B07.00 Onderbouwing Landschapspark landgoed Hagen, Doetinchem (Versie V)
Tekst van het document
Landschapspark landgoed Hagen, wijziging omgevingsplan Motivering Gemeente Doetinchem sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling 31 juli 2026, projectnummer 240256 sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomati- seerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Aanleiding en doel 3 1.2 Projectgebied 3 1.3 Leeswijzer 4 2 Beschrijving huidige situatie 5 3 Voorgenomen ontwikkeling 6 3.1 Wat houdt de ontwikkeling in? 6 3.2 Strijdigheid geldend omgevingsplan 15 3.3 Medewerking opheffen strijdigheid 17 3.4 Conclusie 17 4 Voorbereiding en participatie 19 4.1 Verkenningsfase 19 4.2 Participatie omgeving 19 5 Beleid en regelgeving 20 5.1 Rijksbeleid en Rijksregels 20 5.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 22 5.3 Regionaal beleid 28 5.4 Beleid waterschap 29 5.5 Gemeentelijk beleid 35 5.6 Omgevingswaarden 42 6 Omgevingsaspecten 43 6.1 Geluid 43 6.2 Luchtkwaliteit 45 6.3 Geur 47 6.4 Bodemkwaliteit 48 6.5 Mobiliteit en parkeren 49 6.6 Omgevingsveiligheid 51 6.7 Natuur 53 6.8 Cultureel erfgoed 54 6.9 Duurzaamheid 55 6.10 M.e.r.-beoordeling 58 6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking 60 6.12 | Milieubelastende activiteiten | 61 6.13 | Gezondheid | 63 6.14 | Bezonning | 65 7 | Uitvoerbaarheid | 68 7.1 | Economische uitvoerbaarheid | 68 7.2 | Maatschappelijke uitvoerbaarheid | 69 Bijlagen Bijlage 1: | Inrichtingsplan Bijlage 2: | Participatieverslag Bijlage 3: | Resultaat Het Wateradvies Bijlage 4: | Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: | Quick scan milieubelastende activiteiten Bijlage 6: | Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: | Quick scan natuur Bijlage 8: | Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 9:
| Archeologisch onderzoek Bijlage 10: | Nota van zienswijzen 3 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Aan de noordwestelijke stadsrand van de kern Doetinchem ligt een stuk grond dat de initiatiefnemer graag wil ontwikkelen tot een landschapspark, inclusief drie woonerven die ruimte bieden aan in totaal 6 woningen. De gronden hebben mo- menteel een agrarische functie en gedeeltelijk ook een woonfunctie. Het voorne- men past niet binnen de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders. Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet een wijzigingsbesluit omgevings- plan opgesteld worden. Er is voor gekozen om dit te doen volgens de standaard van STOP/TPOD. Ten behoeve van deze omgevingsplanwijziging is het noodzake- lijk te motiveren dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een evenwichtige toede- ling van functies aan locaties (etfal). Voorliggende motivering toont dit aan. 1.2 Projectgebied De projectlocatie ligt aan de noordwestkant van de kern Doetinchem, grofweg tus- sen de Prins Alexanderstraat, de Prins Mauritsstraat en de 2 e Loolaan. Ten noorden grenst het gebied aan bosgebied. Op verschillende plekken rondom het projectge- bied zijn ook woningen gelegen. Het projectgebied is ongeveer 13 hectare groot en beslaat de kadastrale kavels 2703, 2705, 2706, 2707 en 2708 van sectie B.
Op navolgende afbeeldingen zijn respectievelijk de ligging en globale begrenzing van het projectgebied afgebeeld. Globale ligging projectgebied (Bron: PDOK viewer). 4 Globale begrenzing projectgebied (Bron: PDOK viewer). 1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verant- woording van de omgevingsplanwijziging die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk - functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de be- oogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en ge- meentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse pla- nologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In de laatste hoofdstukken komen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
5 2 Beschrijving huidige situatie Het projectgebied is gelegen aan de noordwestelijke stadsrand van Doetinchem. Aan de zuidwestelijke zijde wordt het projectgebied begrensd door de Prins Alexanderstraat. Aan de zuidoostelijke zijde van het projectgebied ligt de 2 e Loolaan. Ten noordoosten van het projectgebied zijn vijf woningen gelegen. Langs de Prins Alexanderstraat, ten zuidwesten van het projectgebied, bevindt zich een woonzorgcentrum en verder ten zuiden daarvan een groot bedrijventerrein. In de wijdere omgeving, ten zuidoosten van het projectgebied, bevinden zich voorname- lijk woonwijken. Het gebied verder ten noorden van het projectgebied wordt gro- tendeels gekenmerkt door de Kruisbergse bossen, akker, weide en ook diverse wo- ningen. Het gebied zelf bestaat momenteel grotendeels uit akkerland. In het westen be- vindt zich ook een woning aan de Prins Alexanderstraat 80. De Prins Mauritsstraat loopt dwars door het projectgebied heen in noord-zuidrichting. Het huidige gebruik doet weinig recht aan de landschappelijke waarden die in het p rojectgebied aan- wezig zijn. Het agrarisch gebruik voor reguliere landbouw is ongunstig voor na- tuurwaarden. Het projectgebied maakt onderdeel uit van Landgoed Hagen. Op na- volgende afbeelding is het projectgebied in de bestaande situatie weergegeven.
Het projectgebied in de huidige situatie aangeduid met een rood kader (Bron: PDOK viewer)
6 3 Voorgenomen ontwikkeling 3.1 Wat houdt de ontwikkeling in? Het voornemen bestaat om binnen het projectgebied een landschapspark te reali- seren. In het landschapspark zal ruimte komen voor drie woonerven met in totaal zes vrijstaande woningen, verschillende recreatieve functies waarbij de nadruk ligt op het versterken van de natuur- en landschapswaarden binnen het plangebied. (zoals bijvoorbeeld verschillende wandelpaden en een rustplek), uitbreiding van de bosranden en een kleinschalige biologische wijngaard. Inrichting terrein In het kader van voorliggende ontwikkeling is een Inrichtingsplan1 opgesteld. Zoals weergegeven op de navolgende afbeelding is het projectgebied grofweg op te de- len in een noordelijke en zuidelijke helft. Er komen drie woonerven op de noordelij- ke helft van het projectgebied te liggen. Twee van die woonerven liggen in het noordwesten en aan de noordelijke rand komt een biologische wijngaard. Dit deel van het park wordt begrensd door middel van een pad bestaande uit halfverharding met daarlangs een takkenwal. Ten noordoosten van de Mauritsstraat komt het derde woonerf. Rondom de woningen komen siertuinen die worden begrensd door middel van meidoornhagen en weidepalen. Dit zorgt voor een natuurlijke overgang van weide naar bewoning. De gronden tussen de woonerven en de wijngaard zullen bestaan uit bloem- en kruidenrijk grasland.
De rest van het park zal grotendeels bestaan uit weide. Ten oosten van het project- gebied zal de bestaande bosrand worden uitgebreid en wordt een coulissenland- schap gevormd, waarbij er een geleidelijke overgang van bos naar open land zal worden gecreëerd. Tot slot wordt het gebied ten zuiden ingericht als overgangsge- bied tussen open terrein en bos. Het oostelijke en noordoostelijke deel van het park zal een meer gesloten karakter krijgen en de rest van het park zal een meer open karakter krijgen. De woningen krijgen een beperkte nokhoogte, waardoor de wonin- gen een zachte uitstraling hebben richting omgeving. 1 Giesen Architectuur (2026) Inrichtingsplan Landschapspark landgoed Hagen, 23 januari 2026. 7 Tekening van inrichting terrein in de beoogde situatie (Bron: Giessen Architectuur). Woonerven Erf I Het eerste erf komt te liggen in het noordwestelijk deel van het projectgebied. Op dit erf worden twee woningen en een gedeelde schuur gerealiseerd. Het algemeen uitgangspunt hierbij is meerdere volumes in een vrije setting rond een erf. Het wo- ningpeil blijft gelijk aan het huidige maaiveld. Het omliggende erf wordt (daar waar aangegeven in het inrichtingsplan) opgehoogd met uitkomende grond. De maxima- le nokhoogte van de woningen bedraagt 8,5 meter en de maximale goothoogte 4,5 meter.
Navolgend de aanvullende eigenschappen van de bebouwing op erf I: − De westelijke boerderij woning (1) bestaat uit twee bouwdelen, met een hogere en een lagere bouwvolume. De nokrichtingen lopen parallel aan elkaar. De wo- ninginhoud is voor 750 m3 zichtbaar vanaf de straatzijde boven het verhoogde erf en 100 m3 bevindt zich onder het verhoogde erf tot peil. De totale inhoud be- draagt 850 m3. − De oostelijke woning (2) wordt een kapschuurwoning met een zadeldak en ge- deeltelijk houten gevels en glazen gevels. De woninginhoud is voor 700 m3 zichtbaar vanaf de straatzijde boven het verhoogde erf en 100 m3 bevindt zich onder het verhoogde erf tot peil. De totale inhoud bedraagt 800 m3 Op de navolgende afbeeldingen is een plattegrond van erf I weergegeven. 8 Beoogde situatie ter plaatse van Erf I (Bron: Giesen Architectuur). Erf II Het tweede erf ligt direct ten oosten van het eerste erf. Het erf zal worden opge- splitst in drie kavels. Elke kavel biedt ruimte aan een woning met een eigen losse schuur. Dus op dit erf komen in totaal drie woningen met drie losse schuren te lig- gen. Ook hier is het algemeen uitgangspunt meerdere volumes in een vrije setting rond een erf. Het woningpeil blijft gelijk aan het huidige maaiveld. Het omliggende erf wordt (daar waar aangegeven in het inrichtingsplan) opgehoogd met uitkomen- de grond.
De maximale nokhoogte van de woningen bedraagt 8,5 meter en de maximale goothoogte 4,5 meter. Navolgend de kenmerken van de bebouwing op erf II: − De meest noordelijke woning (3) wordt een boerderijwoning, samengesteld uit twee volumes. De woning bestaat uit zowel houten als glazen gevels en een za- deldak. De woninginhoud is voor 750 m3 zichtbaar vanaf de straatzijde boven het verhoogde erf en 100 m3 bevindt zich onder het verhoogde erf tot peil. Tota- le inhoud bedraagt 850 m3. − De middelste woning (4) wordt een boerderijwoning, ook samengesteld uit twee volumes. De woning krijgt zowel houten als glazen gevels en een zadeldak. De woninginhoud is voor 750 m3 zichtbaar vanaf de straatzijde boven het verhoog- 9 de erf en 100 m3 bevindt zich onder het verhoogde erf tot peil. De totale inhoud bedraagt 850 m3. − De meest westelijke woning (5) wordt een kapschuurwoning met een zadeldak, ook samengesteld uit twee volumes, waarvan een volume met gesloten houten gevels en een volume met houten – glazen vliesgevels. De woninginhoud is voor 660 m3 zichtbaar vanaf de straatzijde boven het verhoogde erf en 80 m3 bevindt zich onder het verhoogde erf tot peil. De totale inhoud bedraagt 740 m3. Op de navolgende afbeelding is een plattegrond van erf II weergegeven. Beoogde situatie ter plaatse van Erf II (Bron: Giesen Architectuur).
Erf III Het derde erf komt te liggen in het noordoosten van het projectgebied. Dit erf biedt ruimte aan één woning (6). De woning zal worden gebouw in de vorm van een eco- chique woonhuis, wederom samengesteld uit twee volumes met zowel houten als glazen gevels. Het woningpeil blijft gelijk aan het huidige maaiveld. Het omliggende 10 erf wordt (daar waar aangegeven in het inrichtingsplan) opgehoogd met uitkomen- de grond. De maximale nokhoogte van de woningen bedraagt 8,5 meter en de maximale goothoogte 4,5 meter. De woninginhoud is voor 750 m3 zichtbaar vanaf de straatzijde boven het verhoogd erf en 130 m 3 bevindt zich onder het verhoogde erf tot peil. De totale inhoudt bedraagt 880 m 3. Op de navolgende afbeelding is een plattegrond van erf III weergegeven. Beoogde situatie ter plaatse van Erf III (Bron: Giesen Architectuur). Biologische wijngaard Op de biologische wijngaard wordt een druivenras geplant waarbij geen bestrij- dingsmiddelen nodig zijn. De aanpak is biologisch en ecologisch verantwoord. Mo- gelijk krijgt de wijngaard ook een educatief karakter, waarbij twee dagen in de week vrijwilligers of mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt betrokken worden bij het werk op de wijngaard. De wijn zal niet op locatie worden geproduceerd, enkel de druiven zullen hier worden geteeld. Verkeer en parkeren Het parkeren zal voor alle woningen op eigen terrein worden opgelost.
Alle drie de erven krijgen een eigen ontsluitingsweg die uit halfverharding bestaat. Voor erf I en 11 II komt er een ontsluitingsweg die aansluit op de Prins Alexanderstraat. De ontslui- tingsweg voor erf III zal aansluiten op de Prins Mauritsstraat. De andere functies in het projectgebied kennen geen eigen verkeersgeneratie of parkeerbehoefte. Dit omdat de gebruikers en bezoekers veelal op de fiets of wandelend zullen komen, zoals nu reeds ook al het geval is. Bovendien maakt het gebied onderdeel uit van een groter recreatiegebied (Kruisbergse bossen). Voor het bos zijn al voldoende parkeerplekken elders verspreid. Duurzaamheid Het park krijgt een natuurlijke en groene inrichting met een recreatieve functie. Door het gebied te transformeren van akkerland naar een natuurlijk ingerichte om- geving, wordt het gebruik in de beoogde situatie duurzamer, met meer ruimte voor biodiversiteit. Bij de bouw van de woningen wordt zo veel mogelijk gebruik ge- maakt van hergebruikte en herbruikbare materialen. De bebouwing bestaat uit een houtskelet constructie en er worden ecologische bouwmaterialen toegepast. Hier- bij gaat het onder anderen om keramische dakpannen, stenen, hout en materialen voor de gevelbekleding. Daarnaast worden de woningen energiezuinig gebouwd en wordt veel gebruik gemaakt van hoge isolatiewaarden.
Straatwerk wordt opnieuw gebruikt en stenen worden gebruikt om bijvoorbeeld een keerwand te maken. Klimaatadaptatie Het park wordt zeer groen ingericht met beperkte verharding. Los van de bebou- wing en het pad dat uit halfverharding bestaat, is het park verder onverhard. Hier- door is er genoeg ruimte voor het water om in de bodem te infiltreren. Daarnaast worden verspreid over het terrein veel (inheemse) bomen geplant die schaduw en verkoeling zullen bieden. Natuurontwikkeling en biodiversiteit Biodiversiteit is een term die gebruikt wordt om de rijkdom van de natuur aan te geven. Het gaat om de grote verscheidenheid in soorten van dieren, planten, leef- gebieden en genen. De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk. Er is in Neder- land nog maar 15 procent over van de natuurlijke biodiversiteit. Het Europese ge- middelde is 40 procent. Er is een grote inspanning nodig om te zorgen voor herstel van de biodiversiteit. De gemeente Doetinchem heeft evenals de Provincie Gelder- land de ambitie om de biodiversiteit overal waar mogelijk te versterken en in te passen, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. De gemeente is momenteel bezig met het schrijven van specifiek biodiversiteitsbeleid. Bijdragen aan herstel van de biodiversiteit kan plaatsvinden op allerlei schaalniveaus.
Door het inpassen van de juiste ecologisch maatregelen kan elk plan of ontwikkeling bij- dragen en ontstaan ecologische verbindingen en schakels waarmee overlevings- kansen voor Het projectgebied wordt functioneel gesplitst in een noordelijk en zuidelijk deel. Aan de noordrand wordt een biologische wijngaard ingericht. In het landschaps- park worden paden van halfverharding aangelegd met langsgelegen takkenwallen die dienen als ecologische verbindingsstructuur en schuilgelegenheid voor fauna. 12 Rondom de woningen komen tuinen met inheemse, streekeigen hagen. Deze hagen borgen een zachte overgang van weide naar erf en functioneren als leefgebied voor insecten en kleine zoogdieren. De tussenliggende gronden worden ingericht als bloem- en kruidenrijk grasland, gericht op versterking van bestuivingsroutes en biodiversiteit. Het resterende deel van het terrein bestaat uit extensief beheerde weide met een lage bezetting van paarden als natuurlijk maaibeheer. Ten oosten van het project- gebied wordt de bestaande bosrand behouden. Daardoor ontstaat een coulissen- landschap met een geleidelijke gradiënt van bos naar open land, gericht op het ver- groten van structuurvariatie en inheemse soortenrijkdom. In het zuidelijke deel worden fruitbomen en struiken aangeplant om een geleidelijke overgang te creëren tussen weide en het naastgelegen Gelders Natuurnetwerk.
Door de gelaagde structuur ontstaat een mix van gras- en kruidlagen, struweel en opgaande bomen. De bomen en struiken staan ruimer uit elkaar, waardoor vol- doende licht op de onderlaag valt. Dit voorkomt verdichting en maakt het terrein toegankelijk en zichtbaar. Dit levert voedsel, nestgelegenheid en schuilplekken op voor vogels, insecten en kleine fauna, terwijl het terrein landschappelijk luchtig blijft. Deze inrichting draagt bij aan voedselrijkdom voor vogels en insecten en ver- sterkt de landschappelijke gelaagdheid. Deze inrichting resulteert in een robuuste mix van graslandtypen, bosranden, stru- weel en kleinschalige landschapselementen, waarmee het plan aantoonbaar bij- draagt aan het verhogen van natuurwaarden en biodiversiteit binnen het gehele plangebied. Toekomstig beheer Het toekomstig beheer is gericht op de geleidelijke ontwikkeling van de huidige landbouwgronden naar respectievelijke bloem- en kruidenrijk graslanden en natuur- lijke weides, passend binnen een extensief landgoederenbeheer met versterking van biodiversiteit, landschappelijke samenhang en beleefbaarheid. Daarbij staan verschraling, extensivering, gefaseerd beheer en ontwikkeling en versterking van landschapselementen centraal.
Voor het beheer van de bloem- en kruidenrijke graslanden geldt als uitgangspunt dat nutriëntenaanvoer wordt beperkt en dat maaisel en ander organisch restmateriaal, behoudens waar dit functioneel onder- deel is van een landschapselement, zoveel mogelijk wordt afgevoerd. Hiermee wordt aangesloten bij het algemene beheerprincipe voor kruiden- en faunarijke graslanden en de beheerfunctie ‘verschralen’. Ontwikkeling van landbouwgrond naar bloem- en kruidenrijk grasland De omvorming van de bestaande landbouwgrond naar bloem- en kruidenrijk gras- land vindt plaats door middel van verschralingsbeheer. De kern van dit beheer be- staat uit maaien en afvoeren, gericht op het terugdringen van de voedselrijkdom en het doorbreken van de dominantie van productieve grassen. In de ontwikkelingsfa- 13 se wordt geen kunstmest of drijfmest toegepast; ook intensieve bodembewerking en herinzaai blijven in principe achterwege. De maaifrequentie wordt afgestemd op de ontwikkelingsfase van het perceel. Bij reeds verschraalde en bloemrijke delen volstaat in beginsel één maaibeurt per jaar, bij voorkeur in de nazomer. Op nog matig voedselrijke percelen, zoals de huidige maisakker, wordt tweemaal per jaar gemaaid en afgevoerd, een eerste snede in de zomer en een tweede snede in de nazomer of vroege herfst.
Hiermee wordt aange- sloten bij gangbare beheeradviezen voor de ontwikkeling van kruidenrijk grasland. Het maaisel wordt steeds binnen korte termijn afgevoerd, zodat geen herverrijking van de bodem optreedt. Waar uitvoerbaar wordt gefaseerd gemaaid en blijft een beperkt deel tijdelijk staan ten behoeve van insecten en kleine fauna. Er wordt niet te kort gemaaid, zodat rozetvormende kruiden kunnen herstellen. Tevens wordt re- kening gehouden met fauna door bij voorkeur van binnen naar buiten te maaien en werkzaamheden waar mogelijk buiten kwetsbare perioden voor broedende vogels uit te voeren. Nesten van inheemse vogels zijn beschermd; ingrijpende snoei - en maaiwerkzaamheden worden daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen ge- pland of alleen uitgevoerd na zorgvuldige veldcontrole. Beweiding door paarden Beweiding met paarden is binnen de weidegebieden toegestaan. Het noordelijk stuk agrarische gronden, dat is aangemerkt als kruidenrijk grasland, wordt dus niet begraasd. De gronden met groenbestemming worden ook als kruidenrijk gras be- heerd. Bij de beweiding geldt een maximale veebezetting van 3 GVE per hectare, waarbij voor de omrekening wordt uitgegaan van 1 paardachtige = 1 GVE. Deze norm is passend bij extensieve beweidingsvormen. De paarden worden middels een afrastering binnen het perceel gehouden.
De randen buiten de afrastering zijn minimaal 5 meter breed en worden net als het noordelijk stuk buiten de begrazing gehouden. Beheer van landschapselementen De aanwezige landschapselementen, waaronder elzenbosjes, meidoornhagen en takkenwallen, worden duurzaam in stand gehouden als dragende onderdelen van de landschappelijke structuur en als schuil-, nest- en foerageergebied voor vogels, insecten, kleine zoogdieren en amfibieën. Landschapselementen worden daarom niet als restgroen behandeld, maar als zelfstandige beheerobjecten met een eigen onderhoudsritme. Elzenbosjes worden beheerd volgens het principe van periodiek en gefaseerd hak- houtbeheer, zodat verjonging optreedt en de ecologische gelaagdheid in stand blijft. Niet het gehele bosje wordt in één keer afgezet; steeds blijft een deel staan voor dekking, beschutting en continuïteit van leefgebied. Waar wenselijk blijven en- kele overstaanders behouden. Groot onderhoud aan houtige elementen vindt bij voorkeur plaats in de periode 1 oktober tot 15 maart, met verwijdering van exoten en met bescherming tegen veeschade. 14 Meidoornhagen worden als landschappelijke erf- en perceelstructuur behouden en beheerd op een wijze die past bij hun functie.
Waar een vrij uitgroeiende haag ge- wenst is, wordt deze slechts periodiek en niet te frequent teruggezet; waar een meer gesloten of strakkere haag gewenst is, blijft het beheer beperkt tot onder- houdssnoei. Snoei van meidoorn verdient plaatsing buiten het broedseizoen en bij voorkeur in de winterperiode, mede in verband met de gevoeligheid van meidoorn voor bacterievuur en het belang van bloei en besvorming voor fauna. In bufferzo- nes voor bacterievuur gelden bovendien aanvullende plantgezondheidsregels. Takkenwallen worden in stand gehouden door vrijkomend snoei- en takhout uit het gebied hierin te verwerken. Hiermee wordt organisch materiaal nuttig hergebruikt en ontstaat een waardevol microhabitat voor onder meer egels, muizen, padden, insecten en kleine broedvogels. Aanvulling van takkenwallen vindt geleidelijk plaats; tijdens het broedseizoen worden takkenwallen zoveel mogelijk met rust ge- laten. Beheer van de bloemenakker De bloemenakker wordt beheerd als afzonderlijk ecologisch en landschappelijk element, gericht op een langdurig aanbod van nectar, pollen, zaden en dekking voor insecten en akkervogels. De bloemenakker wordt ingezaaid met een passend, bij voorkeur streekeigen mengsel, waarbij de keuze voor een éénjarig, tweejarig of meerjarig mengsel afhankelijk is van het beoogde beeld en de beheerdoelstelling.
Inzaai vindt bij voorkeur plaats in de nazomer of uiterlijk vóór 1 mei. Op de bloemenakker worden geen meststoffen of bodemverbeteringsmiddelen toegepast en evenmin chemische bestrijdingsmiddelen, behoudens zo nodig pleksgewijze mechanische bestrijding van probleemsoorten. Bij veronkruiding of sterke vergrassing kan in de vestigingsfase één of twee keer worden gemaaid op circa 10 cm hoogte. Bij meerjarige mengsels wordt het beheer bij voorkeur gefa- seerd uitgevoerd, bijvoorbeeld door jaarlijks slechts een deel in juni en het overige deel later in de zomer of vroege herfst te maaien, waarna in het najaar de volledige oppervlakte wordt gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Op deze wijze blijft gedurende het seizoen steeds een deel van de bloemenakker functioneel voor be- stuivers en andere fauna. Beheer van halfverhardingswegen van Achterhoeks Padvast De halfverhardingswegen en paden, uitgevoerd in Achterhoeks Padvast, worden beheerd met als doel het waarborgen van goede begaanbaarheid, verkeersveilig- heid en een rustige landschappelijke uitstraling. Achterhoeks Padvast is een hard, slijtvast en waterdoorlatend halfverhardingsmateriaal dat geschikt is voor recrea- tieve paden, boswegen en zandwegen en dat in beginsel slechts beperkt onder- houd behoeft.
Ondanks het onderhoudsarme karakter wordt de verharding periodiek geïnspec- teerd op spoorvorming, kuilvorming, afwateringsproblemen, bermschade, onkruid- vorming en verlies van profiel. Waar nodig wordt de verharding plaatselijk of over 15 grotere lengtes geherprofileerd, aangevuld met passend halfverhardingsmateriaal en opnieuw verdicht, zodat de weg egaal en waterdoorlatend blijft en plasvorming wordt voorkomen. Onkruid- en alggroei worden zoveel mogelijk mechanisch of an- derszins milieuvriendelijk bestreden. Het uitgangspunt is dat het pad als halfver- harding herkenbaar blijft; toepassing van gesloten verhardingslagen of beheer- maatregelen die de infiltrerende werking wezenlijk verminderen, is niet wenselijk. Evaluatie en bijsturing Voor het beheer wordt aangesloten bij de voorwaarden zoals beschreven door de VALA of de SNL. Het beheer wordt jaarlijks beoordeeld op vegetatieontwikkeling, staat van instandhouding van de landschapselementen, gebruiksdruk en onder- houdstoestand van de paden. Indien de ontwikkeling van kruidenrijk grasland ach- terblijft, sprake is van verruiging, overmatige grasdominantie, ongewenste opslag of schade door betreding of beweiding, wordt het beheer aangepast in intensiteit, timing of fasering. Water Voor alle zes de woningen wordt een regenwaterafvoersysteem toegepast van zink, met een mastgoot en een regenpijp.
Het regenwater wordt op het eigen ter- rein geïnfiltreerd afgevoerd. Op deze manier worden het regen- en afvalwater ge- scheiden. Gezondheid Op een locatie waar nu akkerland is gelegen, wordt in de beoogde situatie een landschapspark ontwikkeld. Dit park biedt ruimte voor recreatie en natuurbeleving. Bezoekers en omwonenden kunnen hier wandelen, ontspannen en een biologische wijngaard bezoeken. Bewoners en bezoekers worden hiermee gestimuleerd om buiten te zijn en te bewegen. Met het landschapspark wordt een positieve bijdrage geleverd aan zowel de fysieke als mentale gezondheid van bewoners. 3.2 Strijdigheid geldend omgevingsplan Sinds 1 januari 2024 geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Doetin- chem, dus ook ter plaatse van het projectgebied, het (tijdelijke) Omgevingsplan gemeente Doetinchem. Hierin zijn onder andere ruimtelijke regels uit instrumenten van de Wet ruimtelijke ordening (zoals het bestemmingsplan of de beheersveror- dening), regels uit lokale verordeningen over erfgoed, geur en afvoer van hemel - en grondwater, en de bruidsschat (rijksregels die naar de gemeente zijn overgegaan) opgenomen. Op basis van het omgevingsplan van rechtswege kent het projectgebied twee func- ties. Het projectgebied betreft landelijk gebied waar voorheen de beheersverorde- ning ‘Landelijk gebied - 2020, reparatie 2022’ (vastgesteld op 7 juli 2022) van toe- passing was.
Het grootste deel heeft de functie ‘Agrarisch met waarden’ en in het oosten van het projectgebied liggen gronden met de functie ‘Wonen’. Vrijwel het gehele projectgebied heeft daarnaast de aanduiding ‘Waarde – Archeologische 16 verwachting 3’. In het midden van het gebied ligt in oost-westelijke richting een strook met de aanduiding ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’. Vrijwel het gehele projectgebied heeft daarnaast nog de gebiedsaanduidingen ‘Ammoniakbuf- fergebied’, ‘overige zone – reliëf’ en ‘overige zone – nieuwe risicobronnen’. Uitsnede verbeelding beheersverordening ‘Landelijke gebied – 2020, reparatie 2022’ (Bron: Ruimtelijke plannen). Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn bestemd voor de uit- oefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Daarnaast zijn bedrijfswonin- gen, extensieve recreatievoorzieningen, water- en groenvoorzieningen en paden ook toegestaan. Tevens zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van de aanwezige dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden. Dubbelbestemming ‘Waarde - archeologische verwachting 3’ De voor 'Waarde – archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden van de gronden.
Hier geldt dat bodemwerkzaamheden van groter dan 250 m 2 en dieper dan 0,4 meter al- leen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning waarbij geldt dat de omge- vingsvergunning enkel wordt afgegeven indien een archeologisch rapport wordt overlegd en het college van B & W op basis daarvan heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van verstoring van archeologische waarden. Dubbelbestemming ‘Waarde - archeologische verwachting 2’ De voor 'Waarde – archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden van de gronden. Hier geldt dat bodemwerkzaamheden van groter dan 100 m 2 en dieper dan 0,4 meter centimeter alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning waarbij geldt dat 17 de omgevingsvergunning enkel wordt afgegeven indien een archeologisch rapport wordt overlegd en het college van B & W op basis daarvan heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van verstoring van archeologische waarden. Gebiedsaanduiding ‘Ammoniakbuffergebied’ Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - ammoniakbuffergebied' is de hervesti- ging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of een niet-grondgebonden veehouderijtak niet toegestaan.
Gebiedsaanduiding ‘overige zone – reliëf’ Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reliëf' zijn de gronden, naast de al- daar voorkomende hoofdfuncties, in het bijzonder bestemd voor de instandhou- ding en versterking van de kenmerkende hoogteverschillen in het landschap. Gebiedsaanduiding ‘overige zone – nieuwe risicobronnen’ Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – nieuwe risicobronnen' is het verbo- den om een bestaande risicobron uit de breiden of een nieuwe risicobron te vesti- gen. Bruidsschat De bruidsschat is een onderdeel van het omgevingsplan dat regels bevat over on- derwerpen waarover in het verleden door het Rijk regels werden opgesteld. Dit zijn dus gedecentraliseerde regels. De regels gaan over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.22), milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3), het aanleg- gen of wijzigen van (spoor)wegen zonder geluidproductieplafonds (afdeling 22.4) en gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5). Geen van de regels uit de bruidsschat is relevant voor onderhavig project. Strijdigheid met het juridisch-planologisch kader De nieuwe woningen, die onderdeel zullen uitmaken van het landschapspark, zullen in de beoogde situatie voornamelijk binnen de bestemming ‘agrarisch met waar- den’ liggen. Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan.
3.3 Medewerking opheffen strijdigheid Er is gekozen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken door middel van een wijziging van het omgevingsplan. In de bestaande situatie heeft het over- grote deel van het projectgebied een agrarische functie, met daarnaast kleinere de- len die als bos of wonen zijn vastgelegd. In de beoogde situatie zullen deze func- ties grotendeels veranderen. Het wijzigen van het omgevingsplan is in dit geval de meest realistische ruimtelijke procedure. 3.4 Conclusie In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toede- ling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van 18 functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Om- gevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomge- ving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; − het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering is de realisatie van een landschapspark inclusief zes woningen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefom- geving.
Voorliggend project is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en voorziet in de lokale woningbehoefte. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Het voorliggend project voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De nieuwe functies zullen de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vor- men de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toede- ling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een behoefte. 19 4 Voorbereiding en participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet al- leen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.
4.1 Verkenningsfase Indien relevant hier ingaan op de fase voorafgaand aan het wijzigingsbesluit, waar de initiatiefnemer en gemeente gezamenlijk hebben toegewerkt naar bijvoorbeeld een principebesluit. Dit is bij voorliggende ontwikkeling niet van toepassing. 4.2 Participatie omgeving De omwonenden van het projectgebied zijn per brief op de hoogte gesteld van een participatiebijeenkomst. Op 30 juni 2025 is deze participatiebijeenkomst gehouden waarbij circa 35 mensen aanwezig waren, waarvan 22 omwonenden. Hiervoor is een verslag2 gemaakt. Op de avond is het plan gepresenteerd en is ingegaan op de erfindeling en het te verwachten toekomstbeeld. Participanten uitten zorgen en wensen met betrekking tot de toenemende parkeerdruk als gevolg van recreatie- toename, mogelijke overlast door jongeren die het park als hangplek kunnen ge- bruiken, en stelden vragen over de mogelijkheid om zonnepanelen op de woningen te plaatsen, over de soorten bomen en over de inrichting van de wijngaard. De vra- gen zijn beantwoord door de heer Pieter Witte, rentmeester van Stichting Beelaerts van Blokland Hagen. Ook zijn de vragen nogmaals beantwoord in het participatie- verslag. De vragen hebben niet geleid tot aanpassing van het plan. Het participatie- traject heeft niet direct tot inhoudelijke aanpassingen aan het stedenbouwkundig plan geleid. Wel zijn een aantal punten meegenomen in het plan.
Met het open landschappelijke karakter, waar voldoende sociale controle is door de ligging nabij diverse woonwijken, worden vanuit de initiatiefnemer geen problemen verwacht met betrekking tot overlast door jongeren. Mocht er toch sprake van overlast zijn, dan kan met de bewoners nader overlegd worden over eventuele maatregelen. Zonnepanelen zullen hoogstwaarschijnlijk wel worden toegestaan. 2 Stichting Beelaerts van Blokland Hagen (2025) Verslag participatiebijeenkomst Landschapspark Hagen, 30 juni 2025. 20 5 Beleid en regelgeving 5.1 Rijksbeleid en Rijksregels 5.1.1 Beleid: Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, water- schappen, maatschappelijke partijen en burgers. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven.
Denk aan: − periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval; − de zeespiegelstijging; − de overgang naar duurzame energie; − de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen; − de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen; − de groei en het bereikbaar houden van steden; − plekken voor distributiecentra; − het versterken van de natuur en biodiversiteit; − het behoud van het landschap; − de vitaliteit van de landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken wor- den. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale be- langen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentra- le keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leef- omgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Toetsing Met voorliggend project wordt een landschapspark inclusief zes woningen gereali- seerd.
Het initiatief voorziet in de aanleg van nieuw groen waaronder verschillende soorten planten en bomen, buiten de bebouwde kom. Dit draagt bij aan het verster- ken van de biodiversiteit in het buitengebied van Doetinchem. 21 In het ontwerp van zowel de woningen als het park zijn landschappelijke elementen opgenomen die kenmerkend zijn voor het buitengebied van Doetinchem. Op deze manier wordt het landschap zo veel mogelijk behouden en gewaarborgd . Het projectgebied zal zowel een woonfunctie krijgen als ruimte bieden voor groen en natuur. Deze combinatie van functies draagt bij aan het efficiënter gebruik van ruimte. Bovendien wordt een gebied dat nu niet wordt gebruikt toegankelijk voor bewoners uit de omgeving. Hierdoor wordt ook de belevingswaarde van het gebied vergroot. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het project derhalve aansluit bij de NOVI. 5.1.2 Beleid: Nationale Woon- en Bouwagenda In de Nationale Woon- en Bouwagenda (vastgesteld 11 maart 2022) worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon - en Bouwagen- da is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland.
De beschikbaarheid van een passende woning staat voor veel mensen onder druk: mensen zijn onvoldoende in staat om snel een wo- ning te vinden die bij hen past. Dit hangt sterk samen met de betaalbaarheid van wonen: veel mensen hebben moeite met hun woonlasten of kunnen geen voor hen betaalbare woning vinden. Daarnaast is de kwaliteit in toenemende mate een pro- bleem: veel woningen passen niet bij de levensfase of woonbehoefte, zijn niet duurzaam of staan in een wijk waar sprake is van slecht onderhoud of waar de kwaliteit van de leefomgeving onder druk staat. Het doel is om te groeien naar het realiseren van 100.000 woningen per jaar. Het lange termijn doel is om 900.000 woningen tot en met 2030 te realiseren. Van de nieuwe huur- en koopwoningen is het streven twee derde betaalbare woningen, waarvan de helft door corporaties wordt gebouwd. Om de al in gang gezette wo- ningbouwprojecten geen vertraging te laten oplopen door nieuwe betaalbaarheids- vereisten, zal dit streven gelden voor nieuwe projecten. De minister heeft in regio- nale woondeals met provincies en gemeenten de afspraken verder vastgelegd. Toetsing Als onderdeel van het project worden zes woningen gerealiseerd. Hiermee levert de ontwikkeling een bescheiden bijdrage aan de kwantitatieve woningbehoefte in Nederland en aan de uitbreiding van de totale woningvoorraad.
Het project is daarmee in overeenstemming met de Nationale Woon- en Bouwagenda. 5.1.3 Regels: Instructieregels Rijk (AMvB’s) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): 1 het Omgevingsbesluit (Ob); 2 het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3 het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4 het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. 22 Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels: − Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); − Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); − Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwa- liteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); − Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl); − Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidin- gen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl); − Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wan- delroutes, (§ 5.1.7 Bkl); − Het gebruik van bouwwerken, waaronder aanwijzing van woningbouwcategorie- en (§ 5.1.7a Bkl) − Het
bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor per- sonen (§ 5.1.8 Bkl). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorko- men van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Toetsing Raadpleging van het Omgevingsloket toont aan dat er in het projectgebied op basis van het Bkl twee gebiedsaanwijzingen van toepassing zijn: − Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren; − Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra. Met voorliggend project worden geen windturbines of datacentra gebouwd. De be- schreven regels zijn daarmee niet relevant voor het project. Het voornemen is daarmee niet in strijd met het gestelde in het Bkl. 5.1.4 Conclusie rijksbeleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk. 5.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 5.2.1 Beleid: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Sta- ten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019.
De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. 23 De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om rich- ting te geven: 1 Energietransitie; 2 Klimaatadaptatie; 3 Circulaire economie; 4 Biodiversiteit; 5 Bereikbaarheid; 6 Vestigingsklimaat; 7 Woon- en leefklimaat. Themakaarten Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen: − ruimtelijk beleid; − waterbeleid; − milieubeleid; − natuur- en landschapsbeleid. Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd. Op de the- makaart milieubeleid staan geen aspecten die betrekking hebben op de gemeente Doetinchem. Uitvoering beleid In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vast- gesteld: − Regionaal waterprogramma; − Handreiking plussenbeleid; − Beleidslijn windenergie. Toetsing Met voorliggend project worden zes woningen gerealiseerd en wordt een land- schapspark ontwikkeld. Het toevoegen van hoogwaardige nieuwbouwwoningen ge- legen in een park met veel groen en ruimte sluit aan bij de provinciale ambitie om een kwalitatief hoog woon- en leefklimaat te realiseren.
Daarnaast zorgt de land- schapsontwikkeling er voor dat ruimte ontstaat voor natuurwaarden en dat het ge- bied aantrekkelijker wordt voor meer verschillende diersoorten. Dit sluit aan bij de ambitie om de biodiversiteit te versterken en te beschermen. Voorliggende ontwik- keling is in lijn met de ambities van de provincie Gelderland. 5.2.2 Regels: Omgevingsverordening provincie Gelderland De laatste versie van de Omgevingsverordening is op 25 april 2025 in werking ge- treden. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomge- ving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van 24 de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd. Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels: − Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening); − Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening); − Landschap (afd.
5.3 Omgevingsverordening); − Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening); − Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening); − Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening); − Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening). Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelder- land heeft uitgewezen dat er in het projectgebied vier relevante gebiedsaanwijzin- gen zijn. − Het projectgebied ligt in een ammoniakbuffergebied. De nieuwvestiging of her- vestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is hier niet toege- staan. Uitbreiding is alleen toegestaan als dit niet leidt tot een toename in de emissie van ammoniak. Met voorliggend initiatief wordt geen veehouderijbedrijf mogelijk gemaakt. Deze regeling is daarom verder niet van toepassing. − Het projectgebied ligt in de Gelderse Streek Achterhoek. Dit is een streek met specifieke kenmerken waarmee bij ontwikkelingen in het buitengebied rekening moet worden gehouden. Conform de Streekgids Achterhoek is onderhavig plangebied gelegen in deelgebied Rivierduinen Oude IJssel (zie navolgende af- beelding). 25 Indeling deelgebieden (Bron: Streekgids Achterhoek).
De benoemde kernkwaliteiten voor deze streek zijn als volgt: Landschappelijk karakteristiek: − Reeks van reliëfrijke rivierduinen ten noorden van de Oude IJssel; − Kleinschalig essen- en kampenlandschap op de rivierduinen; − Broekontginningen langs de Aa-strang; − Industrieel erfgoed langs de Oude IJssel; − Reeks van landgoederen. Openheid, beslotenheid & ruimtebeleving: − Het open landschap langs de Aa-strang; − Sterk contrast tussen de open uiterwaarden van de Oude IJssel en de beboste en bebouwde rivierduinen; − Zichten vanaf de hoger gelegen rivierduinen op de open uiterwaarden; − Bakens in het landschap. Ordenende structuren: − De Oude IJssel en Aa-strang; − Reeks van rivierduinen aan de noordzijde van de rivier; − De reeks van dorpen met tussenliggende groene wiggen. Stad-landrelaties: − Dynamisch gebied; − Dorpen langs de rivier; 26 − Rivierduinen als uitloopgebied. Navolgende afbeelding toont de kernkwaliteiten van de landschappelijke karakte- ristiek. Kernkwaliteiten landschappelijke karakteristiek (Bron: Streekgids Achterhoek). Een groot deel van het park krijgt een open karakter en op verschillende plekken worden de bosranden versterkt. Daarnaast zullen coulissen worden aangelegd. Doordat het maaiveld (deels) wordt opgehoogd, en de woningen deels verscholen zullen liggen achter de verhoging, zal het beeld vanuit de bestaande kern minimaal worden verstoord.
Ook wordt meer ruimte gecreëerd voor planten en wordt het aantrekkelijk gemaakt voor meer verschillend diersoorten. − In het projectgebied is de uitbreiding van glastuinbouwgebieden toegestaan onder bepaalde voorwaarden. Met de voorliggende ontwikkeling wordt geen glastuinbouw gerealiseerd. Deze regeling is daarom niet relevant voor dit pro- ject. − Het projectgebied ligt in het werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelder- land. De faunabeheereenheid stelt een faunabeheerplan op waarin wordt vast- gesteld hoe de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt be- perkt en hoe schadeveroorzakende dieren bestreden kunnen worden. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet in strijdt. Er geldt in het projectgebied één omgevingswaarde: − Wateroverlast in het beheergebied van Waterschap Rijn en IJssel. Binnen het gebied met deze omgevingswaarde geldt dat voor gebieden buiten de bebouw- 27 de kom een overstromingskans van 1 maal per 10 jaar als acceptabel wordt be- schouwd. Het project raakt niet aan de belangen die door de gebiedsaanwijzingen of omge- vingswaarde beschermd worden. Klimaatadaptatie Onder de Omgevingsverordening is de instructieregel klimaatadaptatie van toe- passing. Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving.
Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivie- ren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en vei- ligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aan- leg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities: − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. − In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het verande- rend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. Aanpak: − De provincie zorgt voor een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur en bodem- systeem. Dit systeem bestaat uit een klimaatbestendige en schone bodem en ondergrond en uit schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en drinkwater. − Samen met partners brengt de provincie toekomstige risico’s en kansen van het veranderend klimaat voor Gelderland in kaart. De provincie draagt bij aan het opstellen van Regionale Adaptatie Strategieën en helpen bij de uitvoering daar- van.
− Gelderland werkt zelf klimaatbestendig en weegt dit aspect bij al hun beslissin- gen mee. En: geven dit als voorwaarde mee aan onze partners. In de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende opgenomen ten aanzien van klimaatadaptatie: Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maat- regelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverande- ring te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 1 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: − waterveiligheid; − wateroverlast; 28 − droogte; en − hitte. 2 De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks be- stuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikke ling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan instructieregels. Deze instruc- tieregels worden verder uitgewerkt en toegelicht in paragraaf 6.9.4. 5.2.3 Conclusie provinciaal beleid en provinciale regels Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen, beleid en regels van de provincie Gelderland. 5.3 Regionaal beleid 5.3.1 Achterhoekvisie 2030 Voor de regio de Achterhoek is in september 2022 de Achterhoekvisie 2030 vast- gesteld.
Als basis voor het ruimtelijk beleid zijn er zes ambities voor 2030 voor de regio voor benoemd. Dat zijn: − Brede gekwalificeerde regio: In 2030 zijn vraag en aanbod op de arbeidsmarkt meer in evenwicht. − Slimme productieve regio: In 2030 is de arbeidsproductiviteit in de maakindu- strie en de agrosector verhoogd − Goed bereikbare regio: In 2030 is er duurzaam, betrouwbaar en toegankelijk vervoer voor iedereen. − Duurzaam schone regio: regio In 2030 wordt overgeschakeld naar hernieuwbare energie, worden minder primaire grondstoffen gebruikt, zijn emissies vermin- derd en is de biodiversiteit toegenomen. − Aantrekkelijke woonregio: In 2030 is de woningmarkt in kwalitatief en kwantita- tief opzicht toekomstbestendig en in evenwicht. − Leven lang gezonde regio: Achterhoekers zijn in 2030 samen langer gelukkig en gezond. Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van zes woningen in het buitengebied van Doetinchem. De woningen worden zorgvuldig landschappelijk ingepast, onder andere door de woningen te realiseren conform het Achterhoekse erf -principe en het maaiveld deels op te hogen zodat de volumes van de woningen vanaf de straat gezien kleiner ogen. Daarmee worden de beschreven kwaliteiten van de Achter- hoek zoals het landschap en het dorpenlandschap niet aangetast.
Ook de andere beschreven regionale speerpunten binnen de visie komen niet in gevaar door deze ontwikkeling. 29 5.3.2 Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 Op 2 maart 2023 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Regionale woon- agenda Achterhoek 2023-2030 vastgesteld als opvolger van de Regionale Woonvi- sie 2015-2025. In de nieuwe Regionale woonagenda staan drie ambities centraal: 1 Een passende woning voor iedereen 2 Goed wonen voor een gezonde en duurzame Achterhoekse Economie 3 Wonen als basis voor de leefbaarheid. Deze drie ambities zijn vervolgens uitgewerkt aan de hand van vier programmalij- nen: − Vergroten woningvoorraad en versnelling productie; − Investeren in kwaliteit bestaande woningvoorraad; − De Achterhoek, een plek voor iedereen; − Wonen als integrale gebiedsopgave. De zeven gemeenten uit de regio zijn na vaststelling van de Regionale woonagenda begonnen om deze lokaal uit te werken. Doetinchem heeft daartoe een nieuwe gemeentelijke Woonvisie vastgesteld (zie paragraaf 5.5.2). De opgaven uit de Re- gionale woonagenda die betrekking hebben op de kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad zijn hierin verwerkt. Toetsing Doordat de Achterhoekse woningmarkt onder druk staat, ambieert de regio om in de periode 2023-2030 8.390 tot 11.500 extra woningen te realiseren. Dat betekent dat de huidige jaarlijkse woningproductie verdubbelt moet worden.
Dit is overigens ook ondervangen in de Regionale Woondeal. Voorliggende ontwikkeling draagt met de realisatie van zes nieuwe woningen op een bescheiden manier bij aan deze am- bitie. Daarnaast is de locatie gelegen op fietsafstand van het treinstation van Doe- tinchem en is er een bushalte gelegen naast het park. Daardoor is het gebied goed bereikbaar, wat van positieve invloed is op de woonkwaliteit. Gelet op het voor- gaande, sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de ambities uit de regionale woon- agenda. 5.3.3 Conclusie regionaal beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen en het beleid van de regio Achterhoek. 5.4 Beleid waterschap 5.4.1 Waterschapsverordening De eerste versie van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel is van rechtswege ontstaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoe- ringswet Omgevingswet): − De regels die zijn opgenomen in de Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009, met uitzondering van hoofdstuk 2 (over de onderhoudsplichten); 30 − De regels die zijn opgenomen in de Aansluitverordening Rijn en IJssel; − De regels die zijn opgenomen in de Algemene regels, nadere regels en verplich- tingen i.v.m.
Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009; − Artikel 8 Verkeersbesluit Oude IJssel; − De zones rond waterstaatswerken, die zijn opgenomen in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet; − De zogeheten ‘bruidsschat’: voormalige rijksregels (met name over lozingsacti- viteiten), die onder de Omgevingswet niet op rijksniveau terugkeren. De eerste wijziging van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel heeft tot doel om de Waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan te integreren tot een goed geordende versie, die conform de toepasselijke standaarden is vormgegeven en van de benodigde annotaties en digitale werkingsgebieden is voorzien. Toetsing De Legger van het Waterschap Rijn en IJssel is geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het projectgebied niet in of rondom een (beschermd) object is gelegen. 5.4.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: − Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersys- teem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden vol- doende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. − Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.
De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor water- veiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verho- ging van de biodiversiteit van de dijken. − Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdra- gen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneu- traal uitvoert. − Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefom- geving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen ri- sico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem 31 te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en na- tuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Toetsing In de beoogde situatie zal het verhard oppervlak zo veel mogelijk geminimaliseerd worden, door een zeer groene inrichting van het gebied. De voorliggende ontwikke- ling zal hiermee slechts een beperkt effect hebben op de waterveiligheid van het gebied.
Hetzelfde geldt voor de ambities aangaande circulaire economie, klimaat- adaptatie en een gezonde leefomgeving. 5.4.3 Overig relevant beleid waterschap Weging van het waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1 Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2 Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het water- schap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspec- ten uit.