B07.00 Onderbouwing Landschapspark landgoed Hagen, Doetinchem (Versie V)
Tekst van het document
Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een grote diversiteit aan nieuwe planten en bomensoorten toegevoegd. Dit zullen inheemse planten zijn. De variëteit in be- planting zal toenemen, waardoor het gebied ook aantrekkelijker wordt voor meer verschillende diersoorten. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan het versterken van de biodiversiteit. 6.9.5 Conclusie Het aspect duurzaamheid is in voldoende mate meegenomen in voorliggend pro- ject. 6.10 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefom- geving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrap- portage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob).
59 Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: − Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.- beoordelingsplichtig besluit of; − Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieu- effecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffec- ten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lo- kaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toe- passing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.- (beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.10.2 Onderzoek In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt onder J11 het project ‘ Stedelijk ont- wikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ in combinatie met ‘aanleg, wijziging of uitbreiding’ genoemd. Met onderhavig initiatief wordt voorzien in de mogelijkheid om zes woningen in het ge- bied te realiseren.
Om te beoordelen of naar aanleiding van voorliggende ontwikke- ling nadelige effecten op het milieu te verwachten zijn, is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Omdat het een relatief kleine ontwikkeling betreft, zijn de verwachte negatieve effecten op het milieu klein. De m.e.r.-beoordeling is daarom bondig op- genomen in navolgende tabel. Aspect Beoordeling milieueffecten Natuur (gebiedsbescherming) Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op circa 10,1 kilometer afstand van het projectgebied. Hierdoor dient een berekening met het AERIUS mo- del te worden uitgevoerd. Deze berekening is uitgevoerd en hieruit volgt dat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten (zie paragraaf 6.7). Natuur (soortenbescherming) Er is een quick scan natuur uitgevoerd. Uit deze quick scan volgt dan nader onderzoek naar soorten niet nodig is (zie paragraaf 6.7). Wel dienen enkele voorzorgsmaatregelen getroffen te worden bij de ont- wikkeling in het projectgebied. Verkeer De beoogde ontwikkeling zorgt slechts voor een beperkte toename van de verkeersgeneratie (zie paragraaf 6.5). De omliggende infrastructuur heeft voldoende capaciteit om het extra verkeer op te vangen. Wat be- treft verkeer worden derhalve geen negatieve milieueffecten verwacht.
Geluid Beoordeeld moet worden of door een toename van verkeer of van de op het terrein nieuw ontplooide activiteiten sprake is van toename van de geluidbelasting naar de omgeving, en mogelijk daarmee een nadelig 60 milieueffect. De nieuwe functies zijn geen geluidshinder veroorzaken- de functies en de toename in het aantal verkeersbewegingen is be- perkt. Er worden voor wat betreft geluid derhalve geen negatieve mili- eueffecten verwacht. Luchtkwaliteit Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties is geen sprake van een kans op wezenlijke verslechtering (zie paragraaf 6.2). Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële ef- fecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstel- len van een milieueffectrapport is niet nodig 6.10.3 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaar- heid van voorliggend initiatief. 6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ge- bruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevings- plan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende sub- stantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voor- ziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoor- ziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m 2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 61 6.11.2 Onderzoek Vanuit jurisprudentie is bekend dat woningbouwontwikkelingen met minder dan elf woningen niet worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder- havig project betreft de realisatie van zes woningen. Een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk. 6.11.3 Conclusie De toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlo- pen. Het aspect Ladder voor duurzame verstedelijk vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
6.12 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: − Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; − Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activi- teiten; − Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactivi- teit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactivi- teiten).
Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba -begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kun- nen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Mili- eubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. 62 6.12.2 Onderzoek Zoals eerder reeds aangegeven, is in het kader van voorliggende ontwikkeling een quick scan milieubelastende activiteiten uitgevoerd. Navolgend worden de bevin- dingen uit deze quick scan uiteengezet. Hinder ten gevolge van de ontwikkeling op de omgeving ‘Wonen’ betreft geen hinderveroorzakende functie. Ook de nieuwe functie ‘Natuur’ betreft geen hinderveroorzakende functie.
Hinder ten gevolge van de omgeving op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroor- zakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als mili- euhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het omgevingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feite- lijk gezien zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende percelen met hinderveroorzakende functies globaal weer. De omliggende functies voor wonen, natuur en water zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Deze betreffen immers geen hinderveroorzakende functie. Ligging functies omgeving op basis van het omgevingsplan (bron: atlas leefomgeving, bewer- king: SAB). 1. agrarisch 2. gemengd 3. maatschappelijk 4. bedrijventerrein 5. kantoor 6. bedrijf - nutsvoorziening Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor het merendeel van de omliggende percelen bij toetsing aan de maximale planologische situatie. Echter is de situatie voor de omliggende agrarische gronden en de percelen bedrijf- nutsvoorziening ten zuidwesten nader beschouwd. Bij de beschouwing van de feitelijke situatie blijkt dat er wordt voldaan aan de richtafstanden.
1a 2 4a 3a 3c 5 1c 1b 6 4b 3b 3d 63 Er bestaat voldoende afstand tussen de nieuwe hindergevoelige gebouwen en de hinderveroorzakende activiteiten in de omgeving en binnen het plan, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen na- der onderzoek benodigd. Gewasbeschermingsmiddelen Met betrekking tot nieuwe woningen in het buitengebied geldt dat deze woningen niet gelegen mogen zijn in spuitzones van gewaspercelen. Op dit moment bestaat er nog geen wetgeving die spuitzones regelt. Om deze reden is vanuit de recht- spraak de norm van 50 meter afstand ontstaan. “In het algemeen wordt een af- stand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht.” Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (zie bijvoorbeeld ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2044, rechts- overweging 19.4 en ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:807, rechtsoverwe- ging 6.1). Als er in het omgevingsplan niets staat over spuitzones, betekent dit niet dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden.
Wanneer in het omge- vingsplan grondgebonden agrarische bedrijvigheid of agrarisch grondgebruik is toegestaan, is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten, zie bijvoorbeeld de uitspraak van ABRvS van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:650. Als er op minder dan 50 meter van het perceel waarop gewasbeschermingsmidde- len gebruikt mogen worden een woning aanwezig is, dan kan de afstand van 50 meter voor gewasbeschermingsmiddelen niet worden beperkt. Om de gezondheid van de toekomstige bewoners te garanderen is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen het landschapspark niet toegestaan. Dit wordt middels een voorwaarde in de pachtovereenkomsten uitgesloten. Aan de noordzijde van het projectgebied ligt een agrarisch perceel. Op dit perceel is sprake van een bestaande, dichte bomenrij en verwilderde agrarische grond zonder actue- le gewasteelt. Uit luchtfoto’s blijkt dat dit al vele jaren het landgebruik is. Gezien de aanwezigheid van de bomen en de juridische bescherming daarvan, is een toe- komstige omschakeling naar intensieve teelt met spuitmiddelen op deze gronden niet realistisch. Daarmee vormt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering voor voorliggend project. 6.12.3 Conclusie Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoer- baarheid van voorliggend initiatief.
6.13 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle rele- vante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te be- 64 trekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit reke- ning wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: − Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); − Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (po- sitieve gezondheid). 6.13.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en ge- zonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, tril- lingen, luchtkwaliteit en bodem.
Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming voor verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning/wijziging van het omgevings- plan is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van de- ze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project geves- tigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Betrek bij de motivering de maatschappe- lijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet en licht toe hoe dit aspect zich verhoudt tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beargumenteer vanuit dat oogpunt dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert. 6.13.2 Onderzoek Op een locatie waar nu akkerland is gelegen, wordt in de beoogde situatie een landschapspark ontwikkeld. Dit park biedt ruimte voor recreatie en natuurbeleving.
Bezoekers en omwonenden kunnen hier wandelen, ontspannen, een biologische wijngaard bezoeken, gewassen verbouwen en vruchten plukken in het plukbos. Bewoners en andere bezoekers worden hierdoor gestimuleerd om buiten te zijn en te bewegen. Met het landschapspark wordt een positieve bijdrage geleverd aan zowel de fysieke als mentale gezondheid van bewoners. 65 6.13.3 Conclusie Er wordt voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid bij voorliggend initiatief. 6.14 Bezonning 6.14.1 (Wettelijk) kader In Nederland bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zon- uren per dag in een woning. De wetgever heeft er voor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onder- werp beleidsruimte hebben. Dit neemt echter niet weg dat in het kader van een omgevingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (evenwichtige toedeling van functies aan een locatie (ETFAL) . 6.14.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd. In deze studie is onderzocht welke gevolgen de toekomstige woningen op Erf II hebben voor de bezonning van de bestaande woning aan de Prins Alexanderstraat 80.
In de navolgende afbeeldingen wordt de bezonningssituatie in de huidige en toekomstige situatie met elkaar vergeleken. Bezonning 21 maart 9.00 uur & 21 september 9.00 uur in de bestaande situatie (boven) en nieuwe situatie (onder)
66 21 maart 17.00 uur & 21 september 17.00 uur in de bestaande situatie (boven) en nieuwe situatie (onder) 21 juni 09:00 uur in de bestaande situatie (boven) en nieuwe situatie (onder) 67 Bezonning 21 juni 17.00 in de bestaande situatie (boven) en nieuwe situatie (onder) Uit de bezonningsstudie blijkt dat de hoge eiken en beuken in de huidige situatie de grootste belemmering vormen voor de bezonning/daglicht toetreding op het erf. De nieuwe erven en de nieuwe beplanting zorgen niet voor een aanvullende significan- te vermindering van zonlicht op het perceel. 6.14.3 Conclusie Er wordt voldoende rekening gehouden met het aspect bezonning bij voorliggend initiatief. 68 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1 Financieel economische haalbaarheid In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal de omgevingsplanwijziging een onuit- voerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevat- ten die op voorhand onuitvoerbaar zijn.
Volgens de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeen- te belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij de omgevingsplanwijziging passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal.10 Bij een wijziging van het omgevingsplan zal eerst moeten worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die rede- lijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. De bouwkavels worden verkocht aan particuliere kopers onder de verplichting te bouwen conform het beeldkwaliteitsplan. De overige gronden blijven in eigendom van de stichting en worden gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 als een opengesteld landgoed. Hiermee wordt de duurzame instandhouding juridisch ver- ankerd, inclusief de verplichting tot de instandhouding van natuur. Dit waarborgt een beheerniveau dat voldoet aan de instandhoudingsvereisten van het NSW - regime en creëert een stabiele beheerstructuur voor de lange termijn.
Daarnaast is het voornemen de gemeentelijke strook landbouwgrond en bos langs de Tweede Loolaan, circa 7.180 m², op te nemen in het NSW-landgoed. De grond wordt niet verkocht, maar in gebruik gegeven. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van be- schikbare subsidies voor de instandhouding van natuur en landschap, denk hierbij aan de SNL en de ANLb subsidies. De NSW-rangschikking in combinatie met de subsidiemogelijkheden borgt de continuïteit van het landschapspark binnen het gehele projectgebied. 7.1.2 Kostenverhaal De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een projectont- wikkelaar. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure overeen- komst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. 10 Zie TK 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 153. 69 De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hier- mee voldoende aangetoond. 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Participatie Het overleg met de ketenpartners en het participatieproces met omwonenden en belanghebbenden is al besproken in het hoofdstuk ‘voorbereiding en participatie’. Onder deze paragraaf wordt het formele participatietraject dat hierop volgt behan- deld.
De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Lande- lijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publi- catieplatform. De regels van het ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeen- te Doetinchem komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO - LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze ter- mijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een sepa- rate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. 7.2.2 Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen kunnen indienen. In een bijlage bij dit omgevingsplan zijn de binnengekomen zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien. 70