Bijlage 1: Handhavingsbeleid
Tekst van het document
2.3 Kabels welke op de grond liggen dienen beschermd te zijn en wel zodanig dat niet over de kabels gestruikeld kan worden, dan wel op enige wijze niet beschadigd kunnen worden. 3. Elektrische Installaties 3.1 Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. 3.2 Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan het gestelde in het normblad NEN 1010 (Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). 3.3 Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een ruimte is verboden. 3.4 Bij gebruik van verlengsnoeren dienen deze geheel afgerold te zijn. 3.5 De opstelling van een (nood-)stroomaggregaat dient op minimale afstand van 5 meter buiten de bouwsels/tenten te geschieden. 4. Bekleding, stoffering en versiering 4.1 Aankleding en versieringen in een besloten ruimte voor het verblijven of het vluchten van personen mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar wordt geacht niet aanwezig te zijn indien; 4.2 de aankleding een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, zie product informatie op de verpakking; 4.3 de aankleding onbrandbaar is, 4.4 Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur.
4.5 Plafondversiering moet zó zijn aangebracht, dat zij buiten bereik van het publiek hangt. Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter. 4.6 De versiering vormt in geval van brand geen druppels, zie product informatie op de verpakking. 4.7 Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn niet toegestaan in een gebouw/bouwsel of tent. 5. Afval 5.1 Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. 5.2 Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. 5.3 De inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden gedeponeerd. 25
5.4 De aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd, tenzij voor die ruimte(s) een rookverbod geldt. 6. Aantal personen 6.1 De inrichting van een ruimte is zodanig dat: a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25m² vloeroppervlakte beschikbaar is; b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3m² vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang; c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5m² vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang. Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris 6.2 Per strekkende meter (nood)uitgang kunnen 135 personen per minute de tent ontvluchten bij vrije uitstroom van de tent. 6.3 Indien er geen vrije en uitstroom is kunnen 90 personen per m (nood)uitgangsbreedte de tent kunnen ontvluchten. 6.4 Bij een (nood)uitgang uit een tent met aan weerzijden schoren mag worden vrije uitstroom aangenomen. De breedte van de(nood)uitgang is de smalste breedte van de vluchtweg tussen de uitgang en de plaats van de grondverankering.
Er is geen sprake van vrije uitstroom bij een scharnierdeur die niet meer dan 90 graden kan worden geopend en bij een vluchtroute door een verkeerstent. 6.5 Indien een (nood)uitgang deur tegen de vluchtrichting in draait dan mogen voor de berekening van het maximaal 37 personen op die deur ontvluchten. 7. Overnachtingen 7.1 De ruimten waarin wordt overnacht, moeten (tijdelijk) worden voorzien van rookmelders (9 volt). De plaats en het aantal rookmelders per ruimte moet door de brandweer worden bepaald. 7.2 In elke ruimte waarin wordt overnacht moet ten minste een persoon van 18 jaar of ouder aanwezig zijn die bij de groep overnacht. Deze persoon heeft tot taak om bij een ontruiming de aanwezigen naar buiten te begeleiden en daar de compleetheid van de groep te checken. 7.3 Tijdens de overnachting moeten per bouwlaag permanent en ten minste twee wakende personen aanwezig zijn die controle rondes lopen. Deze personen moeten beschikken over een geldig certificaat Bedrijfshulpverlener en mogen niet onder invloed van alcohol of drugs verkeren. 7.4 Een rookverbod moet worden nageleefd. 7.5 Bij het bepalen van het aantal slaapplaatsen moet voldaan worden aan de onderstaande situatie
2m
luchtbed
0,55 m 0,8 m
0,6 m
26
7.6 Tijdens overnachtingen moet bij de entree van het gebouw/bouwsel of tent een logboek aanwezig zijn. 7.7 Ten minste acht weken voorafgaand aan de overnachting moet bij de afdeling preventie van de gemeente een plattegrondtekening van het gebouw/bouwsel of tent worden ingediend met· daarop aangegeven: - de (nood)uitgangen; - de blusmiddelen; - de hand(brand)melders; - de rookmelders; - de nood- en transparantverlichting; - de draairichting van vluchtdeuren; - de sluitinrichting van vluchtdeuren; - de indeling van vakken van de slaapplaatsen; - de vrije ruimten ten behoeve van ontvluchting. 7.8 Een ontruimingsplan gebaseerd op het tijdelijke gebruik dient aanwezig te zijn en, ter beoordeling van de brandweer namens het bevoegde gezag, zo nodig getest te worden met een ontruimingsoefening. 7.9 Het maximale aantal overnachtingen in dagen per jaar dient te worden aangegeven of te zijn vastgelegd in de gebruiksmelding of gebruiksvergunning voor het afwijkende gebruik. 7.10 Het maximaal aantal toegestane personen dat overnacht dient te worden aangegeven of te zijn vastgelegd in de gebruiksmelding of gebruiksvergunning voor het afwijkende gebruik.
Bij overnachtingen in tenten geldt dat: Kleine tenten bijeen zijn gebracht in compartimenten van maximaal 500 m 2 en dat de compartimenten gescheiden zijn door een afstand van 5 meter tot elkaar; Voor grote tenten (> 50 personen) gelden de voorschriften onder 8.1, voor zover bij tenten van toepassing. 8. Noodverlichting 8.1 Alle uitgangen, nooduitgangen en vluchtroutes van het gebouw/bouwsel of tent moeten worden gemarkeerd door vluchtrouteaanduidingen (pictogrammen) volgens NEN 6088. 8.2 De vluchtrouteaanduidingen moeten zodanig zijn aangebracht dat deze te allen tijde zichtbaar zijn. 8.3 Indien in het gebouw/bouwsel of tent overdag onvoldoende daglicht aanwezig is, of het gebouw/bouwsel of tent na zonsondergang wordt gebruikt: moeten de vluchtrouteaanduidingen zijn uitgevoerd als elektrisch verlichte en op een noodstroombron aangesloten transparanten, die bij aanwezigheid van personen permanent verlicht zijn; moet in het gebouw/bouwsel of tent noodverlichting zijn aangebracht. 8.4 De nood- en transparantverlichtingsinstallatie moet voldoen aan NEN-EN 1838. De lichtopbrengst moet gedurende 60 minuten ten minste 1 lux op vloerniveau te bedragen.
27
Toezicht Controle brandveilig gebruik ‘regulier’ Datum: ___ - ___ - ____
Vergunning- meldingsnummer: ___________________________
Naam controleur(s): __________________________ Contactpersoon gebruiker: _______________________________
Naam object: _____________________________________________________________________________________ Adres: __________________________________________________________________________________________ Toelaatbaar aantal personen: ___________________________ Specifieke gebruikseisen: ________________________ Eigenaar / gebruiker gewijzigd? Indien ja, gegevens noteren niet
akk. Vluchtwegen / uitgangen 1. Zijn ingangen, nood(uit)gangen □ en vluchtwegen tot aan de openbare weg vrij van obstakels (en draaien gordijnen met de vluchtrichting mee)? BB artikel 2.154 lid 1 / artikel 2.9.1 2. Zijn vluchtdeuren niet op slot en over de vereiste breedte te openen? Artikel 2.3.5 lid 1
□
3. Zijn vluchtdeuren > 100 pers. voorzien van paniekbalk? Artikel 2.3.5 lid 2
□
akk. n.v.t. □
□
Blusmiddelen 10. Zijn blusmiddelen conform tekening aanwezig? □
□
□
□
5. Deuren en draairichting aanwezig conform tekening?
□
□
□
6. Zijn brand- en rookvrije vluchtroutes vrij van opslag. Artikel 2.9.1
□
□
□
7. Buitenzijde nooduitgang voorzien □ van opschrift ‘nooddeur vrijhouden’ of ‘nooduitgang’ Artikel 2.3.5 lid 6
□
□
□
□
niet akk. n.v.t.
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
4. Automatisch werkende deur / □ voorziening toe/uitgangscontrole hindert vluchten niet Artikel 2.3.5. lid 4
Brand- en rookcompartimentering 8. Zijn brand- of rookwerende, zelfsluitende deuren volledig gesloten of voorzien van kleefmagneten met detectie? Artikel 2.1.5 / 2.3.3
9. Is brand- en rookcompartimentering conform tekening en geen openingen aanwezig?
akk.
□
□
11. Zijn blusmiddelen bereikbaar, gekeurd, gebruiksgereed, zichtbaar of gemarkeerd met pictogram? Artikel 2.4.2 / artikel 2.4.3
Vluchtroute aanduiding / nood- en transparantverl. 12. Is vluchtrouteaanduiding □ □ Aanwezig conform tekening Artikel 2.3.7 lid 1 □
□
14. Vluchtrouteaanduiding voldoet □ □ aan zichtbaarheidseisen (indien ruimte voorzien van noodverlichting) Artikel 2.3.7 lid 4
□
15. Zijn de op tekening aangegeven □ ruimte voorzien van noodverlichting?
□
□
16. Zijn ruimten > 50 personen □ voorzien van oriëntatieverlichting? Artikel 2.3.10
□
□
□
□
13. Vluchtrouteaanduiding op duidelijk waarneembare plaats? Artikel 2.3.7 lid 2
Bekleding, stoffering en versiering 17. Er mag geen brandgevaarlijke versiering en of stoffering aanwezig te zijn. Afstand versiering tot vloer > 2,5 m. Artikel 2.1.3 lid 1, 2, 3 en 5
□
□
□
niet akk. akk. n.v.t. 18. Worden spots en warmtebronnen □ vrijgehouden van stoffering? Artikel 2.1.3 lid 5
□
□
□
19. Glas tegen plafond veiligheidsglas of kruiswapening 0,016 m. Artikel 2.3.11
20. Is textiel, folie, papier in □ horizontale toepassing onderspannen met metaaldraad maximaal h.o.h. 0,35 m of in 2 richtingen h.o.h. 0,7 m. Artikel 2.3.11
□
percelen? Artikel 2.1.9 akk
niet akk. n.v.t.
□
□
□
□
Overig 28. Geen brandbare opslag in Stookruimten aanwezig? Artikel 2.1.1 lid 2
□
□
□
29. Openingen t.b.v. toevoer / afvoer □ verbrandingslucht van verbrandingstoestel niet afgesloten. Artikel 2.1.1 lid 3 30. Verbod roken /open vuur duidelijk □ zichtbaar aangegeven Artikel 2.1.2
□
□
□
Brandveiligheid stands, kramen, schappen, podia, en andere inrichtingselementen 21. Inrichtingselementen brandveilig □ □ □ - onbrandbaar - dikte >3,5 mm klasse 4 - dikte <3,5 mm verlijmd op klasse 4 Artikel 2.1.4 lid 1 en 2
31. Zijn deuren overdruktrappenhuis □ voorzien van sticker ‘hard duwen’? Artikel 2.3.5 lid 5 32. Geen direct brandgevaar aanwezig door installaties? Artikel 2.1.1 lid 1
□
□
□
22. Gangpaden van in publieke ruimte □ opgestelde stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen 1,1 m? Artikel 2.3.2 lid 1
□
33. Bevat de sleutelbuis of -kluis de juiste sleutels?
□
□
□
34. Blusmiddel duidelijk zichtbaar of pictogram Artikel 2.4.3
□
□
□
□
□
35. Is er belemmering of hinder voor: melding, alarmering en bestrijding vluchtmogelijkheden redding bij brand brandgevaar wordt veroorzaakt Artikel 2.9.1
□
□
□
36. Wordt er voldaan aan de specifieke gebruikseisen?
□
□
□
□
□
□
□
□
□
23. Uitgang in publiek toegankelijke ruimte voldoende vrij? Artikel 2.3.2 lid 2 Opstelling van inventaris 24. Opstelling inventaris conform opstelplan? Artikel 2.3.1
□
□
□
□
□
□
25. Zijn de stoelen gekoppeld? □ (> 4 stoelen, 4 rijen, en > 100 pers) Artikel 2.3.1 lid 2
□
□
Brandgevaarlijke stoffen 26. Geen niet toegestane (hoeveelheden) brandgevaarlijke stoffen aanwezig? Artikel 2.1.8
□
□
□
□
27. Opslag bedrijfsmatig brandbare □ niet-milieugevaarlijke stoffen veilig ten opzichte van aangrenzende
□
□
Repressie 37. Verbindingsweg naar toegang en opstelplaats hoog en breed genoeg Artikel 2.6.1 lid 1 en 2 38. Hekwerken op route naar toegang snel en gemakkelijk te openen? Artikel 2.6.1 lid 3 29
niet akk. akk. n.v.t. □
□
40. Is de bereikbaarheidskaart juist?
□
□
□
-
41. Zijn bluswaterwinplaatsen vrij zichtbaar, bereikbaar en gebruiksklaar? Artikel 2.7.2 lid 1
□
□
□
-
-
□
□ -
Opmerkingen (indien niet akkoord) ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ...............................................................................................
............................................................................................... ...............................................................................................
niet akk. akk. n.v.t. Logboek / certificaten Artikel 2.10.1 Zijn de logboeken bijgehouden? - Brandmeldinstallatie Artikel 2.2.1 lid 8 - Ontruimingsinstallatie Artikel 2.3.6 lid 4 - Noodverlichtinginstallatie Artikel 2.3.7 lid 5 / 2.3.8 lid 2 - (Droge) blusleiding
□
□
□ -
□
□
niet akk. akk. n.v.t.
39. Indien BMI met doormelding brandweeringang aanwezig en toegankelijk Artikel 2.6.2 lid 1 en 2
42. Is secundaire bluswatervoorziening zichtbaar, bereikbaar en gebruiksklaar?
Artikel 2.7.1 lid 1 en 4 Pomp (droge) blusleiding Artikel 2.7.1 lid 2, 3 en 4
□ □
□ □
□ □
□
□
□
□
□
□
□
□
□
-
RWA installatie Artikel 2.3.9 Sprinklerinstallatie □ Artikel 2.5.1 Gasblusinstallatie □ Artikel 2.5.1 Brandweerlift □ Artikel 2.6.3 Brandslanghaspel(s) □ Artikel 2.4.1 lid 2, Pompinstallatie bsh □ Artikel 2.4.1 lid 3 en 4 Bluswatervoorziening op eigen □ terrein Artikel 2.7.2 lid 2 Doorvoeringen in brand- en rookscheidingen □ Artikel 2.1.5 / 2.3.4 Draagbare blusmiddelen □ Artikel 2.4.2 lid 3 Terugloopruimte roltrap gereinigd □ per kwartaal Ontruimingsplan (conform NTA) □ Artikel 2.3.6 lid 5 Ontruimingsplan beoefend(verslag) □ Afvoer van rook doeltreffend □ gereinigd artikel 2.1.1 lid 5
Zijn de Installaties voorzien van geldig certificaat? - Brandmeldinstallatie met □ doormelding Artikel 2.2.1 lid 9 - Automatische brandblusinstallatie □ - Rookbeheersingsysteem □ Artikel 2.3.9 - Behandelde constructieonderdelen □ Artikel 2.1.7
30
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□ □
□ □
□
□
□ □
□ □
□
□
Opmerkingen (indien niet akkoord) ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................
............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ Bovenstaande gebreken dienen voor d.d. ___ - ___ - 20___ te zijn verholpen.
Na het verstrijken van de termijn zal er een controle plaatsvinden.
Naam contactpersoon: _________________________________ Paraaf controleur: op locatie
31
Bijlage II. Melding Brandveilig gebruik Bouwbesluit 2012 Algemeen Uit het eindverslag uit 2005 van de dereguleringscommissie van het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) («Gelet op het feit dat al sinds enige tijd de samenhang tussen brandcompartimenten, sub-brandcompartimenten en typen vluchtroutes zelfs voor experts moeilijk te doorgronden is, mede doordat er sprake is van twee verschillende methodieken bij gebruiksfuncties waarin wordt geslapen, wordt aanbevolen dit geheel fundamenteel te bezien Dit citaat maakt duidelijk dat de opzet van de bouwtechnische brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2003 voor verbetering vatbaar was. In het Bouwbesluit 2003 was het uitgangspunt de aanwezigheid van twee vluchtroutes waarbij soms met een enkele route kon worden volstaan. In dit besluit is het uitgangspunt dat één vluchtroute met een gegarandeerd veiligheidsniveau volstaat. Dit leidt tot voorschriften die, met behoud van het veiligheidsniveau, eenvoudiger toepasbaar zijn. Een sub-brandcompartiment moet in principe altijd één vluchtroute hebben die buiten het subbrandcompartiment ten minste 20, 30 of soms zelfs 60 minuten bruikbaar is voor veilig vluchten. Wanneer een vluchtroute onbruikbaar wordt, is dat niet wanneer dat gebeurt op een moment dat iedereen al gevlucht is, of wanneer er nog een andere nog bruikbare vluchtroute is.
Nadere informatie over deze systematiek en de wijze waarop het beoogde brandveiligheidsniveau in de verschillende voorschriften is verwerkt, biedt de rapportage «Achtergronden bij de voorschriften voor ontvluchting», december 2009 (PRC-W0450.01.18). Onder het Bouwbesluit 2003 werd een appartement beschouwd als een sub-brandcompartiment en een gewone woning een brandcompartiment. Voor een dergelijk onderscheid is geen reden. Voortaan is iedere woning ongeacht het type een eigen brandcompartiment. Doel en uitgangspunten Het doel van de brandveiligheidsvoorschriften is ongewijzigd gebleven: het voorkomen van slachtoffers (gewonden en doden) en het voorkomen dat een brand zich uitbreidt naar een ander perceel. Het behouden van het bouwwerk en het voorkomen van schade aan het milieu, monumenten of maatschappelijke voorzieningen of belangen zijn geen doelstellingen van dit besluit. Ook de algemene uitgangspunten zijn vergeleken met van het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd: -
binnen 15 minuten na het ontstaan van een brand moet die brand zijn ontdekt en moeten de door die brand bedreigde personen en de brandweer zijn gealarmeerd; binnen 15 minuten na die alarmering moeten de door de brand bedreigde personen zonder hulp van de brandweer kunnen vluchten; de brandweer is aanwezig en operationeel binnen 15 minuten na het melden van de brand, en de brandweer moet de brand binnen 60 minuten na het ontstaan onder controle hebben, hetgeen inhoudt dat voorkomen wordt dat de brand verder uitbreidt. Op dat moment moeten de laatste door de brand bedreigde personen met behulp van de brandweer zijn gered.
Nieuwe opzet sub brandcompartimentering Het begrip «sub-brandcompartiment» heeft vergeleken met het Bouwbesluit 2003 een bredere betekenis gekregen. (Het oude rookcompartiment heet nu sub-brandcompartiment en het oude subbrandcompartiment heet nu een beschermd sub-brandcompartiment. Deze nieuwe terminologie doet recht aan het aan de betreffende compartimentering verbonden beschermingsniveau bij brand.) Bij een brand zijn de personen die zich in een sub-brandcompartiment bevinden gedurende enige tijd beschermd tegen brand en rook wanneer de brand elders in het brandcompartiment ontstaat. Ook 32
heeft de indeling in sub-brandcompartimenten tot doel om veilig en zonder hinder uit het brandcompartiment te kunnen vluchten naar een veilige plaats. In het algemeen geldt dat een subbrandcompartiment het maximale uitbreidingsgebied van brand én rook is en bij brand voldoende lang in stand blijft om het gebouw zelfstandig of met hulp van derden te kunnen ontvluchten door andere ruimten dan de ruimte waarin de brand is ontstaan. Daarom worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de scheiding tussen een sub-brandcompartiment en de omliggende (besloten) ruimten. Om te waarborgen dat personen op tijd uit de ruimte kunnen komen, wordt ook een eis gesteld aan de maximale loopafstand binnen een sub-brandcompartiment. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met die voor rookcompartimenten in het Bouwbesluit 2003. Een sub-brandcompartiment moet een extra beschermende functie kunnen bieden bij woningen en logiesgebouwen (slapende personen) en in het bijzonder bij ruimten waarin zich personen bevinden die niet zelfredzaam zijn (crèches), ziek in bed liggen (gezondheidszorg) of opgesloten zijn (cellen). De daarin aanwezige personen zijn niet alert, kunnen niet zelfstandig vluchten of zelf de deur openen, waardoor er extra tijd nodig is voor het verlaten van de betreffende ruimten.
Die extra bescherming wordt gewaarborgd door een hogere weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) en een beperking van de omvang van het compartiment. Met het laatste wordt indirect ook het aantal personen beperkt dat tegelijk aan de bedreiging door rook en hitte wordt blootgesteld voordat zij, eventueel met hulp van bedrijfshulpverleners of de brandweer, het compartiment kunnen verlaten. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met die voor sub-brandcompartimenten in het Bouwbesluit 2003. Rookdoorgang van een sub-brandcompartiment en een vluchtroute Bij het veilig kunnen vluchten door een ruimte speelt de hoeveelheid rook in die ruimte een belangrijke rol. De huidige bepalingsmethode voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag voorziet bij koude rook (afgekoelde rook) niet in een voldoende beperking van de rookdoorlatendheid van een brandwerende scheidingsconstructie van een sub-brandcompartiment (en van een beschermd subbrandcompartiment). Bij ministeriële regeling kunnen daarom voorschriften worden gesteld aan de beperking van de rookdoorgang van een brandwerende scheidingsconstructie van een subbrandcompartiment. Nieuwe systematiek ontvluchten De oude voorschriften voor ontvluchten waren over meerdere afdelingen van het Bouwbesluit 2003 verspreid. Voortaan staan de voorschriften in één afdeling 2.12 Vluchtroutes.
Ook is er zo meer uniformiteit in de eisen voor de maximale loopafstanden ontstaan, zonder het veiligheidsniveau te beïnvloeden. Uitgangspunt van de eisen is een vluchtroute die op de plaats begint waar het vluchten begint (op elk punt van een voor personen bestemde vloer) en eindigt op een veilige plaats. Die enkele vluchtroute moet over de gehele lengte veilig zijn en is daarom vanaf de uitgang van het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint binnen het brandcompartiment een beschermde vluchtroute en buiten dat brandcompartiment (voor zover deze niet in een brandcompartiment ligt, zie artikel 2.82, vierde lid) een extra beschermde vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute. Dit is niet nodig indien er twee onafhankelijke vluchtroutes zijn, waarbij als uitgangspunt geldt dat indien de ene vluchtroute is versperd, de andere nog beschikbaar moet zijn. In dit besluit worden in een oplopende mate van bescherming de volgende soorten vluchtroutes onderscheiden: vluchtroute; beschermde vluchtroute; extra beschermde vluchtroute en veiligheidsvluchtroute. Vluchten binnen een sub-brandcompartiment Personen die zich bevinden in het sub-brandcompartiment waarin een brand woedt, moeten dit compartiment tijdig kunnen verlaten. Om deze reden wordt voor dit eerste deel van de vluchtroute een 33
eis aan de maximale loopafstand in een sub-brandcompartiment gesteld en in sommige situaties ook aan het aantal uitgangen van het sub-brandcompartiment. Beschermde vluchtroute Buiten een sub-brandcompartiment (maar binnen het betreffende brandcompartiment) moet het vluchten naar een veilige plaats door een enkele vluchtroute kunnen worden voorgezet, tenzij het aansluitende terrein direct na het verlaten van het sub-brandcompartiment al is bereikt. Deze vluchtroute moet om veilig te kunnen vluchten gedurende langere tijd (ten minste 20 of 30 minuten) beschermd zijn tegen en in een sub-brandcompartiment ontstane brand. Een beschermde vluchtroute moet daarom aan de volgende voorwaarden voldoen: -
-
de beschermde vluchtroute voert binnen het brandcompartiment alleen door een verkeersruimte en niet door een (ander) sub-brandcompartiment; de route biedt voldoende bescherming tegen het binnendringen van hitte en rook vanuit het sub-brandcompartiment waarin de brand woedt (brand- en rookwerendheid van wanden, vloeren en plafonds); in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert mag geen groot risico zijn op het uitbreken en ontwikkelen van brand. de beschermde vluchtroute heeft, indien deze in een besloten ruimte ligt, een gelimiteerde lengte voor het geval er onverhoopt toch rook in die ruimte mocht doordringen, en op een beschermde vluchtroute mag, indien er geen andere onafhankelijke vluchtroute is, slechts een beperkt aantal personen zijn aangewezen.
Wanneer er een tweede vluchtroute is die brandwerend is gescheiden van de eerste vluchtroute behoeft de tweede vluchtroute niet een beschermde vluchtroute te zijn en niet aan de bovengenoemde voorwaarden te voldoen. Als één van de routes door brand of rook is geblokkeerd, biedt de tweede vluchtroute namelijk een alternatief. Zie ook de toelichting op de begripsbepaling in artikel 1.1. Extra beschermde vluchtroute Wanneer op een beschermde vluchtroute veel mensen zijn aangewezen, moet de vluchtroute extra worden beschermd. Dit geldt ook voor een vluchtroute uit een brandcompartiment waarin mensen slapen of anderszins aan bed gebonden zijn. Er is dan namelijk extra tijd, en dus extra bescherming om die tijd te kunnen waarborgen, nodig om veilig te kunnen vluchten. Belangrijke verschillen tussen een beschermde en een extra beschermde vluchtroute zijn: - de extra beschermde vluchtroute mag, in tegenstelling tot een beschermde vluchtroute, niet in een brandcompartiment liggen.
Dit geeft een kleinere kans op brand in de ruimte en biedt een grotere bescherming tegen de doorslag en overslag van brand uit een andere ruimte; - in een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute is het risico op het ontwikkelen van brand verder beperkt; - op een enkele extra beschermde vluchtroute mogen meer personen zijn aangewezen dan op een beschermde vluchtroute, en - bij een kinderopvang, een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, een logiesfunctie en een onderwijsfunctie mag de loopafstand in een extra beschermde vluchtroute minder groot zijn dan bij een beschermde vluchtroute. Zie ook de toelichting op de begripsbepaling in artikel 1.1. Veiligheidsvluchtroute Wanneer meer dan 150 personen gebruik maken van een extra beschermde vluchtroute of indien er om andere redenen een hoger veiligheidsniveau nodig is en er geen onafhankelijke tweede vluchtroute beschikbaar is, moet de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute zijn. Een veiligheidsvluchtroute is een extra beschermde vluchtroute die voorafgegaan wordt door een rooksluis. Bij een veiligheidsvluchtroute worden geen beperkingen gesteld aan de loopafstanden of 34
aan het aantal personen dat van die vluchtroute gebruik maakt. In tegenstelling tot de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 die beperkt waren tot een veiligheidstrappenhuis, kan de veiligheidsvluchtroute zowel horizontaal als verticaal worden toegepast. Zie ook de toelichting op de begripsbepaling in artikel 1.1. Vluchten uit een woonfunctie Op grond van het Bouwbesluit 2003 moest een in een woongebouw gelegen woning in een afzonderlijk sub- brandcompartiment en een niet in een woongebouw gelegen woning in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Voortaan moet elke woning, al dan niet gelegen in een woongebouw, in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. De maximale loopafstand vanuit de woning naar een uitgang is in overeenstemming gebracht met de maximale loopafstand in een subbrandcompartiment van een utiliteitsgebouw. Voortaan gaat het om een gecorrigeerde loopafstand van ten hoogste 30 m vanuit een punt in een verblijfsgebied naar een uitgang van de woning. In een woongebouw is de mate van bescherming in een buiten een woning gelegen vluchtroute niet afhankelijk gesteld van het aantal personen dat op die vluchtroute is aangewezen en is de loopafstand over een extra beschermde vluchtroute in een gemeenschappelijke verkeersruimte ook niet gelimiteerd.
Er geldt in plaats daarvan voor woongebouwen met een totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van meer dan 600 m² een eis voor de minimum breedte van de trap (1,2 m) in het trappenhuis waardoor de vluchtroute voert. Dit komt overeen met de breedte-eis van een trap volgens «tabel B» in het Bouwbesluit 2003. Evenals bij tabel B het geval was mag het smalle gedeelte van een spiltrap niet worden meegerekend bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit. Dit betekent dat niet in alle gevallen een spiltrap kan worden toegepast. Zie ook de toelichting op de artikelen 2.107, negende lid, en 2.108, eerste lid, onder a. Bij woningen worden evenmin als onder het Bouwbesluit 2003 eisen gesteld aan de zelfsluitendheid van voordeuren. Derhalve blijft de kans bestaan dat een vluchtend persoon de voordeur open laat staan zodat vroegtijdig rook in een gemeenschappelijke vluchtroute kan komen met het risico dat deze onbruikbaar wordt. Om deze reden is voorgeschreven dat de enkele (extra beschermde) vluchtroute in een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie mag voeren. Deze voorwaarde geldt niet bij een traditionele portiekflat, als vanuit de woning in twee richtingen kan worden gevlucht of als de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is die door een trappenhuis voert.
Twee of meer vluchtroutes De eisen voor de enkele beschermde vluchtroute, extra beschermde vluchtroute of veiligheidsvluchtroute zijn niet van toepassing indien er een onafhankelijke tweede (alternatieve) vluchtroute aanwezig is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bij brand gedurende voldoende tijd ten minste één vluchtroute beschikbaar blijft om veilig te kunnen vluchten. De tweede vluchtroute is onafhankelijk van de eerste vluchtroute indien de wbdbo tussen deze vluchtroutes voor zover deze door hetzelfde brandcompartiment voeren ten minste 30 minuten bedraagt en deze vluchtroutes na het verlaten van het brandcompartiment door verschillende brandcompartimenten voeren. Uitzondering hierop is dat een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd altijd, dus ook als er een onafhankelijke tweede vluchtroute is, een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Bij gebruik van twee vluchtroutes blijft het mogelijk om een sub-brandcompartiment te ontsluiten door middel van één gang of corridor indien daarin naar twee kanten kan worden gevlucht, de vluchtroutes in die gang of corridor ten minste een beschermde vluchtroute zijn en de twee vluchtroutes buiten die ruimte twee onafhankelijke vluchtroutes zijn. De loopafstand in de gang of corridor mag, indien die ruimte een besloten ruimte is, in beide richtingen niet groter zijn dan 30m.
Bestaande bouw Bij bestaande bouw geldt op een aantal punten een ander niveau van eisen dan de bovenstaande voorschriften voor nieuwbouw. De belangrijkste verschillen hebben betrekking op: 35
-
de beschermde route; de rookdoorgang; de limitering van de loopafstanden; twee onafhankelijke vluchtroutes, de opvang- en doorstroomcapaciteit.
Beschermde route In de voorschriften voor bestaande bouw wordt niet gesproken van een beschermde vluchtroute maar van een beschermde «route». Met dit begrip blijft het niveau van eisen nagenoeg gelijk aan het niveau van eisen voor de voormalige rookvrije vluchtroute en worden verworven rechten in de bestaande bouw niet aangetast. Een beschermde route is vergelijkbaar met de beschermde vluchtroute bij nieuwbouw. Het verschil zit er in dat de beschermde route, zoals voorheen, door een verkeersruimte mag voeren (buiten het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint) en door een ander subbrandcompartiment met inbegrip van de daarin gelegen verblijfsgebieden en verblijfsruimten. Zo blijft bijvoorbeeld in de gezondheidszorg een balie of een open wachtruimte aan de verkeersruimte waardoor een vluchtroute voert toegestaan en mag in een penitentiaire inrichting bijvoorbeeld een recreatieruimte in open verbinding met die vluchtroute staan. Ook mag de beschermde route voeren door een ander sub-brandcompartiment dan het compartiment waar de vluchtroute begint. Dit mag natuurlijk niet een brandonveilige situatie veroorzaken of in stand houden. Rookdoorgang Voor nieuwbouw kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven over de rookdoorlatendheid van een inwendige scheidingsconstructie waarbij voortaan ook rekening wordt gehouden met koude of afgekoelde rook.
Om een verzwaring van eisen voor bestaande gebouwen te voorkomen, blijft daarvoor de op NEN 6075 gebaseerde eis voor de weerstand tegen rookdoorgang (WTRD) van toepassing. Beperkte limitering loopafstanden De eisen aan loopafstanden bestaande bouw zijn niet strenger dan in het Bouwbesluit 2003, bestaande bouw. Twee onafhankelijke vluchtroutes Indien twee vluchtroutes vanaf de uitgang van een sub-brandcompartiment door eenzelfde ruimte voeren, behoeft die ruimte, in tegenstelling tot de nieuwbouweisen, geen beschermde of extra beschermde ruimte te zijn. Wel geldt een maximale loopafstand binnen die ruimte en moet er in twee richtingen kunnen worden gevlucht. Opvang- en doorstroomcapaciteit Voortaan kunnen ook de bestaande bouw eisen worden gesteld aan de opvang- of doorstroomcapaciteit van vluchtroutes. Om te voorkomen dat door die bij ministeriële regeling vast te stellen voorschriften alle eerder verleende vergunningen voor brandveilig gebruik en ingediende gebruiksmeldingen weer tegen het licht moeten worden gehouden, is in hoofdstuk 9 een overgangsbepaling opgenomen zodat situaties die eerder veilig zijn bevonden, bijvoorbeeld blijkens een bouwaanvraag, een melding of een vergunning, zonder aanpassing gehandhaafd kunnen worden.
Beschrijving periodieke controles naleving van de melding: onderdeel werkplan ‘toezicht brandveiligheid’??
36
Bijlage III. Advisering ruimte en veiligheid Maatlat toewijzing advies Ruimte en Veiligheid Doel Het doel van de maatlat is om een adviesaanvraag voor ruimtelijke ontwikkelingen aan de juiste werknemer binnen één van de drie teams te adresseren. Werkwijze Een adviesverzoek voor een ruimtelijke ontwikkeling (zowel wet- en regelgeving, beleid, planvorming, inrichting en realisatie) is niet alleen te typeren aan de hand van aspecten, zoals ligging, bestemming, functie, gebruik, omvang maar ook aan de hand van de aspecten voor de hulpvraag bij incidenten, zoals, bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid (groepen) mensen en benodigde disciplines. De combinatie van deze maakt dat een adviesaanvraag in meer of mindere mate complex is en daarom behandeld moet worden door een werknemer met vereiste kwalificatie. Een werknemer krijgt een adviesaanvraag toegewezen aan de hand van de onderstaande indeling. Adviesaanvraag ruimte/omgeving betrekking op: A
Wet- en regelgeving, beleid
B
Meervoudige omgevingsrisico’s (combinaties van risico’s bijv. natuurbrand & externe veiligheid)
C
Multi aspecten (Politie, RAV, GHOR, Waterschap, Rijkswaterstaat
D
1
Aanpassing infrastructuur/aanrijdroutes hulpdiensten* (provinciale/snelwegen) - projecten betreffende groot onderhoud
2
Aanpassing infrastructuur/aanrijdroutes hulpdiensten* (gemeentelijke wegen)- projecten betreffende groot onderhoud
3
Aanpassing infrastructuur* (gemeentelijke wegen)
E F
Bluswatervoorziening en bereikbaarheid (innovatieve, complexere vraagstukken) 1
Masterplannen, Stedebouwkundigeplannen, Bestemmingsplan/Inrichtingsplan met Externe Veiligheidsaspect.
2
Masterplannen, Stedebouwkundigeplannen, Bestemmingsplan/Inrichtingsplan (“vlekkenplan”, locatiekeuze)
3
Bestemmingsplan/Inrichtingsplan (waarbij functie en exacte locatie bekend zijn)
4
Herontwikkeling / inrichting (bestaand gebied)
5
Functiewijziging (met wijziging kwetsbaarheid)
6
Functiewijziging (zonder wijziging kwetsbaarheid) * Wegwerkzaamheden, -opbrekingen en tijdelijke voorzieningen aan de weg
37
Werkbeschrijving QuickScan Een gemeente kan van een derde partij (particulier, projectontwikkelaar, etc.) het verzoek krijgen om mee te werken aan nieuwe activiteit (ruimtelijk initiatief). De gemeente kan voor dergelijke aanvragen een QuickScan uitvoeren om de haalbaarheid van het initiatief te toetsen aan geldende wet- en regelgeving, gemeentelijk beleid en (bestuurlijk/ambtelijk) draagvlak. VGGM kan hiervoor een QuickScan veiligheid en gezondheid opstellen als de gemeente over het initiatief minimaal informatie geeft over: De locatie van het initiatief (in bestaand of nieuw bouwwerk/gebouw), De omvang/oppervlakte/begrenzing van de locatie De functie(s) en/of gebruik van de locatie, De omvang en typering (toekomstige) gebruikers (kwetsbaarheid aanwezige personen) en (indien mogelijk) de ruimtelijke verdeling van functie(s) en gebruik(ers) over de locatie. Met de QuickScan veiligheid en gezondheid zijn voor het initiatief vervolgens de omgevingsrisico’s (zoals overstroming, natuurbrand, gevaarlijke stoffen) en haar gevolgen voor de ramp- en incidentbestrijding en de (zelf)redzaamheid in beeld te brengen. Op hoofdlijnen is op basis daarvan aan te geven: Beschouwing van de omgevingsrisico’s (in samenhang met elkaar) Haalbaarheid initiatief op betreffende locatie Maatregelen voor de optimalisatie van de veiligheid en gezondheid (o.a.
bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en (zelf)redzaamheid) Verwachte en vereisten voor (wettelijke) procedures/toetsing (externe veiligheid, bouwplantoetsing) Wijze van betrokkenheid Besluit Een gemeente stelt ruimtelijk/infrastructurele besluiten op en/of actualiseert deze besluiten. Een voorbeeld daarvan is het bestemmingsplan(en tal van varianten daarop) op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij het tot stand komen van het besluit zoekt de gemeente afstemming daarover met haar partners in de geest procedure regels uit Algemene wet bestuursrecht (Awb), de wettelijke grondslag voor het ruimtelijke besluit en/of in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Gegeven het kader óf op grond van haar adviestitel in de Wet op de veiligheidsregio’s kan VGGM aan het bevoegd gezag adviseren over het te nemen besluit. VGGM adviseert daarbij over de omgevingsrisico’s (zoals overstroming, natuurbrand, gevaarlijke stoffen) en de gevolgen van het besluit voor de ramp- en incidentbestrijding en de (zelf)redzaamheid. Afhankelijk van het proces en/of de procedurefase is het advies formeler van aard.
Afgestemd op het beoogde abstractie/detail niveau geeft VGGM aan de gemeente een: • Analyse van de omgeving: o Beschouwing van omgevingsrisico’s op basis van het risicoprofiel, zoals overstroming, natuurbrand, gevaarlijke stoffen; o Scenario(‘s) (worstcase, maatgevend, realistisch) met de effecten (evt. effectafstanden); o Delen van het plangebied die onder invloed van die omgevingsrisico’s staan; o Zelf)redzaamheid van de aanwezigen. Er is daarbij specifiek aandacht voor de gereserveerde (planologische) ruimte voor de aanwezigen (bijv. verdeling, dichtheid, omvang, kwetsbaarheidsfuncties en gebruik); o Rampbestrijding. Specifiek is daarbij aandacht voor de gereserveerde (planologische) ruimte voor bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van incidenten door hulpdiensten;
38
Advies over: o Wijze van betrokkenheid bij proces; o Ruimtelijk relevante maatregelen, ofwel reserveren van planologische ruimte voor maatregelen ter optimalisatie van de veiligheid en gezondheid (o.a. bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en o (zelf)redzaamheid) op de verbeelding en in de regels; o Niet-ruimtelijke relevante maatregelen, ofwel bouwkundige, inrichting/installatie technische en o organisatorische maatregelen die in de beheerfase van het ruimtelijke plan een relevante bijdrage kunnen leveren aan een veilige en gezonde leefomgeving. Deze zijn als actiepunt weg te zetten bij o verantwoordelijke betrokkenen. Het streven is om het advies aan te laten sluiten op het doel van het ruimtelijke besluit (afhankelijk van de planvorm, fasering, flexibiliteit, concreetheid). Variërend van borging aanvullende advies in proces, procedure tot concrete maatregelen. •
39
Bijlage IV. Advisering en toezicht evenementen De gemeente heeft de regie bij evenementen en is als vergunningverlener de eerste partij die toeziet op de naleving van de voorwaarden. De gemeentelijke handhavers, of andere daartoe bevoegde ambtenaren, zijn direct belast met het toezicht op het naleven van de vergunningsvoorwaarden. Op specifieke onderdelen, hebben echter ook de hulpverleningsdiensten een taak. Voor het uitvoeren van het toezicht van brandveiligheidsvoorschriften heeft VGGM een maatlat geschreven. Hierin zijn de werkwijze en de criteria aangegeven bij welk soort evenement de VGGM toezicht noodzakelijk acht. Werkwijze bij verleende vergunningen: 1. Indien een evenementenvergunning is verleend zal de gemeente een afschrift sturen naar evenementen@vggm.nl. De verleende vergunning komt automatisch in het mapje van de betreffende gemeente. 2. De coördinator houdt de ingekomen mails bij en bekijkt aan de hand van deze maatlat: - Of het afschrift ook naar de collega van Incidentbestrijding (IB) doorgestuurd moet worden. Indien tijdens het adviestraject de medewerker IB om advies is gevraagd* of alleen is geïnformeerd* over betreffende aanvraag, dan zal de verleende vergunning ook doorgestuurd moeten worden naar IB. Dus van de aanvragen die niet bij IB zijn voorgelegd hoeven de verleende vergunningen ook niet doorgestuurd te worden.
- Of er toezicht op het evenement gehouden moet worden aan de hand van onderstaande criteria.
40
Toezicht Evenementen Classificatie van evenementen
Gemeld evenement (0)
Regulier evenement (A)
Aandacht evenement (B)
Risicovol evenement (C)
‘Evenement’ waarbij geen risico’s te verwachten zijn voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en die geen maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag. De organisator kan volstaan met een melding van het evenement.
Meldingsplichtig
‘Evenement’ waarbij het (zeer) onwaarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
Vergunning (in sommige gemeenten ook ‘meldingsplichtig’)
‘Evenement’ waarbij het mogelijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
Vergunning
‘Evenement’ waarbij het (zeer) waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
Vergunning
A- en B-evenementen:
Voor A-evenementen zie ook bijlage VI Uitgangspunt: Geen toezicht indien er geen bijzonderheden zijn. Bij bijzonderheden, zullen deze wel worden gecontroleerd. Hiervan is er sprake indien: -
-
De gemeente om toezicht gevraagd heeft (dus op verzoek) Er (als onderdeel van het evenement) een gebruiksvergunningsplichtig of meldingsplichtig object staat. Dan zal dit object gecontroleerd worden. Een bouwwerk/inrichting in afwijking van de reeds afgegeven gebruiksvergunning/-melding wordt gebruikt (denk hierbij aan slapen in het gebouw of meerdere personen in het gebouw als dat de vergunning/melding toelaat). Er bijzonderheden zijn met betrekking tot bereikbaarheid hulpdiensten en/of bluswatervoorziening**. Alleen indien er wordt afgeweken van de standaard voorwaarden conform de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”. (Zie Maatlat Advisering van 24 april 2014 voor de criteria) 41
C-evenementen: Altijd toezicht. De volgende aspecten zullen worden gecontroleerd: -
-
De brandveiligheidsvoorwaarden uit de afgegeven evenementenvergunning. Indien er (als onderdeel van het evenement) een gebruiksvergunningsplichtig of meldingsplichtig object staat. Dan zal dit object gecontroleerd worden. Een bouwwerk/inrichting in afwijking van de reeds afgegeven gebruiksvergunning/-melding wordt gebruikt (denk hierbij aan slapen in het gebouw of meerdere personen in het gebouw als dat de vergunning/melding toelaat). Bijzonderheden zijn met betrekking tot bereikbaarheid hulpdiensten en/of bluswatervoorziening**. Alleen indien er wordt afgeweken van de standaard voorwaarden conform de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”. ( Zie Maatlat Advisering van 24 april 2014 voor criteria);
* Conform vastgestelde Maatlat Advisering A-evenementen, 24 april 2014. ** Toezicht op bereikbaarheid en bluswatervoorziening wordt door medewerker IB gedaan.
42
Bijlage V. Standaard adviezen A-evenementen Adviesrichtlijn Braderie/Markt 1. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
-
Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. Op het evenemententerrein dient een contactpersoon van de organisatie aanwezig te zijn. Een afschrift van de verleende vergunning moet in de inrichting/op de evenementenlocatie aanwezig zijn en op verzoek getoond worden. De hulpverleningsdiensten1 houden zich het recht voor om in aanloop naar het evenementen in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid nadere aanvullende voorwaarden te stellen.
2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
-
-
-
Indien zich tijdens het evenement feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan de politie, in belang van de openbare orde en veiligheid, het voortduren van het evenement niet verantwoord acht, moeten de activiteiten onmiddellijk worden gestaakt. Bij inzet van beveiliging: a. Dienen de beveiligers in dienst te zijn van een beveiligingsbedrijf dat erkend is zoals bedoeld in de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. b. Het personeel dient in het bezit te zijn van een toestemming van de Korpschef van de Politie. c. De werkzaamheden dienen uiterlijk drie dagen voor aanvang van het evenement te worden aangemeld bij de afdeling Bijzondere Wetten. Indien gebruik wordt gemaakt van verkeersregelaars dienen deze in bezit te zijn van een geldige ‘aanstellingspas verkeersregelaar’.
3. ONTHEFFING ARTIKEL 35 DRANK EN HORECAWET
-
-
Zodra door de gemeente een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken is verleend, dan gelden de volgende voorwaarden: Aan personen onder de leeftijd van 18 jaar mag geen alcohol worden verstrekt. Dit dient nabij de plaats waar de zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt op duidelijk leesbare en zichtbare wijze aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Aan personen die kennelijk onder invloed verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven, mag geen drank worden verstrekt. Het is niet toegestaan drank met een alcoholpercentage boven de 15% (met uitzondering van wijn) in voorraad te houden op een voor het publiek toegankelijke plaats. Op het terrein moet voor het publiek steeds alcoholvrije drank verkrijgbaar zijn. Een afschrift van de verleende ontheffing, inclusief de gestelde voorwaarden/beperkingen, moet in de inrichting/op het evenemententerrein tijdens de verkoop of verstrekking van alcoholhoudende dranken aanwezig zijn.
4. GENEESKUNDIGE HULPVERLENING
-
Bij evenementen met bezoekers tussen de 100 en 1000 gelijktijdige bezoekers, zijn altijd 2 EHBO’ers aanwezig. Bij voorkeur is er altijd een AED apparaat en een gecertificeerde AED hulpverlener aanwezig 2 Eerste hulpverleners dienen in het bezit te zijn van geldig eerstehulpdiploma, inclusief aantekening AED indien van toepassing. Zij dienen dit te kunnen aantonen tijdens het evenement.
1 Onder hulpverleningsdiensten wordt verstaan; Politie, Brandweer en GHOR 2
Er mag ook gebruik worden gemaakt van een AED op een publieke plaats (zoals bij gemeentehuis, sportcentra, etc.) 43
-
Eerstehulpverleners dienen duidelijk herkenbaar te zijn op het evenemententerrein Over het gehele evenemententerrein dient de EHBO aangeduid te staan met herkenbare symbologie
5. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID
-
Brandkranen moeten worden vrijgehouden.
-
Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.
-
6. (MARKT)KRAMEN
-
Bij de opbouw, aankleding en versiering van kramen, podia e.d. mag geen gebruik worden gemaakt van gemakkelijk ontvlambare materialen. Kramen zijn zo opgesteld dat ze geen gevaar opleveren voor de omgeving. Bij een lintopstelling van de kramen dient er een vrije doorgang te zijn van ten minste 3,5 m breed tussen de luifels gemeten. In de vrije doorgang tussen kramen mogen geen obstakels worden geplaatst. Een kraam dient op maximaal 40 meter door een brandweervoertuig benaderd te kunnen worden. (Tui-)draden, elektriciteitskabels e.d. welke over de weg zijn gespannen dienen minimaal 4,20 meter boven het straatniveau te worden aangebracht.
7. KLEINE BLUSMIDDELEN
-
Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel.
-
Een klein blusmiddel moet:
-
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn voor direct gebruik gereed zijn van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien verzegeld zijn ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is.
8. ELEKTRISCHE INSTALLATIES
-
Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op.
-
Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010
-
(Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.
44
9. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN BIJ HET BEREIDEN VAN VOEDSEL GASINSTALLATIES
• •
• • • • • • •
•
Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte. Slangen van een gasfles naar een toestel: o verkeren in goede staat van onderhoud o zijn niet uitgedroogd o vertonen geen andere beschadigingen o zijn niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar. Een gasfles moet zijn voorzien van een erkend geldig keurmerk. De gasdrukregelaar van een gasfles moet een goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar. Gasflessen en afsluiters mogen uitsluitend door deskundig personeel worden gerepareerd of veranderd. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd. De ruimte waarin de gasfles(sen) staan: o moet op de buitenlucht zijn geventileerd door tenminste twee ventilatieopeningen nabij, of in de vloer o moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte o is alleen van buitenaf bereikbaar Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten.
BAKKRAMEN
• • • • •
Een frituurtoestel is thermisch beveiligd zodat de temperatuur niet boven 200°C kan oplopen. Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt. Het blad onder de bak- en braadtoestellen moet tenminste tot 10 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. De wanden, in de buurt van de bak- en braadtoestellen moeten tot 30 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende gebouwen geldt het volgende: o Kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels toegestaan. o
Kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel - Een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. 10. HEATERS/TERRASVERWARMERS
-
Het gebruik (of de opstelling) van heaters/terrasverwarmers mag geen gevaar opleveren. Heaters/terrasverwarmers dienen volgens de voorschriften van de fabrikant te worden opgesteld, bevestigd en gebruikt. De vloer rondom de heaters/terrasverwarmer moet tot ten minste 2 meter worden vrijgehouden. Op vloeibare brandstof gestookte heaters/terrasverwarmer zijn op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.
45
11. AFVAL
-
Afval moet (dagelijks) worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. Asverzamelaars mogen alleen in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden geleegd. De asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn.
12. TOILETVOORZIENINGEN3
-
-
Zorg voor voldoende toiletten met toiletpapier. Bepaal het aantal benodigde toiletten aan de hand van factoren als aantal bezoekers, samenstelling publiek, gemiddelde verblijfstijd, soort evenement, type toiletten, verwachte piekdrukte, consumptieve gedrag. U mag 75 % van de herentoiletten vervangen door urinoirs of plaszuilen. Eén plaskruis of plaszuil geldt als 4 urinoirs. Ook kunnen plasgoten worden gebruikt. 50 cm plasgoot geldt als één urinoir. Zorg voor één of meerdere gehandicapten toiletten inclusief faciliteiten. Plaats direct naast de toiletten een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wekwerphanddoekjes. Plaats een afvalbak in of direct naast de toiletruimten. Zorg voor voldoende verlichting in de toiletruimten. Voer het afvalwater van toiletten, douches, wasbakken en andere huishoudelijke activiteiten af via bestaande riolering of vang dit op in speciaal daarvoor bestemde opslagtanks (die door een gespecialiseerd bedrijf leeggemaakt moeten worden). Het is verboden om zonder vergunning afvalwater te lozen. Maak de toiletten en wastafels schoon volgens een schoonmaakplan.
13. EXTREEM WEER OF DREIGING
In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.
3 De Vereniging van EvenementenMakers (VVEM) zal, in samenspraak met evenementenorganisatoren en de sanitair leveranciers, een
leidraad gaan opstellen voor de verschillende soorten evenementen (en bezoekersaantallen) met het minimum aantal voorzieningen, op basis van hun ervaringen (best practises). Op het moment van publicatie van deze richtlijn, was deze leidraad nog niet beschikbaar. 46
Adviesrichtlijn Kermis 1. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
-
Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. Op het evenemententerrein dient een contactpersoon van de organisatie aanwezig te zijn. Een afschrift van de verleende vergunning moet in de inrichting/op de evenementenlocatie aanwezig zijn en op verzoek getoond worden. De hulpverleningsdiensten4 houden zich het recht voor om in aanloop naar het evenementen in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid nadere aanvullende voorwaarden te stellen.
2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
-
-
-
Indien zich tijdens het evenement feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan de politie, in belang van de openbare orde en veiligheid, het voortduren van het evenement niet verantwoord acht, moeten de activiteiten onmiddellijk worden gestaakt. Bij inzet van beveiliging: a. Dienen de beveiligers in dienst te zijn van een beveiligingsbedrijf dat erkend is zoals bedoeld in de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. b. Het personeel dient in het bezit te zijn van een toestemming van de Korpschef van de Politie. c. De werkzaamheden dienen uiterlijk drie dagen voor aanvang van het evenement te worden aangemeld bij de afdeling Bijzondere Wetten. Indien gebruik wordt gemaakt van verkeersregelaars dienen deze in bezit te zijn van een geldige ‘aanstellingspas verkeersregelaar’.
3. ONTHEFFING ARTIKEL 35 DRANK EN HORECAWET
-
-
Zodra door de gemeente een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken is verleend, dan gelden de volgende voorwaarden: Aan personen onder de leeftijd van 18 jaar mag geen alcohol worden verstrekt. Dit dient nabij de plaats waar de zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt op duidelijk leesbare en zichtbare wijze aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Aan personen die kennelijk onder invloed verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven, mag geen drank worden verstrekt. Het is niet toegestaan drank met een alcoholpercentage boven de 15% (met uitzondering van wijn) in voorraad te houden op een voor het publiek toegankelijke plaats. Op het terrein moet voor het publiek steeds alcoholvrije drank verkrijgbaar zijn. Een afschrift van de verleende ontheffing, inclusief de gestelde voorwaarden/beperkingen, moet in de inrichting/op het evenemententerrein tijdens de verkoop of verstrekking van alcoholhoudende dranken aanwezig zijn.