CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

VTSBP_Tilligte,_Ootmarsumsestraat_142.pdf

Gecombineerde commissievergadering Omgeving en Economie / Sociaal Domein en Bestuur 4 april 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Tilligte, Ootmarsumsestraat 142”31.859 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek (projectnummer 21.082, d.d. 25 juni 2021) uitgevoerd naar de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de geplande woningen en appartementen betreffende de herinrichting locatie Ten Dam, fase II te Tilligte, gemeente Dinkelland. Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Ootmarsumsestraat (N349). De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Rekenen meetvoorschrift Geluid 2012. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven.

Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getroffen: De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Ootmarsumsestraat (N349) wordt overschreden op de gevels van de oost- west- en zuidgevel van de geplande appartementen. De hoogste geluidbelasting bedraagt 59 dB op de zuidgevel. De geluidbelasting van de appartementen valt binnen de geluidsklasse ‘lawaaiig’. Daarmee voldoet de geluidbelasting op de appartementen niet aan de gestelde bovengrens uit het gemeentelijk geluidbeleid (‘zeer onrustig’); Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard; 28

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Voor de woningen in het pand van Ten Dam moet een hogere waarde van 59 dB worden aangevraagd ten gevolge van de Ootmarsumsestraat (N349); De geluidbelasting op de gevels van de overige woningen ten gevolge van de Ootmarsumsestraat voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB; Voor de oost-west- en zuidgevel van de woningen in het pand van Ten Dam moeten geluidwerende voorzieningen getroffen worden om aan het ten hoogst toelaatbare binnenniveau van 33 dB te voldoen. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. Voor de woningen in het huidige pand van Ten Dam moet een hogere grenswaarde worden aangevraagd en bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient tevens een gevelweringsonderzoek uitgevoerd te worden. Wanneer een hogere grenswaarde wordt aangevraagd vormt het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Daarnaast vormen de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai', vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd industrieterrein in de omgeving van het plangebied, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met de NIBM-tool van het kenniscentrum InfoMil kan eenvoudig en snel bij kleinere ruimtelijke plannen worden bepaald of deze in betekende mate bijdragen aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Onderhavig plan betreft de realisatie van negentien woningen (per saldo zeventien woningen).

Volledigheidshalve is uitgegaan van negentien woningen. Het betreft 8 twee-onder-een-kapwoningen, 6 bebo woningen, vier geschakeld en 1 vrijstaande. Het betreffen woningen in de koopsector die zijn gelegen in niet stedelijk gebied, rest bebouwde kom. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het totaal aantal verkeersbewegingen op grond van de CROW-publicatie 381, naar boven afgerond, op 136 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 141 voertuigbewegingen.

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

29

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart

30

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 2,1 kilometer van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

31

Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).

Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien.

Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 12 augustus 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6. Hieruit volgt de 'Normale procedure'. Hieronder worden de wateraspecten voor het plangebied beschreven. Daarin worden de uitgangspunten voor de waterhuishouding als gevolg van onderhavig plan beschreven.

Wateraspecten plangebied Onderhavig plan betreft de realisatie van negentien woningen op de locatie van het voormalig voetbalveld, parkeerterrein en café/restaurant in de kern Tilligte. Door de geplande woningbouw wordt er een oppervlak van ca. 2.500 m² verhard. Uitgangspunten waterhuishouding De ingrepen als gevolg van de ontwikkeling van de woningbouw aan de Ootmarsumsestraat 142 leiden tot geen of beperkte effecten op de waterhuishouding. Met betrekking tot de waterhuishouding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 32

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

1. schoon houden wat schoon is; 2. volledig gescheiden afvoerstelsel voor hemelwater; 3. grondwaterneutraal bouwen; 4. geen afwenteling van het waterbezwaar. 1. Schoon houden wat schoon is Om dit risico van vervuild afstromend regenwater naar het oppervlaktewater te beperken, is voorzien in een hemelwatersysteem met overstortdrempels en met leidingen met ruime diameters. Door het stelsel uit te voeren met IT-leidingen loopt het stelsel na afloop van een regenbui leeg door infiltratie van het geborgen water in de bodem. Bij grote neerslaghoeveelheden stort het regenwater via de overloop in de IT-leidingen over op de wadi die wordt aangelegd. Hier wordt gezorgt voor voldoende bergingscapaciteit. Het eerste straatvuil wordt afgevangen in de IT-riolering en wordt via een bodempassage geïnfiltreerd in de bodem. Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “schoon houden wat schoon is” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan. Volledig gescheiden afvoerstelsel voor regenwater Het hemelwater dat op het nieuwe verharde oppervlak van de woningbouw valt, wordt afgevoerd via een eigen ondergronds leidingensysteem (IT- riolering), zodat het niet vermengd wordt met afvalwater.

Via dit IT-stelsel, dat reeds in bepaalde mate berging oplevert, wordt het overschot aan regenwater afgevoerd naar de bergingsvoorziening (wadi). Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “volledig gescheiden afvoerstelsel voor regenwater” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan. Grondwaterneutraal bouwen Uitgangspunt is dat de voorgenomen activiteiten geen invloed hebben op de grondwaterstanden in het gebied. Dit wordt gerealiseerd door de toekomstige straatpeilen af te stemmen op de huidige grondwaterstanden. Daar waar niet aan de ontwateringsdiepte wordt voldaan worden de straatpeilen aangepast. Het uitgangspunt voor stedelijk gebied is dat voldoende ontwateringsdiepte wordt gerealiseerd voor de gewenste functie: voor woningen met kruipruimte is dit 0,7 meter -/- maaiveld. De droogleggingseisen dienen te worden afgezet tegen de lokale (fluctuaties van ) grondwaterstanden. De straatpeilen dienen niet alleen op het grondwaterpeil, maar eveneens afgestemd te worden op de hoogtes van de omgeving. Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “Grondwaterneutraal bouwen” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

Geen afwenteling van het waterbezwaar In het kader van het landelijk beleid voor het waterbeheer in de 21e eeuw wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk vasthouden van water in het plangebied en het water geleidelijk af te voeren naar het benedenstrooms gebied. Zodat bij grote neerslaghoeveelheden ook gebieden, die stroomafwaarts liggen, beschermd zijn tegen overstromingen. Volgens regulier beleid van de gemeente en het waterschap wordt voor inbreidingslocaties een retentie eis van 20 mm van de toename van het verhard oppervlak gehanteerd, welke binnen het plangebied vastgehouden moet worden. Waterberging binnen plangebied Het verhard oppervlak van 2.500 m2 wordt binnen het plangebied opvangen middels IT riolering. Wanneer we de retentie eis voor inbreidingslocaties hanteren, dan dient er 20 mm te worden gerealiseerd. Op basis van het Gemeentelijk Riool Plan (GRP) kan worden uitgegaan van een minimale berging van 20 mm (inbreidingsslocatie), minus 3 mm inloopverlies (= 17 mm). Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en waar mogelijk ook infiltreren. In overeenstemming met het planontwerp is besloten een wadi te creëren aan de noordoostzijde van het terrein. De totale inhoud van de wadi dient minstens 43 m³ te zijn (berekening: 2.500 m² * 0,017 mm).

Het water zal over het maaiveld met gebruik van een molgoot vanaf de woningen en openbaar terrein naar de wadi geleid worden. Het hemelwater dient geborgen te worden in een wadi aan de noordoostkant van de planlocatie. Het water zal over het maaiveld met gebruik van een molgoot vanaf de woningen en openbaar terrein naar de wadi geleid bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

33

worden. Momenteel is er in het ontwerp rekening gehouden met een infiltratievoorziening (wadi) aan de noordoostelijke kant van het projectgebied. Deze heeft een oppervlak van circa 200 m². Het bodemoppervlak zal circa 180 m² bedragen (exclusief taluds). Met een waterhoogte van maximaal 30 cm betekend dit dat er boven de wadibodem circa 54 m³ berging aanwezig is (berekening: 180 m² * 30 cm /100). Conclusie Met voorliggend plan wordt er circa 2.500 m² verharding toegevoegd. Hiervoor is ten minste 43 m³ aan waterberging noodzakelijk. Met voorliggend plan wordt in de noordoostelijke hoek van het plangebied een wadi aangelegd. Deze wadi heeft een bergingscapaciteit van 54 m³. Door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “geen afwenteling van het waterbezwaar” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [projectnummer: 3508 versie 1.0], zie ook Bijlage 7 Quickscan natuurwaardenonderzoek. Het plangebied is op 17 juni 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan niet worden uitgesloten dat voorgenomen activiteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Om zekerheid te krijgen over een mogelijk negatief effect, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Stikstofberekening Door Ad Fontem is een stikstofberekening opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 8. De rekenresultaten zijn als volgt. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2021. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2023, omdat uitgegaan wordt dat de woningen dan pas bewoonbaar zijn. De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt 12,6 kg per jaar. De totale NH3-emissie bedraagt 0,9 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt in de gebruiksfase als gevolg van het gebruik van de appartementen/woningen aan de Ootmarsumsestraat 142 in Tilligte, is door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000- gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van het gebruik van de appartementen/woningen. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2021 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming:

34

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood maar mogelijk kunnen door bouwwerkzaamheden beschermde dieren verstoord worden in de houtsingel. Het verstoren van beschermde dieren leidt echter niet tot wettelijk consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie en de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten aangetast. Dit leidt eveneens niet tot wettelijke consequenties. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie

Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland) Toets Het plangebied ligt in het 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' landschap. Hiervoor geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit alle perioden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

35

plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Door Arcadis is in 2009 en 2010 een karterend veldonderzoek archeologie en daarop volgend een proefsleuvenonderzoek archeologie uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 9 en Bijlage 10. Beide onderzoeken zijn nog goed bruikbaar aangezien er sindsdien geen veranderingen of grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen het plangebied. De conclusies van het archeologisch onderzoek zijn als volgt: Karterend veldonderzoek archeologie Tilligte, februari 2009 Binnen het onderzoeksgebied bevindt zich een waarschijnlijk overwegend intact esdek, waarin in veel gevallen een ontginningslaag geconstateerd kan worden. In enkele boringen ontbreekt deze laag. Het esdek ligt deels op een overgangslaag tussen esdek en Pleistoceen zand en deels rechtstreeks op het Pleistocene zand of zandige leem, dat zich gemiddeld op een diepte van circa 140 cm –mv bevindt. In de oorspronkelijke Pleistocene ondergrond bevindt zich geen E- of B-horizont; deze zijn waarschijnlijk opgenomen in de ontginningslaag ten tijde van de aanleg van het esdek. Er zijn archeologische indicatoren aangetroffen (houtskool en aardewerk), met name in de ontginningslaag.

Dit kan erop duiden dat de vindplaats en archeologiehoudende lagen waarschijnlijk nog deels intact zijn. Op locaties waar deze laag ontbreekt is de bodem mogelijk ernstiger verstoord. Op basis van bovenstaande conclusies wordt aanbevolen proefsleuven aan te leggen op die locaties waar de bodem tot voorbij 100 cm – mv geroerd wordt. Dit kunnen locaties zijn waar funderingen of rioleringen worden aangelegd, maar ook de locaties voor de huizen indien de humeuze grond wordt afgegraven bij het bouwrijp maken. Voor het aanleggen van een proefsleuf dient een Programma van Eisen te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag of een senior KNA-archeoloog dient te worden getoetst en goedgekeurd. Proefsleuvenonderzoek archeologie verlengde Kerkepad Tilligte, maart 2010 De oude akkerlaag is aangelegd na het verdwijnen van de bewoning in de vroeg Romeinse tijd en voor de aanleg van het esdek in de late middeleeuwen of nieuwe tijd. Een preciezere datering is door gebrek aan goed dateerbaar materiaal niet te geven. De enige vondsten zijn de vele houtskoolspikkels. Deze zijn mogelijk afkomstig van het afbranden van de begroeiing, waarmee de grond werd vrijgemaakt voor akkerbouw. Tevens werd de arme zandbodem met houtskool verrijkt. Er is voor wat betreft de overgang tussen het esdek en de oude akkerlaag een onderscheid tussen de oost- en de westzijde van het plangebied.

Aan de westzijde zijn schopinsteken zichtbaar aan de onderzijde van het esdek. De onderliggende oude akkerlaag is beige tot licht bruingrijs van kleur. Aan de oostzijde zijn geen schopinsteken zichtbaar en is oude akkerlaag grijzer. De scheiding tussen de twee wordt gevormd door de sloot. Er wordt geconcludeerd dat aan oostzijde de oude akkerlaag is meegeploegd en vermengd met de onderzijde van het esdek. Dit heeft een andere kleur tot gevolg dan in het westen waar de twee lagen niet zijn vermengd. Deze vermenging heeft niet recent plaatsgevonden: er ligt een dunne intacte laag van het esdek onder het recent verstoorde esdek. De sloot is duidelijk te dateren in de nieuwe tijd (waarschijnlijk 19 de en mogelijk de 20 ste eeuw) en doorsnijdt de esdeklagen tot in het dekzand. De sloot ligt op het laagste deel van het terrein en is als perceelsgrens op de kadastrale minuut van 1832 afgebeeld. In het plangebied heeft in de periode van de late ijzertijd tot de vroege Romeinse tijd een nederzetting gelegen. Mogelijk gaat de nederzetting terug in de midden ijzertijd. Of er sprake is van continue bewoning of bijvoorbeeld zwervende erven is op basis van de onderzoeksresultaten niet vast te stellen. De resten van de nederzetting zijn door latere landbouwactiviteiten en bioturbatie vrijwel geheel verstoord.

Het is daarom onwaarschijnlijk dat verder archeologisch onderzoek meer wezenlijk informatie oplevert. De vrijwel geheel verstoorde context wordt niet behoudenswaardig geacht. Op basis van bovenstaande conclusies wordt gesteld dat zich in het plangebied geen behoudenswaardige archeologische waarden bevinden. Er wordt daarom een negatief selectieadvies gegeven. Op basis hiervan dient geen verdere archeologische zorg aan de vindplaats te worden besteed. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets

36

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied van dit bestemmingsplan geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Direct naast het plangebied is wel een cultuurhistorisch object aanwezig, te weten de monumentale H.H. Simon en Judaskerk. Met voorliggende ontwikkeling wordt dit momumentele gebouw niet aangetast. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10

Verkeer / parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Ootmarsumsestraat, een provinciale weg tussen Ootmarsum en Denekamp. Onderhavig plan betreft de realisatie van negentien woningen. Het plan bestaat uit acht twee-onder-een kap woningen, zes bebo woningen, vier geschakelde woningen en één vrijstaand. Het betreffen woningen in de koopsector die zijn gelegen in niet-stedelijk gebied, rest bebouwde kom. Het totaal aantal verkeersbewegingen kan op grond van de CROW-publicatie 381, naar boven afgerond, op 136 per dag gesteld worden. De huidige infrastructuur kan eenvoudig de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van negentien woningen afwikkelen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren woningbouw locatie Ten Dam Voor parkeren zijn de parkeernormen van de gemeente Dinkelland-Tubbergen aangehouden. Voor de verschillende woningbouwtypen gelden de volgende parkeernormen (rest bebouwde kom): Vrijstaand: 2,3 parkeerplaatsen per woning; Twee-onder-een-kapwoning: 2,2 parkeerplaatsen per woning; Geschakeld: 2,0 parkeerplaatsen per woning; Appartement (uitgaande van < 100 m²): 1,6 parkeerplaatsen per woning; Dat komt neer op het volgende:

Uitgaande van bovenstaande aantallen komt dat neer op 38 parkeerplaatsen. In voorliggend plan worden 38 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee voldoet het plan aan de parkeernormen van de gemeente Dinkelland. Parkeren Koopman Mode Koopman Mode maakt momenteel gebruik van twee parkeerterreinen om de bezoekers van de winkel parkeerruimte te kunnen bieden. Het parkeerterrein naast/achter de winkel is in eigendom van de winkel. Het parkeerterrein aan de overzijde van de Ootmarsumsestraat wordt gehuurd. Door Goudappel BV is onderzoek gedaan naar beide parkeerterreinen. Met als centrale vraag: heeft Koopman Mode op reguliere dagen (niet piekdagen) voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein om de eigen parkeerbehoefte te kunnen faciliteren? Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. In totaal zijn er 128 parkeerplaatsen beschikbaar voor Koopman Mode. In de toekomst zal het gehuurde parkeerterrein komen te vervallen, wat betekent dat het parkeeraanbod afneemt met 45 parkeerplaatsen tot 83 parkeerplaatsen.

Door Goudappel BV is aangetoond dat, ook na het wegvallen van het gehuurde parkeerterrein, de parkeerdruk op eigen terrein op een acceptabel niveau blijft. Op het drukst gemeten moment (zaterdag 26 september om 15.00 uur) staan 59 voertuigen geparkeerd, wat zorgt voor een parkeerdruk van 71%. Daarmee blijft de parkeerdruk op een acceptabel niveau (<90%) en is sprake van restcapaciteit. Op drukkere zaterdagen kunnen bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

37

er nog 15 voertuigen (circa) extra parkeren, mits het personeel gebruikmaakt van de voor hen bedoelde vakken (achterzijde pand). Concluderend kan gesteld worden dat: de parkeerdruk als gevolg van de afname van 45 parkeerplaatsen stijgt van 46% naar 71%. De parkeerdruk blijft hiermee op een acceptabel niveau (<90%). er is restcapaciteit aan parkeerplaatsen voor eventuele drukkere dagen. Uit de aangeleverde transactiedata blijkt dat gemeten is tijdens een drukke periode en er jaarlijks weinig drukkere dagen zullen zijn. Op drukke dagen wordt geadviseerd om het personeel gebruik te laten maken van de parkeerplaatsen aan de achterzijde van het pand. Ook kan gekeken worden naar tijdelijk gebruik van de parkeerterreinen van de ING-bank of kerk aan de overzijde van de Ootmarsumsestraat. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

39

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen De bestemmingsregels bevatten de volgende bestemmingen: Detailhandel (artikel 3); Gemengd (artikel 4); Groen (artikel 5); Verkeer (artikel 6); Verkeer - Parkeerterrein (artikel 7); Wonen (artikel 8). Detailhandel (artikel 3) Binnen de bestemming detailhandel zijn de gronden bestemd voor detailhandel en daarbijbehorende ondergeschikte dienstverlening en horeca. De bebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Binnen 40

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

het bouwvlak is een maximum goot- en bouwhoogte opgenomen. Hier mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven. Gemengd (artikel 4) Deze bestemming is toegekend aan het naast de winkel gelegen perceel om de uitwisselbaarheid tussen wonen en kantoor (ten behoeve van de winkel) mogelijk te maken. De bebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Hiervoor geldt eveneens een maximum goot- en bouwhoogte zoals opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. Groen (artikel 5) Binnen de bestemming zijn groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van hemelwater, alsmede openbare nutsvoorzieningen toegestaan. Bovendien zijn speelvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming is het houden van evenementen als medegebruik toegestaan met dien verstande dat: er sprake dient te zijn van een evenement in de vorm van voor publiek bestemde uitvoering; verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak; het evenement maximaal 7 (aaneengesloten) dagen duurt, inclusief opbouw en afbraak van bijbehorende voorzieningen. Verkeer (artikel 6) Deze bestemming maakt het mogelijk de wegenstructuur van het plan met alle benodigde voorzieningen, te realiseren.

Te denken valt aan parkeervoorzieningen, wegen, paden, bermen en dergelijke. Verkeer - Parkeerterrein (artikel 7) Deze bestemming maakt een parkeerterrein mogelijk van ten minste 83 parkeerplaatsen ten behoeve van (motor)voertuigen en daarbijbehorende voetpaden, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Het parkeerterrein hoort bij de naastgelegen detailhandelsbestemming. Wonen (artikel 8) Bij het vormgeven van de regels is zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de bepalingen van vigerende bestemmingsplannen van de gemeente. De belangrijkste bepalingen worden hieronder kort toegelicht. Binnen de bestemming Wonen (artikel 5) kunnen 19 woningen worden gerealiseerd. Naast het wonen is in deze bestemming het uitoefenen van aan huis verbonden beroepen toegestaan. Voor het bouwen van de woningen geldt dat de woningen uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd mogen worden. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd worden. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens moet tenminste 3 m bedragen. Ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan, daar waar bovengrondse gebouwen aanwezig zijn. Ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag. De voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gebouwd in de naar de weg gekeerde bouwgrens.

Indien bij een hoekperceel twee bouwgrenzen naar de openbare weg zijn gekeerd, dan dient de voorgevel te worden gebouwd in de bouwgrens, welke zoveel mogelijk een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging ten opzichte van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen op de naastgelegen percelen heeft. De dakhelling bedraagt ten minste 18 graden en ten hoogste 60 graden.

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

41

42

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

43

44

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Het ontwerpbestemmingsplan is met de provincie Overijssel gedeeld. De provincie Overijssel geeft aan dat de ontwikkeling past binnen het provinciale ruimtelijk beleid. Er zijn geen belemmeringen. De provincie Overijssel kan instemmen met de plannen. Waterschap Vechtstromen Op 12 augustus 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. Hieruit volgt de normale procedure, waardoor de plannen nader zijn toegelicht aan het Waterschap. Rekeninghoudend met de opmerkingen van het Waterschap (o.a.

voldoende waterberging), kan het Waterschap een positief advies geven. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 18 november 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

45

46

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

47

Bijlage 1

48

Stedenbouwkundig plan

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

verkaveling

pr8

7 6.831

architecten

kavel 10 ca. 160 m²

kavel 11 ca. 121 m²

kavel 12 ca. 114 m²

kavel 13 ca. 136 m²

kavel 9 ca. 217 m²

kavel 8 ca. 206 m²

kavel 7 ca. 177 m²

b en e bov den/ e nw oni ng

kavel 6 ca. 181 m²

wadi

kavel 5 ca. 214 m²

kavel 4 ca. 157 m²

kavel 3 ca. 206 m²

kavel 2 ca. 257 m²

kavel C ca. 993 m²

kavel 1 ca. 275 m²

kavel B

ca. 388 m²

ca. 265 m²

m zo

zo m er

kavel A

er

N

voor-/najaar

O

W

e nt

r

Z

wi

voor-/najaar

wi nt

er

woningbouw locatie ten dam fase II voorlopig ontwerp

8642 180322 / 1:500 / ma

Bijlage 2

50

Aanmeldnotitie

bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 142

Aan: Gemeente Dinkelland College van B&W Postbus 11 Borne, 28 september 2021 Ons kenmerk: 21AF136 Bijlagen: -

Betreft:

aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Ten Dam (fase II) Tilligte

Geachte heer/mevrouw, Voor de locatie Ootmarsumsestraat 142 in Tilligte is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen het voormalig voetbal-/parkeerveld en café/restaurant herontwikkelen tot inbreidingslocatie voor woningbouw. In totaal gaat het om 19 woningen, waarvan twee bestaande woningen. Per saldo worden 17 woningen toegevoegd. In het woningbouwprogramma wordt flexibiliteit ingebouwd betreft het programma. Vooralsnog wordt uitgegaan van 8 twee-onder-een-kapwoningen, 6 geschakeld en 3 appartementen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is voorliggende m.e.r.-beoordeling opgesteld. Een aanmeldnotitie is, sinds 16 mei 2017, nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dus ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan is een aanmeldnotitie nodig. Kenmerken van het betreffende project Aan de Ootmarsumsestraat 142 te Tilligte bestaat er het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met het realiseren van 19 woningen (per saldo 17 woningen).

Het plangebied kent momenteel de volgende bestemmingen: 'Verkeer - Parkeerterrein', 'Groen' en 'Horeca', deze zal worden gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’. Plaats van het project Het plangebied is gesitueerd in het midden van Tilligte. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie M, nummers 736, 1507, 1508, 1509 en 1510. De dichtstbijzijnde NNNgronden liggen op een afstand van minimaal 740 meter ten noordoosten van het plangebied. Het plangebied ligt op circa 2,2 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Bodem Ten behoeve van onderhavig plan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek [kenmerk: 21042010] om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37  7622 LW Borne  T 074 255 70 20  IBAN NL92RABO 0331 6534 27  BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851  Btw nr. NL 8151.28.939.B01  info@ad-fontem.nl  www.ad-fontem.nl

De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd, deels verhard met puingranulaat en klinkers (parkeerterrein) en deels in gebruik als grasveld. De aanleiding van dit onderzoek is de nieuwbouw van woningen waarvoor een bestemmingsplanwijziging nodig is. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat een deel van het te onderzoeken terrein wordt gebruikt als parkeerterrein. De bovengrond van het parkeerterrein (circa 480 m 2 ) wordt als verdacht beschouwd. De bodem onder de tijdelijke parkeerplaats van puingranulaat kan wel als onverdacht beschouwd worden. De ondergrond en het grondwater voor de gehele locatie wordt ook als onverdacht beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 18 boringen verricht, waarvan er 4 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot matig fijn zwak siltig. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen (sporen plastic) waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld, in de puinlaag of in de bodem waargenomen.

Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 2.60 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: • de bovengrond (BG I, BG II, BG III en BG IV) is niet verontreinigd; • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; • het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium en cadmium. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoeksrapport. In de bovengrond (BG I, BG II, BG III en BG IV) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Bovendien is het gebruik ten behoeve van wonen niet belastend voor het milieu.

Geluid Voor het aspect geluid wordt gekeken naar de externe werking en gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. De beoogde functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van belangwekkende consequenties voor wat betreft het aspect geluid op de omgeving. Water Op 12 augustus 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. Hieruit volgt de 'Normale procedure' aangezien er meer dan 10 woningen worden gerealiseerd. De plannen zijn naar aanleiding van de watertoets voorgelegd aan het Waterschap Vechtstromen. Ecologie Voor het plan is gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [projectnummer: 3508 versie 1.0]. Het plangebied is op 17 juni 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. -2-

Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan niet worden uitgesloten dat voorgenomen activiteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Om zekerheid te krijgen over een mogelijk negatief effect, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Stikstofberekening De verspreiding van emissies en de bijdrage aan de stikstofdepositie ten gevolge van het plan Ten Dam in Tilligte is berekend met het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2020). Voor de gebruiksfase is de maximale bijdrage minder dan 0,00 mol/ha/jaar (AERIUS uitvoer: “Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar”). Daarmee kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/700/documents/19350