van een toena- me van verhard oppervlak. Dit betekent dat een bui T=100+10% volledig vastge- 3 Ingevuld op www.hetwateradvies.nl op 26 augustus 2025. 33 houden kan worden binnen het projectgebied en niet tot schade leidt. Dit is een bui waarbij 80 mm neerslag valt. Met een toename van 5.005 m² verhard oppervlak binnen het projectgebied dient de volgende berging gerealiseerd te worden: 5.005 m² x 80 mm = 404 m³. Er is ruimschoots ruimte in het gebied om hierin te voorzien. Het plangebied ligt in een zone met gemiddeld hoge grondwaterspiegeldiepte (GHG circa 167 cm en GLG circa 254 cm). De bodemclassificatie valt in grondwa- tertrap VIIId, wat duidt op redelijke infiltratiecapaciteit zonder sterke structurele verzadiging. De huidige hydrologische structuur wordt voornamelijk gevormd door natuurlijke afstroming en infiltratie van regenwater. Er zijn in de huidige situatie geen kunstmatige bergingsvoorzieningen of retentievakken aanwezig binnen het plangebied. De huidige inrichting toont beperkte capaciteit om extremere neerslaggebeurtenis- sen en langdurige droge perioden op te vangen, zoals verwacht wordt bij toekom- stige klimaatscenario’s.
Met het oog op de toekomst en de wijziging van terreinge- bruik is er gezocht naar een passende inrichting van het watersysteem in het plan. De visie is gericht op waterneutraal en klimaatrobust inrichten van het watersys- teem. Doelstellingen zijn: − Vasthouden en bergen van regenwater lokaal om piekafvoer naar regionale sys- temen te reduceren en wateroverlast te voorkomen. − Maximaliseren van infiltratie om grondwateraanvulling te bevorderen en hitte- stress te mitigeren. − Integratie van water en groen om biodiversiteit en ecologische koppelingen tus- sen elementen in het landschapspark te versterken. − Adaptieve buffering voor droogte, hitte en extreme neerslag. Deze visie volgt de uitgangspunten van Waterschap Rijn en IJssel en de gemeente Doetinchem. De voorgenomen planontwikkeling leidt tot veranderingen in oppervlakstructuur door nieuwe verharde oppervlakken en erfverhogingen van afgegraven grond. Het peil van de nieuwe woningen blijft wel gelijk aan het huidige maaiveld. Zonder maatregelen neemt de afvoerpiektijd toe en vermindert infiltratiecapaciteit lokaal. Dit verhoogt de kans op waterconcentratie en lokale wateroverlast bij hevige neer- slag. Daarnaast kan langdurige droogte de bodemvochthuishouding en ecologie negatief beïnvloeden.
Maatregelen en waterneutraal ontwerp Om de genoemde effecten te mitigeren en te voldoen aan waterneutraal en klimaat robuust beleid, worden er twee wadi’s aangelegd binnen het plangebied: − Een wadi ten zuiden van de biologische wijngaard van circa 600 m² (diepte maximaal 1,50 m); − Een secundaire wadi tussen erf 1 en erf 2 van circa 350 m² (diepte maximaal 1,50 m). 34 Situering van de toekomstige wadi, aangeduid met rode cirkel Deze voorzieningen zijn strategisch geplaatst in de laagste delen van het terrein zodat natuurlijke afstroming wordt benut en lokale bergingscapaciteit maximaal functioneert. De wadi’s zijn ontworpen voor ruime bergingscapaciteit (totale opper- vlakte circa 900 m² en gemiddeld 1 m waterberging, maximaal 1,50 m), ruim boven de bepaalde bergingsnorm van 404 m³. Exacte afmetingen worden afgestemd op terreinprofielen en bodemgesteldheid in samenwerking met een hydrologisch ex- pertbureau. De uitgegraven grond wordt hergebruikt voor erfverhoging binnen het plangebied. Hierdoor ontstaat een gesloten grondbalans, wordt afvoer van grondwater mini- maal en wordt extra bergingsvolume in de bodem gerealiseerd ter compensatie van verharde oppervlakken. De wadi’s worden landschappelijk ingepast als onder- deel van het landschapspark. Door open verbindingen met groene zones te behou- den fungeren ze als ecologische stapstenen voor fauna en flora.
De inrichting draagt bij aan verlaagde hitte-effecten en verhoogde biodiversiteit. De wadi’s wor- den op minimaal 20 m afstand van woonerven gerealiseerd. Voor de wadi’s gelden aanvullende functionele randvoorwaarden. Uitgangspunt is dat de voorzieningen na neerslaggebeurtenissen voldoende snel weer beschikbaar zijn voor opvolgende buien. Bij een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van T=10 jaar dient de wadi binnen 24 uur volledig leeg en opnieuw beschikbaar te zijn. Bij een extreme bui met een herhalingstijd van T=100 jaar geldt dat de wadi binnen 35 48 uur weer beschikbaar is. Hiermee wordt geborgd dat geen langdurige water- stand ontstaat en dat de infiltratiecapaciteit van de bodem structureel behouden blijft. De planontwikkeling leidt tot een toename van verhard oppervlak en plaatse- lijke erfverhoging, waardoor sprake is van verlies aan natuurlijke bergingscapaci- teit. Dit verlies wordt volledig gecompenseerd binnen het plangebied. Op basis van de toename van het verhard oppervlak geldt een bergingseis van 404 m³. De ge- zamenlijke wadi’s beschikken over een totale bergingscapaciteit die deze norm ruimschoots overstijgt. Hierdoor kan de volledige wateropgave binnen het plange- bied worden opgevangen zonder afwenteling op het omliggende watersysteem.
De berging is zodanig gedimensioneerd dat ook bij extreme neerslag geen structurele wateroverlast ontstaat en geen versnelde afvoer naar regionale watergangen nodig is. De exacte bergingscapaciteit en ledigingstijd worden in de uitwerkingsfase nader onderbouwd aan de hand van terreinprofielen, bodemdoorlatendheid en infiltratie- berekeningen, in afstemming met een hydrologisch expertbureau en het water- schap. 5.4.4 Conclusie beleid waterschap Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap Rijn en IJssel. De voorgestelde maatregelen zorgen voor een klimaatadaptief watersysteem dat wateroverlast, droogte en hitte kan opvangen. Het waterbergingsplan is ruimschoots opgezet zo- dat zonder meer voldaan wordt aan de bergingsbehoefte. Tevens dragen de wadi’s bij aan landschappelijke en ecologische doelen. 5.5 Gemeentelijk beleid 5.5.1 Omgevingsvisie Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Omgevingsvisie ‘Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek’ vastgesteld. Daarin is de ambitie voor Doetinchem 2036 verwoord. Er spelen grote vraagstukken op het gebied van wonen, werken, landelijk gebied en leefbaarheid. Daarover wordt geschreven in het nieuws, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Die vraagstukken spelen ook bij in Doetinchem.
Daarom benoemt de gemeente opgaven die hoge prioriteit hebben en waar als eerst mee aan de slag gaan gegaan wordt. Het gaat om de volgende opgaven: − Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor Doetinchem woonstad en woon- dorpen richting 70.000 inwoners in 2036. Deze opgave is verwerkt in het opstel- len van een woonvisie; − Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor de spoorzone (omgeving rond station Doetinchem, eerder bekend onder de naam ‘stationsgebied’); 36 − Het opstellen van een procesaanpak landelijk gebied voor de Slangenburg en omgeving en Gaanderen en omgeving; − Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor een toekomstbestendig centrum. Deze vier opgaven vormen de kern van de visie op onze leefomgeving. Daarom is de visie op de leefomgeving opgebouwd aan de hand van de vier thema’s: − Woongemeente voor iedereen; − Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; − Landelijk gebied in balans; − Mensen en ontmoeten. Toetsing Met voorliggende ontwikkeling worden zes woningen en een landschapspark gere- aliseerd in het buitengebied van Doetinchem. Zoals aangegeven in de Omgevings- visie wil de gemeente Doetinchem in de periode 2023-2030 2.470 nieuwe wonin- gen realiseren, waarvan 33% dure koopwoningen. Met de bouw van zes nieuwe woningen wordt hier een bescheiden bijdrage aan geleverd.
Met de realisatie van het landschapspark wordt de biodiversiteit in het gebied versterkt ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast zal het coulisselandschap worden behouden en ver- sterkt. Zo wordt in het midden van het park een houtwal aangelegd, zullen de erven worden begrensd met hagen, zal een deel uit bloem- en kruidenrijkgrasland be- staan en een deel uit weide. De combinatie van deze verschillende elementen zorgt ervoor dat een coulisselandschap wordt gecreëerd in het park. Dit sluit aan bij de ambitie ‘Landelijk gebied in balans’. Daarnaast worden rustplekken gerealiseerd, een biologische wijngaard en een plukbos. Hiermee worden ontmoetingen tussen bewoners gestimuleerd. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat voor- liggende ontwikkeling in lijn is met de gemeentelijke ambities uit de Omgevingsvi- sie. 5.5.2 Gebiedsvisie Hagen Voor het gebied Landschapshagen is een Gebiedsvisie opgesteld. Voor deze loca- tie spelen een aantal ontwikkelingen die vragen om een duidelijke sturing in het gebied, zodat kwaliteiten en karakteristieken behouden blijven.
Deze gebiedsvisie geeft een integrale ruimtelijke basis voor de gewenste ontwikkeling in het gebied , waarbij gekeken wordt naar: − Landschapsstructuur − Biodiversiteit − Cultuurhistorie De gemeentelijke ambitie is om actief te sturen op het versterken van kwaliteiten en bij toekomstige ontwikkelingen respect te hebben voor de structuur van het ge- bied. Het draagt daarvoor verschillende maatregelen aan. Toetsing In de Gebiedsvisie Hagen gaat maatregel 11 over Landgoed Hagen. Het landgoed wil zich blijven mee ontwikkelen met de samenleving door hedendaagse functies in 37 te passen binnen de natuurdoelstellingen en het cultuurhistorisch erfgoed. Tegelijk worden elders op het landgoed enkele woonerven ontwikkeld. Door juiste land- schappelijke inpassing en gelijktijdig intensieve landbouwpercelen om te vormen naar kruidenrijke akkers ontstaat hier een aantrekkelijke randzone tussen stad en bos. Daarbij worden zichtlijnen gerespecteerd en de natuurlijke potenties van de randzone versterkt. 5.5.3 Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem De Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem is op 7 juli 2022 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De gemeente heeft hierin de verwachte klimaateffec- ten gepresenteerd, zoals onder andere meer hitte, hoger water, meer regen en dro- gere zomers.
Om hierop in te spelen, heeft de gemeente vijf pijlers gedefinieerd die moeten bijdragen aan een klimaatbestendig Doetinchem: − Stad en dorp gezond en groen − Adaptief landelijk gebied − Robuuste vitale infrastructuur − Ontwikkelingen klimaatbestendig − Betrokken en actieve mensen. Tevens heeft de gemeente een aantal ambities voor de komende dertig jaar ge- formuleerd. Deze ambities moeten bijdragen aan een goede voorbereiding op het extremer weer in 2050: 1 Hevige neerslag zorgt niet voor schade aan bebouwing en/of onveilige situa- ties; 2 Schade aan groen blijft beperkt tijdens droogte; 3 Er blijft voldoende schaduw aanwezig tegen hittestress Tevens heeft de gemeente samen met ondernemers en organisaties gekeken naar mogelijke kansen. In bebouwd gebied wordt onder andere gesproken over meer schaduw en groen, water vasthouden daar waar het valt en groenblauwe koele structuren aanleggen. Toetsing De kansen die in de klimaatstrategie worden benoemd krijgen een plekje in voor- liggende ontwikkeling. Bij de inrichting van het project neemt de hoeveelheid groen toe en zal het verhard oppervlakte zo beperkt mogelijk toenemen. Aan de oostzijde van het park wordt de bosrand versterkt en verspreid over het park zullen bomen worden geplant. Deze zullen voor voldoende schaduw zorgen en hittestress in het projectgebied verminderen.
Daarnaast wordt de omgeving van de woningen ge- kenmerkt door veel groen en biedt deze ruim voldoende capaciteit voor de opvang van hemelwater. Daarmee is het project in lijn met de gemeentelijke klimaatadap- tatiestrategie. 5.5.4 Woonvisie Doetinchem 2023-2026 De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volks- 38 huisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woon- agenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1 Groeien in kwaliteit. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en ver- snelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieu- we woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kun- nen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2 Kwalitatief goed wonen. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad.
Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duur- zaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kanto- ren of winkels naar woningen. 3 Een passende woning voor iedereen. Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschik- baarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Pro- grammalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel ge- werkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woon- deal met de provincie en het rijk. 4 Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als in- tegrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld.
De vijf speer- punten zijn: 1 Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2 Bouwen in en aan buurten; 3 Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4 Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5 Woonmilieus voor ontwikkelingen. 39 De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Relevant voor de voorgenomen ontwikkeling is het woonmilieu ‘Wonen in het groen’. Dit gebied wordt gekenmerkt door afwisseling van enkele woonfuncties, werkfuncties, groen en agrarische percelen. In het gebied liggen kansen om agrari- sche percelen en/of (werk) functies om te zetten naar nieuwe erven met wo- nen/werken in het groen. De dichtheid van de nieuwe (woon)functies wordt lager dan die van de aangrenzende woongebieden. Daarnaast is het van belang dat elke ontwikkeling een substantiële bijdrage levert aan het versterken van de groene stadsentree. Toetsing Met voorliggend project wordt een landschapspark, inclusief zes woningen gereali- seerd. Bij de ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de kansen die het woonmili- eu biedt, zoals omschreven in de woonvisie. In de beoogde situatie wordt namelijk een agrarisch perceel omgezet naar een landschapspark met woonerven.
De wo- ningen kunnen een aantrekkelijke woonomgeving bieden aan verschillende doel- groepen, waaronder gezinnen. Dit komt door de grootte en de ligging ten opzichte van de stad Doetinchem. Met de realisatie van de woningen wordt de doorstroming bevorderd. Op andere plekken in de regio zullen woningen vrijkomen ten gevolge van deze ontwikkeling. Het project draagt bij aan het vergroten van de totale wo- ningvoorraad. 40 5.5.5 Gemeentelijk rioleringsplan 2016-2020 Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Om een goede riole- ringszorg te bieden, wenst de gemeente aan de volgende drie hoofddoelen te vol- doen: − Duurzame bescherming volksgezondheid; − Handhaving goede leefomgeving; − Duurzame bescherming van natuur en milieu. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: − het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; − water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); − met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; − een goede communicatie opzetten (intern en extern); − water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; − samenwerken en afstemmen; − balans in watersysteem en waterketen.
Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, ge- combineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings - en ge- bruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, fi- nanciële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. Toetsing In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. Bij voorliggend project wordt het principe ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ toegepast. Momenteel is het terrein onverhard en wordt (be- perkt) verharding toegevoegd. De groene inrichting van het terrein en de directe omgeving maakt dat er ruim voldoende bergingsmogelijkheden in en rondom het gebied aanwezig zijn. Voor alle zes de woningen wordt een regenwaterafvoersys- teem toegepast van zink, met een mastgoot en een regenpijp. Het hemelwater af- komstig van de daken wordt in de bodem geïnfiltreerd op eigen terrein. Op die ma- nier sluit de ontwikkeling aan bij het doel ‘handhaving goede leefomgeving’ uit het Gemeentelijk Rioleringsplan. 5.5.6 Bomenbeleid en de Bomenverordening De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeente- lijke bomenverordening.
De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is 41 in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boom- structuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toe- neemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Toetsing Het aanwezige groen blijft behouden en de bosrand aan de oostzijde van het park wordt zelfs versterkt. Het park wordt zeer groen ingericht en er zullen geen bomen gekapt worden. 5.5.7 Koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Na- tuurlijk Duurzaam vastgesteld.
In het koersdocument staat beschreven wat duur- zaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaam- heid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partij- en ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koers- document legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeen- te door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat be- treft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsi- dieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking.
Daar waar dit niet mogelijk is bieden col- lectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Toetsing Met voorliggend project wordt er zo veel mogelijk op een circulaire en duurzame wijze gebouwd, met oog voor de energietransitie. Zoals in paragraaf 2.2 reeds be- schreven, worden bij de bouw herbruikbare materialen gebruikt. Daarbij kan ge- dacht worden aan herbruikbare keramische dakpannen, stenen en materialen voor de gevelbekleding. De nieuwe woningen worden volledig gasloos gemaakt. De nieuwbouw wordt zeer goed geïsoleerd, zodat er in de winter weinig warmte verlo- ren gaat en in de zomer de warmte wordt buitengehouden. Gelet op het voorgaan- 42 de, wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling aansluit bij het koersdo- cument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam 5.5.8 Maatschappelijke behoefte Met voorliggende ontwikkeling worden zes nieuwe woningen en een landschaps- park gerealiseerd. Het perceel is geschikt voor woningbouw gezien de ligging langs de kern van Doetinchem waar momenteel enkel akkerland is gelegen. In de toe- komstige situatie zal met de aanleg van het park de biodiversiteit versterkt worden en hoogwaardig groen worden gerealiseerd. De bouw van de woningen biedt de mogelijkheid om bij te dragen aan het woningtekort in de regio.
Daarnaast heeft de projectlocatie een gunstige ligging met een goede bereikbaarheid ten opzichte van het treinstation en andere publieke voorzieningen op wandel- of fietsafstand. 5.5.9 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. 5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. 43 6 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. 6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze ver- oorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoeli- ge gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
6.1.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke loca- tie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activi- teiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het moge- lijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluids- bron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: − Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in ge- luidsgevoelige gebouwen en locaties; − Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; − Het bevorderen van bronmaatregelen; − Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; − Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluid- aandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnor- men zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumu- latie van alle relevante geluidbronnen. 44 Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaan- dachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een even- wichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.
6.1.2 Onderzoek Geluidbelastingen In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek4 naar de ge- luidbelasting vanwege wegverkeerlawaai op de toekomstige woningen uitgevoerd. Allereerst is bepaald welke akoestische bronnen relevant zijn voor het besluitge- bied. In dit geval zijn relevant: de 30 en 50 km/uur weg Keppelseweg. en diverse 30 km/uur wegen, waaronder Prins Alexanderstraat, Groot Hagen, Koninginnelaan. Vervolgens zijn de verkeersintensiteiten van de wegen inzichtelijk gemaakt en is getoetst op de randen van de bouwvlakken in het stedenbouwkundig ontwerp van onderhavig plan, en daarmee de maximaal planologische mogelijkheden. In onder- staande figuur zijn de geluidbelastingen als gevolg van de gemeente- wegen per toetspunt weergegeven. Hoogst berekende geluidbelasting vanwege de gemeentewegen Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de gemeentewegen er geen overschrij- ding plaatsvindt van de standaardwaarde. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 41 dB Lden. Daarmee wordt zowel voldaan aan het Bkl als aan het ge- meentelijk beleid. Nadere beschouwing is niet benodigd. Gecumuleerde en gezamenlijke geluidsbelasting Bij dit project is het gecumuleerd geluid gelijk aan het gezamenlijke geluid doordat er enkel één geluidbronsoort (weg) relevant is.
De maximale waarde bedraagt 41 dB, waardoor er op voorhand wordt voldaan aan de toetsingskaders voor het bin- nenklimaat van 33 dB. 4 SAB (2025) Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Landschapspark landgoed Hagen, Doetin- chem. 3 november 2025. 45 6.1.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorlig- gend initiatief. 6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt vol- daan: − Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grens- waarde; − Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; − Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreini- ging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.
Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde con- centraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1 Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aange- wezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoem- de categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3% -grens niet wordt overschreden; 2 Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM -tool.
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke ag- glomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan 46 beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daar- toe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan loca- ties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aan- vaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2 Onderzoek Conform artikel 5.54 Bkl is voorliggende ontwikkeling van 6 woningen te beschou- wen als niet in betekenende mate, omdat de ontwikkeling onder de grens van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen of 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg blijft. Als gevolg van voorliggende ontwikkeling wordt een verslechtering van de luchtkwaliteit of een overschrijding van de grenswaarden van NOx, PM 10 en PM2,5 derhalve op voorhand uitgesloten. Nadere toetsing op dit milieuaspect is daarom niet benodigd. Desalniettemin is de NIBM-tool ingevuld (zie navolgend). Bron RIVM De monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving is geraadpleegd om de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied te bekijken.
De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2.5 en PM10) in het projectgebied voor 2023 (de meest actuele cijfers). De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in 2023 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die in het Bkl zijn vastgesteld. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezond- heidsrisico’s. In de navolgende tabel is dit weergegeven. Zelfs als de toegevoegde uitstoot als gevolg van voorliggend project wordt opgeteld bij de huidige waarden, worden de Rijksomgevingswaarden uit het Bkl niet overschreden. Stoffen | Bkl-omgevingswaarde | 2023 NO2 concentratie | 40 µg/m3 | 9,55 µg/m3 PM10 concentratie | 40 µg/m3 | 14,39 µg/m3 PM2,5 concentratie | 25 µg/m3 | 8,00 µg/m3 Bron: Atlas Leefomgeving 6.2.3 | Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief. 6.3 | Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1 | (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend.
Hierbij kan ge- dacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurge- voelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2 | Onderzoek Voorliggend project betreft de realisatie van een hindergevoelige functie (wonen). Er dient dus te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen on- dervindt in het kader van geuroverlast als gevolg van milieubelastende activiteiten in en rondom het projectgebied. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quick scan milieubelastende activiteiten5 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er voldoende afstand is tussen de nieuwe hindergevoelige gebouwen (woningen) en de hinder- veroorzakende activiteiten in de omgeving en binnen het plan, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen nader onder- zoek naar het aspect geur benodigd.
6.3.3 | Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief. 5 | SAB (2025) Quick scan activiteiten en milieuzonering, 29 juli 2025. 47 48 6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van be- lang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uit- gangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de ge- bruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem in- structieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvul- lingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aan- vullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: land- bouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrens- waarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de ge- bruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; − Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; − Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwa- liteiten van de bodem; − Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigin- gen en -aantastingen. 6.4.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonder- zoek6 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de woonerven . Op navolgende afbeelding is weergegeven welke delen van het gebied zijn onderzocht met bijbehorende deellocatie nummers. Onderzoeksgebied verkennend bodemonderzoek (Bron: De Klinker) 6 De Klinker (2025) Verkennend bodemonderzoek Groot Hagen Doetinchem. 28 maart 2025.
49 Uit de resultaten van dit onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: − De bodem op de locatie bevat in de bovengrond zeer plaatselijk sporen bak- steen; − Ter plaatse van deellocatie 1 is in de ondergrond een licht verhoogd gehalte ko- balt aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aan- getroffen. De bovengrond bleek niet verontreinigd te zijn; − De hypothese ‘onverdachte locatie’ dient voor deellocatie 1 verworpen te wor- den. − Ter plaatse van deellocatie 2 zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten lood en kwik aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte bari- um aangetroffen. De ondergrond bleek niet verontreinigd te zijn; − De hypothese ‘onverdachte locatie’ dient voor deellocatie 2 verworpen te wor- den. − Ter plaatse van deellocatie 3 zijn in zowel de boven- als de ondergrond en in het grondwater geen verhoogde gehalten aangetroffen; − De hypothese ‘onverdachte locatie’ kan voor deellocatie 3 aangenomen worden. Door de aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater ter plaatse van deellocatie 1 en 2 dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspan- ning niet hoeft te worden herzien.
Ter plaatse van deellocatie 3 zijn in zowel de grond als het grondwater geen verhoogde gehalten aangetroffen en derhalve dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ aangenomen te worden. Op basis van deze conclusies acht de Klinker het terrein in het kader van de milieu- hygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. 6.4.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorlig- gende ontwikkeling. 6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg - en verkeerswetge- ving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.5.2 Onderzoek Mobiliteit Om de verkeersgeneratie van het plan inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van de kerncijfers van het CROW. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan: de to- tale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die per et- 50 maal naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het voorge- nomen project betreft de realisatie van zes vrijstaande koopwoningen in het bui- tengebied van Doetinchem. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling wordt bepaald op basis van de CROW - publicatie 744 ‘Parkeercijfers, basis voor parkeernormering’. Op basis van de ‘Nota parkeernormen 2024’ van de gemeente Doetinchem is de gemeente gecategori- seerd als ‘matig stedelijk’ en kan het projectgebied worden aangemerkt als ‘buiten- gebied’. De verkeersgeneratie als gevolg van de woningen wordt berekend door het aantal woningen te vermenigvuldigen met de gemiddelde verkeersgeneratie voor deze ca- tegorieën. De ontwikkeling betreft zes vrijstaande koopwoningen vermenigvuldigd met een gemiddelde waarde van 8,2 wat een verkeersgeneratie oplevert van 49,2 verkeersbewegingen per etmaal. Het beoogde landschapspark is deels bedoeld voor recreatief gebruik door de hui- dige omwonenden en toekomstige bewoners. De ontwikkeling is er niet op gericht om bezoekers van grote afstand aan te trekken. Als gevolg van het recreatieve ge- bruik zal naar verwachting daarom ook geen autoverkeer worden gegenereerd. Voor de wijngaard is uitgegaan van een worst-case scenario.
Hierbij wordt uitge- gaan van één eigenaar hebt die in het oogstseizoen maximaal vier tijdelijke werk- nemers inhuurt en één tractor met aanhanger/vrachtwagen met oogst per dag af- voert, dan levert dat 12 verkeersbewegingen per etmaal op. De rest van het jaar zal dat nog minder zijn, maar dit is het worst-case representatieve beeld. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt hiermee 61,2 verkeersbewegingen per etmaal op. Ontsluiting Voor erf I en II worden nieuwe ontsluitingswegen gerealiseerd en deze zullen aan- sluiten op de Prins Alexanderstraat. Erf III wordt ontsloten middels de inrit naar de woning vanaf de Prins Mauritsstraat. Voor beide bestaande wegen is voldoende capaciteit beschikbaar om de toenemende verkeersgeneratie op te vangen. Het ex- tra verkeer kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld ter plaatse. Parkeren De parkeerbehoefte voor de beoogde woningen wordt bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers uit de Nota parkeernormen van de gemeente Doetinchem. Con- form deze Nota kan worden uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte. De woningen hebben een gemiddeld parkeerkencijfer van 2,1. Voor zes woningen re- sulteert dit in een parkeerbehoefte van 12,6. Het parkeren wordt geheel op eigen terrein gerealiseerd. 51 Voor het recreatieve gebruik wordt niet uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking.
Hiervoor worden daarom ook geen parkeerplaatsen aangelegd. Gelet op voorgaande wordt met voorliggende ontwikkeling voldaan aan de ge- meentelijke parkeernorm. 6.5.3 Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ont- wikkeling. 6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevings- veiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ont- staan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgeno- men in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activitei- ten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de re- gels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: − Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.
Dit zijn verschillende milieube- lastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; − Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); − Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; − Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl ). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsba- re locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebie- den. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toege- staan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
52 Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomge- ving: − Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); − Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); − Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); − Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van in- vloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden met dit project nieuwe kwetsbare gebouwen (woningen) toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Raadpleging van de digitale risicokaart van Atlasleefomgeving laat zien dat het projectgebied niet in een aandachtsgebied is gelegen, zoals in navolgende afbeelding is weerge- geven. Nader onderzoek naar omgevingsveiligheid wordt daarom niet nodig ge- acht. Uitsnede risicokaart met projectgebied aangeduid met rode cirkel (Bron: Atlasleefomgeving) 6.6.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
53 6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze re- gels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet na- tuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbe- scherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vo- gels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2 Onderzoek Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan natuurtoets 7 uit- gevoerd. Uit de quick scan blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit, be- staande uit het realiseren van enkele nieuwe bouwkavels in combinatie met na- tuurontwikkeling, aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet niet noodzakelijk is. Voor elke flora- en fauna-activiteit geldt de specifieke zorgplicht.
In het kader hiervan moet voor het projectgebied rekening gehouden worden met broedvogels (waar- onder diverse categorie 5-soorten), grondgebonden zoogdiersoorten als haas en konijn en Rode Lijst genoteerde ongewervelde diersoorten als bruin blauwtje, gele luzernevlinder, kleine parelmoervlinder en kleine tuinmaskerbij. In paragraaf 4.3 van de bijlage zijn hiervoor enkele voorzorgsmaatregelen voorgesteld. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming geldt dat er geen sprake is van aantasting van beschermde waarden of ontwikkelingsdoelen van het Natuurnetwerk Neder- land. Vervolgstappen, zoals nadere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan is niet noodzakelijk. Daarnaast zijn voor bijzondere na- tuurgebieden en landschappen geen preventieve of herstelmaatregelen noodzake- lijk bij de geplande activiteiten. Ook is er geen sprake van aantasting van be- schermde houtopstanden. In kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde houtopstanden zijn ook geen maatregelen nodig. In het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ is een berekening uit- gevoerd met de AERIUS-calculator8. Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn 7 Staring Advies (2024) Quickscan natuurtoets, Landschapspark Hagen in Doetinchem. 17 juni 2024.
8 SAB (2025) ‘Onderzoek stikstofdepositie Doetinchem, Landschapspark Hagen’. Projectnummer: 240256, 20 augustus 2025. 54 dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwach- ten op de omliggende Natura 2000-gebieden.Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stik- stof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000 - gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de om- liggende Natura 2000-gebieden. In het onderzoek is geconcludeerd dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve wor- den uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 -activiteit benodigd. 6.7.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorlig- gend initiatief. 6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activi- teit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde.
Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier ge- zamenlijk besproken. 6.8.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructie- regels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: − Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeolo- gische monumenten; − Verplaatsing van beschermde monumenten; − Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; − Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; − Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.8.2 Onderzoek In het kader van voorliggende ontwikkeling is een archeologisch bureau- en ver- kennend booronderzoek9 uitgevoerd. Het bureauonderzoek is voor het gehele ge- bied uitgevoerd. Het booronderzoek heeft plaatsgevonden ter plaatse van de drie woonerven. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem nagenoeg intact is. De top van het potentiële archeologische niveau ligt tussen 45 en 115 cm onder het maai- veld. Daarnaast blijkt uit het bureauonderzoek dat in het plangebied een loopgraaf heeft gelegen. Naar verwachting zullen de ingrepen voor onderhavig project reiken tot in de archeologische niveaus, waardoor eventuele resten vergraven worden.
9 Bureau voor Archeologie (2025) Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Landgoed Hagen De Kelder Prins Alexanderstraat Doetinchem (gemeente Doetinchem). Rapportnummer: 1625, 2 oktober 2025. 55 Daarom wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren op plaat- sen waar bij de beoogde ontwikkeling gegraven zal gaan worden tot in het archeo- logische niveau, om eventuele archeologische resten te karteren en waar nodig te waarderen. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het gebied krijgt een archeologische waarde op de verbeelding van voorliggend plan. In de bij- behorende regels wordt exact opgenomen bij welke grondroerende werkzaamhe- den onderzoek is verplicht. 6.8.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voor- liggend initiatief. Wel dient onderzoek uitgevoerd te worden. Deze onderzoeks- plicht wordt juridisch-planologisch vastgelegd in de regels en verbeelding van on- derhavig plan. 6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omge- vingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.
6.9.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot ui- ting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikke- ling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omge- vingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isola- tie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daar- naast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor ver- warming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieu- prestatie gebouwen en GWW-werken.
56 Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en wa- ter (zie hoofdstuk 5). 6.9.2 Onderzoek energietransitie De beoogde woningen zullen aardgasloos worden ontwikkeld. Uiteraard zullen de woningen ook in ieder geval voldoen aan de minimale BENG-vereisten. De wonin- gen zullen energiezuinig zijn met een hoge mate van isolatie om warmteverlies te minimaliseren. Naar verwachting is het ook mogelijk om zonnepanelen op te wo- ningen te plaatsen, waarmee verdere verduurzaming kan worden gerealiseerd. 6.9.3 Onderzoek circulariteit Bij de bouw van de woningen wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van herge- bruikte en herbruikbare materialen. Dit betreft onder anderen het gebruik van ke- ramische dakpannen, stenen en materialen voor de gevelbekleding. Ook het straatwerk wordt opnieuw gebruikt, en bestaande stenen worden gebruikt om een keerwand te maken. Met deze keerwand wordt gedoeld op een nieuw talud ge- maakt ten behoeve van het te verhogen maaiveld. Het talud wordt aan de woning- zijde beëindigd met een muurtje van gestapelde stenen. Hiermee wordt materiaal- verspilling voorkomen. 6.9.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Een manier om het project in het kader van klimaatadaptatie te toetsen is de ‘kli- maatlat’ van het Rijk.
Hierin worden de verschillende deelonderwerpen van kli- maatadaptatie besproken en de maatregelen die daarbij horen. 57 Wateroverlast Een extreem hevige regenbui kan wateroverlast veroorzaken. Bijvoorbeeld doordat het water tegen de gevel van woningen aan staat. Of doordat de wegen niet meer begaanbaar zijn voor bewoners en hulpdiensten. Navolgende afbeelding geeft de situatie ter plaatse van het besluitgebied bij een hevige bui weer. De kaart laat zien waar een korte extreem hevige bui leidt tot grote plassen water op straat, in tuinen en op het land. Hoe donkerder de blauwe kleur, hoe dieper de plas. Hieruit is af te lezen dat vooral in het noorden van het projectgebied in het geval van hevige buien relatief diepe plassen kunnen ontstaan. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal hiermee rekening gehouden dienen te worden. Uitsnede kaart ‘Waterdiepte bij hevige bui | 70 mm / 2 uur’ (Bron: Klimaateffectatlas) Hittestress Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aan- wezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Hitte- stress is een serieus probleem dat vaak onderschat wordt. Blootstelling aan hoge temperaturen zorgt voor gezondheidsrisico's.
Atlas leefomgeving is geraadpleegd om het Stedelijk Hitte Eiland effect ter plaatse van het besluitgebied inzichtelijk te maken. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een bovengemiddeld hoog Stedelijk Hitte Eiland effect. Desalniettemin zijn verscheidene maatregelen om een toename van dit effect te voorkomen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het verhard oppervlak geminimaliseerd en er worden verschillende typen bomen geplant ver- spreid over het park. Deze groenelementen zullen het park voorzien van voldoende
58 schaduw en verkoeling. Daarnaast worden de nieuwe woningen goed geïsoleerd waardoor het ook bij hitte een prettig woon - en leefklimaat biedt. Droogte Te lage grondwaterstanden vormen voor veel functies een bedreiging. Natuurter- reinen, landbouwgewassen en funderingen van gebouwen kunnen ernstige schade oplopen. Ook leidt een lage grondwaterstand tot droogval van beken en andere wa- terpartijen. Problematisch lage grondwaterstanden treden vaak op aan het einde van de zomerperiode. Raadpleging van de Klimaateffectlas laat zien dat ter plaatse van het besluitgebied het grondwater in een gemiddelde zomer tot meer dan 2 me- ter onder het maaiveld weg kan zakken. Als gevolg van de voorgenomen ontwikke- ling zal het verhard oppervlakte slechts beperkt toenemen en zal maximaal groen worden gerealiseerd. Hierdoor blijft er voldoende ruimte aanwezig in de bodem voor water om te infiltreren en droogte te voorkomen. Overstromingsrisico In het kader van voorliggende ontwikkeling zijn de kaarten ten aanzien van ‘over- stromingsdiepte’ op Klimaateffectatlas geraadpleegd. Op basis van deze kaarten is te zien dat er ter plaatse van het projectgebied geen overstromingsrisico aanwezig is in het gebied. Bovendien neemt dit risico niet toe als gevolg van onderhavig pro- ject.