Bijlage 3: Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid gemeente Doesburg 2024
Tekst van het document
2019 171 9,7% 88 4,9% 259 14,6%
2022 143 8,4% 94 5,5% 237 13,9%
Kenmerken 237 minimakinderen tot 120 procent Wsm in beeld Inkomensbron. In de periode tussen 2018 en 2022 is het aandeel minimakinderen dat opgroeit in een huishouden met een uitkering vanuit de Participatiewet afgenomen en het aandeel kinderen in een gezin met een andersoortige inkomensbron gestegen. Dit beeld zagen we ook bij alle minimahuishoudens en past in een landelijke trend dat ook werkenden financiële zorgen hebben gekregen en moeten rondkomen van een minimuminkomen. Tabel 1.1.7 Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens Participatiewet Ander inkomen en AOW Totaal
2018 130 148 283
46% 52% 100%
2019 102 39% 157 61% 259 100%
2022 85 36% 152 64% 237 100%
Overige kenmerken. Meer dan de helft van de minimakinderen woont in een eenoudergezin en dit aandeel en aantal is fors gestegen (2018: 46 procent; 2019: 45 procent; 2022: 57 procent). Verder heeft de helft van de minimakinderen een niet-westerse migratieachtergrond en 45 procent heeft een Nederlandse achtergrond. Tot slot woont bijna de helft (46 procent) van de minimakinderen in de wijk Molenveld. 29 procent woont in De Ooi. Tabel 1.1.8 Huishoudverdeling kinderen in minimahuishoudens Eenoudergezin Tweeoudergezin Totaal
2018 131 152 283
46% 54% 100%
2019 116 45% 143 55% 259 100%
2022 136 57% 101 43% 237 100%
Minimakinderen ten opzichte van alle kinderen: wat valt op? Sommige kinderen hebben meer kans om op te groeien in armoede dan andere kinderen. In de gemeente Doesburg groeien kinderen in een eenoudergezin vaker op in een minimahuishouden dan kinderen uit andere huishoudens: 38 procent van kinderen in een eenoudergezin woont in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm (zie onderstaande figuur). Figuur 1.1.3. Aandeel minimakinderen t.o.v. alle kinderen; huishoudtype Minima Minimakinderen in eenoudergezin Minimakinderen in tweeoudergezin
Niet-minima
38%
van de 351 kinderen in eenoudergezinnen van de 1.351 kinderen in tweeoudergezinnen
8%
Verder groeien kinderen in huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond vaker op in een minimahuishouden dan kinderen met een andere achtergrond (zie de volgende figuur); ruim 4 op de 10 kinderen met een dergelijke achtergrond woont in een minimahuishouden. Onder kinderen met een Nederlandse achtergrond is dat minder dan 1 op de 10.
21
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
Figuur 1.1.4. Aandeel minimakinderen t.o.v. alle kinderen; achtergrond Minima
Niet-minima
Minimakinderen met een Nederlandse achtergrond
8%
van de 1.287 kinderen met een Nederlandse achtergrond
Minimakinderen met een westerse migratieachtergrond
9%
van de 141 kinderen met een westerse migratieachtergrond
Minimakinderen met een niet-westerse migratieachtergrond
42%
van de 280 kinderen met een nietwesterse migratieachtergrond
1.3. Minimaregelingen • •
De individuele inkomenstoeslag kent een relatief hoog bereik; Het gebruik en bereik van de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen en de bijzondere bijstand zijn gedaald in de periode van 2018 - 2022.
Gebruik van de minimaregelingen13 Het gebruik is gemeten over de gehele kalenderjaren 2018, 2019 en 2022. Tabel 1.1.9 Gebruik van de minimaregelingen in aantallen over de periode 2018-2022. Regelingen 2018 2019 2022 Kwijtschelding gemeentelijke 374 huishoudens 342 huishoudens 283 huishoudens belastingen Bijzondere bijstand 202 huishoudens 189 huishoudens 138 huishoudens Individuele inkomenstoeslag 200 huishoudens 186 huishoudens 204 huishoudens Collectieve zorgverzekering 261 huishoudens 278 huishoudens 213 huishoudens Jeugdfonds Sport & Cultuur 95 kinderen 114 kinderen 60 kinderen Tegemoetkoming chronisch 509 huishoudens 496 huishoudens 81 huishoudens zieken en gehandicapten Bereik van de minimaregelingen Het bereik van de verschillende minimaregelingen is berekend door het gebruik van de regeling af te zetten tegen de geschatte totale doelgroep (dus inclusief de minima die de gemeente niet in beeld heeft). Daarnaast wordt het bereik van de regeling vergeleken met het gemiddelde bereik in andere gemeenten met een inwonertal tot 50.000. • • •
Het bereik van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen is gedaald in de periode 2018-2022. In 2022 is dit bereik 60 procent, dit ligt aanzienlijk onder het landelijke gemiddelde van 70 tot 75 procent wat gangbaar is. Een vijfde van de minimahuishoudens maakt gebruik van de bijzondere bijstand in 2022. In 2018 en 2019 was dit bereik hoger. Gemiddeld heeft de bijzondere bijstand een bereik van 20 tot 25 procent14. Huishoudens die drie jaar of langer van een minimuminkomen moeten rondkomen, kunnen aanspraak maken op de individuele inkomenstoeslag. Deze regeling kent een relatief hoog bereik in de gemeente Doesburg van 68 procent; vaak is een bereik van zo’n 45 tot 55 procent gangbaar.
13 De cijfers over het gebruik van regelingen en voorzieningen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld
kon worden aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd. 14 Een hoog bereik van de bijzondere bijstand is niet per definitie een positief signaal. De bijzondere bijstand verstrekt ondersteuning bij specifieke, noodzakelijke (eenmalige) kosten. Een hoog gebruik en bereik van de bijzondere bijstand kan erop wijzen dat het aanbod aan minimaregelingen verschillende kosten niet dekt en niet voor alle minimahuishoudens voldoende ondersteunt.
22
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
•
• •
versie 1.0
In totaal maken 213 huishoudens gebruik van de collectieve zorgverzekering via Menzis. Dit brengt het bereik op 29 procent en dat ligt onder het gemiddelde bereik van 35 tot 40 procent. Het aantal gebruikers laat de laatste jaren ook een dalende trend zien. Een mogelijke oorzaak is dat in 2018 en 2019 de inkomensgrens 130 procent Wsm was, in 2022 was dit 120 procent Wsm. Het bereik van het Jeugdfonds Sport & Cultuur is in 2022 gedaald tot 25 procent, ook het aantal kinderen dat hiervan gebruik heeft gemaakt is gedaald. Vaak ligt het bereik van het Jeugdfonds rond de 35 à 45 procent. In 2022 hebben 81 huishoudens gebruikgemaakt van de tegemoetkoming chronisch zieken. Dat aantal ligt flink lager dan in 2018 en 2019. De reden daarvoor is dat in 2022 alleen cliënten met een uitkering Levensonderhoud of periodieke bijzondere bijstand in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming. In het verleden werd en nog ambtshalve uitgekeerd.
Figuur 1.1.5. Bereik minimaregelingen, afgezet tegen de totale geschatte doelgroep 15 2018
2019
2022
Landelijk
80% 73% 70-75% 66%
68%
60% 52%
45-55% 35-40% 38% 40%
33% 27% 19%
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
28% 29% 20-25%
Bijzondere bijstand
Individuele inkomenstoeslag
Collectieve zorgverzekering
35-45%
25%
Jeugdfonds Sport & Cultuur
15 In de voorgaande metingen was de hoogste inkomensgrens voor de collectieve zorgverzekering 130
procent Wsm. In 2022 was dit 120 procent Wsm. Dit maakt het vergelijken lastig. In 2018 is er geen bereik berekend over de doelgroep van 130 procent Wsm.
23
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
1.4. Overige regelingen voor lage inkomens16 1.4.1. Energietoeslag Om inwoners tegemoet te komen in de hoge kosten voor energie konden gemeenten hun inwoners de energietoeslag uitkeren in 2022. In de gemeente Doesburg konden inwoners aanspraak maken op de energietoeslag als hun inkomen niet hoger was dan 120 procent Wsm. Er werd geen vermogenstoets gedaan; ook huishoudens met een vermogen hoger dan is toegestaan in de Participatiewet konden gebruikmaken van deze regeling. In totaal hebben 826 huishoudens in 2022 gebruikgemaakt van de toeslag; dat is 15 procent van alle huishoudens in de gemeente Doesburg. Van deze 879 huishoudens is 65 procent (532) in beeld bij de gemeente als minimahuishouden; van hen is bekend dat zij een inkomen hebben tot 120 procent Wsm en een vermogen hebben dat past binnen de grenzen van de Participatiewet. Tabel 1.1.10 Gebruik energietoeslag Minimahuishouden tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal
2022 532 65% 294 35% 826 100%
Minimahuishoudens met energietoeslag De 532 gebruikers van de energietoeslag die die gemeente al in beeld heeft, vormen 81 procent van de doelgroep tot 120 procent Wsm die de gemeente al kent (en die dus een laag vermogen hebben). Een vijfde van de doelgroep met een laag vermogen heeft dus geen gebruikgemaakt van de energietoeslag. Kenmerken huishoudens die gebruik hebben gemaakt van de energietoeslag in beeld De 826 huishoudens die gebruikmaken van de energietoeslag vormen meestal een alleenstaand huishouden (62 procent), hebben veelal een Nederlandse achtergrond (59 procent) en ruim 1 op de 3 (36 procent) is 66 jaar of ouder. Van de 532 gebruikers van de energietoeslag die de gemeente al als minimahuishouden in beeld heeft ontvangt 38 procent een bijstandsuitkering en is bovendien 87 procent al langdurig minima.
1.4.2. Tegemoetkoming hoge lasten De tegemoetkoming hoge lasten is bedoeld voor huishoudens die een inkomen tussen 120 en 150 procent Wsm hebben en daardoor niet in aanmerking komen voor de energietoeslag. Omdat ook deze groep door de prijsstijgingen van onder andere energie in 2022 moeite kan hebben met het betalen van die rekening(en) heeft de gemeente besloten deze huishoudens ook tegemoet te komen met deze speciale regeling. In totaal hebben 33 huishoudens in 2022 gebruikgemaakt van de tegemoetkoming. Daarvan zijn er 5 al bekend als minima in de gemeente via een andere regeling. Kenmerken huishoudens die gebruik hebben gemaakt van de tegemoetkoming hoge lasten in beeld De 33 huishoudens die gebruik hebben gemaakt van de tegemoetkoming bestaan voor het merendeel uit huishoudens zonder kinderen (49 procent alleenstaanden en 24 procent meerpersoonshuishouden zonder kinderen) en hebben meestal een Nederlandse achtergrond (73 procent). Bijna de helft van de huishoudens heeft een leeftijd van 45 tot 66 jaar, een derde is 66 jaar of ouder.
16 De cijfers over het gebruik van regelingen en voorzieningen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld
kon worden aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd.
24
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
1.5. Overige gemeentelijke voorzieningen17 1.5.1. Wmo In 2022 maakten 725 huishoudens gebruik van één of meerdere Wmo-voorzieningen. Dat is een daling ten opzichte van de vorige meting in 2019. Van de huishoudens die gebruik hebben gemaakt van de Wmo is een derde bij de gemeente als minimahuishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm bekend. Gezien vanuit de 658 minimahuishoudens betekent dit dat ruim één op de drie hiervan (241 van de 658) een zorgvraag heeft. Tabel 1.1.11 Gebruik Wmo over de periode 2018 - 2022 Minimahuishouden tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal
2018 138 22% 482 78% 620 100%
2019 207 22% 754 78% 961 100%
2022 241 33% 484 67% 725 100%
De 725 huishoudens die gebruik hebben gemaakt van één of meerdere Wmo-voorzieningen zijn grotendeels alleenstaand (61 procent) en 66 jaar en ouder (62 procent). Meer dan driekwart van de huishoudens heeft een Nederlandse achtergrond. Onder de 241 minimahuishoudens die gebruik hebben gemaakt van één of meerdere Wmo-voorzieningen zijn deze verhoudingen grotendeels hetzelfde. Het aandeel alleenstaanden is iets hoger (65 procent) en het aandeel 66 jarigen en ouder is kleiner; 58 procent.
1.5.2. Jeugdwet In de gemeente Doesburg maakten 254 huishoudens gebruik van één of meerdere voorzieningen uit de Jeugdwet. Van deze huishoudens is bijna een vijfde bij de gemeente in beeld als minimahuishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm. In totaal maken 277 kinderen in de gemeente gebruik van één of meerdere voorzieningen uit de Jeugdwet. Ook hier is ongeveer een vijfde van de kinderen bij de gemeente in beeld als kind uit een minimahuishoudens. Tabel 1.1.12 Gebruik Jeugdwet in 2022 Minimahuishouden tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal
Huishoudens 2022 47 18% 207 82% 254 100%
Kinderen 2022 60 22% 217 78% 277 100%
Van de 277 kinderen die gebruik hebben gemaakt van één of meerdere voorzieningen uit de Jeugdwet heeft bijna acht op de tien een Nederlandse achtergrond (78 procent). Verder komt 62 procent van de kinderen uit een meerpersoonshuishouden en 38 procent uit een eenoudergezin. De 60 kinderen die wonen in een minimahuishouden tot 120 procent Wsm, komen daarentegen voornamelijk uit eenoudergezinnen (80 procent) en minder vaak uit een meerpersoonshuishoudens (20 procent). Verder komen de 60 kinderen uit minimahuishoudens waar 43 procent een inkomen uit de Participatiewet ontvangt en 57 procent uit een huishouden met een andersoortige inkomensbron.
1.5.3. Schuldhulpverlening In totaal kregen 91 huishoudens schuldhulpverlening in de gemeente Doesburg in 2022. Ten opzichte van 2019 is het aantal huishoudens dat gebruikmaakt van schuldhulpverlening gestegen. Een meerderheid van 61 procent van de huishoudens in de schuldhulpverlening is ook bekend bij de gemeente als minimahuishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Deze 56 minimahuishoudens met SHV maken 8,5% uit van de totale minimapopulatie die bij de gemeente in beeld is.
17 De cijfers over het gebruik van regelingen en voorzieningen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld
kon worden aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd.
25
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
Tabel 1.1.13 Gebruik schuldhulpverlening over de periode 2018 - 2022 Minimahuishouden tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal
2018 80 58% 57 42% 137 100%
2019 41 55% 33 45% 7418 100%
2022 56 61% 35 39% 91 100%
De 91 huishoudens die gebruikmaken van schuldhulpverlening zijn veelal alleenstaand (48 procent) of vormen een huishouden met kinderen (41 procent). De meeste huishoudens hebben een Nederlandse achtergrond (63 procent). Onder de 56 minimahuishoudens tot 120 procent Wsm die gebruikmaken van schuldhulpverlening heeft het merendeel een inkomen tot 100 procent Wsm (63 procent). Daarbij heeft 73 procent van de minimahuishoudens 3 jaar of langer een minimuminkomen. 41 procent ontvangt een inkomen uit de Participatiewet en de meerderheid van de minimahuishoudens heeft tot slot een andersoortige inkomensbron (54 procent).
1.5.4. Overlap minimahuishoudens met gemeentelijke voorzieningen In de vorige paragrafen is de overlap van de minimahuishoudens die bij de gemeente in beeld zijn en gebruikmaken van Jeugdwet-, Wmo-voorzieningen en/ of schuldhulpverlening beschreven. In onderstaande grafiek is de overlap overzichtelijk weergegeven. Figuur 1.1.6. Overlap voorzieningen onder minima Gebruik Wmo
37%
Jeugdwet (kinderen)
van alle 658 minimahuishoudens
25%
Jeugdwet (gezinnen) Schuldhulpverlening
Niet-gebruik
van alle 237 minimakinderen tot 18 jaar
35%
van alle 130 minimagezinnen
9%
van alle 658 minimahuishoudens
De overlap van het gebruik van de verschillende voorziening onder minima is over het algemeen hoger dan de overlap die in vergelijkbare gemeenten is terug te zien. Zo komt gemeente Doesburg met een overlap van 37 procent bij Wmo-voorzieningen onder minimahuishoudens boven een gemiddelde overlap van 20 tot 25 procent. Bij de Jeugdwet wordt onder minimakinderen tot 18 jaar over het algemeen een overlap van 15 tot 20 procent teruggevonden, bij Doesburg ligt het percentage van 25 procent hierboven. Tot slot komt de overlap gevonden bij de schuldhulpverlening (9 procent) overeen met gemiddelden uit andere gemeenten, dit is doorgaans rond de 10 procent.
18 In 2018 is het gebruik van de WSNP ook meegenomen. Dit ontbreekt in 2019 en 2022.
26
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
2. Huidig beleid Aan de hand van relevante beleidsdocumenten wordt in dit hoofdstuk het huidige minimabeleid weergegeven. Omdat het minimabeleid onder het sociaal domein valt wordt ook hier aandacht aan besteed.
2.1. Toekomstvisie Doesburg 2040 De gemeente heeft een toekomstvisie opgesteld voor Doesburg. Middels drie hoofdkeuzes wil de gemeente een leefbare en levendige stad realiseren: 1) Balans in wonen & ondernemen 2) Mensen meer verbinden & versterken 3) Goede kwaliteit toerisme & makkelijke ontspanning in de natuur Minimabeleid Het minimabeleid van de gemeente heeft voornamelijk raakvlakken met punt 2 en betreft een sociale aanpak die verbindend en versterkend is. Voor deze aanpak heeft de gemeente twee actielijnen opgesteld: Actielijn 1: De inzet op preventie en vroegsignalering met als resultaat het voorkomen en verkleinen van de groep Doesburgers met sociale, financiële en psychische problematiek en een effectieve inzet van voorzieningen. Actielijn 2: Samen bouwen op en aan een krachtige gemeenschap met inzet van betrokken inwoners, organisaties en verenigingen, vrijwilligers en ondernemers.
2.2. Koers sociaal domein ‘Koers verleggen’ 2.2.1. Terugblik vorige beleidsperiode Bij het vaststellen van de nieuwe koers voor het sociaal domein in 2021 is geconstateerd dat in de voorliggende beleidsperiode gewenste resultaten uit zijn gebleven. Zo hebben de plannen niet geleid tot een afname van zware zorg, een toename van de draagkracht van het gezin en de omgeving of een afname van kosten. De gemeente Doesburg vindt dit zorgelijk, mede omdat de vergrijzing doorzet, meer mensen langer zelfstandig blijven wonen en ondersteuning nodig hebben, de beschikbaarheid van zorgpersoneel en mantelzorgers afneemt en de jeugd meer problemen ervaart door de complexiteit van de samenleving.
2.2.2. Hoofddoelen huidige koers De gemeente heeft voor het sociaal domein de volgende hoofddoelen opgesteld: 1. Versterken van de sociale basis van Doesburg De gemeente wil voornamelijk inzetten op de informele netwerken, bewonersinitiatieven en de relaties van inwoners onderling, met organisaties en de overheid. De rol van de gemeente is om dit te faciliteren door de stad hierop in te richten, middels onder andere laagdrempelige inloopplekken, sport- en speelplekken en de inrichting van de buitenruimtes. 2. Preventie en vroegsignalering De gemeente geeft aan dat er binnen domeinen veel gebeurt op het gebied van preventie en vroegsignalering. De gemeente wil aandacht geven aan het breed in kaart brengen van de signalen en meer samenwerking laten plaatsvinden. Een voorwaarde hiervoor is een sociale kaart. Daarbij is meer bekendheid van de Vraagbaak wenselijk. 3. Zorgen voor bestaanszekerheid Gemeente Doesburg wil in een integrale aanpak de belangrijkste problemen eerst oplossen, om vervolgens verdere stappen vooruit te kunnen doen. Hierin wordt de inwoners centraal gesteld en wordt er rekening gehouden met de vaardigheden van de inwoner. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoners is en blijft het uitgangspunt. Daarbij ziet de gemeente de omgekeerde toets als een goede werkwijze hiervoor.
Er wordt eerst gekeken hoe een gezin vooruit geholpen kan worden en daarna welke regeling eventueel kan worden ingezet.
27
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
4. Positieve gezondheid en inclusie De gemeente wil in de aanpak uitgaan van positieve gezondheid. Gezondheid is het vermogen om je aan te passen en zelf te beslissen hoe je omgaat met uitdagingen. De nadruk wordt gelegd op de veerkracht van inwoners. Daarbij ziet de gemeente een inclusieve samenleving wanneer iedereen kan meedoen en voorzieningen toegankelijk zijn.
2.2.3. Uitwerking hoofddoelen De gemeente benoemt een aantal elementen die belangrijk zijn voor de vormgeving van de doelen, waaronder het centraal stellen van de inwoners, een integrale aanpak en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De verdere uitwerking zal plaatsvinden in samenwerking met inwoners, ondernemers en organisaties die actief zijn in Doesburg, aldus de gemeente.
2.3. Minimabeleid 2021-2023 2.3.1. Visie In het minimabeleid voor de periode 2017 – 2020 was de doelstelling ‘Het voorkomen van armoede zodat iedereen mee kan doen en het voorzien in een financieel vangnet indien noodzakelijk’. Het huidige beleid borduurt hier op voort en zet in op verdere optimalisatie van het vorige beleid.
2.3.2. Uitgangspunten Bij het opstellen van het minimabeleid is een aantal uitgangspunten aangehouden: • Eigen kracht: Inwoners zoeken eerst zelf oplossingen, wanneer dit niet lukt kan de gemeente hulp bieden. • Ondersteuning daar waar nodig: Om grip op de situatie te krijgen of houden, biedt de gemeente verschillende soorten ondersteuning. Bijvoorbeeld financieel of hulp bij het vinden van werk. • Preventief: We willen voorkomen dat inwoners in een situatie terecht komen waarin ze ondersteuning nodig hebben, kinderen niet mee kunnen doen en inwoners verder van de arbeidsmarkt komen te staan. • Aanvulling op en in samenhang met andere beleidsterreinen: We kijken naar de samenhang van verschillende problemen bij de aanpak.
2.3.3. Regelingen Het minimabeleid richt zich op inwoners in Doesburg die rond moeten komen van een inkomen om en nabij het sociaal minimum. Verschillende minimaregelingen worden aangeboden, waarbij verschillende voorwaarden gelden 19. De regelingen hebben veelal een inkomensgrens tot 120 procent Wsm en de regelingen dienen verschillende doelgroepen. Het eigen risico van de zorgverzekering kan zowel via een pakket van de collectieve zorgverzekering als via de tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten worden vergoed. Tabel 2.3.1 Aanbod aan minimaregelingen in Doesburg in 2023 Soort regeling Bijzondere bijstand
Inkomensgrens Tot 120% Wsm
Vergoeding 2023 Individuele vergoedingen
Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen
Tot 100% Wsm
Afvalstoffenheffing, rioolheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing:
Individuele inkomenstoeslag
Minimaal 3 jaar tot 110% Wsm
Collectieve zorgverzekering (via Menzis)
Tot 120% Wsm
Alleenstaande: € 465; alleenstaande ouder: € 591; paar: € 657 per jaar Keuze uit 3 aanvullende pakketten, vergoeding verschilt per pakket. In het meest uitgebreide pakket wordt het eigen risico vergoed.
19 Zie bijlage 1 voor een uitgebreide weergave van de vergoedingen uit de verschillende minimaregelingen.
28
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
Soort regeling Tegemoetkoming Meerkosten Chronisch Zieken en Gehandicapten Volwassenenfonds Sport (Pilot)
Inkomensgrens
Vergoeding 2023
Tot 120% Wsm
Maximale bijdrage van € 300 per jaar voor het eigen risico van de zorgkosten.
Tot 120% Wsm20
Jeugdfonds Sport en Cultuur21
Tot 120% Wsm22
Stichting Leergeld
Tot 120% Wsm
Stichting Jarige Job
Tot 120% Wsm
Studietoeslag Energietoeslag
versie 1.0
Situatieafhankelijk Tot 120% Wsm
Een maximaal bedrag van €250,- per 12 maanden voor sport. Maximale vergoeding sport: € 225 per jaar. Maximale vergoeding cultuur: € 425 per jaar. Voor kinderen van 4 tot 17 jaar. De zwemdiploma’s hebben een maximale vergoeding per kind vanaf 5 jaar. Verschillende vergoedingen voor kinderen van 4 tot 18 jaar voor onderwijs (bijv. bijles, fiets, werkkleding stage, laptop) en welzijn (inrichting kinderkamer, abonnement tijdschrift en speeltuin). Een Verjaardagsbox ter waarde van € 35 per kind (4-18 jaar) per jaar. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van de leeftijd van de aanvrager € 1.300 per huishouden
2.3.4. Pijlers en uitwerking De drie pijlers ‘preventie, meedoen (met name voor kinderen) en vangnet’ zijn afkomstig uit het minimabeleid van 2017-2020. In het huidige beleidsplan 2021-2023 zijn deze pijlers gecontinueerd. De beoogde resultaten en de uitwerking van het minimabeleid volgen hieronder per pijler. Preventie Op het gebied van communicatie wil de gemeente dat medewerkers en organisaties op de hoogte zijn van gemeentelijke regelingen en elkaars werkzaamheden. De gemeente heeft een overzichtskaart gemaakt met de gemeentelijke regelingen. Het is van belang dat alle organisaties van de gemeente Doesburg op de hoogte zijn van de ondersteuning bij de gemeente. De gemeente zorgt hiervoor. Verder wil de gemeente zo veel mogelijk informatie digitaal verspreiden naar inwoners. De gemeente wil dat de informatie op de sociale media en op de website van de gemeente en van de Vraagbaak actueel is. Ook wil de gemeente inwoners informeren over regelingen via folders en via artikelen in de Regiobode, om inwoners die niet of minder digitaal vaardig zijn, te bereiken. In de voorgaande beleidsperiode heeft de gemeente gewerkt aan één voorportaal voor inwoners, waar ze terecht kunnen voor vragen, advies, ondersteuning en zorg op het gebied van werk, inkomen, schulden, gezondheid, jeugd en Wmo: de Vraagbaak.
In de huidige beleidsperiode wil de gemeente de integrale dienstverlening verfijnen en verbeteren. De gemeente ziet het optimaliseren van de toegang als een cruciaal instrument om de opgave in het sociaal domein in Doesburg te realiseren. De doorontwikkeling heeft namelijk impact op de wijze waarop Doesburg invulling geeft aan haar taken, de organisatie en sturing en de relatie met maatschappelijke partners. Ook wil de gemeente in samenwerking met het maatschappelijk veld armoede terugdringen. Eerder heeft de gemeente het ‘Armoedepact’ gerealiseerd. Vanuit dit pact zijn periodiek bijenkomsten georganiseerd om met netwerkpartners te bespreken hoe armoede teruggedrongen kan worden en hoe de werkzaamheden van de verschillende initiatieven op 20 Dit betreft geen harde inkomensgrens, de inkomensgrens is een richtlijn. 21 De gemeente heeft de samenwerking met het Jeugdfonds Sport en Cultuur in november 2023 stopgezet. 22 Dit betreft geen harde inkomensgrens, de inkomensgrens is een richtlijn.
29
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
elkaar kan worden afgestemd. Aangezien deze vorm van het ‘Armoedepact niet meer actief is, wil de gemeente in de huidige periode regelmatig met het maatschappelijke veld overleggen. Op het gebied van schuldhulpverlening wil de gemeente vroegtijdig hulp bieden bij (problematische) schulden en verdere problemen voorkomen. De gemeente optimaliseert hiervoor het vroegsignaleringsproces, werkt actief samen met netwerkpartners en zet een campagne op. De campagne is gericht op bewustwording bij inwoners om schaamte bij schulden tegen te gaan. Meedoen De gemeente biedt verschillende regelingen om ervoor te zorgen dat alle inwoners mee kunnen doen in de maatschappij. Om de samenwerking met netwerkpartners te optimaliseren wil de gemeente duidelijke kaders stellen voor de uitvoering van regelingen, zodat de regelingen worden gebruikt door inwoners voor wie ze zijn bedoeld. Voor de verschillende regelingen die gemeente Doesburg biedt, gelden verschillende voorwaarden. Aangezien dit voor verwarring kan zorgen, streeft de gemeente naar eenduidige en transparante voorwaarden. Zodat het voor organisaties en inwoners eenvoudiger is om dit te volgen. Verder wil de gemeente één plek waar verschillende regelingen tegelijkertijd aangevraagd kunnen worden. De gemeente onderzoekt daarnaast welke mogelijkheden er zijn voor een ‘Doesburgse meedoenpas’23 en de implementatie hiervan24.
Op het gebied van meedoen wil de gemeente tot slot een uitbreiding van de regelingen. De gemeente onderzoekt of het mogelijk is de huidige regelingen uit te breiden met mogelijkheden tot deelname aan sport voor volwassenen25 en het bieden van gezonde(re) voeding26. Vangnet Als vangnet biedt de gemeente verschillende regelingen voor inwoners met een laag inkomen. Om het vangnet verder te verbeteren, heeft de gemeente een aantal acties geformuleerd. De gemeente wil partners informeren over de regelingen en het aanvraagproces. Ook door de voorwaarden van de regelingen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, wil de gemeente het vangnet versterken. Specifiek wil de gemeente voor de regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en de gemeentepolis duidelijke kaders bieden. De gemeente gaat beleidsregels voor de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en gemeentepolis opstellen en vaststellen door het college van bestuur.
2.3.5. Monitoring De gemeente informeert de Raad middels een integrale voortgangsrapportage over de doelstellingen van het beleid. Ook wordt de uitvoering van het minimabeleid via de kadernota en de jaarrekening gemonitord.
23 De wens om een Meedoenpas in te voeren stond ook in het vorige beleidsplan. De overheadkosten
werden echter te hoog bevonden voor kleine gemeente als Doesburg. De pas is daarom in vorige periode niet ingevoerd. Nu er meerdere gemeenten (in de regio) een Meedoenpas hebben, heeft de gemeente de wens opnieuw in het beleidsplan gezet. 24 Ook in de huidige beleidsperiode is het de gemeente niet gelukt om een Meedoenregeling of meedoenpas te realiseren voor inwoners in Doesburg. 25 In 2023 is de gemeente Doesburg gestart met een Pilot van het Volwassenenfonds Sport. 26 Er zijn geen concrete acties opgezet om te onderzoeken wat mogelijk in het aanbieden van gezonde voeding.
30
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3. De inkomenseffecten In dit hoofdstuk staan de inkomenseffecten in 2023.
3.1. Het effect van het landelijk beleid is groter dan het gemeentelijk beleid Minima hebben recht op landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Het totale bedrag uit de landelijke toeslagen (zoals huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag, kindgebonden budget en mogelijk de combinatiekorting) is groter dan het totale bedrag uit de gemeentelijke regelingen. In figuur 2.1.1. is de opbouw van het maandelijks totaal inkomen bij een inkomen van 100 procent Wsm per huishoudtype weergegeven. Omdat de aanname is gedaan dat deze huishoudens langdurig minima zijn, is de individuele toeslag meegenomen in de gemeentelijke bijdragen. Te zien is dat huishoudens met kinderen een hoger bedrag aan landelijke toeslagen kunnen ontvangen dan huishoudens zonder kinderen. Het verschil in hoogte is toe te schrijven aan de verschillende kindregelingen waar gezinnen recht hebben, zoals het kindgebonden budget of de kinderbijslag. Bij de gemeentelijke bijdragen is het verschil minder groot. Als voorbeeld: een alleenstaande ontvangt maandelijks € 1.196 aan bijstandsuitkering (inclusief vakantietoeslag). Als hij gebruikmaakt van alle landelijke toeslagen, ontvangt hij daar maandelijks € 461 voor.
Daarnaast kan hij maximaal € 276 aan gemeentelijke regelingen ontvangen als hij gebruikmaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, de collectieve zorgverzekering, het Volwassenenfonds Sport, de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag. Figuur 3.1.1. Maandelijks inkomen op 100% Wsm, uitgesplitst naar huishoudtype
Maandelijkse bijdragen Uitkering
Toeslagen Rijk
Bijdrage gemeente
€ 3.500 € 453
€ 3.000 € 362 € 2.500
€ 331
€ 385 € 1.112
€ 2.000
€ 587 € 276
€ 1.500
€ 590 € 237
€ 1.322
€ 463
€ 461
€ 1.000 € 1.708 € 500
€ 1.196
€ 1.807
€ 1.708 € 1.331
€ 1.196
€0 Alleenstaande Paar zonder Alleenstaande kinderen ouder met kinderen
31
Paar met kinderen
Alleenstaande AOW-leeftijd
Paar AOWleeftijd
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.2. Opbouw maandelijkse gemeentelijke bijdrage op 100% Wsm Uit de vorige paragraaf blijkt dat de (maximale) maandelijkse gemeentelijke bijdrage verschilt per huishoudtype. In figuur 2.2.1. is de opbouw van het totale bedrag aan gemeentelijke regelingen per huishoudtype weergegeven voor minima met een inkomen van 100 procent Wsm. Als voorbeeld: een alleenstaande ouder ontvangt maandelijks (maximaal) € 73 voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, € 57 korting vanuit de collectieve zorgverzekering, € 21 voor het Volwassenenfonds Sport, € 54 voor het Jeugdfonds Sport en Cultuur en € 108 als energietoeslag vanuit de gemeente. In totaal ontvangt hij dan € 313 per maand vanuit de gemeentelijke regelingen. Als hij al drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, krijgt hij daar bovenop € 49 voor de individuele inkomenstoeslag. Bij een langdurig minimuminkomen ontvangt hij € 362 als gemeentelijke bijdrage.
Figuur 3.2.1. Maandelijks bedrag per regeling op 100% Wsm, per huishoudtype
Maandelijkse gemeentelijke bijdragen Kwijtschelding
Collectieve Zorgverzekering
Volwassenenfonds Sport
Jeugdfonds Sport en Cultuur
Energietoeslag
Individuele inkomenstoeslag
€ 500 € 450 € 55 € 400 € 55
€ 350
€ 49
€ 108
€ 108
€ 54
€ 300 € 108 € 250
€ 39
€ 42
€ 42
€ 200 € 108
€ 21 € 21
€ 113
€ 42 € 108
€ 54
€ 150
€ 108
€ 113 € 21
€ 113
€ 57
€ 100 € 57
€ 57
€ 50 € 52
€ 68
€ 73
€ 81
Alleenstaande ouder met kinderen
Paar met kinderen
€ 52
€ 68
€0 Alleenstaande Paar zonder kinderen
32
Alleenstaande AOW-leeftijd
Paar AOWleeftijd
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.3. Gemeentelijke bijdragen zorgen voor (meer) vrij besteedbaar budget Alle minimahuishoudens houden door de gemeentelijke regelingen (meer) geld over voor het doen van vrije bestedingen (bedoeld voor sociale participatie). Dit is het bedrag dat maandelijks overblijft na aftrek van alle vaste lasten, huishoudelijke uitgaven en reserveringsuitgaven (zie kader). Hoeveel een huishouden daarvoor over houdt, én hoeveel iemand daarvoor nodig heeft, verschilt per huishouden en inkomenshoogte. Een paar met kinderen zal daar gemiddeld meer aan (willen) uitgeven dan een alleenstaande. Het Nibud hanteert een normbedrag voor het vrij besteedbaar budget, dit is het bedrag dat een huishouden nodig heeft voor dergelijke uitgaven. Deze staan ook in de figuur. Uiteraard zal iemand die nauwelijks geld meer over heeft, dat niet per definitie daaraan besteden. Duiding vrij besteedbaar budget Het vrij besteedbaar budget is bedoeld voor sociale participatie (een krant, abonnement, dagje uit, op bezoek gaan et cetera). Dat huishoudens in de plus staan betekent niet direct dat huishoudens ook op een minimaal niveau sociaal kunnen participeren. Een alleenstaande zonder kinderen heeft volgens het Nibud € 110 nodig voor minimale sociale participatie (zie bijlage 3). In Figuur 2.3.1.
is te zien dat er op bijstandsniveau zonder de gemeentelijke bijdragen niet voldoende budget is voor vrije bestedingen, een alleenstaande heeft dan namelijk een budget van € 74. Indien een alleenstaande gebruik maakt van alle gemeentelijke regelingen is er (€ 74 + € 276 =) € 350 beschikbaar voor vrije bestedingen. Een alleenstaande zonder kinderen heeft dan voldoende budget voor sociale participatie.
In de volgende figuren staat per huishoudtype het budget dat zij overhouden voor vrije bestedingen, opgesplitst in wat zij zonder de gemeentelijke regelingen zouden overhouden en wat de gemeentelijke regelingen toevoegen aan het vrij besteedbaar budget. De meeste voorbeeldhuishoudens houden bij ieder hoger inkomen ook telkens een groter bedrag over voor het doen van vrije bestedingen.
33
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.3.1. Minimahuishoudens zonder kinderen Alleenstaanden en paren zonder kinderen hebben bij ieder inkomen voldoende budget voor het doen van vrije bestedingen als zij gebruikmaken van alle gemeentelijke regelingen. Wanneer zij niet van (alle) gemeentelijke regelingen gebruikmaken dan komen alleenstaande bij een inkomen van 100 procent Wsm geld tekort voor het doen van (voldoende) vrije bestedingen en paren zonder kinderen komen dan zowel bij een inkomen van 100 als 110 procent Wsm geld tekort voor dergelijke uitgaven (conform de Nibudnorm). Voor deze huishoudens zijn de gemeentelijke bijdragen dus (extra) belangrijk. Als voorbeeld: een alleenstaande heeft bij een inkomen van 100 procent Wsm € 74 per maand over voor vrije bestedingen, als hij van geen enkele gemeentelijke regeling gebruikmaakt. Dit is minder dan het normbedrag van € 110 dat het Nibud hiervoor hanteert; deze persoon heeft daarom onvoldoende geld voor sociale participatie. Als hij wél van alle gemeentelijke regelingen gebruik zou maken dan houdt hij met € 350 ruim voldoende geld over voor sociale participatie. Tenslotte valt op dat alleenstaanden bij een inkomen van 110 procent Wsm € 2 minder vrij te besteden hebben dan bij een inkomen van 100 procent Wsm.
Dit komt met name door het wegvallen van de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen en de stijging van de werkgerelateerde uitgaven; de stijging van het inkomen kan dit niet compenseren. Bij paren zonder kinderen is het zo dat zij bij een inkomen van 120 procent enkele euro’s meer vrij te besteden hebben dan bij een inkomen van 130 procent Wsm. Dit heeft eveneens te maken met het wegvallen van gemeentelijke regelingen, in combinatie met een afname van de toeslagen van het Rijk. Figuur 3.3.1. Maandelijks vrij besteedbaar budget huishoudens zonder kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget: huishoudens zonder kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 110 € 74
Paar zonder kinderen
Alleenstaande
100% Wsm
€ 276
€ 123
110% Wsm
€ 224 € 243
120% Wsm
€ 186
130% Wsm
€ 444
100% Wsm € 22
€ 385 € 123
110% Wsm
€ 318 € 243
120% Wsm
€ 263 € 491
130% Wsm €0
€ 100 € 200 € 300 € 400 Normbedrag sociale participatie € 176
34
€ 500
€ 600
€ 700
€ 800
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.3.2. Minimahuishoudens met kinderen Alleenstaande ouders hebben op ieder inkomensniveau meer budget voor vrije bestedingen dan paren met kinderen. Alleenstaande ouders hebben namelijk langer recht op hetzelfde bedrag aan landelijke toeslagen en ontvangen een hoger bedrag voor het kindgebonden budget. Voor paren nemen de landelijke toeslagen sneller af. Alleenstaande ouders met kinderen hebben op alle inkomensniveaus voldoende budget voor sociale participatie (conform de Nibud norm) en zijn hiervoor niet afhankelijk van gemeentelijke regelingen. Natuurlijk zorgen de regelingen wel voor flink meer bestedingsruimte. Paren met kinderen zijn daarentegen bij inkomens tegen 100 en 110 procent Wsm afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen voor voldoende sociaal participatiebudget, zij houden weliswaar respectievelijk € 141 en € 241 over, maar dat is minder dan de norm die hiervoor staat (€ 309). Het vrij besteedbare budget van alleenstaande ouders daalt iets tussen 100 en 110 procent Wsm en tussen 120 en 130 procent Wsm, door het wegvallen van gemeentelijke regelingen. De stijging in loon (en landelijke toeslagen) kan dit niet voldoende compenseren, al gaat het om kleine bedragen. Bij ouderparen zien we dat het vrij besteedbaar budget toeneemt tussen 100 en 120 procent Wsm, maar vervolgens daalt tussen 120 en 130 procent Wsm.
De daling in landelijke toeslagen en het wegvallen van alle gemeentelijke regelingen bij 130 procent Wsm zorgen ervoor dat ouderparen een daling in hun vrij besteedbare budget merken, ondanks de loonstijging. Figuur 3.3.2. Maandelijks vrij besteedbaar budget huishoudens met kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget: huishoudens met kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Alleenstaande Paar met kinderen ouder met kinderen
Normbedrag sociale participatie € 227 100% Wsm
€ 363
€ 362
110% Wsm
€ 413
€ 289 € 539
120% Wsm
€ 734
130% Wsm 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm €0
€ 240
€ 141
€ 453
€ 241
€ 372 € 361
€ 317 € 609
€ 100 € 200 € 300 € 400 € 500 Normbedrag sociale participatie € 309
35
€ 600
€ 700
€ 800
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.3.3. AOW-gerechtigde minimahuishoudens Alleenstaande AOW-gerechtigden hebben maandelijks voldoende budget over voor vrije bestedingen, zowel met als zonder de gemeentelijke regelingen. AOW-gerechtigde paren zijn bij een inkomen van 100 procent Wsm wél afhankelijk van gemeentelijke bijdragen voor voldoende budget voor vrije bestedingen. Net als bij de meeste andere voorbeeldhuishoudens is ook bij AOW’ers een kleine daling te zien in het vrij besteedbaar budget wanneer hun inkomen stijgt van 120 naar 130 procent Wsm. Figuur 3.3.3. Maandelijks vrij besteedbaar budget per huishoudtype, AOW-gerechtigd
Vrij besteedbaar budget: huishoudens AOW gerechtigd Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Paar AOW-leeftijd
Alleenstaande AOW-leeftijd
Normbedrag sociale participatie € 110 € 191
100% Wsm
€ 237 € 324
110% Wsm
€ 186 € 450
120% Wsm
€ 186 € 578
130% Wsm € 111
100% Wsm
€ 331 € 290
110% Wsm
€ 263 € 446
120% Wsm
€ 263 € 658
130% Wsm €0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
€ 600
€ 700
€ 800
Normbedrag sociale participatie € 176
3.4. Werken vanuit de bijstand loont meestal In deze paragraaf kijken we naar de (financiële) effecten van werkaanvaarding. We geven de inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding vanuit de bijstand tot een inkomen van maximaal 130 procent Wsm: wat zijn de gezamenlijke effecten van de stijging van het loon met een eventuele daling van landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen? Per inkomensniveau en voorbeeldhuishouden geven we dit grafisch weer en leggen we dit uit aan de hand van een casus. Daarna leggen we de inkomensvooruitgang per inkomensniveau uit aan de hand van een casus. In bijlage 3 worden al deze inkomens per huishoudtype uitgesplitst naar inkomenssoort waarmee visueel wordt weergegeven waarom het totaal inkomen stijgt of daalt. Voor alle (voorbeeld)huishoudens is het zo dat een inkomen van 110 of 120 procent Wsm tot een hoger totaal inkomen leidt dan in de bijstand. Het is wel zo dat voor de meeste huishoudens de bijdragen van het Rijk en de gemeente dalen en/of vervallen wanneer het inkomen stijgt. Dit zorgt ervoor dat het totaal inkomen van een huishouden niet altijd evenredig met het loon stijgt. Ook krijgen sommige (voorbeeld)huishoudens te maken met een inkomensachteruitgang, wanneer zij gaan werken tegen een loon van 130 procent Wsm.
36
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.4.1. Alleenstaanden en paren zonder kinderen Alleenstaanden gaan er bij een hoger loon tot en met 120 procent Wsm op vooruit ten opzichte van de bijstand. Ook bij een loon van 130 procent Wsm gaan zij er weliswaar op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie (+ € 75 aan totaal inkomen) maar dat is minder dan bij een loon van 120 procent Wsm (dan gaat een alleenstaande er € 149 op vooruit). Dit komt door het wegvallen van alle gemeentelijke regelingen, waar de energietoeslag een groot deel van uitmaakt. Paren zonder kinderen gaan er bij werkaanvaarding tegen 130 procent Wsm zelfs op achteruit ten opzichte van de bijstand, werken tegen een dergelijk loon loont voor deze huishoudens dus niet. Dit is te verklaren door het wegvallen van de gemeentelijke regelingen (€ 385 in de bijstand, tegenover € 0 op 130 procent Wsm) en dalende toeslagen vanuit het Rijk (€ 587 in de bijstand en € 433 op 130 procent Wsm). Ook hier spelen de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag een rol. Bij paren dalen de landelijke toeslagen sneller én harder dan bij alleenstaanden (paren hebben bij 130 procent Wsm maandelijks € 154 minder aan landelijke toeslagen dan in de bijstand terwijl deze afname bij alleenstaanden slechts € 8 is). Figuur 3.4.1. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huish. zonder kinderen27
Inkomensgroei huishoudtypes zonder kinderen 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
4% Alleenstaande
8% 4% 4%
Paar zonder kinderen
6% -1%
Tabel 3.4.1 Inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding, huishoudens zonder kinderen Huishoudtype Alleenstaande 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm Paar zonder kinderen 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm
Netto inkomen incl. VT
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
Verschil tov 100% Wsm (€)
Verschil tov 100% Wsm (%)
1.196 1.315 1.435 1.554
461 461 461 453
276 224 186 0
1.933 2.001 2.082 2.007
68 149 75
4% 8% 4%
1.708 1.879 2.050 2.221
587 587 536 433
385 318 263 0
2.681 2.784 2.849 2.654
103 168 -27
4% 6% -1%
27 De percentages in de figuur en tabel zijn afgerond omwille van de leesbaarheid. Een klein lengteverschil
van de balkjes, bij een gelijk percentage, is terug te voeren op afrondingsverschillen.
37
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.4.2. Alleenstaande ouders en ouderparen Wanneer alleenstaande ouders vanuit de bijstand gaan werken tegen een loon van 110 of 120 procent Wsm stijgt hun totaal inkomen. Bij een loon van 120 procent Wsm hebben zij € 161 (+6%) meer aan inkomen dan in de bijstand. Werken tegen een loon van 130 procent Wsm levert weliswaar ook een hoger totaal inkomen op dan in de bijstand (+ € 46) maar financieel gezien loont dit minder dan werken tegen een loon van 110 of 120 procent Wsm. Dit komt omdat alleenstaande ouders (net als andere huishoudens) bij een inkomen van 130 procent Wsm geen recht meer hebben op gemeentelijke regelingen. Ook voor ouderparen loont het om te werken tegen 110 of 120 procent Wsm; op dat moment hebben zij een hoger totaal inkomen dan in de bijstand. Werken tegen een loon van 130 procent Wsm levert deze huishoudens echter niets op, sterker nog zij gaan er dan op achteruit ten opzichte van de bijstand. De loonstijging kan het wegvallen van gemeentelijke regelingen en landelijke toeslagen niet voldoende compenseren. Ten opzichte van de bijstand krijgt een paar met kinderen bij 130 procent Wsm € 154 minder aan landelijke toeslagen (€ 958 t.o.v. € 1.112) en € 453 minder aan gemeentelijke bijdragen (€ 0 t.o.v. € 453) 28. Figuur 3.4.2. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huishoudens met kinderen
Inkomensgroei huishoudtypes met kinderen 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
3% Alleenstaande ouder met kinderen
6% 2% 3%
Paar met kinderen
5% -3%
Tabel 3.4.2 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding, huishoudens met kinderen Huishoudtype
Netto inkomen incl. VT
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
Verschil tov 100% Wsm (€)
Verschil tov 100% Wsm (%)
362 289 240 0
2.880 2.965 3.041 2.926
85 161 46
3% 6% 2%
453 372 317 0
3.273 3.363 3.428 3.178
89 154 -95
3% 5% -3%
Alleenstaande ouder met twee kinderen 100% Wsm 1.196 1.322 110% Wsm 1.315 1.361 120% Wsm 1.435 1.366 130% Wsm 1.554 1.372 Paar met twee kinderen 100% Wsm 1.708 1.112 110% Wsm 1.879 1.112 120% Wsm 2.050 1.061 130% Wsm 2.221 958
28 In dit bedrag zijn ook de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag opgenomen, zoals beschreven
in hoofdstuk 1.
38
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
3.4.3. Voorbeeldcasus inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding Casus: paar met kinderen (zie tabel 2.4.2) Daan en Sam hebben twee kinderen 7 en 13 jaar oud en krijgen een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van € 1.708 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Zij hebben maandelijks recht op € 1.112 aan toeslagen van het Rijk. Voor het gezin bestaat dit uit huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. Tot slot kunnen Daan en Sam rekenen op een financiële bijdrage vanuit de gemeente van € 453 per maand. Dit bestaat uit kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, de korting op de collectieve zorgverzekering, het Volwassenenfonds Sport, de Energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag. Voor hun kinderen maken zij nog aanspraak op het Jeugdfonds Sport en Cultuur. In totaal hebben Daan en Sam een inkomen van € 3.273 per maand. Als Daan of Sam werk krijgt tegen een inkomen van 110 procent Wsm, dan stijgt hun netto-inkomen naar € 1.879 per maand. Zij houden recht op de toeslagen van het Rijk, dus in totaal € 1.112. Ze kunnen geen kwijtschelding meer aanvragen, maar houden wel recht op de andere gemeentelijke regelingen. De gemeentelijke bijdragen zijn dan € 372 per maand. Het totaal inkomen van Daan en Sam is bij een inkomen van 110 procent Wsm € 3.363.
Dit is een stijging van € 89 (3 procent) ten opzichte van hun totaal inkomen bij een bijstandsuitkering. Wanneer Daan of Sam tegen een loon van 120 procent Wsm gaat werken, stijgt hun netto-inkomen naar € 2.050 per maand. De bijdrage van het Rijk neemt iets af, en is nu € 1.061. Inmiddels kan het gezin nog aanspraak maken op een deel van de gemeentelijke regelingen: de korting op de collectieve zorgverzekering, het Volwassenenfonds Sport, de Energietoeslag en het Jeugdfonds Sport en Cultuur van € 317 in totaal. Het totale inkomen van het gezin is dan € 3.428 per maand. Dit is € 154 (5 procent) meer dan wanneer zij een bijstandsuitkering hebben. Als Daan of Sam gaat werken tegen een inkomen van 130 procent Wsm dan stijgt hun netto-inkomen naar € 2.221 per maand. De bijdragen van het Rijk dalen verder naar € 958 per maand. Het gezin kan geen aanspraak meer maken op gemeentelijke minimaregelingen. Het totale inkomen van Daan en Sam is nu € 3.178 per maand, dit is € 95 (-3 procent) minder dan toen zij een bijstandsuitkering hadden.
39
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
4. Uitvoering beleid In het huidige hoofdstuk komen de resultaten uit de interviews met medewerkers van de gemeente en de groepsgesprekken met partnerorganisaties aan bod. De gesprekspartners hebben vanuit hun beleving en ervaring verteld wat er goed gaat in de uitvoering van het minimabeleid en wat eventueel beter kan. Zo is onder andere het aanbod aan minimaregelingen en de samenwerking tussen de gemeente en het maatschappelijke veld besproken. Per onderwerp zijn de resultaten weergegeven. Er heeft een drietal interviews plaatsgevonden met gemeentelijke betrokkenen (medewerkers) en er zijn twee groepsgesprekken geweest met partnerorganisaties. De organisaties die hieraan hebben deelgenomen zijn de Formulierenbrigade van Caleidoz, Kredietbank Nederland, Doesburg Beweegt, Menskracht 22, Vluchtelingenwerk, Doesburg Vitaal en Coöperatie Ijsselstromen29.
4.1. Doelgroep In de gesprekken met betrokkenen van de gemeente en partnerorganisaties worden verschillende kenmerken van de minimadoelgroep in de gemeente genoemd. Zo is er veelal sprake van intergenerationele armoede, een laag opleidingsniveau en een hoog zorggebruik onder ouderen (waaronder Wmo-aanvragen). Binnen de doelgroep zijn de digitale vaardigheden wisselend. Verder is de meerderheid van de doelgroep alleenstaand. Steeds vaker vallen werkenden en zelfstandige ondernemers binnen deze doelgroep. “Wat mij opvalt is dat de groep werkende mensen vaker hulp nodig hebben. Niet alleen financieel, maar ook op psychisch gebied.” Via vroegsignalering komen meer betaalachterstanden binnen dan voorheen. Ook de hoogte van de betaalachterstanden stijgt. Verder signaleren betrokkenen dat inwoners vaker schulden hebben en er sprake is van multiproblematiek. Kenmerkend voor de Doesburgse (minima)populatie zijn de sterke vergrijzing en de lage sociaaleconomische status van de groep. Het aantal minimahuishoudens is relatief hoog voor een (qua inwoneraantal) kleine gemeente. Er wordt dan ook wel gesproken over stadse problematieken. Een reden hiervoor is dat in de gemeente relatief veel sociale huurwoningen worden aangeboden, dit maakt het voor de minimadoelgroep vaak aantrekkelijker om in Doesburg te wonen dan in een buurgemeente met minder mogelijkheden tot sociale huur.
Tenslotte werd de geografische ligging van de gemeente aangestipt; doordat er geen treinstation is, zijn mensen afhankelijk van de bus of auto, bijvoorbeeld wanneer zij een baan hebben buiten de gemeente.
4.2. Beleid Ontwikkeling beleid Het huidige beleid bouwt voort op het vorige minimabeleid. Bij de ontwikkeling van het huidige beleid zijn zowel beleidsadviseurs van andere domeinen betrokken geweest evenals de uitvoeringsmedewerkers. De gemeente heeft verder maatschappelijke partners betrokken bij de beleidsvorming. Dit verloopt voornamelijk via het Armoedenetwerk. Over het algemeen probeert de gemeente input op te halen vanuit verschillende invalshoeken en dit wordt als positief ervaren. Een aantal maatschappelijke partners is niet betrokken geweest bij de beleidsvorming. Ze zouden dat in het vervolg wel willen, om hun doelgroep te vertegenwoordigen.
29 Eén van deze partners heeft schriftelijk zijn ervaringen gedeeld met KWIZ.
40
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
Aanbod aan gemeentelijke regelingen Het aanbod aan regelingen wordt door veel betrokkenen an sich als redelijk compleet beoordeeld. Wel wordt een aantal verbeterpunten genoemd. Partnerorganisaties delen over het algemeen de mening dat het aanbod aan regelingen onoverzichtelijk is. Ook is het aanbod aan minimaregelingen niet onder alle partners bekend. Verder benoemen sommigen de wens om het aanbod op sommige vergoedingen uit te breiden. Tenslotte is de wens uitgesproken om meer vanuit de behoefte/vraag van de inwoner te kijken naar passende ondersteuning, in plaats van (alleen) vanuit het aanbod van de regelingen. De gemeente heeft daarnaast voornemens om te gaan werken met de omgekeerde toets. •
Kindregelingen participatie: de gemeente biedt voor kinderen vergoedingen aan via Stichting Leergeld en het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Om de vergoedingen van deze twee partijen beter op elkaar af te stemmen, werkt de gemeente aan één aanvraagloket: ‘Samen voor alle kinderen’.30
•
Volwassenregeling participatie: in de gesprekken is meerdere keren benoemd dat er een lange tijd geen vergoeding vanuit de gemeente was voor de participatie van volwassenen. In het verleden is gebleken dat het niet haalbaar is voor een relatief kleine gemeente als Doesburg om een meedoenpas te introduceren, vanwege de kosten. Daarnaast kon (en kan) er niet worden aangesloten bij de Gelrepas die enkele buurgemeenten aanbieden in verband met aanbestedingsregels 31. Er is een pilot gestart voor het Volwassenenfonds Sport. Het is een budgettaire keuze om alleen een vergoeding voor sport aan te bieden en niet voor Cultuur. De vergoeding voor sport is onder andere gericht op groepslessen, om een sociaal netwerk te stimuleren. Partners zijn positief over deze regeling, maar hopen tegelijkertijd dat er in te toekomst meer mogelijk zal zijn op het gebied van participatie. Bijvoorbeeld een lidmaatschap voor de bibliotheek of vergoeding voor een (elektrische) fiets.
•
Bijzondere bijstand: een aantal geïnterviewden vindt het aantal kostensoorten dat uit de bijzondere bijstand kan worden vergoed aan de krappe kant. Zo wordt bijvoorbeeld benoemd dat er vanuit de doelgroep behoefte is aan een vergoeding voor witgoed, laptop of computer, juridische bijstand en tandartskosten. Dit is momenteel niet mogelijk via de bijzondere bijstand. “Door bijvoorbeeld een laptop of computer te vergoeden vanuit de bijzondere bijstand, wordt participatie en werk meer bevorderd.”
4.3. Toegang Aanvraagprocedure De gemeente zet, sinds de coronapandemie, in op een digitaal aanvraagproces. Meestal gaan verzoeken via de Vraagbaak. Inwoners worden hierna doorverwezen. Voor hulp bij het digitaal aanvragen van de regelingen kunnen inwoners terecht bij de formulierenbrigade van Caleidoz. In uitzonderlijke situaties kunnen regelingen schriftelijk worden aangevraagd. Vanuit verschillende partijen wordt nadrukkelijk benoemd dat het van belang is het aanvragen van regelingen via papier beschikbaar moet blijven, omdat een aanzienlijke groep beperkte digitale vaardigheden en/of mogelijkheden heeft. “Mijn ervaring is dat driekwart van de mensen die ik heb geholpen dit (aanvraagformulier) prima zelf op papier had kunnen invullen, maar dat het ze online niet lukt.”
30 Tijdens de afronding van het onderhavige onderzoek is bekend geworden dat de gemeente Doesburg de
samenwerking met het Jeugdfonds Sport en Cultuur heeft stopgezet per november 2023. Stichting Leergeld is momenteel de enige organisatie waar ondersteuning op het gebied van participatie voor minimakinderen kan worden aangevraagd en is daarmee het enige toegangsloket voor dergelijke vergoedingen. 31 In 2026 kan de gemeente meedoen met een regionale aanbesteding voor een meedoenpas.
41
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
Vraagbaak De Vraagbaak is ontstaan vanuit de integrale gedachte: één breed loket, één toegangspunt voor inwoners. Sinds corona is dit vooral een telefonische hulplijn, op werkdagen kan de Vraagbaak in ochtenden telefonisch worden bereikt. Bij de Vraagbaak zitten consulenten van de gemeente om inwoners door te verwijzen. De gemeente is momenteel bezig met een doorontwikkeling van de Vraagbaak. Uit de verschillende interviews komt naar voren dat betrokkenen de Vraagbaak als onduidelijk ervaren. Zo is het bijvoorbeeld onduidelijk met welke vragen inwoners naar de Vraagbaak kunnen. Deze (on)bekendheid van de Vraagbaak is een aandachtspunt; het is niet altijd duidelijk wat ze doen, voor wie en met welke vragen inwoners bij de Vraagbaak terecht kunnen. De term ‘vraagbaak’ leidt er wellicht toe dat het voor inwoners niet duidelijk is met welke vragen je hier terecht kan, benoemt een partnerorganisatie. Een afkadering of andere naam zou kunnen helpen. Een (ander) verbeterpunt is de overdracht naar en door de Vraagbaak; een warme overdracht zou een en ander al kunnen bespoedigen. “Het is onduidelijk wie er bij de Vraagbaak zit en met welke vragen je er terecht kan.” Toegankelijkheid Een aantal organisaties ziet verbeterpunten in de toegankelijkheid van de gemeente voor inwoners.
Als voorbeeld wordt een vrij toegankelijk inloopmoment genoemd, waar geluisterd wordt naar inwoners organiseren. Momenteel ontbreekt deze mogelijkheid voor inwoners. Een andere mogelijkheid om de toegankelijkheid te verbeteren is om professionals meer zichtbaar te maken voor inwoners. Zo laten in andere gemeenten professionals regelmatig hun gezicht zien in buurtcentra, dit werkt drempelverlagend. “Er is een grote groep inwoners die blijvende ondersteuning nodig hebben om de weg naar hulp te vinden. Zij kunnen de hulp die ze nodig hebben niet zelfstandig aanvragen. De ingang naar hulp is niet voor iedereen goed toegankelijk: waar ga je te raden met je vraag en krijg je vervolgens de informatie op een laagdrempelige manier aangeboden?”
4.4. Communicatie De communicatie richting de doelgroep verloopt voornamelijk digitaal via de gemeentelijke website en sociale media. Verder gebruikt de gemeente de Regiobode, en af en toe flyers en brieven om inwoners te informeren. Folders liggen op openbare blekken, bijvoorbeeld op de Linie. In de interviews wordt het belang van de verspreiding van informatie via maatschappelijk partners benadrukt. Maatschappelijke partners benadrukken het belang van simpel taalgebruik zodat informatie voor iedereen te begrijpen is. Daarnaast is het niet voor iedereen duidelijk hoe inwoners bij het juiste loket kunnen komen; waar moeten ze zijn met welke vraag en hoe komen ze daar? Tenslotte komt de gemeentelijke website kort aan bod. Partners benoemen dat inwoners op de website veel moeten doorklikken, tot ze de juiste informatie en/ of contactgegevens bereiken. Partners missen een overzicht van alle ondersteuningsmogelijkheden in de gemeente. Zo willen partners graag een overzicht van de regelingen en de ondersteuning die de gemeente biedt, zowel voor hun eigen gebruik als om te verspreiden onder hun doelgroep. Daarnaast is er een groot aanbod aan ondersteuning dat wordt aangeboden door maatschappelijke partners, dit maakt het voor inwoners lastiger om erachter te komen met welke vragen je waar terecht kan.
Ook dit in kaart brengen kan zorgen voor meer overzicht voor de gemeente, maatschappelijke partners én de inwoners. Een sociale kaart zou in die zin een uitkomst bieden.
42
Integraal rapport onderzoek herijking minimabeleid
versie 1.0
4.5. Samenwerking binnen de gemeente De medewerkers van de gemeente zijn positief over de samenwerking intern. Er zijn korte lijnen en medewerkers kunnen elkaar vinden. Wat hieraan bijdraagt is dat er (steeds) meer medewerkers in dienst zijn in plaats van gedetacheerd (en die dus slechts kortdurend bij de gemeente Doesburg werken). Duurzame inzet van medewerkers biedt de meeste kansen voor een goede samenwerking (zowel binnen als buiten de gemeente).
4.6. Samenwerking maatschappelijk veld en gemeente Over het algemeen zijn zowel medewerkers van de gemeente als maatschappelijke organisaties positief over de samenwerking. Er wordt gesproken over korte lijntjes. Wat hieraan bijdraagt is dat een aantal organisaties dichtbij elkaar zitten qua locatie. In de toekomst32 komen de gemeente en de maatschappelijk partners in één pand. De verwachting is dat de lijnen tussen de gemeente en partners hierdoor nog korter worden. Tegelijkertijd zorgt deze verhuizing ook voor zorgen: het nieuwe pand ligt minder centraal in de gemeente, waardoor de locatie mogelijk minder goed bereikbaar is voor inwoners. Partnerorganisaties benoemen verder dat het prettig is dat ze worden betrokken en meegenomen bij vraagstukken en ontwikkelingen door de huidige beleidsadviseur; dit draagt op een positieve manier bij aan de samenwerking met de gemeente. Ook ervaren zij voor zichzelf (of: voor hun organisatie) dat de gemeente voor hen zeer toegankelijk is. Armoedenetwerk Maatschappelijke organisaties en de gemeente zitten samen in een Armoedenetwerk. Het netwerk is eind 2022 opnieuw geïnitieerd, als vervolg op het Armoedepact dat voorheen bestond. Het Armoedenetwerk komt vier keer per jaar samen; er vinden dan interactieve bijeenkomsten plaats met een roulerend voorzitterschap.