CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Fundament EF definitief

Gecombineerde commissie 15 oktober 2024, gemeente DoesburgBij agendapunt: (MO) Essentiële functies in de Jeugdzorg (Informatienota)40.892 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Langdurig woonperspectief In sommige situaties heeft een kind een langdurig woonperspectief nodig en stroomt een kind door naar een levensbestendige verblijfsplek waar het kind met ondersteuning in onvoorwaardelijkheid kan toewerken naar volwassenheid. Wanneer het kind met zijn woonvraag terecht kan in de regionale voorzieningen, zijn deze voorliggend.

18-/18+ De (wettelijke- en financiële) schotten die in werking treden als een kind 18 wordt, zijn voor veel kinderen die verblijven in essentiële functies een groot struikelblok. Deze schotten moeten beslecht worden. Regio’s hebben de mogelijkheid om continuïteit van zorg te bieden aan kinderen die de leeftijd van 18 passeren met inzet van verlengde jeugdhulp als dat noodzakelijk is. Het is daarom van belang dat alle betrokkenen tijdig anticiperen op het perspectief (zie ook de leefdomeinen in paragraaf 1.12.5), waaronder een woonplek na het 18e jaar. De mobiele brigade kan hier ondersteunend worden ingezet en de aanbieders binnen het samenwerkingsverband kunnen (intern) toeleiden naar de volwassen zorg. In bijlage 4 is een volledige dienstomschrijving van de integrale hoogspecialistische zorg opgenomen.

1.10. Toeleiding en instroom diensten essentiële functies Onderstaande figuur geeft een schematische weergave14 van de toegang en instroom in de beschreven diensten.

14 Zowel de schematische weergave als de tekstuele uitleg gaan uit van een versimpelde weergave van de werkelijkheid. In

veel gevallen is de zorgvraag en het zorgtraject al eerder gestart.

21

Een kind en het gezin met een zorgvraag voor essentiële functies kan zich melden bij de lokale toegang van een gemeente (soms ook regionaal georganiseerd) of bij een medisch verwijzer zoals de huisarts, kinderarts of psychiater. In een aantal gevallen is de gecertificeerde instelling al betrokken en heeft het kind een jeugdbeschermingsmaatregel. Deze drie instanties samen zijn de wettelijke verwijzers naar jeugdhulp15. De verwijzer bekijkt, altijd op basis van de verklarende analyse, of sprake is van een situatie zoals omschreven in paragraaf 1.3. en of er noodzaak is tot het inzetten van essentiële functies.

Logistieke vraag (route 1) Als de verwijzer beoordeelt dat de inzet van integrale hoog specialistische zorg nodig is16, kwalificeren we dat als een ‘logistieke vraag’ en meldt de verwijzer aan bij de gezamenlijke voordeur van de aanbieders. De gezamenlijke voordeur is het aanmeldproces dat aanbieders samen inrichten en heeft tot doel de zorgvraag te inventariseren, in te schatten waar de vraag opgepakt moet worden en deze daarnaartoe door te leiden. Daarmee richt het aanmeldproces zich op het effectief hulp organiseren, het inzetten van nieuw vakmanschap gericht op de transformatie en organiseren van kruisbestuiving tussen de organisaties in het samenwerkingsverband. Met het aanmeldproces ontstaat een eenduidig en herkenbare toegang tot de essentiële functies.

Inhoudelijke vraag (route 2) Als de verwijzer beoordeelt dat het kind en het gezin weliswaar onder de omschrijving van paragraaf 1.3. valt, maar niet duidelijk is of inzet van essentiële functies nodig is, dan wel de verwijzer niet weet welke zorg (eventueel essentiële functies) ingezet moeten worden, meldt de verwijzer zich bij het RET. In de figuur ‘toeleiding naar essentiële functies’ noemen we dit een inhoudelijke vraag. Elk van de 7 regio’s in Gelderland heeft een RET. De rol van het RET binnen de essentiële functies is het leren kennen van het kind en het gezin en de zorgvraag die er ligt. Het RET probeert een stokkend zorgproces te doorbreken, als het reguliere zorgsysteem geen passende oplossingen biedt. Het RET kan vervolgens inzet van de mobiele brigade adviseren, wanneer een zorgvraag geen antwoord kan vinden bij het RET. De voorzitter van het RET en het eerste aanspreekpunt van de mobiele brigade staan in nauw contact. 15

De ‘medisch verwijzers’ hebben op grond van de Jeugdwet de bevoegdheid om te verwijzen. Zij kunnen echter in het traject essentiële functies niet de casusregierol oppakken zoals de overige verwijzers (GI en lokale toegang). De medisch verwijzers handelen slechts vanuit de verwijzende rol. Waar gesproken wordt over casusregie wordt dan ook het lokale team of de GI bedoeld. 16 Als de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdzorg heeft afgegeven, meldt de plaatsingscommissie Oost een kind aan bij de gezamenlijke voordeur.

22

Als er vanuit het RET-netwerk inclusief de mobiele brigade geadviseerd wordt om integrale hoog specialistische zorg in te zetten, meldt de verwijzer aan bij de gezamenlijke voordeur van de samenwerkende aanbieders.

Toeleiding Toeleiding naar integrale hoog specialistische zorg gaat dus via twee routes: ofwel direct naar de gezamenlijke voordeur bij een logistieke vraag (route1), ofwel via het RET (eventueel met inzet mobiele brigade) naar de gezamenlijke voordeur (route 2). De verwijzer blijft altijd als casusregisseur en aanmelder verantwoordelijk en aanmelding bij de gezamenlijke voordeur gebeurt ook altijd door de verwijzer. Er is een sterke voorkeur voor route 2, de aanmeldingsstroom via het RET (met eventueel inzet van de mobiele brigade): de essentiële functies zijn schaarse functies en alleen bedoeld voor de kinderen en gezinnen met complexe meervoudige problematiek, waarbij inzet van het RET en de mobiele brigade in de meeste gevallen zeer helpend kan zijn. Inzet van de mobiele brigade gaat altijd in afstemming met het RET / de voorzitter van het RET, behalve als een kind al in integraal hoog specialistisch verblijf zit. Als dan een onvrijwillige overplaatsing dreigt of de verblijfsaanbieder heeft ondersteuning nodig bij de uitstroom van een kind, meldt de verblijfsaanbieder, altijd in overleg met de casusregisseur, direct aan bij de mobiele brigade.

Proces van aanmelding Als een verwijzer een kind aanmeldt, bevat de aanmelding17: 1. Verklarende analyse; 2. Perspectiefplan essentiële functies met duidelijke omschrijving wat het doel van plaatsing binnen de integrale hoog specialistische zorg is; 3. Aanzet tot een veiligheidsplan: welke stappen worden doorlopen om crisis te voorkomen en wat spreken de betrokkenen af mocht er een crisis zich voordoen. Dit plan wordt ingevuld tijdens het traject en wordt dan een onderdeel van het perspectiefplan essentiële functies. Dit is een levend document, dat wordt aangepast naar wat het kind nodig heeft; 4. Beschikking met declaratiecode voor berichtenverkeer/ afspraak wanneer de beschikking afgegeven zal zijn.

Afwijzing bij gezamenlijke voordeur Het kan voorkomen dat vanuit de gezamenlijke voordeur de beoordeling komt dat een aanmelding ‘te licht is’. Dat wil zeggen dat zij van mening zijn dat er regionaal passend aanbod is. De gezamenlijke voordeur kan dan, in overleg met de verwijzer, verwijzen naar het RET voor een regionale oplossing. Wanneer de verwijzer, al dan niet na inzet van het RET en eventueel de mobiele brigade, van mening blijft dat een kind moet worden toegelaten tot integrale hoog specialistische zorg en de gezamenlijke voordeur wijst alsnog af, dan kan de beschreven escalatieladder zoals vastgelegd in de overeenkomst worden gevolgd.

Plaatsingen binnen of buiten Gelderland: Het uitgangspunt is dat als een kind in een verblijfsvoorziening geplaatst wordt, er wordt gekeken naar de dichtstbijzijnde passende plek binnen het geografische gebied van de Gelderse regio’s. Dit houdt in dat wanneer een kind geplaatst wordt binnen het integraal hoog-specialistisch verblijf er eerst gekeken wordt welke plek inhoudelijk het meest passend is binnen het samenwerkingsverband, binnen het geografische gebied van de regio’s. Wanneer de meest passende locatie voor het kind buiten het geografische gebied van de regio’s ligt, maar dichter bij de oorspronkelijke woonplek van het kind is, kan in afstemming en overleg met alle betrokkenen, voor deze locatie gekozen worden. 17 De regio’s hebben verschillende aanmeldroutes (301- en 315 route). Hier moet aandacht voor zijn in het

implementatietraject.

23

1.11. Uitstroom & Nazorg Onderstaande figuur geeft een schematische weergave van de uitstroom en de nazorg van de essentiële functies.

Voor een goede en effectieve uitstroom vanuit de Essentiële functies zijn de volgende drie uitgangspunten van belang: 1. De betrokkenheid bij het kind en het gezin en het in contact blijven met het kind; 2. Er is altijd iemand die casusregie heeft; 3. Er is altijd een perspectiefplan essentiële functies. Vanuit de combinatie van deze drie belangrijke uitgangspunten gelden de volgende afspraken om tot een goede en effectieve uitstroom vanuit de Essentiële functies te komen: ▪ Via de multidisciplinaire overleggen (MDO’s) worden de medebehandelaars en de casusregisseur in het gehele zorgtraject consequent en actief betrokken en uitgenodigd voor de MDO’s; ▪ Er moet tijdig gestart worden met het vormgeven van de uitstroom. Uitstroom is onderdeel van het perspectiefplan, maar het is ook van belang minimaal drie tot zes maanden van tevoren daadwerkelijk aan de slag te gaan met het regelen van een vervolgplek. Dit geldt zeker bij kinderen die bijna 18 jaar worden. Het is cruciaal om vanaf 16,5 jaar, samen met het kind, te zoeken naar een goede vervolgplek, zodat minimaal drie maanden voor de 18e verjaardag het vervolg duidelijk is; ▪ De regiebehandelaar is samen met het kind aan de leiding. Zij bepalen samen wanneer uitstroom aan de orde is.

De casusregisseur is daar consequent en actief bij betrokken; ▪ De casusregisseur organiseert/zoekt een passende vervolgplek en blijft altijd als vast contactpersoon betrokken; ▪ Ook de mobiele brigade kan een rol spelen en een zachte landing bij een (regionale) zorgaanbieder of thuis mogelijk maken; ▪ Een warme overdracht (zoveel mogelijk fysiek, samen met het kind en het gezin) vanuit de verblijfsaanbieder binnen essentiële functies naar de ‘ontvangende partij’ (thuis of andere woon/verblijfsplek) is verplicht. De warme overdracht kan ook ‘andersom’ plaatsvinden: de ontvangende partij werkt tijdelijk mee bij verblijf essentiële functies; ▪ Als nazorg nodig is, of een ‘waakvlamcontact’, kan dit geboden worden vanuit de essentiële functies.

24

Stagnatie bij uitstroom Wanneer er onvoldoende vervolgplekken zijn voor de uitstroom, dan is het aan de regio om dit te organiseren. Is er geen passend aanbod voor een individueel kind, dan wordt er een aanmelding gedaan bij het RET.

1.12. Kernaspecten van kwaliteit Uit de beschrijving van de diensten blijkt duidelijk dat de zorg getransformeerd moet worden. Aanbieders en regio’s hebben daarbij een bepaald basisniveau van kwaliteit voor ogen waaraan alle aanbieders essentiële functies moeten voldoen. Dit is uitgewerkt onder de kernaspecten van kwaliteit.

1.12.1. Wettelijke kwaliteitseisen Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de kwaliteit van de jeugdhulp. De eisen die zij stellen aan de kwaliteit kunnen ze vastleggen in de contracten met de aanbieders. Voor de veiligheid, gezondheid en rechtspositie van kinderen zijn ook een aantal landelijke kwaliteitseisen gesteld. De landelijke kwaliteitseisen die aan aanbieders gesteld zijn, staan in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Alle aanbieders: - Bieden verantwoorde hulp, die veilig, doeltreffend, doelmatig, en cliëntgericht is en afgestemd op de behoefte van het kind of de ouder (art. 4.1.1 eerste lid) - Hebben kwalitatief en kwantitatief voldoende personeel zodat ze verantwoorde hulp kunnen bieden (norm van verantwoordelijkheidstoedeling) (art. 4.1.1 tweede lid) - Werken met een familiegroepsplan, hulpverleningsplan of plan van aanpak (art. 4.1.3) - Hebben een kwaliteitssysteem (art. 4.1.4) - Werken met medewerkers die een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) hebben (art. 4.1.6) - Hebben een verplichte meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling (art. 4.1.7) - Hebben een meldplicht bij calamiteiten en geweld (art. 4.1.8) - Hebben een vertrouwenspersoon (4.1.9) - Hebben een klachtenregeling en -commissie (4.2.1) - Hebben een cliëntenraad (4.2.5). De Jeugdwet bepaalt dat de samenwerkende inspecties toezicht houden op deze kwaliteitseisen.

1.12.2. Kwaliteitstandaarden Daarnaast hebben aanbieders binnen hun eigen beroepsgroep verschillende kwaliteitsstandaarden. Dat zijn richtlijnen, veldnormen, zorgstandaarden, kwaliteitskaders, generieke modules, zorgpaden, protocollen en handelingsprotocollen die gelden voor een beroepsgroep of een bepaalde dienst of product. Aanbieders voeren de diensten waarop zij inschrijven uit conform de voor hen geldende kwaliteitsstandaarden.

1.12.3. Integrale en samenhangende zorg door samenwerking tussen aanbieders. Hét kernaspect van de kwaliteit van de diensten essentiële functies is dat aanbieders, regio’s en andere professionele structuren samen werken en de zorg voor een kind oppakken vanuit partnerschap. Zij zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de zorgvraag van het kind en het gezin. (Financiële) schotten, sectorale en organisatiegrenzen worden geslecht om de zorgvraag optimaal en passend te beantwoorden. De verschillende onderdelen van de zorg (verblijf, de randvoorwaardelijke pedagogische inzet, aanvullende integrale zorg, hypermaatwerk, mobiele brigade, contact met ouders/netwerk, onderwijs, vrijetijdsbesteding) zijn op elkaar afgestemd en vormen een geïntegreerd geheel. Dat wil zeggen dat ze inhoudelijk en procesmatig op elkaar zijn afgestemd en dat hier duidelijke afspraken over zijn gemaakt.

25

Het werken aan integrale en samenhangende zorg betekent dat aanbieders de samenwerking in de keten moeten vormgeven: hoe werk je samen, stem je zorg en interventies op elkaar af, maak je afspraken over taken, rollen en verantwoordelijkheid, wanneer stap je in of uit, hoe blijf je in contact met het kind en hoe blijft het kind en zijn/haar netwerk centraal staan in de gezamenlijke inspanning. Aanbieders die zich verbinden in een samenwerkingsverband verbinden zich eraan om deze thema’s uit te werken (in een plan van aanpak zoals dat beschreven is in hoofdstuk 5) en de benodigde afspraken vast te leggen met elkaar. Onderdeel van die afspraken is ook het in kaart brengen van de risico’s die het samenwerken op deze schaal en voor deze doelgroep met zich meebrengt en de maatregelen die genomen worden voor het beheersen van de risico’s. Een deel van deze mitigerende maatregelen maakt onderdeel uit van de afspraken en procedures die opgenomen worden in de overeenkomst. Te denken valt aan de escalatieladder bij het weigeren van zorg voor een kind of de procedure voor het uittreding uit de overeenkomst. Er zijn echter ook risico’s die zich voor kunnen doen binnen het samenwerkingsverband. Voorbeeld daarvan kan zijn dat een enkele aanbieder niet kan leveren of de kwaliteit van de geleverde zorg niet voldoet.

Dit heeft invloed op de gehele kwaliteit van levering of de zorgcontinuïteit en is een risico voor de samenwerking onderling. De aanbieders in het samenwerkingsverband maken een risicoanalyse met de bijbehorende beheersmaatregelen. Deze maakt onderdeel uit van het Plan van Aanpak (hoofdstuk 5).

1.12.4. Casusregie/ procesregie/ behandelregie Casusregie In principe voeren kinderen samen met hun ouders de regie. Als dat niet kan, ondersteunt de professional. Deze professional, die de regie voert over de ondersteuning van het gezin, is de casus regisseur. Zij staan naast kinderen en hun ouders en doen wat nodig is. De casusregisseur is de consulent van de lokale toegang18. Bij uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel door een Gecertificeerde Instelling (GI) is dat een jeugdbeschermer/ jeugdreclasseerder. De bevoegdheden van de casusregisseur liggen besloten in het professioneel handelen en het mandaat dat daarbij hoort. Bij casusregie hoort in ieder geval de bevoegdheid om het handelen van alle betrokken professionals op elkaar af te stemmen, met als doel één samenhangend traject van zorg voor het kind en het gezin te realiseren. Procesregie Procesregisseurs kunnen betrokken worden om te komen tot het realiseren van passende zorg voor kinderen en het gezin bij vastgelopen, complexe zorgvragen. Een procesregisseur voert onafhankelijke procesregie en heeft geen ander belang dan het bieden van passende zorg. De procesregisseur neemt de casus niet over, die verantwoordelijkheid blijft bij de verwijzer. De procesregisseur treedt niet in de professionele operationele verantwoordelijkheid van de verwijzer, maar draagt zorg voor een integrale aanpak.

De procesregisseur is bevoegd om in overleg met de casusregisseur partijen bijeen te roepen voor overleg en afstemming om te komen tot een integrale aanpak waarbij prioriteiten worden bepaald. Als procesregie vastloopt schaalt de procesregisseur, na overleg met de betrokken partijen, naar het management of bestuur van de betrokken professionals en organisaties. De procesregie bij vastgelopen, regionale zorgvragen ligt bij het RET. Het RET kan ook een procesregisseur van BOEG inzetten. Beiden voeren deze functie tijdelijk uit. Behandelregie Behandelregie is uitsluitend van toepassing wanneer er behandeling plaatsvindt. De regiebehandelaar zorgt ervoor dat in overleg met het kind en het gezin een geïntegreerd behandelplan wordt opgesteld. De regiebehandelaar moet er ook voor zorgen dat dit behandelplan 18 Lokale toegang is in de regio’s verschillend geregeld en wordt verschillend aangeduid. Met de term lokale toegang wordt

bedoeld de toegang tot jeugdzorg vanuit de verantwoordelijkheid van het college van B&W op grond van de Jeugdwet.

26

wordt uitgevoerd. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling, de vaststelling, uitvoering en evaluatie van het behandelplan. In de Jeugdwet staan functies die zelfstandig beroepsbekwame regiebehandelaar in de jeugdhulp mogen zijn, benoemd. Het gaat hier om de gzpsycholoog, de kinder- en jeugdpsycholoog NIP, de kinder- en jeugdpsychiater, de klinisch psycholoog, de orthopedagoog-generalist en de verpleegkundig specialist. De taken en verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar staan uitvoerig beschreven in het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ en de daaruit voortvloeiende Veldafspraken. Het Landelijk Kwaliteitsstatuut gaat niet over de zorg die valt onder de Jeugdwet, maar de term regiebehandelaar is niet voorbehouden aan de volwassenen GGZ en mag ook in de J-GGZ gebruikt worden. Binnen de essentiële functies gaan zorgaanbieders met elkaar samenwerken. Wanneer behandelaren van meerdere aanbieders betrokken zijn, spreken zij duidelijk vooraf af wie eindverantwoordelijk is voor en regie voert over het gehele zorgtraject. Daarbij is elke betrokken behandelaar verantwoordelijk voor de eigen bijdrage en heeft regie over de eigen bijdrage aan het zorgtraject (wie is de regiebehandelaar en wie is mede- of deelbehandelaar).

Wanneer een kind verblijft binnen de essentiële functies ligt de totale regie over het zorgtraject bij de regiebehandelaar van de verblijfsvoorziening. Goede onderlinge afstemming over de behandeling en het zorgtraject en de daarbij horende verantwoordelijkheden is daarbij noodzakelijk. In bijlage 5 zijn de taken, rollen en verantwoordelijkheden ten aanzien van de casus- proces en behandelregie verder uitgewerkt.

1.12.5. (Be)handelen op basis van achterliggende factoren Bezint eer ge begint is een ouderwets gezegde, maar de betekenis is nog steeds van toepassing. Uit het rapport ‘betrek mij gewoon’19 blijkt dat er te veel behandeld wordt op symptomen en op signaalgedrag, in plaats van op factoren die ‘achter’ dit gedrag liggen en het mogelijkerwijs in stand houden. Het begint bij goed en oordeelvrij luisteren, bij het vormen van een goed en volledig beeld van hoe de dingen met elkaar samenhangen en bij goed samenwerken. Een helder gezamenlijk beeld, een eenduidige verklarende analyse en interventies die aansluiten bij de verklarende factoren, zijn onontbeerlijk om een blijvend resultaat te behalen.

Verklarende analyse Daarom zetten we altijd in op een gedeelde verklarende analyse. Deze helpt bij het kiezen van een passende aanpak voor een kind en voor het stellen van concrete doelen en vervolgstappen. Er moet eerst worden begrepen en pas daarna (ge)behandeld. Oók als de situatie acuut lijkt of er sprake is van onveiligheid. Een verklarende analyse is handelingsgericht en brengt de oorzakelijke invloeden en omstandigheden in kaart, die een rol spelen in het ontstaan en in stand houden van de problematiek. Dat betreft zowel de contextuele factoren (bijvoorbeeld ouders, gezin of school) als de persoonskenmerken van een kind en ouders. De verklarende analyse beschrijft de aanleiding voor het zoeken van hulp (waarom nu?), de aard en de ernst van de problemen, de bevorderende factoren en de risicofactoren evenals een werktheorie over samenhang en verandermogelijkheden. Het draagt daarmee bij aan goede gedragen besluitvorming in de aanpak. Een verklarende analyse moet aan de volgende voorwaarden voldoen: ▪ Informatie van alle betrokkenen- het kind, gezinsleden, informele steunfiguren, onderwijs en professionals – wordt bij elkaar gelegd. Daarvan wordt een gezamenlijk beeld gevormd en wordt gezocht naar verklaringen voor de ontstane klachten en problemen. Op basis van deze analyse worden passende interventies gekozen.

▪ De analyse is overzichtelijk en begrijpelijk en goed te delen. Het helpt het kind en het gezin om hun eigen situatie en wat er aan de hand is te begrijpen ▪ Een eenmaal gemaakte verklarende analyse is niet eeuwig geldig, maar vormt de werktheorie voor keuzes van interventies, voor de behandeling. Deze wordt dus regelmatig geëvalueerd en bijgesteld. 19 Betrek mij gewoon, op zoek naar verbeterkansen voor de jeugdhulp in het casusonderzoek Ketenbreed leren, Spijk-de

Jonge e.a., november 2022

27

Er zijn 3 modellen voor het maken van een Verklarende Analyse in omloop. Dit zijn het 7-factorenmodel van Bureau Peers, het model van Accare (Hilde Tempel) en ‘Verklarende Analyse, eerst begrijpen, dan behandelen’ van Molendrift. Het perspectiefplan essentiële functies 20: Het perspectiefplan essentiële functies beschrijft op basis van de verklarende analyse wat het best passende toekomstperspectief is voor een kind en het gezin en wat zij nodig hebben aan zorg en ondersteuning om dat te bereiken en welke stappen er worden gezet. Een perspectiefplan wordt altijd opgesteld met een kind en het gezin en blijft altijd ‘van het kind’. Er is geen verplicht format21 voor een perspectiefplan, maar belangrijk is dat er in het schetsen van het perspectief, aandacht is voor een stevige basis op de vijf leefdomeinen die kinderen nodig hebben. De leefdomeinen zijn support, school & werk, wonen, inkomen en welzijn. Onderdeel van het perspectiefplan is het veiligheidsplan22 waarin wordt opgenomen hoe om wordt gegaan met de veiligheid van een kind. Belangrijk is om in kaart te brengen in hoeverre het kind zelf het risico loopt in een onveilige situatie terecht te komen, en wat het risico is dat hij zelf grensoverschrijdend gedrag gaat vertonen en hoe daarbij te handelen. Dit wordt gedaan door middel van een risicotaxatie.

Daarnaast moet bij de start van het verblijf in het veiligheidsplan omschreven worden hoe escalatie naar een crisissituatie bij het kind en zijn (professionele) opvoeders voorkomen kan worden. Het bevat in ieder geval maar niet uitsluitend: ▪ Hoe herkent de omgeving de signalen van een op handen zijnde crisis? ▪ Hoe handelen de betrokken wanneer het kind in crisis raakt? ▪ Hoe herkent het kind de signalen van een op handen zijnde crisis bij zichzelf? En wat kan het kind zelf doen in zo’n situatie? ▪ Wie is de gewenste belangrijke volwassen van het kind in deze situatie? Dit veiligheidsplan wordt gedurende het verblijf verbeterd samen met het kind en de (professionele) opvoedomgeving en heeft ten doel het verminderen van handelingsverlegenheid en verhogen van (zelf)regie.

1.12.6. Inzet van interventies Bij zorg en behandeling binnen de essentiële functies gaat het vaak over interventies die van dynamische aard zijn, waarbij het beloop niet goed voorspelbaar is. Vaak gaat het om multidisciplinaire interventies, die met elkaar interacteren en die voortdurend een adaptief leervermogen vergen. Bij de inzet van interventies, maakt de aanbieder gebruik van evidence based en practice based methodieken. Conform de geldende richtlijnen en veldnormen. Als de aanbieder kan aantonen dat deze afwezig zijn, er voor de betreffende problematiek of combinatie van problemen geen veldnormen bestaan of dat deze gezien de ondersteunings- of zorgvraag dat deze niet afdoende zijn (bij meervoudige problematiek neemt de evidence snel af), dan maakt de aanbieder gebruik van historisch en in de branche gangbare methodieken. Als blijkt dat deze in de betreffende situatie niet effectief zijn, kan uitgeweken worden naar andere interventies, waarbij altijd geldt ‘pas toe of leg uit’. Verwacht wordt dat de aanbieders van essentiële functies op de hoogte zijn van de ‘state of the art’ in het veld en in de wetenschap. Een regiebehandelaar is te allen tijde, verantwoordelijk voor het besluit over de inzet van methodieken of interventies.

20 Het perspectiefplan essentiële functies is een benaming die gekozen is omdat partijen het belangrijk vinden dat altijd

gewerkt wordt vanuit het perspectief van een kind. Aanbieders hanteren in de praktijk echter verschillende benamingen zoals behandelplan, signaleringsplan, crisisplan, zorgpad etc. Er is gekozen voor de toevoeging ‘essentiële functies’, om geen verwarring te krijgen met het perspectiefplan vanuit de GI’s. 21 Richtlijn "samen beslissen" of het dialoogmodel. 22 Ook hier zijn diverse namen in omloop zoals signaleringsplan en crisisplan, welke hier ook mee worden bedoeld.

28

1.12.7. Systemisch werken Een ander belangrijk kernaspect van kwaliteit is het werken vanuit een systeembenadering. Een kind maakt namelijk altijd onderdeel uit van een systeem: ▪ Het allerbelangrijkste uitgangspunt is dat er altijd voor wordt gezorgd dat er contact blijft met een kind. Er is altijd een onvoorwaardelijk aanwezige volwassene die in contact blijft en een kind bijstaat vanuit gelijkwaardigheid. De meest onvoorwaardelijke volwassene horen de ouders te zijn. Wanneer zij niet beschikbaar zijn of hun rol onvoldoende kunnen invullen, kunnen ook andere volwassenen een rol spelen als onvoorwaardelijk beschikbaar persoon: een professional of een andere belangrijke volwassene, Jouw Ingebrachte Mentor (JIM) of een ervaringsdeskundige. ▪ Een ander belangrijk uitgangspunt bij de begeleiding en ondersteuning van een kind is dat het gezin breed wordt betrokken, waarmee we ook het systeem bedoelen. Dit betekent dat de kinderen, ouders, familie, onderwijs, informele steunfiguren, ervaringsdeskundigen en professionals integraal samen werken bij het inzetten en oplossen van de (zorg)vragen. Tijdens de intakeprocedure, de diagnostiek, het verblijf en ter voorbereiding van vertrek wordt dus gewerkt met alle betrokken partijen.

Daar waar mogelijk wordt tegelijkertijd om de tafel gezeten met betrokkenen en in gezamenlijkheid het gesprek gevoerd om met mensen in plaats van over mensen in gesprek te zijn. ▪ Er wordt oordeelloos geluisterd naar kinderen en hun ouders, de ervaringen worden serieus genomen en er wordt, vanuit verschillende deskundigheid, gelijkwaardig samengewerkt met kinderen en hun ouders. ▪ ‘Zorg’ voor het systeem (ten behoeve van het kind) maakt onderdeel uit van de inzet: het gezin/systeem wordt geholpen samen met het kind te functioneren. Er wordt ook gewezen op problematiek binnen het systeem die niet kindgebonden is, maar óf samenhangt met andere individuen binnen het systeem óf in de samenwerking tussen mensen binnen het systeem.

1.12.8. Leef- en behandelklimaat Een open leer- en ontwikkelklimaat is een veilige, gestructureerde en rehabiliterende omgeving waarin sprake is van veel ondersteuning, duidelijke kansen voor groei, minimale repressie en waarbinnen een goede balans tussen flexibiliteit en controle voor een prettige sfeer zorgt23. Dit bereiken we door:

Relationele veiligheid De zorg is zo nabij en zo kleinschalig (en huiselijk) mogelijk. Waarbij nabijheid van het netwerk en de hulpverlening cruciaal is, onderwijs zoveel mogelijk door kan gaan en er perspectief is voor de langere termijn. De sfeer binnen het verblijf is gezinsgericht, evenals de bejegening van de kinderen. Er is een positief open leefklimaat – een basishouding waarbij veiligheid de basis vormt. Er wordt relationele veiligheid geboden: nabijheid, hoop en contact bieden aan een kind. De pedagogisch begeleider blijft naast het kind en gezin staan. Dat betekent dat de pedagogisch begeleider in principe niet overneemt, maar er kan een situatie ontstaan waarin overnemen wel nodig is. Dit is niet het uitgangspunt. Wanneer hier gegronde redenen voor zijn moet dit zo snel en zo transparant mogelijk met alle betrokkenen besproken te worden. We gaan uit van ‘Nee, tenzij... ‘. Wanneer een kind niet meer in gelijkwaardigheid kan deelnemen aan een gesprek wordt relationele nabijheid ingezet om toch weer in gesprek te komen. Vaak betekent dat dat er nabijheid en afleiding geboden wordt als de spanning bij een kind (te) hoog oploopt, om te voorkomen dat een kind afgezonderd moet worden en het contact met het kind verloren gaat.

23 Richtlijn Residentiële jeugdhulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming, NVO, BPSW en NIP,2015

29

Traumasensitief werken Er wordt traumasensitief gewerkt. Veel kinderen ervaren dat bijvoorbeeld bepaalde gevoelens er niet mogen zijn. Of dat er in het geval van trauma onvoldoende rekening wordt gehouden met triggers waardoor kinderen kwetsbaar, emotioneel gedrag vertonen. Nabijheid, rust, hoop en contact bieden is heel passend en sluit goed aan. Dat hoort bij het bieden van relationele veiligheid en is daarmee traumasensitief. Wat ook belangrijk is dat medewerkers het ingewikkelde gedrag begrijpen en verdragen dat kinderen in deze situaties laten zien. Zodat er sensitief gehandeld kan worden op basis van de onderliggende, in eerste instantie onzichtbare, emotie in plaats van het gedrag. Zo ontstaat er op een veilige manier een vertrouwensrelatie.

Cultuur sensitief werken Professionals zijn zich bewust dat hun eigen culturele normen niet voor iedereen gelden. Ze houden rekening met de culturele achtergrond en waarden van het kind en het opvoedsysteem. Daarbij houden ze rekening met religie, voedingsgewoonten, beleving van gender etc. en faciliteren ze het uitvoeren van cultuur sensitieve handelingen van ieder kind. De zorg moet hierop afgestemd worden. Professionals stellen zich open en nieuwsgierig op, zodat ze een ander leren kennen, verschillen waarderen en integreren in de bestaande gang van zaken. Medewerkers beschikken over een professionele houding van waaruit de professional voorspelbaar en betrouwbaar is. De insteek is dat de professional samen met het kind en ouders wil gaan begrijpen wat zij nodig hebben, om vervolgens samen met hen te zoeken naar wat zij aan zorg en ondersteuning nodig hebben. De verklarende analyse is hier leidend in.

Kleinschaligheid en huiselijkheid 'Een kleinschalige voorziening is een 24/7-verblijf binnen een gesloten of open residentiële jeugdzorginstelling, op een instellingsterrein of in een woonwijk, van maximaal zes – en bij voorkeur vier – jongeren tussen 8 en 23 jaar, in een huiselijke setting door een vast team van begeleiders met een minimum ratio op de groep van 1 op 4, waarbij een intensieve, individuele behandeling en/of begeleiding op maat – en zolang als nodig – wordt gegeven, met perspectief op wonen, zorg en onderwijs/arbeid tijdens verblijf en/of daarna.'24 Dat is op dit moment de meest gangbare en uitgewerkte definitie van een kleinschalige voorziening. Deze definitie kan op basis van de 5-jarige studie over kleinschalige voorzieningen die het Consortium Kleinschaligheid op dit moment uitvoert, bijgesteld worden. Voor de kinderen die binnen de essentiële functies vallen is veel nabijheid en continuïteit nodig. Twee pedagogisch medewerkers op 4-6 kinderen is daarbij gangbaar. Belangrijk is dat dit twee ‘vaste gezichten’ zijn. In kleinschalige verblijfvoorzieningen is meer nabijheid, ruimte en aandacht voor kinderen. Hierdoor kan er meer zorg op maat geboden worden. Te veel kinderen bij elkaar geeft stress; er is een overdaad aan stimuli, er ontstaat te veel onrust. Goede relatievorming tussen kinderen onderling en met de begeleiding is in een grote groep lastig.

In een kleinere groep lukt het beter kinderen aandachtvolle zorg te bieden. Werken vanuit de relatie helpt om minder restrictief en reactief te werken. Minder regels, meer afspraken en overeenstemming. Er is meer ruimte om het normale leven zoveel mogelijk vorm te geven. Denk aan sporten, onderwijs, vriendjes, broertjes en zusjes. Alles wat bij ‘gewoon’ opgroeien hoort. Het is belangrijk dat medewerkers hier ook lef in tonen en creatief in zijn. Actief en gelijkwaardig samenwerken met het gezin en/ of andere belangrijke naasten zoals JIM, leerkrachten en ervaringsdeskundigen, is een belangrijke pijler. Dit is beter te organiseren vanuit kleinschaligheid. In een kleinere groep lukt het beter bepaalde spel- of therapieactiviteiten te ondernemen. De lijn om toe 24 F. Ammerlaan e.a. kleinschalig verblijf voor kinderen en jongeren in de jeugdhulp, Academische Werkplaats Risicojeugd en

Consortium Kleinschaligheid in de Jeugdzorg, 20 mei 2022.

30

te werken naar kleinschalige groepen is een kwaliteitseis die voortkomt uit een landelijke ingezette lijn, maar ook uit regionaal beleid. Kleinschalig en huiselijk kan verschillend worden vormgegeven. Ten eerste weten we nog niet exact wat precies ‘kleinschalig’ is en hoe je dat het beste vorm kunt geven. Daarbij is er niet één ideale ‘maat kleinschaligheid’ dat past voor ieder kind. Dat betekent dat er zoveel mogelijk25 gewerkt wordt met groepen die een mix zijn van leeftijd, gender en problematiek, waarbij een goede matching essentieel is. De grootte van de groep moet daarbij passend zijn. Hiervoor worden nadrukkelijk de uitkomsten van de studie(s) van het Consortium Kleinschaligheid gevolgd.

Geen vrijheidsbeperkende maatregelen Zoals hiervoor al is aangegeven zorgen kleinschalige groepen ervoor dat er meer aandacht is voor kinderen. Er is meer tijd en ruimte voor maatwerk. Dat is belangrijk voor de kinderen zelf, maar ook voor de professional. Zodat die in plaats van het ‘controleerbaar houden van de groep’, meer ruimte voelt om signalen op te merken van een kind dat zich gespannen of gefrustreerd voelt. Een professional moet de ruimte hebben om ‘opmerkzaam’ te zijn. Het inzetten van beheersmaatregelen gebeurt op basis van de afspraken die zijn vastgelegd in de veldnormen terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen en de Jeugdwet. Een beheersmaatregel waar we volledig van af stappen zijn de gedwongen afzonderingen. De kwaliteitseis die we stellen is dat er geen gedwongen afzonderingen zijn: om dit te bereiken moet er voldoende tijd en echte aandacht per kind georganiseerd worden en moeten teams en professionals hierin (blijvend) getraind worden. Er wordt niet gesepareerd of afgezonderd zonder dat het kind daar om vraagt. Dat vereist het vermogen om (ondraaglijk) leed en risico’s te verdragen, onveilig gedrag te managen en ontwikkeling te stimuleren samen met degenen die om hulp vragen. Dat vraagt lef om te verdragen en niet-risicomijdend te werken van iedereen die betrokken is bij het kind: aanbieders, ouders/voogd, regio’s en verwijzers.

Daarnaast vraagt het om ‘niet-afrekenen’. Als alles gedaan is om een kind te helpen, er verdragen en vertraagd is en uiteindelijk een ernstig incident plaatsvindt, rekenen we elkaar hier niet op af, maar blijven we elkaar stevig vasthouden. Wel evalueren we en spreken we elkaar aan op naleving van afgesproken zorgvuldige zorg.

Kleine, stabiele teams We gaan ervan uit dat de groepen begeleid worden door kleine stabiele teams die vanuit aandachtvolle zorg continuïteit en veiligheid bieden. Daarbij wordt zo min mogelijk ingehuurd personeel ingezet. De medewerkers worden getraind en opgeleid om een goed pedagogisch behandelklimaat neer te zetten. Zij blijven reflecteren op hun handelen door middel van intervisie en supervisie. Het team is divers. De klik met de doelgroep is belangrijk. Het doorgronden en aansluiten bij de behoefte van de doelgroep en het individuele kind is het uitgangspunt. Het team is in staat om het gedrag te duiden en te vertalen naar de dagelijkse praktijk van het kind. Het streven is naar een evenwichtige mix van HBO SKJ-geregistreerde en MBO-professionals volgens de norm van verantwoorde werktoedeling. Een team bestaat niet alleen uit medewerkers die alleen gesprekken voeren maar ook uit medewerkers die activiteiten ondernemen met kinderen, bijvoorbeeld samen sporten of muziek maken. Belangrijk is dat medewerkers ruimte krijgen om te reflecteren op eigen handelen. Aanbieders zetten continu in op de ontwikkeling van het vakmanschap van de hulpverleners. En hebben blijvend oog voor hun vitaliteit en dragen hierin door goed werkgeverschap te tonen bij aan het behoud van personeel.

De aanbieder maakt ten behoeve van de doorontwikkeling van de hulpverleners gebruik van de kennis/richtlijnen/instrumenten die door diverse beroepsverenigingen, brancheverenigingen en kennisinstituten wordt ontwikkeld.

25 Hoe kleiner de groep, hoe meer divers er gewerkt kan worden. Hoe specifieker de hulpvraag, hoe meer hier methodisch

op ingezoomd moet worden. Heterogeniteit is dus niet altijd mogelijk.

31

Volledig dagprogramma Voor elk kind in een verblijfsvoorziening is een volledig regulier integraal dagprogramma beschikbaar. Hierin werken we zoveel als mogelijk terug naar school en sluiten we aan bij het gewone leven. Waarin het zoveel mogelijk doorgaan van het ‘normale leven’ een onderdeel is. Sporten bij de lokale sportvereniging kan bijvoorbeeld mogelijk worden gemaakt door de sportcoach te ondersteunen. Mee doen aan een brede range van activiteiten, ook activiteiten waar mogelijk risico’s aan verbonden zijn, is belangrijk voor de ontwikkeling en veerkracht van kinderen. Om zich goed te kunnen ontwikkelen hebben kinderen nieuwe, gevarieerde en positieve ervaringen nodig. Er zijn voldoende activiteiten naschools: er is personeel beschikbaar zodat kinderen sociale en sportieve activiteiten kunnen doen. De casusregisseur is verantwoordelijk voor het oplossen van het vervoersvraagstuk, waarover de regio’s voor kinderen binnen de essentiële functies uniforme afspraken gaan maken. Deelname aan onderwijs heeft prioriteit26. Kinderen met gedragsproblemen ondervinden vaak problemen op school. ‘Uitvallen’ op school leidt vaak tot meer problemen. Het is van belang dat kinderen onderwijs blijven volgen gedurende de tijd dat ze zorg ontvangen. Ook als dat in een verblijfsvoorziening is en vooral ook ná de tijd. Dat vergt inzet van zowel aanbieders, scholen als regio’s.

We streven naar een doorlopende en ononderbroken ontwikkeling van een kind en daarvoor is een soepele overgang en een warme overdracht van het onderwijs nodig wanneer ze in een verblijfsvoorziening terechtkomen en van daaruit weer uitstromen. Om dit te bereiken is een aanpassing van het huidige stelsel voor voortgezet onderwijs nodig27. Onder andere door de samenwerkingsverbanden passend onderwijs geleidelijk aan meer verantwoordelijkheid te geven voor het onderwijs aan kinderen die voorheen in gesloten jeugdhulp geplaatst zouden worden, en voor het onderwijs aan kinderen in kleinschalige gesloten en open(woon)voorzieningen. Concreet betekent dit dat na plaatsing van een kind in verblijf de school van herkomst verantwoordelijk blijft en dat kinderen bij die school ingeschreven blijven. Dit helpt om het contact te blijven houden met het kind en de verantwoordelijkheid te houden. Weer terug naar de school waar het kind vandaan kwam, moet hierdoor makkelijker worden. Dit vergt wel dat aanbieders in de tijd dat een kind in een verblijfsvoorziening is, het contact met school faciliteren en continueren. En bij aanvang van het verblijf al afspraken maken met school over de terugkeer na het verblijf. Het vormgeven van een pedagogisch vierkant (kind, ouders, onderwijs en zorg) is daarbij belangrijk. Andere mogelijkheden hiervoor zijn bijvoorbeeld digitale (leer)middelen.

Er kan ook gezocht worden naar mogelijkheden om een kind dat in een verblijfsvoorziening zit, wél het onderwijs op de reguliere school te laten volgen. Van belang is ook transparant en helder te zijn tegenover het kind over wat het betekent als het kind met onderwijs stopt. Het is niet de bedoeling het kind angst aan te jagen, maar vaak is het voor kinderen onduidelijk wat de gevolgen van schooluitval zijn voor hun droom loopbaan/toekomst. Met de inzet van extra begeleiding op de reguliere school, vanuit de expertise en ervaring van de aanbieders essentiële functies, lukt het scholen grotendeels wel een kind passend onderwijs te bieden. Waarbij regio’s zich ook realiseren dat een deel van de kinderen die onder de essentiële functies vallen, behoefte blijven houden aan residentieel onderwijs.

Residentieel onderwijs De verblijfsvoorzieningen die onder de essentiële functies vallen, zijn voorzieningen die (meestal) residentieel onderwijs bieden. Soms is dat onderwijs vormgegeven binnen het gebouw waar ook de leefgroepen van de kinderen zijn (vaak bij JeugdzorgPlus), soms is er een schoolgebouw op het terrein. Met het verkleinen van de groepen en de lijn om minder kinderen in een verblijfsvoorziening op te nemen, daalt ook het aantal kinderen dat gebruik maakt van residentieel onderwijs28 en de groepen 26 Onderwijs heeft prioriteit, waarbij wel oog moet zijn voor de reflectie dat onderwijs in sommige situaties voor kinderen

ook stress-verhogend werkt in plaats van bijdraagt aan rust en regelmaat. In deze gevallen kunnen positieve ontwikkelingen ook tijdelijk gezocht worden in andere contacten en activiteiten voor, van en door het kind. 27 Kamerbrief uitkomst herbezinning residentieel onderwijs nr. 37317886, 31 maart 2023 28 Kanttekening: Vaak wordt er ook gebruik gemaakt van de scholen cluster IV door jeugd uit de regio.

32

bestaan uit veel uiteenlopende leeftijden en niveaus. Er moet dan ook gezocht worden naar alternatieve vormen om een breed onderwijsaanbod op elk onderwijsniveau en vak te realiseren. Er wordt gedacht aan het toevoegen van docenten op de school op terrein, zodat er meer in onderwijsniveau gedifferentieerd kan worden en aangesloten bij de diversiteit in de groep. Daarnaast is een goede uitstroom naar het vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt cruciaal. De ’ontvangende partijen’ zijn soms terughoudend om kinderen aan te nemen die uit een residentiële voorziening komen. Van aanbieders en onderwijsinstellingen samen wordt verwacht dat zij kinderen goed voorbereiden op vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt en dat ze actief de verbinding leggen en ‘nazorg’ bieden om de ontvangende partijen te ondersteunen bij het overnemen van deze kinderen. In het RET-netwerk zou standaard het onderwijs (bijvoorbeeld samenwerkingsverband passend onderwijs of leerplicht) beschikbaar moeten zijn, zodat zij een bijdrage kunnen leveren bij vastgelopen casuïstiek en het (vervolg)onderwijs mede georganiseerd kan worden. Van regio’s wordt verwacht dat zij in het OOGO (op overeenstemming gericht overleg) afspraken maken met onderwijs over de randvoorwaarden die nodig zijn voor deelname en beschikbaarheid aan het RET-netwerk.

1.12.9. Inzet van ervaringsdeskundigen In de regel wordt altijd het hele netwerk van een kind ingezet. Hulpverleners zijn een passant in het leven van een kind en als het werk goed uitgevoerd wordt maken ze zichzelf (meestal) overbodig. Daarom moet er nauw samen gewerkt worden met de volwassenen die een goede relatie hebben met de kinderen, zogenaamde steunfiguren29. Wanneer gezinnen op een wachtlijst staan kunnen zorgaanbieders en regio’s zich inzetten om de zorg op gang te brengen door deze kinderen en gezinnen te koppelen aan ervaringsdeskundigen of vrijwilligersorganisaties. Daarnaast zijn er nog meer verschillende doelen waarvoor het waardevol en aantoonbaar van meerwaarde is om ervaringsdeskundigen in te zetten binnen de essentiële functies. Ervaringsdeskundigen praten vanuit een ander perspectief met een kind dan een traditionele hulpverlener. Ze hebben gemeenschappelijke ervaringen, waardoor het makkelijk is om in contact te komen en te blijven met een kind. Dat biedt steun aan een kind, omdat een ervaringsdeskundige min of meer weet wat een kind heeft doorgemaakt. Verder kunnen ervaringsdeskundigen een goede hulp zijn bij het (her)opbouwen van een netwerk voor een kind. Kinderen die (langere) tijd in een verblijfsvoorziening hebben geleefd moeten soms opnieuw een netwerk opbouwen.

Het is dan prettig dat er tijd en aandacht is van een ervaringsdeskundige die mee helpt voorbereiden op ‘weer terug naar school’ of naar werk of die begeleiding biedt bij de sociale omgang. Ook is het een alternatieve manier om feedback vanuit het kind bij aanbieders te krijgen. Om ervaringsdeskundigen duurzaam en effectief in te zetten moeten een aantal randvoorwaarden vervuld zijn. ▪ Er is draagkracht en bereidheid binnen de aanbieders om ervaringsdeskundigen in te zetten. Het maakt onderdeel uit van de cultuur binnen de organisatie, op alle niveaus, om in gelijkwaardigheid te werken met ervaringsdeskundigen. ▪ Er is een duidelijke visie en opdracht waarmee de ervaringsdeskundige te werk moet gaan, voordat ze in dienst treden. Ervaringsdeskundigheid is multi-inzetbaar en het is belangrijk dat de aanbieder de opdracht voor de ervaringsdeskundige zo duidelijk mogelijk heeft. ▪ Ervaringsdeskundigheid krijgt een plek in verschillende lagen in de organisatie. ▪ Primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden zijn gewaarborgd, ervaringsdeskundigen worden op dezelfde manier vergoed als andere hulpverleners in loondienst. ▪ Er is ruimte voor Intervisie en supervisie momenten, met andere professionals en ervaringsdeskundigen. Een basis profiel van een ervaringsdeskundige is: integriteit, transparantie, betrouwbaarheid, proactieve houding. Voor het overige is het maatwerk.

Per aanbieder en opdracht kunnen andere 29 Bijvoorbeeld JIM Eindrapport-Steunfiguren-Jeugdzorg-2023.pdf (han.nl).

33

kwaliteitseisen aan een ervaringsdeskundige gesteld worden. Het is daarom van belang om hier als organisatie van tevoren over na gedacht te hebben.

1.12.10.

Ontwikkelen en delen hoog specialistische kennis & expertise

Voor de kinderen die binnen de essentiële functies zorg ontvangen is de samenwerking tussen aanbieders onontbeerlijk. Juist het samenvoegen van ervaring en expertises en vanuit verschillende perspectieven naar een oplossing zoeken is daarbij van waarde. Op deze manier wordt nieuw vakmanschap gevormd. Het is de bedoeling om van en met elkaar te leren. Daarvoor is het nodig dat aanbieders actief aan kennisdeling en uitwisseling van expertise werken. Dit geldt zowel onderling als richting aanbieders die regionaal gecontracteerd zijn. Daarvoor gelden de volgende eisen: ▪ Aanbieders benutten beschikbare wetenschappelijke inzichten en volgen de actuele stand van de wetenschap zoals via landelijke kenniscentra: Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Landelijk Kenniscentrum LVB, de databank effectieve jeugdhulp van het NJI; ▪ Aanbieders voldoen aan de beroepsontwikkeling via (her-)registraties SKJ/BIG/ Beroepsverenigingen; ▪ Er vindt kennisdeling plaats door intersectorale samenwerking bij projecten; ▪ Er is sprake van kennisdeling en aansluiting bij academische werkplaatsen en consortia.

1.13. Aanvullende kwaliteitseisen van de diensten Naast de kernaspecten van kwaliteit worden er aanvullende kwaliteitseisen gesteld aan de diensten die onder de opdracht vallen.

1.13.1. Verblijf: een goede omgeving om op te groeien en te verblijven Soms ontvangt een kind tijdelijk zorg in verblijf. Vanuit het kern kwaliteitsaspect ‘kleinschalig en gezinsgericht’ gelden voor verblijfsvoorzieningen een aantal specifieke, aanvullende kwaliteitseisen.

Terrein en wijk Voor sommige kinderen is het nodig om er soms even helemaal uit te zijn in een volledig andere omgeving. Een terrein biedt begrenzing en dat is soms nodig om niet impulsief te handelen, afstand te nemen van de verleidingen of bescherming te ontvangen voor invloeden van buitenaf. Maar een repressieve omgeving zoals een (gesloten) terrein dat is, moet over tien jaar een uitzondering zijn, bedoeld voor hele kleine groep kinderen die zonder de inzet van de beschermende factor (terrein) ernstig belemmerd worden in hun ontwikkeling. De terreinvoorzieningen die vermoedelijk nog nodig zullen zijn, moeten er ook anders uitzien. Ze zijn erop gericht om kinderen zo normaal mogelijk op te laten groeien. Een terreinvoorziening moet een diverse omgeving zijn, bijvoorbeeld door fysieke aansluiting te zoeken bij reguliere woonwijken. Een terreinvoorziening moet ook passend ingericht zijn voor de verschillende zorgvragen. Kinderen met autisme vragen een andere omgeving dan kinderen in afhankelijkheidsrelaties of kinderen met hechtingsproblematiek of combinaties daarvan.

Eisen aan een gebouw Als we het kernaspect ‘kleinschalig en gezinsgericht’ hanteren zijn er ook minimale eisen te stellen aan de gebouwen waarin kinderen verblijven: ▪ Alle kinderen hebben een eigen (slaap)kamer. ▪ Er zijn faciliteiten voor logees. Denk aan familiekamers of chalets, zodat naasten aanwezig kunnen zijn of mee kunnen zorgen of mee behandeld kunnen worden. Daarbij gaat het niet alleen om ouders, maar kijken we ook naar andere belangrijke mensen voor het kind waardoor ze zich veiliger en minder eenzaam voelen.

34

▪

Het gebouw is huiselijk en kindvriendelijk: zonder tralies, stalen wc potten in de slaapkamers, voormalige gevangenisdeuren etc. Veiligheidsmaatregelen, zoals hekken en camera’s etc. zijn zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken en waar mogelijk opgenomen in een (groene) omgeving. De gebouwen zijn ingericht zoals ‘thuis’, in overleg met de kinderen op de groep zelf. Er zijn mogelijkheden voor kinderen om zelf hun kamer in te richten en bepaalde belangrijke spullen, zoals een dekbed of posters van thuis, mee te nemen. ’s Avonds na een bepaalde tijd de buitendeur op slot doen, hoort echter weer bij het normale leven. Dat doen ouders thuis ook. We realiseren ons ook dat woonvoorzieningen aan eisen moeten voldoen (zoals brandwerendheid), waardoor niet altijd dezelfde keuzes gemaakt kunnen worden als thuis. En er bij de aanschaf van meubilair rekening gehouden moet worden met het gedrag van sommige kinderen. Als het uitgangspunt maar steeds is, zo thuis mogelijk.

Eisen aan de groepen Ook een (leef)groep waar een kind verblijft wordt volgens de kernaspecten van kwaliteit vormgegeven. Het betekent dat: ▪ Het opleidingsniveau van de bezetting op de groep moet goede mix zijn van HBO- MBO, waarbij de norm van verantwoorde werktoedeling leidend is. Het kwaliteitskader jeugd is hierbij van toepassing: de combinatie van professional gerelateerde parameters en kindgerelateerde parameters bepaalt welke vakbekwaamheid nodig is. De kind gerelateerde indicatoren zijn het uitgangspunt en bepalen of er sprake is van een situatie waarin een niet-geregistreerde professional zelfstandig kan werken, of dat de inzet van een geregistreerde professional noodzakelijk is. De verantwoordelijkheden, taken en activiteiten van de niet-geregistreerde professional zijn hoofdzakelijk gericht op de uitvoering. De geregistreerde professionals hebben een cruciale rol bij beoordeling, besluitvorming en vaststelling (naast hun rol in de uitvoering). De zorgaanbieder maakt een gemotiveerde afweging voor de juiste mix van het opleidingsniveau van de bezetting van de groep en maakt dit aannemelijk en herleidbaar. Daarnaast is niet alleen het opleidingsniveau van belang. De begeleiding op een groep moet ook diversiteit bieden in de zin van gender, etniciteit, leeftijd etc. Naast opleiding is ervaring met kinderen uit deze doelgroep minstens zo belangrijk.

▪ Behandeling ‘op de groep’ zit ook in het voorbeeldgedrag op een groep. Leren wat gezond en gewoon is. Voorbeelden daarvan zijn een fruitschaal op tafel en niet roken in het bijzijn van de kinderen. We beseffen ons terdege dat voor de meeste kinderen die binnen de EF zorg nodig hebben 'gezond en gewoon' zo ver van hen vandaan is geweest, vaak voor zo lange tijd, dat gezond en gewoon gedrag heel beangstigend en confronterend kan zijn. ▪ Op de groep (en waar mogelijk door de groep) wordt gekookt en gewassen, net als thuis. Met ouders, opa’s en oma’s of andere mensen uit het netwerk worden afspraken gemaakt dat ze komen ‘meeleven’ (koken, de muur schilderen, blijven slapen etc.). ▪ Als een kind op een verblijfsplek komt, is er voor hem of haar een ‘zachte/veilige landing’: vóór binnenkomst wordt een goede, passende plek geregeld voor een kind. Daarbij wordt nabijheid geboden, zeker de eerste dagen. Vormen van nabijheid zijn een groepsbroertje of zusje, intensiever sociaal contact of meer activiteiten gezamenlijk ondernemen. Er wordt contact gehouden met ouders/netwerk en de hulpverlening. De vorm en frequentie van het contact met ouders/netwerk wordt besproken en vormgegeven met het kind. Het is belangrijk om de kinderen niet af te snijden van alles wat hiervoor al is geweest.

• In de nacht is er altijd een pedagogisch medewerker aanwezig, volgens de norm verantwoorde werktoedeling, die nabijheid kan bieden. Aan een groep is altijd een vaste orthopedagoog verbonden. Er is 24/7 beschikbaarheid en bereikbaarheid van personeel.

35

Eisen aan de randvoorwaardelijke pedagogische inzet Binnen een verblijfvoorziening is ook een schil van personeel en terreingebonden factoren die bijdragen aan het leer- en ontwikkelklimaat van een kind. De aanvullende eisen voor deze schil zijn als volgt: ▪ Personeel dat op het terrein een functie heeft, werkt en handelt ook vanuit het principe van relationele veiligheid en nabijheid voor het individuele kind. Daar is meer voor nodig dan alleen het verkleinen van groepen. Dat vereist ook de inzet van andere methodieken. Relationele veiligheid bieden vereist ook inzet van betekent ook dat personeel met een ‘veiligheidstaak’ niet optreedt vanuit een repressieve insteek. ▪ Bij de opbouw van de randvoorwaardelijke pedagogische inzet wordt rekening gehouden met de mogelijkheden voor inzet van ervaringsdeskundigen.

Veiligheid van medebewoners en van medewerkers Het is belangrijk dat professionals op een veilige manier zorg kunnen verlenen. En dat de andere kinderen op een groep beschermd kunnen worden. Waar deze veiligheid in het gedrang is, hebben zorgaanbieders en regio’s elkaar nodig om in gesprek te gaan met kinderen en hun ouders om tot werkbare afspraken te komen en ingrepen als deze noodzakelijk zijn.

Professionele ruimte Professionals hebben professionele ruimte nodig waardoor ze eigenaarschap kunnen ervaren voor de zorg die ze verlenen. Dat is belangrijk om met plezier naar het werk te gaan en voor zorgaanbieders om hun professionals te kunnen behouden. Dat vraagt van zorgaanbieders ook dat er ruimte is voor ontwikkeling, intervisie en reflectie op het vakmanschap.

Evalueren passende zorg Samenwerking tussen de verschillende sectoren J&O, LVB, J-GGZ, Verslavingszorg en Forensische zorg is essentieel om de essentiële functies succesvol te organiseren. In die samenwerking is het noodzakelijk om zorgtrajecten regelmatig en doelgericht te evalueren. Bij dergelijke evaluaties is het kind en het gezin altijd betrokken. Ook de casusregisseur wordt hiervoor uitgenodigd.

1.13.2. Mobiele brigade De mobiele brigade moet in ieder geval expertise en ervaring kunnen toevoegen op de gebieden J&O, LVB, J-GGZ, Forensische- en Verslavingszorg. Het team heeft een intersectorale blik en het mandaat/geaccepteerd gezag om te kunnen bieden wat nodig is.

Kwaliteitsaspecten De mobiele brigade moet verschillende kwaliteitsaspecten ‘in huis hebben’. We gaan daarbij uit van het team als geheel, de medewerkers van de brigade voldoen samen aan de eisen: • Deskundigheid: Het gaat in alle trajecten van de mobiele brigade om maatwerk, ieder kind en diens ouders/netwerk is anders. Dit vraagt erom dat de medewerkers traumasensitief en cultuursensitief werken en altijd werken vanuit contact met het kind. Zij kunnen gelijkwaardig samenwerken met het kind en het gezin. Zij zijn bekwaam en hebben expertise en ervaring op specifieke onderdelen (van specialistische jeugdzorg). Tegelijkertijd stellen zij zich lerend op. • Senioriteit/gezag: Zij moeten beschikken over een goed inschattingsvermogen, kunnen relativeren en rust uitstralen. Zij hebben ofwel vanuit ervaring ofwel van nature gezag. Zij hebben een ego dat groot genoeg is om heel klein te kunnen zijn. Hierdoor kunnen zij de samenwerking opzoeken en een verbindende rol vervullen. • Creativiteit: de mobiele brigade gaat niet méér van hetzelfde doen of alleen nog meer specialismes toevoegen. De mobiele brigade zoekt naar de mogelijkheden om het anders te

36

•

doen, vanuit aanvullende en samenhangende diversiteit van verschillende zorgvormen en competenties. Zij durven intelligent ongehoorzaam te zijn en zij kennen en schrikken niet van de doelgroep. Daarbij hebben ze lef en een lange adem. Zij durven de last van het kind, het gezin en de betrokken hulpverleners centraal te stellen en passend te ondersteunen. Kennis van het zorglandschap: Zij kennen de organisaties van de aanbieders en het zorglandschap goed en kennen de juiste medewerkers van de diverse aanbieders (bruggenbouwers).

Rugdekking Daarbij geldt dat competenties belangrijker zijn dan een specifiek professioneel profiel, hoewel deze natuurlijk sterk met elkaar samenhangen. De medewerkers van de mobiele brigade hebben permanente rugdekking nodig om het werk te kunnen doen. Daarmee bedoelen we steun vanuit de eigen organisatie, maar ook vanuit de regio’s. Als we andere resultaten willen behalen, zullen we anders moeten handelen dan we gewend zijn. Dit zal ook andere dilemma’s met zich meebrengen dan we gewend zijn. Deze dilemma’s of risico’s moeten aanbieders, regio’s en verwijzers met z’n allen willen aangaan en dragen.

Samenwerking Een belangrijk aspect in de samenwerking binnen de mobiele brigade is dat helder moet zijn wie welke regie voert (zie ook het eerdere overzicht van de diverse regievormen). Het is ook van belang om een heldere werkwijze af te spreken voor die gevallen waarbij de collega’s van de mobiele brigade in de samenwerking zelf een visieverschil ontwikkelen.

37

DEEL 3 INGROEIMODEL VAN HUIDIGE NAAR GETRANSFORMEERDE SITUATIE In deel I van dit hoofdstuk is de getransformeerde situatie beschreven: waar werken we naartoe en hoe ziet de gewenste zorg binnen Essentiële functies eruit? Wat is het vergezicht/de stip op de horizon. In deel 2 is nader geconcretiseerd welke doelen en resultaten we willen behalen, welke criteria gelden, welke diensten worden ingekocht bij deze verwerving en welke kernaspecten van kwaliteit we daaraan stellen. We nemen een tijdsbestek van 7 jaar om het vergezicht, de getransformeerde situatie te bereiken, waarbij we tijd en ruimte nemen om te leren en te ontwikkelen. Omdat we weten dat een transformatie van deze omvang niet in één keer te realiseren is. Dat betekent dat we werken met een ingroeimodel. In deel 3 wordt de startsituatie beschreven (vanaf het eerste contractjaar) en het ingroeipad om te komen tot het vergezicht in 2032.

1.14. Transformatieproces 1.14.1 Omschrijving proces We starten op 1 januari 2025 met het verwerven van twee diensten, maar we beogen méér dan sec twee diensten te verwerven. Het doel is om partners te contracteren die de visie van de regio’s omarmen en zich, onderling en samen met de regio’s als partner, willen verbinden aan duurzame beschikbaarheid en transformatie van de essentiële functies in Gelderland. Hiervoor is het nodig dat we met elkaar een proces af spreken waarin we kunnen leren, groeien en bijsturen. Dat betekent dat we verschillende fasen in dit proces onderscheiden:

Het startpunt is gebaseerd op de huidige situatie en vormt de afbakening van de opdracht bij aanvang. De afbakening betreft: ▪ De partners die in dit transformatieproces stappen en de opdracht gezamenlijk vormgeven en invullen; ▪ De omvang van de opdracht bij de start; ▪ de basiskwaliteit die van de aanvang vereist wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=c9ee4ae3-e10f-4441-8021-cbdfc5924dee