04_03_00_Onderbouwing Terborgseweg naast 119 Doetinchem.pdf
Tekst van het document
31
aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren:
Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen.
Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair
moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden.
Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn:
1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten;
3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.
32
De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge
dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Toetsing
In de Woonvisie is beschreven dat er in Doetinchem een behoefte is aan diverse woningen in verschillende segmenten. Met het voorgenomen initiatief worden
woningen voor meerdere doelgroepen gerealiseerd, bijvoorbeeld voor starters en het middensegment. Er worden woningen in de volgende categorieën gerealiseerd: -
18 stuks goedkope koopwoningen met een prijsstelling van EUR 140.000,- tot EUR 185.000,-. Dit is dus ca. 33% van het totale aantal op deze locatie te
ontwikkelen woningen. -
31 stuks goedkope middensegment koopwoningen met een prijsstelling van
EUR 225.000,- tot EUR 355.000,-. Dit is dus ca. 57% van het totale aantal op
deze locatie te ontwikkelen woningen. -
3 stuks dure koopwoningen met een prijsstelling van EUR 460.000,- tot EUR
650.000,. Dit is dus ca. 6% van het totale aantal op deze locatie te ontwikkelen woningen. -
2 stuks 2-onder-1-kap-koopwoningen met een prijsstelling van EUR
500.000,- tot EUR 550.000,-. Dit is dus ca. 4% van het totale aantal op deze
locatie te ontwikkelen woningen.
Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan punt 1 en 3 uit de Woonvisie. Met het
initiatief wordt tevens voldaan aan punt 2. De woningen worden niet op het gasnet aangesloten en zullen gebouwd worden volgens de huidige duurzaamheidseisen.
Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen de bebouwde kom op een braakliggend stuk grond in het woonmilieu stedelijk wonen. De locatie is overwoekerd met
beplanting en rommelig. Door de ontwikkeling vindt er een kwaliteitsverbetering plaats waardoor als gevolg van het initiatief ook de kwaliteit van de omgeving wordt
verbeterd. Het initiatief is passend in het woonmilieu stedelijk wonen, aangezien er met het voornemen een divers aanbod aan woningen wordt gerealiseerd voor
verschillende doelgroepen, zoals jongeren en starters op de woningmarkt. De tweeonder-een-kapwoningen zijn geschikt voor gezinnen. Er wordt rekening gehouden
met bodem en water door een klimaatbestendig ingerichte openbare ruimte.
Tevens worden de nieuwe woningen op korte afstand van het treinstation gerealiseerd en nabij de voorzieningen van het centrum van Doetinchem.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij het stroomschema zoals
genoemd in punt 3. Hierbij is sociale huur uitgeruild met de goedkope koop en ruim de helft van de woningen is betaalbaar.
33
5.5.3
Doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023
Het besluit ruimtelijke ordening (Bro) bood gemeenten de mogelijkheid om een
doelgroepenverordening op te stellen. Met die doelgroepenverordening konden
gemeenten in bestemmingsplannen eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen (categorieën sociale huur,
middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap), en voor de
bijbehorende doelgroep voor een bepaalde periode in stand wordt gehouden. De
Doelgroepenverordening vormde daarmee de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijke woonbeleid in bestemmingsplannen. Op 30 november 2023 heeft de
gemeenteraad, in navolging van de vaststelling van de woonvisie, van de gemeente Doetinchem de doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023
vastgesteld. Daarmee is ook de beleidsmatige en bestuurlijke keuze gemaakt om de
realisatie van bepaalde percentages sociale huur, middeldure huur, sociale koop en/of
particulier opdrachtgeverschap juridisch te verankeren.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 5.161c, de mogelijkheid om
woningbouwcategorieën aan te wijzen via regels in het omgevingsplan. Op een vergelijkbare wijze als kon op grond van het Besluit ruimtelijke ordening. De
vastgestelde Doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023 en de woonvisie vormt daarvoor, ook sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de
beleidsmatige onderbouwing. Toetsing
In de regels van het omgevingsplan wordt opgenomen welk percentage van de nieuw
te realiseren woningen moeten worden gerealiseerd als sociale koopwoningen in de zin
de van de doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023. En voor welke doelgroep en voor welk termijn die woningen in stand gehouden moeten
worden. Daarmee wordt invulling gegeven aan de doelgroepenverordening (op basis van de mogelijkheid uit artikel 5.161c van het Bkl) 5.5.4
Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem
Het klimaat verandert. 1 Daardoor krijgen we vaker te maken met hitte, droogte en hevige neerslag. Ook wordt de kans op overstromingen groter. Neerslagpatronen
veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast.
1 https://www.doetinchem.nl/duurzaam-bouwen
34
De gemeenteraad heeft op 7 juli 2022 de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Hierin presenteert de gemeente Doetinchem de strategie waarmee
Doetinchem klimaatbestendig wordt gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van vijf pijlers. Voor dit initiatief is voornamelijk pijler 4 van belang. •
Ontwikkelingen klimaatbestendig We bouwen met het oog op de toekomst. Als we nu iets ontwikkelen, houden
we rekening met het klimaat van de toekomst. De ambitie is om nieuwbouw en herinrichtingen alleen nog maar klimaatbestendig te realiseren.
De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet aan de hand van verschillende
onderwerpen, zoals biodiversiteit, droogte, hitte en water. 2 Hierbij kan gedacht worden aan het vergroten van infiltratie en het minimaliseren van verharding, een biodiverse inrichting van het plangebied of voldoende schaduw.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet dus rekening worden gehouden met het veranderende klimaat. Bij het voorliggend initiatief is hiermee rekening gehouden. In paragraaf 6.10.4 worden de waterhuishoudkundige aspecten met betrekking tot de
voorgenomen ontwikkeling beschreven. Tevens wordt daar beschreven hoe om wordt gegaan met hittestress. Het plangebied wordt groen ingericht. Bijzondere bomen
worden behouden. Er worden binnen het plangebied struiken en bomen aangeplant. 5.5.5
Doetinchem Natuurlijk Duurzaam
Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen.
Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en
duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven.
Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil,
samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet
2 https://klimaatadaptatienederland.nl/hulpmiddelen/overzicht/maatlat-groene-
klimaatadaptieve-gebouwde-omgeving/
35
de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De
gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren.
Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de
bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en
ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief.
De nieuw te bouwen woningen zullen gebouwd worden conform de huidige
duurzaamheidseisen en dragen daarmee bij aan de energietransitie. Daarnaast heeft
initiatiefnemer een derde partij ingeschakeld, Bouwnext. Deze partij zal voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling een visie en een nadere uitwerking op
energie en duurzaamheid ontwikkelen, waarbij rekening wordt gehouden met het
koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam. Deze is gereed bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam. 5.5.6
Waterplan Doetinchem
Het Waterplan Doetinchem, december 2003, bestaat uit een Watervisie en een
Waterprofiel. In de Watervisie wordt een beeld gegeven van het watersysteem van nu en in de toekomst. Het Waterprofiel is de routekaart van visie naar uitvoering. Het moderne waterbeheer moet aan de navolgende basisprincipes voldoen: • •
toepassen drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren van water;
water van schoon naar minder schoon water laten stromen (geen afwenteling in watersysteem);
• • • • •
met water de identiteit van de plek zichtbaar maken;
een goede communicatie opzetten (intern en extern);
water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen;
samenwerken en afstemmen;
balans in watersysteem en waterketen.
Door het naleven van deze basisprincipes ontstaat voor 2030 het navolgende algemene streefbeeld: • •
een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem;
een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en
gebruiksmogelijkheden van het water;
36
•
schoon, helder water met een gevarieerde natuurlijke begroeiing van oevers en watergangen;
•
een probleemloze waterbeheersing om overlast te voorkomen en veiligheid van de inwoners te garanderen;
• •
evenwicht tussen watersysteem en waterketen;
goede samenwerking en afstemming tussen bij waterbeheer betrokken partijen, waardoor niet alleen beheer, beleid en onderhoud goed verlopen, maar men bovendien ook van elkaar leert;
•
er vindt geen bestuurlijke, financiële en ruimtelijke afwenteling plaats,
verantwoordelijkheden zijn gezamenlijk vastgesteld (evenwicht is ingesteld), problemen worden ter plaatse opgelost.
In het waterplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt.
In paragraaf 6.10.4 wordt nader op het aspect water ingegaan. Voorliggend plan
voldoet aan de basisprincipes zoals beschreven in het Waterplan Doetinchem. 5.5.7
Parkeervisie gemeente Doetinchem 2017-2020
Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-
2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in
woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: •
parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn;
•
doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek;
b. woongebieden - bewoners en bezoek;
c. bedrijfsterreinen - personeel;
•
flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten
gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; •
exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële
taakstelling.
Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe
ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat. Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor
37
de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing van de
normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken.
Voor de toetsing aan het parkeerbeleid wordt verwezen naar paragraaf 6.4. Hieruit blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen. 5.5.8
Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020
Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water
in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de
ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: • • • • • • •
het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; een goede communicatie opzetten (intern en extern);
water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen;
samenwerken en afstemmen;
balans in watersysteem en waterketen.
Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen,
gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en
gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke,
financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In paragraaf 6.10.4 is nader ingegaan op het aspect water. Hierbij is rekening
gehouden met de gestelde uitgangspunten in het Gemeentelijk Rioleringsplan. 5.5.9
Groenstructuurplan Doetinchem 2017
Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene
bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27
juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat
daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van
38
uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: •
vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren;
• •
verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties;
handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen;
• •
functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.
In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de groenstructuurkaart van de gemeente
Doetinchem weergegeven. Hierin is het plangebied aangeduid met de rode omlijning.
Te zien is dat zich binnen het plangebied enkele bijzondere bomen bevinden. Met deze bomen dient rekening gehouden te worden, daarom is voor het plan een
boomeffectanalyse uitgevoerd. Om de bijzondere bomen duurzaam te behouden
dienen maatregelen te worden genomen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.6.
Figuur 5.2: Groenstructuurkaart Doetinchem (Bron: gemeente Doetinchem)
39
5.5.10 Relevante programma’s Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke (beleids)plannen kan onder de Omgevingswet als programma worden beschouwd. Het gaat om tal van
beleidsplannen voor uiteenlopende onderwerpen zoals wegen, bereikbaarheid,
landschapskwaliteit, cultureel erfgoed of buisleidingen, of om structuurvisies voor een specifiek gebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn (nog) geen relevante programma’s beschikbaar.
5.5.11 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de voorgenomen ontwikkeling
binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.
5.6 Omgevingswaarden De gemeente Doetinchem heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl
verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.
40
6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is
gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige
toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze
veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels
gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen,
spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige
gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1
(Wettelijk) kader
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een
decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de
gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid
voortbrengen. Dit betreft geluidsregels voor wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van
(spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe
geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •
Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in
•
Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
•
Het bevorderen van bronmaatregelen;
•
Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
•
Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De
geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds 41
en basisgeluidemissies. Het geluidaandachtsgebied voor (spoor)wegen wordt op dit
moment nog gebaseerd op vaste afstanden. Dat staat in artikel 17.5 van de
Omgevingsregeling. Voor de gemeentelijke wegen en de spoorweg nabij het
plangebied is het geluidaandachtsgebied 200 meter gerekend vanaf de rand van de
weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening
Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden.
Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader
van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.
6.1.2
Onderzoek
In dit geval is door Royal HaskoningDHV een akoestisch onderzoek verricht om de geluidbelasting van de weg op de gevels van de woningen te berekenen.
Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoeksrapport is in bijlage 3 opgenomen.
Onderzoekresultaten Wegverkeerslawaai
De 6 eenzijdig gerichte woningen B2_W1, B2_W2, B2_W3, B2_W7, B2_W8 en B2_W9 in complex 2 ondervinden een geluidbelasting Lden van meer dan de standaardwaarde van 53 dB en zijn niet in het bezit van een geluidluwe gevel. Deze woningen dienen voorzien te worden van een geluidbox en een gemeenschappelijk geluidluwe buitenruimte;
De 6 woningen B3_W6, B3_W11, B3_W12, B3_W17, B3_W18 en B3_W24 in complex 3
ondervinden een geluidbelasting van meer dan de standaardwaarde van 53 dB en zijn
niet in bezit van een natuurlijke luwe gevel en buitenruimte. Door het aanbrengen van een akoestisch oor (het doortrekken van de zijgevel naar achteren) komen deze woningen in bezit van een geluidluwe gevel en buitenruimte die maximaal de standaardwaarde bedraagt;
De woning B5_W4 in complex 5 ondervindt een geluidbelasting van meer dan de standaardwaarde van 53 dB en is niet in bezit van een natuurlijke luwe gevel en
buitenruimte. Door het aanbrengen van een akoestisch oor (het doortrekken van de zijgevel naar achteren) komt deze woning in bezit van een geluidluwe gevel en buitenruimte die maximaal de standaardwaarde bedraagt.
42
Met de beschreven maatregelen voldoet iedere woning aan het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en het gemeentelijk geluidbeleid. Het bouwplan is haalbaar en toelaatbaar.
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt op 110 meter afstand van een spoorlijn. Het plangebied ligt daarmee binnen het geluidsaandachtsgebied van 200 meter. In onderstaande
afbeelding is het spoorgeluid op een kaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het
geluidcontour op ruime afstand van het plangebied ligt. Geconcludeerd kan worden
dat daarmee wordt voldaan aan de standaardwaarde voor geluid vanwege een spoorlijn (55 Lden). Het aspect railverkeerslawaai vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Figuur 6.1: Uitsnede kaart geluid van treinverkeer (Lden) (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Industrielawaai
Nabij het plangebied liggen twee gezoneerde bedrijventerreinen, namelijk
Verheulsweide en Hamburgerbroek. Het plangebied ligt echter buiten de geluidszones van deze bedrijventerrein. Het uitvoeren van een onderzoek industrielawaai is in voorliggend geval niet noodzakelijk.
43
Warmtepompen
De woningen zullen worden verwarmd door middel van warmtepompen. Het is nog niet bekend welke warmtepompen dit zullen zijn. Dit hangt af van het advies van
Bouwnext, de partij die initiatiefnemer op dit gebied adviseert. Met de mogelijke
geluidsoverlast wordt rekening gehouden en indien nodig zal er een geluidsonderzoek plaatsvinden bij de aanvraag van de bouwvergunning. In het omgevingsplan worden regels opgenomen dat moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan bepaalde geluidsnormen voor een individuele warmtepomp en ook voor het gecumuleerde geluid van alle warmtepompen. 6.1.3
Conclusie
Het onderdeel geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Met maatregelen zoals beschreven in bijlage 3 voldoet iedere woning aan het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en het gemeentelijk geluidbeleid. Het bouwplan is daarmee haalbaar en toelaatbaar wat betreft wegverkeerslawaai.
Het plangebied ligt buiten de geluidszones van gezoneerde bedrijventerreinen in de nabije omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt binnen het
geluidsaandachtsgebied van een spoor, maar uit de kaart geluid van treinverkeer van Atlas leefomgeving blijkt dat wordt voldaan aan de standaardwaarde van 55 Lden. Bij de bouwvergunning wordt onderzocht of er nadere maatregelen genomen dienen te worden met betrekking tot het geluid van de warmtepompen. In het omgevingsplan worden regels opgenomen dat moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan bepaalde geluidsnormen voor een individuele warmtepomp en ook voor het gecumuleerde geluid van alle warmtepompen.
6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de
instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor
het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
44
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een
•
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
grenswaarde;
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die
niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen
toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit
artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan
de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2
ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft:
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren,
woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde
omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om
alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet
wordt overschreden;
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel
mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn
detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke
agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De
rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.
Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.
45
6.2.2
Onderzoek
In voorliggend geval is met behulp van de NIBM tool aangetoond dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het resultaat opgenomen.
Figuur 6.2: Bijdrage verkeer aan luchtkwaliteit (Bron: InfoMil)
Om te beoordelen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt is voor het toevoegen van woningen, wordt gebruik gemaakt van de “grootschalige
concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke is gepubliceerd door het
Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu.
Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland” zijn op
schaal van km² de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse
luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden
weergegeven in de onderstaande tabel. Parameter
Achtergrond-
Achtergrond-
[μg/m3] 2022
[μg/m3] 2030
waarde
waarde
Grenswaarde [μg/m3] Bkl
WHO
advieswaarde [μg/m3]
Voldoet
[ja/nee]
Stikstofdioxide
12,43
9,09
40
10
Ja
Zwevende
16,63
13
40
15
Ja
Zwevende
9,21
6,86
25
5
Nee
No2
Deeltjes PM10 Deeltjes PM2,5
46
Uit voorgaande tabel blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide)
en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruimschoots wordt voldaan aan de waarden uit artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl.
Ten aanzien van de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijnstof (PM10) wordt tevens
voldaan aan de advieswaarden van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie), met
uitzondering van zwevende deeltjes PM2,5. Echter wordt anno 2020 net niet voldaan
aan de advieswaarde van de WHO. In de tabel is te zien dat er sprake is van een
dalende trend en dat deze daling ook tot 2030 wordt verwacht. Voor het jaar 2030 wordt voor PM2,5 een achtergrondconcentratie van maximaal 6,86 μg/m3 verwacht,
waarmee het aannemelijk is dat in de nabije toekomst eveneens wordt voldaan aan de advieswaarden van de WHO.
Daarnaast is geen sprake van nabijgelegen grote externe bronnen voor de emissie van luchtverontreinigende stoffen. 6.2.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.3 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang
om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de
bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.3.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het
Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de
gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; 47
• •
6.3.2
Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische
verontreinigingen en -aantastingen. Onderzoek
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het
uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Het onderzoek is opgenomen in
bijlage 4. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het
bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Zintuiglijke waarnemingen
Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Op basis van
zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal plaatselijk
baksteenresten waargenomen. Bovengrond (0.0-0.5 m-mv)
Bovengrondmengmonster MM1 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde.
Bovengrondmengmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte kwik (zware metalen),
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) en PCB’s (som 7) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de
bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit
milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.
Ondergrond (0.5-2.0 m-mv)
De ondergrondmengmonsters MM3 en MM4 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Peilbuis 1 (2.8-3.8 m-mv)
Het grondwater t.p.v. peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in dit geval niet overschreden zodat er uit
milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.
48
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. Debovengrond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevatten verhoogd gehalten t.o.v. de
achtergrondwaarde respectievelijk de streefwaarde. De licht verhoogd aangetoonde
gehalten overschrijden de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. 6.3.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De
bodemkwaliteit is geschikt voor de functie wonen.
6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door
golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door wegen railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit
mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie
(bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. 6.4.1
(Wettelijk) kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de
Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan
locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. 6.4.2
Onderzoek
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden
gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en
Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende
trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen
trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met
spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 49
meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.
Het plangebied ligt op 110 meter afstand van een spoorweg. Het plangebied ligt
daarmee buiten de richtafstand van 100 meter waarbinnen trillingshinder dient te worden getoetst.
Tussen de 100 meter en de 250 meter moet het aspect trillingshinder nader worden
onderzocht wanneer klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld daartoe aanleiding geven. In dit geval is er sprake van een enkel spoor waarover ongeveer 6 treinen per uur rijden, dit zijn passagierstreinen. Goederentreinen veroorzaken de meeste
trillingen. Goederentreinen rijden voornamelijk over de hoofdroutes. Dus niet via de
spoorweg nabij het plangebied. Er liggen diverse woningen op kortere afstand van het
spoor dan de beoogde locatie van de nieuwe woningen. Er zijn in de omgeving van het
plangebied geen klachten bekend over trillingshinder. Er is dan ook geen aanleiding om nader onderzoek uit te voeren naar trillingshinder. 6.4.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect trillingshinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling en dat er op dit punt sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1
(Wettelijk) kader
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving,
waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking.
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden
gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of 50
scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Doetinchem heeft
parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.5.2
Onderzoek
Parkeren
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen
berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en
parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden
gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Deze voorgenoemde CROW-kencijfers zijn doorvertaald in de ‘Nota parkeernormen
2024’ van de gemeente Doetinchem die, naar alle verwachting, eind maart 2024 wordt vastgesteld.
De voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen kent vaak een lange doorlooptijd. Om duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden aan initiatiefnemers en belanghebbenden is een overgangsregeling, in paragraaf 5.2, in de huidige ‘Nota parkeernormen auto en
fiets’ (vastgesteld 8 juni 2017) opgenomen. Hiermee wordt geregeld dat verzoeken om een bestemmingsplan of functie te wijzigen of om een omgevingsvergunning aan te
vragen die zijn ingediend vóórdat de ‘Nota parkeernormen 2024’ formeel in werking is getreden, worden getoetst aan de ‘Nota Parkeernormen Auto en Fiets’. Voor dit plan betekent dit dat de nota uit 2017 leidend is.
‘Nota parkeernormen auto en fiets’ is bedoeld als normenkader van de gemeente Doetinchem.
Op basis van zowel deze parkeernota van de gemeente als op basis van de CROWuitgave, wordt in voorliggend geval uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • •
Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk (bron: CBS Statline);
Stedelijke zone: rest bebouwde kom
In voorliggend geval worden op een braakliggend terrein 54 woningen gerealiseerd. Hierdoor ontstaat een parkeerbehoefte. Hieronder wordt dit nader uiteengezet.
Op basis van de voorgenoemde uitgangspunten kan de parkeerbehoefte worden
berekend. Er worden verschillende typen woningen gerealiseerd, te weten twee-onder51
een-kapwoningen en appartementen in verschillende segmenten. Daardoor ontstaat het volgende overzicht: Functie
Parkeernorm
Aantal
Parkeerbehoefte
Koop, huis, twee-onder-een-kap
2,1
2
4,2
Koop, appartement, duur
2
3
6
Koop, appartement, midden
1,3
31
40,3
Koop, appartement, goedkoop
1,6
18
28,8
per woning
(woningen)
Totaal
79,3
In de gewenste situatie is er sprake van een totale parkeerbehoefte van afgerond 80 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden 65 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Daarmee wordt dus niet voldaan aan de 80 parkeerplaatsen. Echter zal in werkelijkheid
de parkeerbehoefte lager zijn. Onder de 18 goedkope appartementen bevinden zich 15 appartementen die vergelijkbaar zijn met de functie ‘kamer’, omdat ze 25 m2 groot
zijn. Voor een kamer hanteert de gemeente Doetinchem een parkeernorm van 0,5. Echter geldt deze parkeernorm voor kamers in het segment huur. In voorliggend
initiatief zijn de kamers bestemd voor de verkoop. Er is geen parkeernorm opgenomen voor kamers die bestemd zijn voor de verkoop. Daarom wordt voor de functie ‘kamer, koop’ aansluiting gezocht bij de functie ‘kamer, huur’. Hiermee ontstaat het volgende overzicht: Functie
Parkeernorm
Aantal
Parkeerbehoefte
Koop, huis, twee-onder-een-kap
2,1
2
4,2
Koop, appartement, duur
2
3
6
Koop, appartement, midden
1,3
31
40,3
Koop, appartement, goedkoop
1,6
3
4,8
Koop, kamer
0,5
15
7,5
Totaal
per woning
(woningen)
62,8
In totaal is er een parkeerbehoefte van afgerond 63 parkeerplaatsen. Binnen het
plangebied worden 65 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ruim aan de parkeerbehoefte voldaan.
52
De parkeerplaatsen worden onder andere gerealiseerd in de parkeerkelder onder de appartementengebouwen. In afbeelding 6.3 is hiervan de plattegrond opgenomen.
Figuur 6.3: Plattegrond parkeerkelder (bron: LKSVDD Architecten)
Verkeer Op basis van de genoemde uitgangspunten ontstaat ten aanzien van de verkeersgeneratie het volgende overzicht. Woningtype
Verkeersgeneratie er
Aantal
Verkeersgeneratie
Koop, huis, twee-onder-
7,8
2
15,6
Koop, appartement, duur
7,1
3
21,3
Koop, appartement,
5,6
31
173,6
Koop, appartement,
4,9
18
88,2
een-kap
midden
goedkoop Totaal
woning
298,7 53
Op basis van het vorenstaande genereren de te realiseren woningen een
verkeersgeneratie van afgerond 299 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het verkeer verlaat het plangebied via de Frans Halsweg. Deze weg is van voldoende
capaciteit om de voorgenoemde verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. In bijlage 5 is een verkeersrapport opgenomen welke is opgesteld door Walraad Verkeersadvisering waarin dit wordt onderbouwd.
6.5.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de
omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen
en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen
in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten
aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende
•
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
• •
milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een
aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register
Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze 54
aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra
maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In
een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
6.6.2
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Onderzoek
In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle objecten of inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden aanwezig waarvoor een verantwoording van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico aan de orde is. In afbeelding 6.4 is een
uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het plangebied is aangeduid met de rode
omlijning.
55
Figuur 6.4: Uitsnede risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van risicobronnen;
•
zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het
•
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke
groepsrisico nodig is;
stoffen; •
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
6.6.3
Conclusie
Het initiatief is in overeenstemming met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.
56
6.7.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet
natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de
gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de
soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven).
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit
twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2
Onderzoek
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden
Het plangebied bevindt zich op circa 12,2 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Gelet op de voorgenomen
ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden dient het effect van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in
ogenschouw te worden genomen.
Een stikstofonderzoek voor de aanlegfase en de gebruiksfase is door BJZ.nu
uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is in bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt kort op de bevindingen ingegaan.
In de aanlegfase en de gebruiksfase wordt inzicht gegeven in de te verwachten NOx en
NH3 emissie. Voor de aanlegfase zijn de volgende activiteiten in de AERIUS-calculator
ingevoerd: • •
Verkeersgeneratie van en naar het plangebied;
Te benutten werktuigen binnen het plangebied.
Voor de gebruiksfase zijn dit de volgende activiteiten: • •
Eventueel gasverbruik; Verkeersgeneratie.
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er
57
geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde
gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 920 meter ten zuidoosten van
het plangebied. Gezien het feit dat er sprake is van een ontwikkeling buiten de NNN en
de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.
Soortenbescherming
Ter plaatse van het plangebied is door Staring Advies een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, deze is opgenomen als bijlage 7.
Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen binnen het plangebied uit de
soortgroepen flora, amfibieën, reptielen en vissen. Wel is er kans op aanwezigheid van insecten, namelijk de teunisbloempijlstaart, en zoogdieren, namelijk de wezel. Voor
deze twee soorten is daarom aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het nader onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Het aanvullend onderzoek is tevens beoordeeld door een
derde partij. Deze beoordeling is opgenomen in bijlage 9. Hierna wordt op de resultaten ingegaan:
Uit het nader onderzoek blijkt dat de geplande ontwikkeling geen negatief effect heeft op de beschermde wezel. Het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van
mitigerende en compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort.
Binnen het plangebied is geen leefgebied van de beschermde teunisbloempijlstaart
vastgesteld. Het tweede veldbezoek kon niet uitgevoerd worden, maar de inschatting is dat de soort geen leefgebied heeft in het plangebied. Het aanvragen van een
ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht
Verstoring van broedvogels moet worden voorkomen. Daarvoor moeten de
werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart 15 juli) worden
uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.
Het onderzoek is vervolgens beoordeeld door een derde partij. Zij concluderen dat de
conclusie van Staring Advies terecht is en dat het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen niet noodzakelijk is voor de teunisbloempijlstaart. Wat betreft het nader onderzoek naar de wezel zijn de richtlijnen gevolgd die door de Provincie Gelderland worden gehanteerd bij het
beoordelen van ontheffingsaanvragen. Aan deze richtlijn is voor wat betreft de inzet
van het type onderzoeksmateriaal, het aantal camera’s en de duur van het onderzoek voldaan. Dit geeft de (juridische) zekerheid dat bij het niet aantreffen van kleine marters mag worden geconcludeerd dat deze niet op de locatie voorkomen.
58
Voor de teunisbloempijlstaart is een dergelijke richtlijn of een te volgen onderzoeksprotocol niet opgesteld. Het is daarmee aan de individuele
onderzoeksbureaus om te bepalen welke onderzoeksinspanning ze verrichten om de
soort te kunnen aantonen of uit te sluiten. Staring Advies heeft op voorhand bepaald dat ze middels twee waarnemingsrondes de soort zouden onderzoeken. In hun
rapportage geven ze aan dat de tweede ronde, die was voorzien op 3 augustus 2023 niet compleet was, aangezien een deel van de teunisbloemen als gevolg van
maaiwerkzaamheden (middels klepelen) niet meer te beoordelen was. De conclusie was evenwel dat op grond van het ontbreken van waarnemingen tijdens de eerste ronde en het zoeken naar rupsen op de overgebleven teunisbloemen, er geen sprake is van leefgebied. Staring Advies heeft de eerste ronde uitgevoerd op 13 juli 2023, wat
midden in de piek van de activiteit van de rupsen ligt. De oppervlakte van het gebied is relatief gering en op basis van de foto’s in de rapportage is het aantal planten te
overzien. Gelet op de geleverde onderzoeksinspanning kan daarom redelijkerwijs
verwacht worden dat een aanvullende ronde in augustus niet tot een geheel andere
uitkomst geleid zal hebben. De optimale periode is benut om de rupsen te zoeken. De conclusie van Staring Advies is dan ook terecht.
Invasieve exoten
Binnen het plangebied groeit de Japanse duizendknoop. Dit betreft een invasieve exoot
en deze dient verwijderd te worden. Aangezien deze soort ook op het grondgebied van de gemeente Doetinchem voorkomt, aangrenzend aan het plangebied, dient de
bestrijding van deze soort gezamenlijk met de gemeente te worden aangepakt om
succesvol te zijn. Daarom wordt de Japanse duizendknoop in samenwerking met de gemeente Doetinchem verwijderd.
Boomeffectanalyse
Binnen het plangebied bevinden zich meerdere bomen. Daarom is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een boomeffectanalyse (BEA) uitgevoerd, welke is
opgenomen in bijlage 10.
Van de zeventien onderzochte bomen kunnen er vijf duurzaam behouden blijven op de huidige standplaats bij aanpassing van het bouwplan zoals in deze analyse is
beschreven. Hieronder vallen ook de vier bijzondere bomen zoals opgenomen in het groenstructuurplan van de gemeente Doetinchem. Dit zijn de bomen die in de
boomeffectanalyse zijn aangemerkt als nummer 11, 13, 14 en 15. Twaalf bomen
passen niet in het ontwerp. Het verplanten van de twaalf te rooien bomen is geen
optie, gezien de geringe te verwachten waarde van deze bomen en de kosten die het verplanten met zich mee brengt. De vijf bomen zullen behouden blijven. Om deze
bomen te beschermen zijn maatregelen opgesteld, waarmee voor, tijdens en na de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden. Het betreft de volgende maatregelen:
59
-
De kroonprojectie van de te behouden bomen wordt tijdens de realisatiefase beschermt met bouwhekken. Indien voor de aanleg/herinrichting van de verhardingen binnen de kroonprojectie gewerkt moet worden, zullen de bouwhekken tijdelijk verwijderd moeten worden, uitsluitend voor deze werkzaamheden. Na afronding van deze werkzaamheden dienen de
bouwhekken weer teruggeplaatst te worden. Bij alle bomen dienen verticale stamplanken aangebracht te worden ter bescherming van de stam(voet).
-
In de directe omgeving van de bomen mag alleen grond ontgraven worden
indien dit strikt noodzakelijk is voor de herinrichting. De bodem in het overige deel van de wortelzones moet ongemoeid gelaten worden om wortelschade te voorkomen. -
De graafwerkzaamheden zoveel mogelijk uitvoeren vanaf de bestaande
verhardingen, om verdichting van de bodem binnen de wortelzone en schade aan wortels, stam en kroon te voorkomen. -
De graafwerkzaamheden bij voorkeur uitvoeren onder toezicht van een boomdeskundige.
-
Tijdens graafwerkzaamheden, wanneer noodzakelijk, wortelsnoei toepassen bij de bomen. Wanneer er zich wortels, > 3 cm in diameter, in een uit te graven zone bevinden, moeten deze door een vakbekwame boomverzorger worden afgezet. Hierdoor wordt afscheuren van beworteling tijdens graafwerkzaamheden voorkomen.
-
Geen opslag van bouwmaterialen of materieel binnen de kroonprojectie. Dit
geldt ook voor het rijden met zwaar materieel waardoor bodemverdichting zal plaatsvinden.
Na het uitvoeren van deze boomeffectanalyse is de inrit van de parkeergarage, na
overleg met omwonenden, verplaatst in de richting van de Oostelijke Randweg ter
hoogte van de Frans Halsweg 27 in plaats van nummers 19 en 21. Daarom is nagegaan hoe de inrit van de parkeergarage zich daadwerkelijk verhoudt tot het behoud van de
daar aanwezige beuk (boom 1). Op basis van de al uitgevoerde boomeffectanalyse zou al één van de twee stammen van deze beuk verwijderd worden, vanwege scheefstand. Bezoek en waarneming ter plaatse was aanleiding om naar deze boom nader
onderzoek te laten doen door een deskundige. Deze boomeffectanalyse dient als
aanvulling op de reeds uitgevoerde boomeffectanalyse zoals opgenomen in bijlage 10 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Deze aanvullende boomeffectanalyse is
opgenomen in bijlage 10a bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het aanvullende
onderzoek wijst uit dat de boom in een verminderde/slechtere toestand is dan
aanvankelijk werd gedacht. De resterende toekomstverwachting in de huidige situatie wordt ingeschat op een periode van 5 tot 15 jaar. Dat is anders dan de eerder
ingeschatte toekomstverwachting van meer dan 15 jaar. In samenhang daarmee is duurzaam behoud van de boom niet mogelijk bij uitvoering van de voorziene
60
werkzaamheden. Gezien de huidige conditie van de boom en de beperkte
toekomstverwachting is in afstemming met de gemeente er voor gekozen om niet over te gaan tot (aanzienlijke) planaanpassing, maar te kiezen voor kap van de boom en
aanplant van drie nieuwe inheemse bomen van de eerste grootte. Deze aanplant is
aanvullend op de al verplichte terreininrichting met bijbehorend groen. De aanplant
van de bomen vindt plaats buiten het plangebied, op een nader te bepalen locatie in de
nabijheid van het plangebied. Voornoemde bood de mogelijkheid de vormgeving van
de inrit van de parkeergarage enigszins aan te passen om de toegankelijkheid er van te verbeteren. 6.7.3
Conclusie
Het onderdeel natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het nader onderzoek naar de teunisbloempijlstaart en de wezel is op een juiste manier
uitgevoerd. Voor de bescherming van de vier te behouden bomen zullen in het
omgevingsplan regels worden opgenomen. Ter compensatie van boom 1 zullen 3 inheemse soorten worden aangeplant.
6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het
behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten
archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier
gezamenlijk besproken. 6.8.1
(Wettelijk) kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
• • • •
Verplaatsing van beschermde monumenten;
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
61
6.8.2
Onderzoek
Archeologie
Het voornemen is getoetst aan de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem. Hieruit volgt dat het plangebied ligt binnen een gebied met een ‘hoge
verwachting, waarschijnlijk goede conservering’. Op basis van het omgevingsplan is
sprake van de gebiedsaanduiding ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ en voor een
klein gedeelte ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’. Binnen ‘Waarde –
Archeologische verwachting 3’ is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien
ingrepen dieper dan 40 cm plaatsvinden met een oppervlakte gelijk of groter dan 250 m2. Binnen ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ is archeologisch onderzoek
noodzakelijk indien ingrepen dieper dan 30 cm plaatsvinden met een oppervlakte
gelijk of groter dan 100 m2.
Aangezien de toe te voegen bebouwing groter is dan de betreffende oppervlaktegrens en de ingrepen dieper zullen zijn dan 30/40 centimeter, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In voorliggend geval is door Laagland Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit is het advies gekomen om vervolgonderzoek uit te
voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voor de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hieronder zijn de
onderzoeksresultaten weergegeven. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 11.
Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te
toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend
booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.
Midden op het terrein is een diepe verstoorde bodemopbouw aangetroffen of is een
boring gestuit in een opgebrachte grondlaag/op een puinlaag. Aan de noordwestzijde en noordoostzijde is echter een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen met respectievelijk een dikke A-horizont (boring 1 en 2) en een dunne A-horizont,
afgedekt onder een opgebracht grondpakket (boring 4 en 5). In de boringen 2 en 4
zijn bovendien afgedekte bodemprofielen van afgetopte podzolgronden aangetroffen. Er is een overwegend onverstoorde bodemopbouw aangetroffen en in wezen bestaat voor het middenterrein waar in één boring een verstoring is vastgesteld tot de