04_03_00_Onderbouwing Terborgseweg naast 119 Doetinchem.pdf
Tekst van het document
maximaal verkende diepte van 220 cm -mv. Een andere boring is gestuit op 60 cm mv. Daaronder kan nog een onverstoorde bodemopbouw kunnen zitten.
Om die reden moet de hoge archeologische verwachting worden gehandhaafd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).
62
Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een
eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).
Het archeologisch onderzoek is beoordeeld door de Regio archeoloog Achterhoek. De beoordeling is opgenomen in bijlage 12. Het rapport is na enkele aanpassingen door de Regio archeoloog akkoord bevonden.
Cultuurhistorie
Het plangebied betreft een braakliggend stuk grond. Hier is dan ook geen sprake van
cultuurhistorische waarden. Op basis van het bestemmingsplan is ook geen sprake van een gebiedsaanduiding met betrekking tot cultuurhistorie. Tevens bevinden zich geen
monumenten in en rondom het plangebied op basis van de digitale monumentenkaart van de gemeente Doetinchem. Er wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 6.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect archeologie een vervolgonderzoek
noodzakelijk is in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek zal in een later stadium worden uitgevoerd. Uit dit onderzoek moet blijken of en in welke mate het plan effect heeft op archeologische waarden. Er is geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
6.9 Bezonning Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van
functies aan locaties in het omgevingsplan. In deze paragraaf komt aan de orde wat de invloed van bezonning is op de voorgenomen ontwikkeling. 6.9.1
Kader
De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen
instructieregels opgesteld. Er is dan ook geen wet- en regelgeving voor bezonning.
Een manier om bezonning te toetsen is de TNO-norm van het onafhankelijk
onderzoeksinstituut TNO. De wet stelt de TNO-norm niet verplicht. De TNO kent een lichte en een strenge norm. •
de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de
periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
63
•
de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de
periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. 6.9.2
Onderzoek
Het voornemen is getoetst aan de lichte TNO-norm. Hierbij is gekeken naar de
schaduwwerking van de beoogde woningen op de omliggende omgeving. In bijlage 13
is het onderzoek weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de realisatie van de nieuwe woningen, de bezonning op de omliggende woningen ruimschoots voldoet aan de lichte TNO-norm. 6.9.3
Conclusie
De bezonning op de woningen rondom het plangebied voldoet aan de lichte TNO-
norm. De bezonning op de beoogde woningen voldoet, uitgezonderd blok V, ook aan de lichte TNO-norm.
6.10
Duurzaamheid
Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De
Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere
samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid
uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en
water’.
6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip
‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige
generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met
langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.
Energietransitie 64
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van
nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de
luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt
voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.
Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een
woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.
Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water
(zie hoofdstuk 5).
6.10.2 Onderzoek energietransitie De nieuw te bouwen woningen zullen gebouwd worden conform de huidige
duurzaamheidseisen en dragen daarmee bij aan de energietransitie. De nieuwe
woningen worden aardgasloos verwarmd. Dit wordt bereikt door middel van een
combinatie van isolatie, lage-temperatuursverwarming, warmtepompen en pv-panelen.
Daarnaast heeft initiatiefnemer een derde partij ingeschakeld, Bouwnext. Deze partij zal voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling een visie en een nadere
uitwerking op energie en duurzaamheid ontwikkelen. 6.10.3 Onderzoek circulariteit
De berekening milieuprestatie gebouwen is onderdeel van de aanvraag
omgevingsvergunning. Wanneer de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, zal de berekening milieuprestatie tevens uitgevoerd worden. 6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Op 23 maart 2023 is de ‘Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’
gepubliceerd. De maatlat is ontwikkeld door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Waterstaat en Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW).
65
De maatlat is nodig om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van
klimaatverandering. Zo is Nederland ook in de toekomst in een veilige, gezonde én groene omgeving blijven wonen en werken. De maatlat maakt duidelijk hoe
klimaatadaptief bouwen eruitziet. Het instrument beschrijft doelen en prestatie-eisen, en geeft richtlijnen voor de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit,
bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen. De maatlat schrijft geen specifieke maatregelen voor. Daardoor blijft er lokaal ruimte voor maatwerk en krijgen innovatieve en slimme oplossingen alle ruimte.
De maatlat bestaat uit doelen, prestatie-eisen en richtlijnen om te komen tot een
groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving. De maatlat schrijft geen maatregelen voor en op dit moment is de maatlat nog niet wettelijk verplicht.
De maatlat is een landelijk uniform referentiekader met doelen, prestatie-eisen en
richtlijnen voor wateroverlast, hitte, droogte, biodiversiteit, bodemdaling en
overstromingen. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat in heel Nederland een basisniveau ontstaat voor een groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving bereiken. Maar de uitdagingen op het gebied van droogte, bodemdaling, hitte, biodiversiteit en wateroverlast verschillen natuurlijk per gebied. Daarom kan
vervolgens lokaal worden gekozen welke maatregelen het beste passen bij de doelen, eisen en richtlijnen uit de maatlat.
Biodiversiteit
De richtlijn bij dit onderdeel is waardevolle habitat en basiskwaliteit natuur realiseren.
In voorliggend geval wordt dit gerealiseerd door zo veel mogelijk groen te realiseren in het plangebied. De huidige waardevolle bomen in het plangebied worden behouden. Er worden twee grote wadi’s aangelegd, waar tevens daarvoor geschikt groen gerealiseerd kan worden.
Droogte en bodemdaling
De richtlijn bij het onderdeel droogte is het vergroten van infiltratie en het
minimaliseren van verharding. Om droogte in verhard gebied tegen te gaan, is het
belangrijk om voldoende infiltratiegebieden te realiseren. Hierdoor kan het water ten tijde van langdurige regen de grondwaterstand op peil brengen. Dit soort gebieden zijn gemakkelijk te realiseren door het gebruik van groen (bomen, heggen,
verschillende grassen en halfverharding) op zowel openbare plekken alsook op
particuliere gronden. Wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden in het plan, zal
in plaats van infiltratie in de bodem, het hemelwater worden afgevoerd via de riolering, waardoor het grondwaterpeil niet wordt aangevuld en tijdens drogere periodes meer
schade wordt veroorzaakt. Een ander effect van droogte is (toenemende) bodemdaling. Toenemende droogte kan de processen van bodemdaling versterken. Dat kan
verschillende gevolgen hebben, zoals een groter risico op overstromingen of schade aan funderingen en gebouwen.
66
In het plangebied wordt voldaan aan de hoeveelheid vereiste bergingscapaciteit voor
hemelwater. Bovendien zal een gedeelte van het hemelwater infiltreren in het overige
groen in het plangebied, waardoor er zelfs meer waterberging mogelijk is dan de norm vereist. Door voldoende waterberging te realiseren in het plangebied, wordt droogte
voorkomen. Dit heeft daarnaast een positief effect op de bodem. Bodemdaling wordt op deze manier zoveel mogelijk voorkomen.
Hitte
Klimaatverandering leidt in Nederland tot meer zomerse en tropische dagen. In
dichtbebouwde gebieden met veel verstening is op warme dagen de opwarming het
hardst te merken. In gebieden met veel groen (ook stedelijk) is deze opwarming door evapotranspiratie en schaduw minder waarneembaar. Binnen het plangebied wordt
hiermee rekening gehouden door het behoud van de diverse bomen die hier staan.
Deze zorgen voor schaduw en verkoeling. Tevens zal het plangebied groen ingericht worden. Dit heeft een positieve invloed op hittestress. Daarnaast zal er gepaste
zonwering bij de woningen gerealiseerd worden. Om een volledig beeld te krijgen van de stand van zon, zijn voor de voorgenomen ontwikkeling bezonningsstudies uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 13. Tevens wordt de mogelijkheid
onderzocht om bij de voorgenomen ontwikkeling een warmte-koude opslag te
realiseren, om op deze manier de gebouwen te koelen en te verwarmen.
Wateroverlast en overstromingen
De onderdelen wateroverlast en overstromingen maken tevens onderdeel uit van de watertoets. Hierna wordt op deze onderdelen ingegaan.
Watertoets
Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de
normale procedure van de watertoets van toepassing is. De watertoets is bijgevoegd als bijlage 14.
Algemene aandachtspunten
Vasthouden - bergen - afvoeren
Een belangrijk principe is dat zoveel mogelijk van het hemelwater binnen het
plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de
waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en
piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
67
Grondwaterneutraal bouwen
Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de
gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten
opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de
initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Projectspecifieke aandachtspunten
Situatie plangebied
Het plangebied zelf betreft een braakliggend stuk grond. Hierop bevinden zich
meerdere bomen. Een gedeelte van de bomen zal behouden worden. Er zullen ook bomen gekapt worden. Binnen het plangebied bevinden zich geen watergangen.
Stresstesten
Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het
landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen.
Aan de hand van de klimaatatlas van de gemeente Doetinchem is bekeken of er binnen het plangebied risico’s zijn op het gebied van wateroverlast, droogte, hitte en
overstroming. De klimaatatlas maakt duidelijk op welke klimaateffecten we ons moeten instellen. De getoonde effecten zijn gebaseerd op de klimaatscenario’s voor 2050 van het KNMI.
In afbeelding 6.5 is de situatie in het plangebied weergegeven na een korte hevige bui van één uur lang en een korte hevige bui van twee uur lang. Het plangebied is hierin aangegeven met de rode omlijning.
68
Figuur 6.5: Plangebied na korte hevige regenbui (Bron: Klimaatatlas Doetinchem)
De kans dat een dergelijke bui valt is zeer zeldzaam, namelijk 1 keer in 1.000 jaar.
Toch bestaat de kans dat een dergelijke bui plaatsvindt, daarom dient hier rekening mee gehouden te worden.
In het plangebied wordt hiermee rekening gehouden door het realiseren van voldoende wadi’s. Deze zullen gepositioneerd worden op de plekken waar in afbeelding 6.4 het
meeste water te zien is na een korte hevige bui. Ten aanzien van de twee twee-onder-
één-kapwoningen kan gedacht worden aan het ophogen van de grond waarop deze
woningen komen te staan, aangezien op deze locatie sprake kan zijn van wateroverlast na een hevige korte bui.
In afbeelding 6.6 zijn kaarten met betrekking tot hittestress en grondwaterstand weergegeven. De linker kaart betreft de hittestress kaart. Deze laat zien dat het
plangebied in de huidige situatie een koele plek is. Binnen het plangebied is namelijk
sprake van veel groen en bomen. Door het toevoegen van verharding wordt het risico op hittestress groter. In het plangebied staan echter enkele grote bomen die voor
schaduw zorgen. Deze bomen zullen behouden worden. Tevens zal het plangebied
groen ingericht worden. Dit heeft een positieve invloed op hittestress. Daarnaast zal er gepaste zonwering bij de woningen gerealiseerd worden. Om een volledig beeld te krijgen van de stand van zon, zijn voor de voorgenomen ontwikkeling
bezonningsstudies uitgevoerd. Tevens wordt de mogelijkheid onderzocht om bij de voorgenomen ontwikkeling een warmte-koude opslag te realiseren, om op deze
manier de gebouwen te koelen en te verwarmen.
De rechter kaart laat de huidige grondwaterstand binnen het plangebied zien. Uit de
kaart blijkt dat er sprake is van een relatief lage grondwaterstand, namelijk 1,8 tot 2.5 meter onder het maaiveld. Hier dient rekening mee gehouden te worden, bijvoorbeeld
met betrekking tot de fundering van de bebouwing.
69
Figuur 6.6 Plangebied hittestress en grondwaterstand (Bron: Klimaatatlas Doetinchem)
In afbeelding 6.7 is ten slotte het overstromingsrisico binnen het plangebied
weergegeven. Op de kaart is de waterhoogte te zien wanneer een dijk van bijvoorbeeld de Rijn of de IJssel bezwijkt. Mogelijke maatregelen om de gevolgen hiervan te
beperken zijn bijvoorbeeld het vergroten van de drempelhoogte en de aansluitingen voor elektriciteit hoger aan te leggen.
Figuur 6.7: Overstromingsrisico (Bron: Klimaatatlas Doetinchem) 70
Toename verharding
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een toename van
verharding binnen het plangebied. In onderstaande afbeelding is dit weergegeven. De grijs en roze gemarkeerde oppervlakten zullen verhard zijn. Oranje en rood is bebouwd. Het geel gemarkeerde oppervlak is halfverhard, dit betreffen de
parkeerplaatsen. In totaal is er sprake van een toename van verharding van 2.489 m2.
Figuur 6.8: Toename verharding en positionering wadi’s (voorlopige tekening, dient goedgekeurd te worden)
Riolering
Het afvalwater wordt via een nieuwe rioolwateraansluiting afgevoerd richting het
gemeentelijk riool. Er is sprake van een toename van het aantal vervuilingseenheden. De nadruk ligt op het niet aansluiten van hemelwater op de bestaande gemengde
riolering. In voorliggend geval zal het hemelwater dan ook geïnfiltreerd worden door
middel van wadi’s en infiltratiekoffers verspreid over het plangebied. In afbeelding 6.8
is de positionering van de wadi’s en de infiltratiekoffers weergegeven.
Opvang hemelwater
In de nieuwe situatie wordt hemelwater opgevangen op eigen perceel door middel van wadi’s en infiltratiekoffers. Op deze manier kan het hemelwater in de bodem
71
infiltreren. Het hemelwater zal niet op de bestaande gemengde riolering worden
aangesloten. Tevens is er op de parkeerplaatsen sprake van halfverharding en wordt er groen binnen het plangebied gerealiseerd. Op deze manier wordt infiltratie van hemelwater mogelijk gemaakt binnen het plangebied.
Het waterschap Rijn en IJssel geeft aan dat per verhard oppervlak 80 mm hemelwater
geborgd dient te worden. Er is sprake van een toename van verharding van 2.489 m2.
Dit betekent dat er 200 m3 hemelwater geborgen moet worden binnen het plangebied. In afbeelding 6.8 is aangetoond dat aan de eis wordt voldaan binnen het plangebied.
Wadi A en B zullen beide 50 cm diep zijn. Hiermee blijft de bodem van de wadi’s boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand. In afbeelding 6.8 zijn de wadi’s weergegeven. Het blauwe gedeelte is 50 cm diep, de groene rand hier omheen loop schuin af. Ze hebben gezamenlijk een bergend vermogen 97,5 m3. Daarnaast zullen onder de
parkeerplaatsen infiltratiekoffers worden geplaatst. De infiltratiekoffers hebben een
afmeting van 100x50x40 cm en een bergend vermogen van 0,2 m3. In totaal worden er 525 infiltratiekratten geplaatst. Deze hebben samen een bergend vermogen van 105
m3. De wadi’s worden geplaatst op het laagste punt in het plangebied. Hierdoor wordt gebruik gemaakt van de natuurlijke hoogtes in het plangebied. Het water zal
afstromen naar de lager gelegen punten in het plangebied en hier terecht komen in de
wadi’s. In afbeelding 6.9 is de ligging van de wadi’s indicatief aangegeven door middel van de zwarte omlijning. Het plangebied is aangeduid met de rode omlijning. Op deze afbeelding is tevens te zien wat de verschillende hoogtes binnen het plangebied zijn.
72
Figuur 6.9: Ligging wadi’s en hoogtes binnen plangebied (Bron: AHN, bewerkt)
Het waterschap Rijn en IJssel heeft de waterparagraaf beoordeeld en heeft positief gereageerd op de plannen. Het waterschap Rijn en IJssel is akkoord met de waterparagraaf.
6.10.5 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.11
M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die
mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten
behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is
73
bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de
Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •
Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-
•
Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke
milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin
genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op
lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het
plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van
toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-
(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of
aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een project-m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 15.
6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële
effecten, zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Het opstellen van een
milieueffectrapport is niet nodig.
6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking 74
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale
benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte
programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe
stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende
ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de
bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder
stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een
bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit
jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of
bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden
beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van 54 woningen. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Hierdoor dient het plan nader te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. In voorliggend geval is door BJZ.nu een Ladderonderbouwing
opgesteld. De Ladderonderbouwing is in bijlage 16 van deze toelichting opgenomen.
In de Ladderonderbouwing in bijlage 16 wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
75
6.12.3 Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand
stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.
6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: •
Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja;
•
Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit
binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;
•
Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.
6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij
artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.
Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen
hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten).
Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen
worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de
inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld
‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat
in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De
Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee
‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.
76
6.13.2 Onderzoek Voorliggend plan gaat uit van het toevoegen van 54 woningen. Aangezien het om de functie ‘wonen’ gaat, is er geen sprake van een milieubelastende activiteit. 6.13.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling maakt geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk.
6.14
Gezondheid
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle
relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te
betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •
•
Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden
waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een
belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde
fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
6.14.2 Onderzoek In voorliggend geval is er onderzoek uitgevoerd naar de aspecten die mogelijk invloed
kunnen hebben op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze onderdelen zijn behandeld in hoofdstuk 6 van deze
onderbouwing. Op deze plaats worden de betreffende onderdelen beoordeeld in het licht van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 54 woningen. Dit is van invloed op de fysieke leefomgeving. Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling
77
leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de leefomgeving en een negatief effect heeft op de gezondheid, zijn diverse onderzoeken uitgevoerd.
Ten behoeve van het onderdeel geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd dat ziet op de invloed van het wegverkeerslawaai op het plangebied. Om een gezond
leefklimaat ter plaatse van de 54 gewenste woningen te creëren, dient een zogenaamd akoestische oor te worden gerealiseerd bij de woningen, zodat de geluidsbelasting binnen de normen blijft. Op deze manier is ter plaatse van de gewenste woningen
sprake van een gezonde fysieke leefomgeving. Om ook de invloed van de gewenste woningen op de omgeving te beoordelen, zal bij de aanvraag van de
omgevingsvergunning een akoestisch onderzoek naar het geluid van de
warmtepompen plaatsvinden. Als uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting van
de warmtepompen op de omgeving leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de leefomgeving, zullen eventuele maatregelen getroffen worden.
Om het onderdeel luchtkwaliteit in kaart te brengen, is onderzoek gedaan naar de
invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit. Hierbij is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet om daar woningen te
realiseren, maar ook of de ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving ter plaatse. Uit de NIBM tool is gebleken dat de
luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied niet verslechterd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden en leidt niet tot een
verslechtering van de kwaliteit van de leefomgeving. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is beoordeeld aan de hand van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut
Volksgezondheid en Milieu. Uit deze kaart blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse
geschikt is om te wonen en dat de luchtkwaliteit geen negatief effect heeft op de gezondheid.
Ook de bodemkwaliteit kan invloed hebben op de fysieke leefomgeving. Om te
beoordelen of de grond geschikt is voor de functie wonen, is een bodemonderzoek
uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen. Daarmee heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effect op de gezondheid van de toekomstige bewoners van het plangebied. 6.14.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de kwaliteit van de leefomgeving als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet verslechterd. De voorgenomen ontwikkeling heeft
geen negatieve invloed op de gezondheid van omwonenden rond het plangebied. Ook 78
is de locatie geschikt om woningen toe te voegen met het oog op de gezondheid van
de toekomstige bewoners.
79
7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1
Financieel economische haalbaarheid
In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal de omgevingsplanwijziging een
onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels
bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Volgens de memorie van toelichting zal
in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij de omgevingsplanwijziging
passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal. 3 7.1.2
Kostenverhaal
De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een
projectontwikkelaar. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure
overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de
gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het
kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond. 7.1.3
Nadeelcompensatie
In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit
nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor
vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden.
Uit de risicoanalyse nadeelcompensatie die is opgenomen in bijlage 17 blijkt dat er
naar verwachting sprake kan zijn van voor vergoeding in aanmerking komende
nadeelcompensatie. Ter zake van de in voornoemde risicoanalyse geraamde
nadeelcompensatie die voor vergoeding in aanmerking komt heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten.
3 Zie TK 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 153.
80
Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1
Participatie
De manier waarop participatie is uitgevoerd is beschreven in hoofdstuk 4. Dit
hoofdstuk gaat in op de wijze van participatie met de omgeving, de uitkomsten en de betekenis voor het plan.
De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke
publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch
in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende
een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn
heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.
Wanneer gedurende de inzagetermijn zienswijzen binnenkomen, worden deze
samengevat en beantwoord in een separate notitie, die als bijlage bij dit wijzigingsbesluit zal worden opgenomen.
81
Bijlagen Bijlage 1
Principebesluit
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeer
Bijlage 2
Bijlage 4
Bijlage 5
Bijlage 6 Bijlage 7
Bijlage 8 Bijlage 9
Participatieverslag Bodemonderzoek Verkeersrapport
AERIUS-berekening
Quickscan flora en fauna
Nader onderzoek flora en fauna
Beoordeling nader onderzoek flora en fauna
Bijlage 10 Boomeffectanalyse
Bijlage 10a Beknopte boomeffectanalyse n.a.v. wijzigen uitrit
Bijlage 11 Archeologisch onderzoek
Bijlage 12 Beoordeling archeologisch onderzoek Bijlage 13 Bezonningsstudie Bijlage 14 Watertoets
Bijlage 15 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 16 Ladderonderbouwing
Bijlage 17 Risicoanalyse nadeelcompensatie
82