CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Handhavingsbeleid

Gecombineerde commissie 11 januari 2022, gemeente DoesburgBij agendapunt: (BO) Verlengen termijn handhavingsbeleid & uitvoeringsprogramma en verdagen jaarverslag (Informatienota)29.724 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

4. GENEESKUNDIGE HULPVERLENING

-

-

Bij evenementen met bezoekers tussen de 100 en 1000 gelijktijdige bezoekers, zijn altijd 2 EHBO’ers aanwezig. Bij voorkeur is er altijd een AED apparaat en een gecertificeerde AED hulpverlener aanwezig 5 Eerste hulpverleners dienen in het bezit te zijn van geldig eerstehulpdiploma, inclusief aantekening AED indien van toepassing. Zij dienen dit te kunnen aantonen tijdens het evenement. Eerstehulpverleners dienen duidelijk herkenbaar te zijn op het evenemententerrein Over het gehele evenemententerrein dient de EHBO aangeduid te staan met herkenbare symbologie

4 Onder hulpverleningsdiensten wordt verstaan; Politie, Brandweer en GHOR 5

Er mag ook gebruik worden gemaakt van een AED op een publieke plaats (zoals bij gemeentehuis, sportcentra, etc.) 47

5. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden.

-

Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

-

6. KLEINE BLUSMIDDELEN

-

Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel.

-

Een klein blusmiddel moet:

-

▪ voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn ▪ voor direct gebruik gereed zijn ▪ van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien ▪ verzegeld zijn ▪ ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. ▪ van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. ▪ onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is. 7. UITGANGEN EN VLUCHTROUTES

-

De (nood)uitgangen en/of vluchtroutes van aangrenzende gebouwen mogen niet worden geblokkeerd. Indien er op het terrein een tent wordt geplaatst zijn richtlijnen voor tenten van toepassing (zie richtlijnen tenten). De uitgangen van de tenten dienen onmiddellijk te openen zijn zonder gebruik te maken van losse voorwerpen. Kabels dienen beschermd te zijn tegen struikelen of beschadigen.

8. ELEKTRISCHE INSTALLATIES

-

Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op.

-

Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010

-

(Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

9. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN BIJ HET BEREIDEN VAN VOEDSEL GASINSTALLATIES

• •

Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte. Slangen van een gasfles naar een toestel: o verkeren in goede staat van onderhoud o zijn niet uitgedroogd 48

vertonen geen andere beschadigingen zijn niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar. Een gasfles moet zijn voorzien van een erkend geldig keurmerk. De gasdrukregelaar van een gasfles moet een goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar. Gasflessen en afsluiters mogen uitsluitend door deskundig personeel worden gerepareerd of veranderd. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd. De ruimte waarin de gasfles(sen) staan: o moet op de buitenlucht zijn geventileerd door tenminste twee ventilatieopeningen nabij, of in de vloer o moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte o is alleen van buitenaf bereikbaar Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten. o o

• • • • • • •

•

BAKKRAMEN

• • • • •

Een frituurtoestel is thermisch beveiligd zodat de temperatuur niet boven 200°C kan oplopen. Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt. Het blad onder de bak- en braadtoestellen moet tenminste tot 10 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. De wanden, in de buurt van de bak- en braadtoestellen moeten tot 30 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende gebouwen geldt het volgende: o Kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels toegestaan. o Kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel o Een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan.

10. ROKEN EN OPEN VUUR

-

Kaarsen, toortsen en dergelijke moeten op stabiele, niet gemakkelijk brandbare, standaards zijn vastgezet. Het is niet toegestaan te roken of open vuur te hebben: • in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof; • bij handelingen die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken; •

bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.

11. AFVAL

-

Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. Asverzamelaars mogen alleen in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden geleegd. De asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn.

49

12. TOILETVOORZIENINGEN6

Zorg voor voldoende toiletten met toiletpapier. Bepaal het aantal benodigde toiletten aan de hand van factoren als aantal bezoekers, samenstelling publiek, gemiddelde verblijfstijd, soort evenement, type toiletten, verwachte piekdrukte, consumptieve gedrag. U mag 75 % van de herentoiletten vervangen door urinoirs of plaszuilen. Eén plaskruis of plaszuil geldt als 4 urinoirs. Ook kunnen plasgoten worden gebruikt. 50 cm plasgoot geldt als één urinoir. -

-

Zorg voor één of meerdere gehandicapten toiletten inclusief faciliteiten. Plaats direct naast de toiletten een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wekwerphanddoekjes. Plaats een afvalbak in of direct naast de toiletruimten. Zorg voor voldoende verlichting in de toiletruimten. Voer het afvalwater van toiletten, douches, wasbakken en andere huishoudelijke activiteiten af via bestaande riolering of vang dit op in speciaal daarvoor bestemde opslagtanks (die door een gespecialiseerd bedrijf leeggemaakt moeten worden). Het is verboden om zonder vergunning afvalwater te lozen. Maak de toiletten en wastafels schoon volgens een schoonmaakplan.

13. EXTREEM WEER OF DREIGING

In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.

6 De Vereniging van EvenementenMakers (VVEM) zal, in samenspraak met evenementenorganisatoren en de sanitair leveranciers, een

leidraad gaan opstellen voor de verschillende soorten evenementen (en bezoekersaantallen) met het minimum aantal voorzieningen, op basis van hun ervaringen (best practises). Op het moment van publicatie van deze richtlijn, was deze leidraad nog niet beschikbaar. 50

Adviesrichtlijn Straatfeest en/of Barbecue 1. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

-

Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. Op het evenemententerrein dient een contactpersoon van de organisatie aanwezig te zijn. Een afschrift van de verleende vergunning moet in de inrichting/op de evenementenlocatie aanwezig zijn en op verzoek getoond worden. De hulpverleningsdiensten7 houden zich het recht voor om in aanloop naar het evenementen in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid nadere aanvullende voorwaarden te stellen.

2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

-

-

-

Indien zich tijdens het evenement feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan de politie, in belang van de openbare orde en veiligheid, het voortduren van het evenement niet verantwoord acht, moeten de activiteiten onmiddellijk worden gestaakt. Bij inzet van beveiliging: a. Dienen de beveiligers in dienst te zijn van een beveiligingsbedrijf dat erkend is zoals bedoeld in de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. b. Het personeel dient in het bezit te zijn van een toestemming van de Korpschef van de Politie. c. De werkzaamheden dienen uiterlijk drie dagen voor aanvang van het evenement te worden aangemeld bij de afdeling Bijzondere Wetten. Indien gebruik wordt gemaakt van verkeersregelaars dienen deze in bezit te zijn van een geldige ‘aanstellingspas verkeersregelaar’.

3. ONTHEFFING ARTIKEL 35 DRANK EN HORECAWET

-

-

Zodra door de gemeente een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken is verleend, dan gelden de volgende voorwaarden: Aan personen onder de leeftijd van 18 jaar mag geen alcohol worden verstrekt. Dit dient nabij de plaats waar de zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt op duidelijk leesbare en zichtbare wijze aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Aan personen die kennelijk onder invloed verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven, mag geen drank worden verstrekt. Het is niet toegestaan drank met een alcoholpercentage boven de 15% (met uitzondering van wijn) in voorraad te houden op een voor het publiek toegankelijke plaats. Op het terrein moet voor het publiek steeds alcoholvrije drank verkrijgbaar zijn. Een afschrift van de verleende ontheffing, inclusief de gestelde voorwaarden/beperkingen, moet in de inrichting/op het evenemententerrein tijdens de verkoop of verstrekking van alcoholhoudende dranken aanwezig zijn.

4. GENEESKUNDIGE HULPVERLENING

-

-

-

Bij evenementen met bezoekers tussen de 100 en 1000 gelijktijdige bezoekers, zijn altijd 2 EHBO’ers aanwezig. Bij voorkeur is er altijd een AED apparaat en een gecertificeerde AED hulpverlener aanwezig 8 Eerste hulpverleners dienen in het bezit te zijn van geldig eerstehulpdiploma, inclusief aantekening AED indien van toepassing. Zij dienen dit te kunnen aantonen tijdens het evenement. Eerstehulpverleners dienen duidelijk herkenbaar te zijn op het evenemententerrein Over het gehele evenemententerrein dient de EHBO aangeduid te staan met herkenbare symbologie

7 Onder hulpverleningsdiensten wordt verstaan; Politie, Brandweer en GHOR 8

Er mag ook gebruik worden gemaakt van een AED op een publieke plaats (zoals bij gemeentehuis, sportcentra, etc.) 51

5. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

De (nood)uitgangen en/of vluchtroutes van aangrenzende gebouwen mogen niet worden geblokkeerd. Indien er op het terrein een tent wordt geplaatst zijn richtlijnen voor tenten van toepassing (zie richtlijnen tenten).

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden.

-

Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

-

6. KLEINE BLUSMIDDELEN

-

-

Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel. Een klein blusmiddel moet: • voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn • voor direct gebruik gereed zijn • van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien • verzegeld zijn • ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. • van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. • onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is.

7. ELEKTRISCHE INSTALLATIES

-

Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op.

-

Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010

-

(Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

8. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN BIJ HET BEREIDEN VAN VOEDSEL GASINSTALLATIES

-

-

Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte. Slangen van een gasfles naar een toestel: o verkeren in goede staat van onderhoud o zijn niet uitgedroogd o vertonen geen andere beschadigingen o zijn niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar. Een gasfles moet zijn voorzien van een erkend geldig keurmerk.

52

-

-

De gasdrukregelaar van een gasfles moet een goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar. Gasflessen en afsluiters mogen uitsluitend door deskundig personeel worden gerepareerd of veranderd. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd. De ruimte waarin de gasfles(sen) staan: o moet op de buitenlucht zijn geventileerd door tenminste twee ventilatieopeningen nabij, of in de vloer o moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte o is alleen van buitenaf bereikbaar Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten. BAKKRAMEN

-

-

Een frituurtoestel is thermisch beveiligd zodat de temperatuur niet boven 200°C kan oplopen. Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt. Het blad onder de bak- en braadtoestellen moet tenminste tot 10 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. De wanden, in de buurt van de bak- en braadtoestellen moeten tot 30 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende gebouwen geldt het volgende: o Kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels toegestaan. o Kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel Een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan.

9. HEATERS/TERRASVERWARMERS

-

Het gebruik (of de opstelling) van heaters/terrasverwarmers mogen geen gevaar opleveren. Heaters/terrasverwarmers dienen volgens de voorschriften van de fabrikant te worden opgesteld, bevestigd en gebruikt. De vloer rondom de heaters/terrasverwarmer moet tot ten minste 2 meter worden vrijgehouden. Op vloeibare brandstof gestookte heaters/terrasverwarmer zijn op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

10. VUURKORF (OF VUURTON)

- Bij branden in een vuurkorf: • Is er toezicht van een meerderjarig persoon. • Levert de opstelling van de vuurkorf geen gevaar voor de omgeving op • Is onder de vuurkorf een niet brandbare onderlaag aanwezig. Deze onderlaag is minimaal 2x de oppervlakte van de vuurkorf • Moet een vuurkorf zo zijn opgesteld/uitgevoerd dat deze niet eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten • Bedraagt de maximale hoeveelheid brandstof (alleen schoon hout) niet meer dan ¼ m3 • wordt de vuurkorf niet verlaten voordat het vuur gedoofd is; • staan in de buurt van de vuurkorf voldoende blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed. Denk hierbij aan een poeder- of schuimblusser met een inhoud van tenminste 6 kilogram/liter of een emmer gevuld met water of zand. 11. BARBECUE

-

Bij barbecueën: 53

• • • • • •

Is er toezicht van een meerderjarig persoon. Staat de barbecue op een open plaats die boven en rondom tenminste 2 meter vrij is Moet een barbecue zo zijn opgesteld/uitgevoerd dat deze niet eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten Wordt de brandstof (alleen briketten of houtskool) alléén ontstoken met aanmaakblokjes, aanmaakvloeistof en/of aanmaakgel; Wordt de barbecue niet verlaten voordat het vuur gedoofd is; staan in de buurt van de barbecue voldoende blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed. Denk hierbij aan een poeder- of schuimblusser met een inhoud van tenminste 6 kilogram/liter of een emmer gevuld met water of zand

12. EXTREME DROOGTE

-

Bij extreme droogte mag niet worden gebrand (vuurkorf, vuurton, barbecue) met vaste brandstof (hout, houtskool, briketten e.d.) in brandgevaarlijke natuurgebieden. Actuele informatie: www.natuurbrandgevaar.nl.

13. AFVAL

-

Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. Asverzamelaars mogen alleen in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden geleegd. De asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn.

14. TOILETVOORZIENINGEN9

Zorg voor voldoende toiletten met toiletpapier. Bepaal het aantal benodigde toiletten aan de hand van factoren als aantal bezoekers, samenstelling publiek, gemiddelde verblijfstijd, soort evenement, type toiletten, verwachte piekdrukte, consumptieve gedrag. U mag 75 % van de herentoiletten vervangen door urinoirs of plaszuilen. Eén plaskruis of plaszuil geldt als 4 urinoirs. Ook kunnen plasgoten worden gebruikt. 50 cm plasgoot geldt als één urinoir. -

-

Zorg voor één of meerdere gehandicapten toiletten inclusief faciliteiten. Plaats direct naast de toiletten een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wekwerphanddoekjes. Plaats een afvalbak in of direct naast de toiletruimten. Zorg voor voldoende verlichting in de toiletruimten. Voer het afvalwater van toiletten, douches, wasbakken en andere huishoudelijke activiteiten af via bestaande riolering of vang dit op in speciaal daarvoor bestemde opslagtanks (die door een gespecialiseerd bedrijf leeggemaakt moeten worden). Het is verboden om zonder vergunning afvalwater te lozen. Maak de toiletten en wastafels schoon volgens een schoonmaakplan.

15. EXTREEM WEER OF DREIGING

In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.

9 De Vereniging van EvenementenMakers (VVEM) zal, in samenspraak met evenementenorganisatoren en de sanitair leveranciers, een

leidraad gaan opstellen voor de verschillende soorten evenementen (en bezoekersaantallen) met het minimum aantal voorzieningen, op basis van hun ervaringen (best practises). Op het moment van publicatie van deze richtlijn, was deze leidraad nog niet beschikbaar. 54

Adviesrichtlijn Tenten (waarin <50 personen aanwezig zijn) NB. Deze richtlijnen zult in combinatie met één van de andere richtlijnen gebruiken, omdat deze richtlijnen alleen voor tenten geldt en niet voor het totale evenement. 1. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden. Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

2.

UITGANGEN EN VLUCHTROUTES

De (nood)uitgangen en vluchtroutes van aangrenzende gebouwen mogen niet worden geblokkeerd. De uitgangen van de tenten dienen onmiddellijk te openen zijn zonder gebruik te maken van losse voorwerpen. Kabels dienen beschermd te zijn tegen struikelen of beschadigen.

3.

TENTZEIL

De materialen die gebruikt worden voor daken en verticale afscheidingen van tenten moeten voor wat betreft de brandklasse ten minste voldoen aan een van de volgende klassen: Klasse 2 van NEN 6065 Klasse B van NEN-EN- 13501-1 Klasse B1 van DIN 4102 Klasse M2 volgens NF P 92-503 t/m NF P 92-505 en NF P 92-507

-

4.

BEKLEDING, STOFFERING EN VERSIERING

Aankleding en versieringen in een besloten ruimte mogen geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is minimaal indien: • de aankleding een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden; • de aankleding onbrandbaar is, of • de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert. De versiering mag in geval van brand geen druppels vormen. Bij twijfel of het materiaal brandvertragend is kan de volgende eenvoudige brandproef duidelijkheid geven: • Neem een monster (5 x 25 cm) van het materiaal • Ga naar buiten en houdt een uiteinde van het monster gedurende minimaal 5 seconden in een vlam, zoals bijvoorbeeld van een aansteker of lucifer • Haal de aansteker of lucifer weg, wanneer het monster vlam heeft gevat of nadat 5 seconden zijn verstreken. Het materiaal voldoet als aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan: Tijdens de verhitting zijn geen druppels vrijgekomen (al of niet brandend of druipend); Tijdens de verhitting zijn geen roetvlokken vrijgekomen; Het materiaal vlamt niet meer dan 15 seconden na en gloeit maximaal 60 seconden na, nadat de aansteker of lucifer is weggenomen. Stoffering en versiering dienen te worden vrijgehouden van spots en andere apparatuur die warmte afgeeft. Plafondversiering dient buiten bereik van het publiek te hangen.

Dat wil zeggen tussen de vloer en de versiering is een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter. -

55

Versiering mag in geval van brand geen druppels vormen. Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn niet toegestaan.

5.

KLEINE BLUSMIDDELEN

-

-

6.

ELEKTRISCHE INSTALLATIES

7.

Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op. Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010 (Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent opgesteld.

HEATERS/TERRASVERWARMERS

8.

Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. • In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel. Een klein blusmiddel moet: • voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn • voor direct gebruik gereed zijn • van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien • verzegeld zijn • ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. • van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. • onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is.

Het gebruik (of de opstelling) van heaters/terrasverwarmers mag geen gevaar opleveren. Heaters/terrasverwarmers dienen volgens de voorschriften van de fabrikant te worden opgesteld, bevestigd en gebruikt. De vloer rondom de heaters/terrasverwarmer moet tot ten minste 2 meter worden vrijgehouden. Op vloeibare brandstof gestookte heaters/terrasverwarmer zijn op minimaal 5 meter buiten de tent opgesteld.

ROKEN EN OPEN VUUR

-

Kaarsen, toortsen en dergelijke moeten op stabiele, niet gemakkelijk brandbare, standaards zijn vastgezet. Het is niet toegestaan te roken of open vuur te hebben: • in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof; • bij handelingen die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken; •

9.

bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.

EXTREEM WEER OF DREIGING

In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.

56

Bijlage VI Hercontrole toezicht Her controle In deze paragraaf staat een richtlijn omschreven in welke situaties een her controle noodzakelijk is. De her controles zijn verdeeld in een fysieke of schriftelijke her controle. Een her controle is altijd nodig als wordt vastgesteld dat er te veel personen aanwezig zijn in een pand of inrichting, vluchtwegen geblokkeerd zijn of brandgevaarlijke materialen zijn gebruikt. Het is, met onderstaand overzicht, niet mogelijk om alle situatie hiermee te ondervangen. Uiteindelijk is het wel of niet uitvoeren van een her controle ook een groot deel vakmanschap van de medewerker. Hercontrole (fysiek)  Wanneer veilig vluchten in het geding is of komt.  Brand- of rookwerende deur opengehouden meer dan 4.  Brand- of rookwerende deur dagschoot meer dan 4.  Brand- of rookwerende scheiding meer dan 4 scheidingen (doorvoeren).  Verplichte brandmeldinstallatie in storing of defect.  Brandmeldinstallatie aanbrengen.  Vluchtweg(en) geblokkeerd. Waarbij de kans op herhaling of direct weer blokkeren bij vertrek groot is.  Vluchtweg(en) draaiknop aanbrengen.  Vluchtweg hoge afstap.  Uit dossier blijkt dat de gebruiker de afgelopen jaren vergelijkbare tekortkomingen heeft gehad. (bijvoorbeeld kapotte vluchtrouteaanduiding).  Meerdere kleine tekortkoming van verschillende aard, maar waarbij de totale brandveiligheid onder de maat is.

Her controle (schriftelijk)  Ontruimingsplan  Attesten & certificaten: bmi, droge stijgleiding, overdrukinstallatie  Aanvraag Vergunning brandveilig gebruik: bewaking door FirstWatch (zie hoofdstuk 2.5)  Gebruiksmelding: bewaking door FirstWatch (zie hoofdstuk 2.5)  Bij terugkoppeling van gebruiker. Geen her controle  Blusmiddelen geblokkeerd, niet gekeurd, afgekeurd, onjuist opgehangen  Vluchtwegaanduiding & Noodverlichting  br/ rw deur opengehouden t/m 4 deuren (mits veilig vluchten niet in gedrang is)  br/ rw deur dagschoot t/m 4 deuren (mits veilig vluchten niet in gedrang is)  br/ rw scheiding t/m 4 scheidingen(mits veilig vluchten niet in gedrang is)  Logboek niet bijgehouden  Opslag sprinkler te hoog  Opslag voor droge steigleiding  Juiste sleutel in sleutelbuis/ kluis  brandgevaarlijke versiering verwijderen (direct verwijderen is geen her controle nodig)  Opslag schacht (Geen gevaar veilig vluchten)  Opslag CV (idem.)  Opschrift overdruktrappenhuizen  Ontruimingsoefening  Ontruimingsplattegrond geografisch ophangen  Logboek  Plafondplaten terug plaatsen (tenzij veilig vluchten in gedrang is)

57

Bijlage VII. Implementatieplan Voor het werkbaar houden van de samenwerkingsprotocollen is het nodig om bovenstaande als levend document te beschouwen. Door steeds wijzigende inzichten en regelgeving blijft het nodig dat het protocollenboek jaarlijks beschouwd en zo nodig aangepast moet worden. Implementatie samenwerkingsprotocollen: 1. Uiterlijk eind 2015 is het protocollenboek geaccordeerd door het Algemeen Bestuur. Hiermee wordt dan voldaan aan de bestuurlijke opdracht om de samenwerking tussen GEM en VGGM vast te leggen. 2. Per 01-01-2016 wordt er overeenkomstig de aangegeven werkwijze samengewerkt tussen GEM en VGGM. Beide organisaties verplichten zich om de werkwijze, zoals aangegeven in dit protocollenboek, breed binnen hun organisatie uit te dragen 3. In het derde kwartaal van 2016 volgt een herijking van dit protocollenboek. Hiervoor zal een klankbordgroep bij elkaar komen en de geleverde input van GEM als VGGM verwerkt worden. De gerealiseerde herijking hoeft niet nog een keer door het Algemeen Bestuur geaccordeerd te worden. 4. Daarna zal jaarlijks het protocollenboek en de daarin aangegeven werkwijze onderling afgestemd worden. Indien dit aanleiding zal geven tot grote aanpassingen zal er wederom een klankbordgroep samengesteld worden en aanpassingen uitgevoerd gaan worden

58

Postbus 5364 6802 EJ Arnhem Telefoon 0800 8446 000 www.brandweer.nl/gelderland-midden

Bijlage 3: Handhavingsprotocol Drank- en Horecawet

Handhavingsprotocol Toezicht Drank- en Horecawet Op 1 januari 2013 is de nieuwe Drank- en Horecawet (DWH) in werking getreden. In deze wet is het toezicht opgedragen aan de door de burgemeester aangewezen ambtenaren. M.a.w. gemeenten zijn voortaan verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Drank- en Horecawet. Ter uitvoering van het toezicht is het van belang om een handhavingsprotocol vast te stellen dat ten doel heeft: de verschillende handhavingsinstrumenten uniform en op consequente wijze toe te passen; ervoor te zorgen dat de te nemen maatregel(en) qua zwaarte en effectiviteit passend bij de ernst van de overtreding zijn en voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; duidelijkheid te scheppen naar de overtreder zodat deze weet welke maatregel(en) hij na het maken van de overtreding kan verwachten; de toezichthouders een duidelijke handleiding bij de uitoefening van hun taken te geven. de motivering van een opgelegde maatregel in een juridische procedure te versterken. Instrumenten Doel van de inzet van bestuurlijke handhavingsinstrumenten is het opheffen van de geconstateerde overtredingen en het voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij bestuurlijke handhaving kunnen de volgende instrumenten ingezet worden: mondelinge waarschuwing; schriftelijke waarschuwing; bestuurlijke boete (art. 44 a DHW); bestuursdwang (art. 125 Gemw); dwangsom (art.

5:32 Awb); intrekken van de vergunning (art. 31 DHW); schorsen van vergunning (art. 32 DHW); tijdelijk verkoopverbod detailhandel en cafetaria’s (art. 19a DHW); sluiting horecagelegenheid (art. 174 Gemw); proces-verbaal bezit alcoholhoudende drank door personen onder 16 jaar (art. 45 DHW).

Bijlage 3: Handhavingsprotocol Drank- en Horecawet

Daarnaast kan tegen de overtreding van een aantal artikelen op grond van de Wet economische delicten (Wed) strafrechtelijk worden opgetreden. Ook kan op grond van artikel 45 DHW strafrechtelijk worden opgetreden tegen jongeren onder de 16 jaar die op voor het publiek toegankelijke plaatsen in het bezit van alcoholhoudende drank zijn. Uitgangspunten Uitgangspunt van bestuurlijk optreden is dat bij de constatering van een overtreding eerst een waarschuwing wordt gegeven en de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld de overtreding binnen een bepaalde termijn ongedaan te maken. Gaat het om minder ernstige overtredingen, dan kan de toezichthouder volstaan met een (mondelinge) waarschuwing dat bij een volgende overtreding een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Wordt in dat geval een volgende overtreding geconstateerd, dan wordt een bestuurlijke boete opgelegd en krijgt de overtreder een schriftelijke waarschuwing dat bij een volgende overtreding een bestuurlijke maatregel in de vorm van een last onder dwangsom volgt. Gaat het om zwaardere overtredingen, dan is de aard van de overtreding bepalend voor de vraag welk handhavingsinstrument het meest passend en effectief is. Daar waar een last onder dwangsom wordt opgelegd is in de meeste gevallen uitgegaan van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 1.000,-.

Het betreft hier overtredingen die niet direct tot een financieel voordeel leiden maar waarbij de dwangsom toch voldoende financiële prikkel moet geven om de overtreding te beëindigen. Een bedrag van € 250,- als uitgangspunt lijkt in die gevallen redelijk en proportioneel. Bij minder ernstige overtredingen is uitgegaan van een dwangsom van € 100,- met een maximum van € 400,-. De maximale dwangsom is vastgesteld op het viervoudige van het dwangsombedrag zodat na 4 geconstateerde overtredingen zonodig een ander bestuurlijk instrument ingezet kan worden om een einde aan de overtreding te maken. Hierbij wordt nog de kanttekening geplaatst dat de dwangsom moet zijn gerelateerd aan het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald. De genoemde dwangsombedragen zijn dus een richtlijn maar kunnen afhankelijk van dit economische voordeel bijgesteld worden. Bij ernstige overtredingen (zie hieronder) zal direct een einde aan de overtreding moeten worden gemaakt en zullen daartoe veelal zwaardere middelen ingezet (moeten) worden. Van een ernstige overtreding is sprake indien: - er een ernstig risico bestaat voor de gezondheid of veiligheid van mens en/of dier, en/of - er sprake is van grove misleiding van de consument, en/of - er een ernstig risico voor het milieu bestaat.

Hierbij is nog van belang te vermelden dat in artikel 44a van de wet is bepaald dat overtredingen die een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid of groot economisch voordeel opleveren niet met een bestuurlijke boete afgedaan kunnen worden.

Bijlage 3: Handhavingsprotocol Drank- en Horecawet

In het handhavingsprotocol (Bijlage) zijn de belangrijkste artikelen van de Drank- en Horecawet met vermelding van de te nemen maatregelen (toe te passen instrumenten) bij overtreding van deze artikelen opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=e1f44e5a-dc27-48b9-a28a-1a76e33673cc