CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a.pdf

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a”24.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor zover er sprake is van bovengemeentelijke verhuismigratie, betreft dit voornamelijk een regionale 32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

dynamiek (zie tabel 5.2). Daarover vindt regionale afstemming plaats. Door deze regionale afstemming is geborgd dat het regionale woningbouwprogramma aansluit bij de actuele en te verwachten vraag in de regio, zonder dat er sprake is van onnodige concurrentie tussen gemeenten of overprogrammering binnen de regio. Tabel 5.2. Regionale (Twente) migratie gemeente Dinkelland weergeven in aantallen verhuisde personen. Doel regio

Aantal gevestigde personen in Dinkelland

% Gevestigd Aantal % Uitgaande Migratiee personen uitgaande verhuisbeweging saldo verhuisbeweging en en

2.988 2.039

100% 68%

2.878 1.994

100% 69%

32%

884

31%

Regio Nederland Twente (CR)

Overig Nederland 949

110 45 (-1%) 65 (+1%)

Bron: CBS migratiegegevens 2020-2023.

Migratie op kernniveau in de gemeente Dinkelland Om de migratie binnen de gemeente (tussen de Dinkellandse kernen) in kaart te brengen, is gebruik gemaakt van gegevens over de periode 2022 t/m 2024 van de gemeente Dinkelland. Over de periode 2022-2024 laten gemeentegegevens zien dat circa 32% van de verhuisde personen binnen de kern Denekamp verhuisde, 35% zich vestigde in Denekamp en 33% verhuisde weg uit de kern Denekamp. Daarmee (her-)vestigden gemiddeld 67% van de verhuisde personen uit de gemeente Dinkelland zich in Denekamp over de periode 2022-2024 (zie tabel 5.3). Het migratiesaldo schommelde per jaar tussen positieve en negatieve migratie, met een gemiddeld positief migratiesaldo van 24 verhuisde personen over de periode van 2022-2024 in de kern Denekamp (zie tabel 5.3). Verder tonen de gemeentegegevens (2022-2024) aan dat 48% (1.065/2.232) van alle gevestigde personen in Denekamp uit de kern zelf komt. Tabel 5.3. Binnengemeentelijke migratie kern Denekamp weergeven in absolute aantallen verhuisde personen per jaar. Jaar

Binnen Personen Personen Migratiesaldo Totaal Denekamp gevestigd in vertrokken Denekamp aantal verhuisde Denekamp uit Denekamp verhuisde personen personen

2022 346 458 2023 362 305 2024 357 404 Totaal 1.065 1.167 2022-2024 Bron: gemeente Dinkelland.

297 399 400 1.096

161 1.101 -94 1.066 4 1.161 Gemiddeld +24 3.328 per jaar

(Her-)vestigers in Denekamp (binnen en naar de kern verhuisd) 804 (73%) 667 (63%) 761 (66%) 2.232 (gemiddeld 67% per jaar)

Verhuisrelaties tussen de verschillende Dinkellandse kernen waren voornamelijk aanwezig tussen kernen Ootmarsum, Tilligte, Rossum en Lattrop-Breklenkamp

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

33

Figuur 5.2: Binnengemeentelijke migratie tussen kernen. Concluderend kent Dinkelland een overwegend lokale woningmarkt. Voor zover bovengemeentelijke verhuismigratie plaatsvindt is deze hoofdzakelijk regionaal van aard en wordt deze regionaal afgestemd. Door deze regionale afstemming wordt overprogrammering voorkomen. De binnengemeentelijke migratiegegevens tonen dat gemiddeld 67% van de verhuisde personen uit de gemeente Dinkelland zich (her-)vestigden binnen kern Denekamp, waarbij de helft (48%) uit Denekamp zelf kwam. Dit maakt dat er sprake is van een sterke lokale verhuisdynamiek binnen zowel gemeente Dinkelland als de kern Denekamp.

Het ruimtelijk verzorgingsgebied van voorliggend plan is daarom de gemeente Dinkelland. 5.1.2

Behoefte

Kwantitatieve behoefte Regionaal In de Actualisatie Woondeal Twente 2025 t/m 2030 'Wonen met Kwaliteit' (verder Woondeal Twente) hebben provincie Overijssel en de 14 Twentse gemeenten vastgelegd welke bijdrage regio Twente in de periode tot en met eind 2030 levert aan de nationale ambities op het gebied van woningbouw. De Twentse woningbouwopgave omvat minimaal 19.100 nieuw te bouwen woningen. Op dit moment bedraagt in Twente de plancapaciteit 32.762 woningen (periode 2024 t/m 2030), waarvan 17.207 woningen vallen onder de harde plancapaciteit en 15.555 woningen onder de zachte plancapaciteit (zie figuur 5.4). Er is dus sprake van een aanzienlijk woningtekort van 1.893 woningen.

Figuur 5.3 Kerncijfers Woondeal 'Wonen met Kwaliteit' (2025 t/m 2030). Bron: Woondeal Twente, concept 34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

februari 2025. Regionale afstemming Naast de afstemming in de Woondeal Twente op regionaal niveau, heeft gemeente Dinkelland in het Volkshuisvestingsprogramma de eigen lokale woningbehoefte en nieuwbouwopgave gespecificeerd. Dit Volkshuisvestingsprogramma heeft het participatieproces doorlopen en is tevens regionaal afgestemd met provincie Overijssel. Gezien de sterke lokale huishoudensgroei in Dinkelland t/m jaar 2032, is de lokale woonbehoefte gegroeid en daarmee de woningbouwopgave in de grote kernen (inclusief Denekamp) geraamd op 588 woningen t/m jaar 2032. Gezien de harde plancapaciteit van 309 woningen, is er nog een resterende plancapaciteit van 279 woningen. De 39 nieuwbouwwoningen van plan 'Denekamp Oost fase 2a' vallen onder de huidig geformuleerde zachte plannen, en passen daarmee tevens ruimschoots in de resterende woningbehoefte na aftrek van de harde plancapaciteit. Gezien de raming van het Dinkellandse Volkshuisvestingsprogramma betrekking heeft op het bedienen van de eigen lokale huishoudensgroei, en de Woondeal Twente stuurt op een minimale woningbouwopgave en het hard maken van huidige zachte woningbouwplannen, is derhalve additionele regionale afstemming voor plan 'Denekamp Oost fase 2a' niet noodzakelijk. Concluderend is voorliggend plan in het met de provincie afgestemde woonprogramma meegenomen en is ook in de regio afgestemd.

De Woondeal Twente laat met een woningbouwopgave van minimaal 19.100 woningen en een harde plancapaciteit van 17.207 woningen voldoende ruimte voor realisatie van voorliggend plan. Lokaal Het recent vastgestelde Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van gemeente Dinkelland beschrijft de lokale woningbehoefte evenals de nieuwbouwopgave voor de gemeente. Vanwege de verwachte algemene lokale huishoudensgroei, houdt Dinkelland rekening met een nieuwbouwbehoefte van 871 nieuwbouwwoningen t/m 2032. Specifiek voor de grote kernen (Denekamp, Ootmarsum en Weerselo) wordt de behoefte tezamen op 588 nieuwbouwwoningen aangemerkt. Gezien de 309 woningen in de harde plannen voor de grote kernen, is er nog een resterende plancapaciteit over van 279 woningen (totale plancapaciteit van 588 woningen minus harde plannen van 309 woningen) voor de grote Dinkellandse kernen. De beoogde 39 woningen van plan 'Denekamp Oost fase 2a' passen ruimschoots in deze resterende plancapaciteit. Zie onderstaande figuur voor een overzicht van de lokale plancapaciteit.

Figuur 5.4. Kerncijfers Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van gemeente Dinkelland. Concluderend passen de 39 woningen van voorliggend plan in de resterende plancapaciteit van de grote kernen (inclusief Denekamp) zoals geraamd in het Dinkellandse Volkshuisvestingsprogramma. Kwalitatieve behoefte Het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van gemeente Dinkelland omschrijft de onbalans tussen de woningvraag (inclusief woonbehoeften van inwoners) en woningaanbod in de gemeente. Samenvattend is deze onbalans zichtbaar op verschillende aspecten. Sociaal huuraanbod: Dinkelland kent een relatief laag aandeel sociale huurwoningen in vergelijking met andere gemeenten, terwijl er een groeiende vraag is naar betaalbare woningen (sociale huur en betaalbare koop) voor bijvoorbeeld starters en urgentiegroepen. De huidige woningvoorraad bestaat namelijk uit 75% koopwoningen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

35

en 25% huurwoningen (waarvan 13% sociale huur en 12% particuliere huur). Dit maakt dat de gemeente een relatief laag sociaal huuraanbod heeft in vergelijking tot andere Nederlandse gemeenten (gemiddeld 27%). Gemeentelijk beleid (Volkshuisvestingsprogramma) en de afspraken in de Woondeal Twente hebben als uitgangspunt om 30% van de woningbouwopgave te realiseren in de sociale huur. Dit voorliggende plan zal dan ook in perspectief moeten worden gezien tot de eerder gerealiseerde fase (fase 1) van Denekamp Oost. In de eerste fase zijn reeds 44 koopwoningen gerealiseerd (6 vrijstaand, 12 twee-onder-een kap, 14 rijwoningen en 12 levensloopbestendige woningen) en geen enkele sociale huurwoning. Met toevoegen van voorliggend woningbouwprogramma zal het percentage sociale huurwoningen in het totale plangebied van Denekamp Oost (fase 1 en 2a) uitkomen op 27,7% (23/83 woningen). Dit ligt in lijn met gemeentelijk beleid en regionale afspraken (Woondeal Twente). Woninggrootte: Het huidige woningaanbod in Dinkelland bestaat voor een groot deel uit relatief grote eengezinswoningen (gemiddeld 162 m2, ten opzichte van 120 m2 in NL), terwijl de vraag naar kleinere woningen voor 1-/2 persoonshuishoudens, zoals appartementen, beneden-bovenwoningen en zorggeschikte woningen, toeneemt.

Derhalve is het noodzakelijk om kleinere woningen voor 1-/2 persoonshuishoudens toe te voegen aan de bestaande woningvoorraad. Dit draagt bij aan de in- en doorstoom op de woningmarkt. Betaalbaarheid: Met name starters, jongeren en lage- tot middeninkomens (één tot anderhalf maal modale inkomens) hebben moeite om passende woonruimte te vinden binnen hun financiële mogelijkheden. Het tekort aan betaalbare koop- en huurwoningen leidt tot een toename van woningzoekenden die tussen wal en schip vallen. Derhalve is het noodzakelijk om meer betaalbare woningen (sociale huur en betaalbare koop) aan de woningvoorraad toe te voegen. Kwetsbare doelgroepen en zorgbehoefte: De toenemende behoefte aan woningen voor ouderen, zorgbehoevenden, aandachts- en urgentiegroepen en jongeren wordt momenteel niet volledig gedekt door het beschikbare woningaanbod binnen de Dinkellandse woningmarkt. Specifieke doelgroepen waarbij de Volkshuisvestingsprogramma (exclusief woonwagenbewoners) zijn als volgt:

woonbehoefte extra aandacht verdient volgens intramurale woon-zorg groepen, arbeidsmigranten

het en

Starters: Om starters in de gemeente beter te kunnen bedienen in de woonbehoefte stelt gemeente Dinkelland om de komende jaren meer betaalbare koopwoningen toe te voegen aan de woningvoorraad. Deze groep heeft vooral behoefte aan (sociale)huurwoningen, goedkope en betaalbare koopwoningen, maar een deel heeft ook mogelijkheden in een duurder segment. Het toevoegen van betaalbare koopwoningen is tevens nodig om meer mogelijkheden te creëren voor o.a. starters die een te hoog inkomen hebben voor de sociale huur, maar te weinig verdienen om een woning uit de huidige voorraad te kunnen betalen. Ouderen: In gemeente Dinkelland is vergeleken met het landelijk en regionaal gemiddelde sprake van een sterkere vergrijzing. Niet al deze ouderen kunnen intramuraal wonen in relatie tot hun zorgbehoefte. Daarnaast speelt ook mee dat veel van deze ouderen het liefst zo lang mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving en woning willen blijven wonen. Er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen, in zowel het huur als koop segment. Daarom stelt de gemeente in het Volkshuisvestingsprogramma dat ze rekening houdt met het realiseren van 145 nultredenwoningen, 40 geclusterde woningen en 90 zorggeschikte woningen.

Dit is in lijn met het landelijk programma 'Wonen en Zorg voor Ouderen' vanuit de ministeries van ZBK en VWS, de regionale Woonzorgvisie (Twente) en de lokale Woonzorgvisie (gemeente Dinkelland), als integraal onderdeel van het Volkshuisvestingsprogramma. Urgentiegroep statushouders: Een statushouder is een voormalig asielzoeker met een verblijfsvergunning en maken deel uit van de Nederlandse maatschappij, zo ook in Dinkelland. De Huisvestingswet regelt de verantwoordelijkheid van de gemeenten waar het gaat over het aanbieden van woonruimte. De Rijksoverheid bepaalt elk half jaar hoeveel mensen vanuit de asielzoekerscentra moeten doorstromen naar reguliere huisvesting. Dit landelijk bepaalde aantal wordt verdeeld over alle gemeenten, naar rato van het inwoneraantal, dit heet de gemeentelijke taakstelling. Het Volkshuisvestingsprogramma stelt dat gemeente Dinkelland een grotere taakstelling statushouders heeft dan sociale huurwoningen beschikbaar. Gemeente Dinkelland houdt rekening met het toevoegen van extra permanente sociale huurwoningen, waarmee o.a. starters, ouderen maar ook de urgentiegroep statushouders kunnen worden bediend.

Kortom, het volkshuisvestingsprogramma stelt dat de bestaande woningvoorraad in Dinkelland veelal grote koopwoningen bevat, weinig sociaal huurwoningen heeft ten opzichte van het landelijk gemiddelde, en dat er additionele levensloopbestendige (nultreden)woningen nodig zijn om aan te kunnen blijven sluiten bij de veranderende (vergrijzende) demografie. Daarnaast ligt er nadruk op het invullen van de woonbehoefte van specifieke doelgroepen, namelijk starters, ouderen en statushouders. Om bij te dragen aan deze kwalitatieve woningbehoefte is voorliggend plan 'Denekamp Oost fase 2a' ontwikkeld. Het plan betreft 39 woningen in een mix van diverse woningtypen en eigendomsvormen, waaronder: 36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

16 kavels voor koopwoningen; waarvan a. 14 kavels bestemd voor twee-onder-een-kap woningen in de betaalbare koopsector; b. 2 kavels bestemd voor vrijstaande woningen in de vrije (dure) koopsector. 23 sociale huurwoningen; waarvan a. 18 appartementen in de sociale huursector. b. 5 levensloopbestendige (nultreden)woningen in de sociale huur sector. De samenstelling van woningtypen en eigendomsvormen sluit derhalve goed aan bij de grote behoefte aan sociale huur (voor starters, ouderen, urgentiegroepen en 1-/2 persoonshuishoudens), evenals betaalbare kavels voor koopwoningen (voor starters en ouderen), en de behoefte aan levensloopbestendige (nultreden)woningen (voor bijvoorbeeld senioren) in het kader van de vergrijzing en de gedefinieerde behoefte aan nultredenwoningen. Concluderend draagt het Plan 'Denekamp Oost fase 2a' bij aan de invulling van de kwalitatieve woningbehoefte in Dinkelland, met een focus op sociale huurwoningen, levensloopbestendige (nultreden)woningen en betaalbare kavels voor koopwoningen, gericht op doelgroepen met een grote en urgente woningbehoefte. Binnenstedelijke alternatieven Het Volkshuisvestingsprogramma biedt inzicht en overzicht in de totale woningbouwprogrammering van de Dinkellandse kernen.

De binnenstedelijke alternatieven die geschikt en beschikbaar zijn, worden momenteel ontwikkeld en staan als harde (122) en zachte (162) plancapaciteit op de planlijst (bijlage 2 van het Volkshuisvestingsprogramma). De zachte plancapaciteit wordt in de periode 2025-2028 naar verwachting met gemiddeld 41 woningen per jaar omgezet in harde plancapaciteit. Al deze locaties tezamen voorzien niet in de totale woningbouwbehoefte van de kern Denekamp. Daarnaast zijn enkele alternatieve locaties onderzocht: Het grasveld aan de Churchilstraat/Spittendijk/Anemoonstraat; echter bleek deze in gebruik te zijn voor sport/bewegingsactiviteiten door de naastgelegen school en kinderopvang. Daarom is deze locatie niet beschikbaar. De locatie Sombeekweg/Lindenweg; door bestaande milieucontouren van naastgelegen bedrijventerrein en de aanwezigheid van volkstuinen maakt deze locatie niet geschikt voor het gewenste woningbouwprogramma. Ten slotte sluit voorliggend plan aan op de zuidzijde van de meest recent ontwikkelde nieuwbouwlocatie (Denekamp Oost fase 1). Aan de westzijde sluit dit plan aan op de bestaande woonkern van Denekamp. Concluderend zijn er binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Denekamp geen alternatieve geschikte locaties beschikbaar.

5.2 Mer-beoordeling Algemeen Een milieueffectrapportage (mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de mer is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

Plan-mer-beoordeling Gezien het gaat om een plan voor een klein gebied op lokaal niveau, is een plan-mer beoordeling uitgevoerd (14 februari 2025). Belangrijkste uitkomst van de beoordeling is dat het project niet mer-plichtig is. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 2 en is opgesteld conform de inhoudelijke eisen van artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

37

Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het plan, en de kenmerken van het potentiële effect van het plan, is vastgesteld dat er geen sprake is van een plan dat belangrijke gevolgen heeft. Het milieueffectrapport hoeft niet te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De verkeersaantrekkende werking is berekend op basis van het woningbouwprogramma. Het verkeer zal worden ontsloten via de Sombeekweg naar de Scandinaviëroute. Daarnaast komt er via het Berkenbos een ontsluiting op de Gildehauserdijk. De vervoersbewegingen zijn geschat op 16,4 + 109,2 + 81,4 = 207 voertuigbewegingen per etmaal.

De Sombeekweg en de Gildehauserdijk heeft voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen te verwerken. De interne wegenstructuur wordt ingericht volgens de principes van Duurzaam Veilig met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Voetgangers en fietsers krijgen eigen verbindingen naar de omliggende gebieden. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Ter plaatse van het plangebied geldt het facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland (vastgesteld 2018). Hierin wordt verwezen naar het voldoen aan de normen in de beleidsregels die zijn vastgelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018'. Het benodigd aantal parkeerplaatsen volgt uit 2 vrijstaande woningen, 14 twee-onder-één kap woningen, 5 rijtjeswoningen en 18 appartementen. De appartementen zijn gericht op één- of tweepersoonshuishoudens met een oppervlakte tussen de 75m² t/m 100m². Vanwege deze oppervlakte kan er 1 parkeerplaats per appartement worden aangehouden. Voor de 2 vrijstaande woningen en 14 twee-onder-één kapwoningen worden 16 parkeerplaatsen gerekend die worden opgevangen met eigen opritten. Het plan voorziet in 51 openbare parkeerplaatsen. In totaal worden 67 parkeerplaatsen gerealiseerd.

De parkeerbehoefte is als volgt bepaald: Tabel 5.4: Parkeerbehoefte Type

Aantal

Parkeernorm

Vrijstaand Twee-onder-één kap Rijwoningen Appartementen

2 14 5 18

2,3 2,2 2,0 1,0

Totaal benodigd

Totaal benodigde parkeerplaatsen 4,6 30,8 10 18 63,4

Met een totaal (afgerond) aantal benodigde parkeerplaatsen van 64 en een totaal aantal aanwezige parkeerplaatsen van 67 voorziet het plan in voldoende parkeerplaatsen. De realisatie en instandhouding van deze parkeerplaatsen zijn geborgd in de regels. Conclusie

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie plangebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Dinkelland, ligt op 1,5 km afstand. Hierdoor kunnen negatieve effecten zoals verstoring door licht of geluid worden uitgesloten. Tijdens de aanleg- en gebruiksfase kan sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Een AERIUS-berekening voor stikstofdepositie is uitgevoerd in april 2025 voor zowel de aanleg- als gebruiksfase (zie Bijlage 3). Uit de ecologische voortoets blijkt dat het plan geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot de invoergegevens van de AERIUS-berekening is uitgegaan van deels elektrisch materieel. Deze uitgangspunten worden geborgd in het omgevingsplan.

Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie plangebied De plannen leiden niet tot vermindering van de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden niet aangetast. Negatieve effecten op het NNN kunnen hierdoor worden uitgesloten. De dichtsbijzijnde NNN bevindt zich op minstens 800 meter afstand. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

39

Figuur 5.5: Ligging plangebied ten opzichte van NNN Conclusie De invloedsfeer van het voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.2

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een floraen fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied In februari 2025 is een natuurtoets uitgevoerd om na te gaan of het plan vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is. De natuurtoets is toegevoegd als Bijlage 4 van de motivering.

Uit de toetsing komt naar voren dat negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van vogels en/of beschermde soorten uitgesloten kunnen worden mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen en verstoring van vleermuizen wordt voorkomen. Negatieve effecten op overige broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Daarnaast dient verstoring van vleermuizen voorkomen te worden door geen licht op de bomenrij en de 40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

houtsingel te laten schijnen. Ten aanzien van de niet-vrijgestelde rugstreeppad worden maatregelen aanbevolen om vestiging van de rugstreeppad tijdens de aanlegfase te voorkomen. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het voornemen.

5.5 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied Het voornemen betreft de realisatie van maximaal 39 woningen. Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan vallen onder de standaardgevallen NIBM. De grens voor een standaardgeval NIBM ligt bij één ontsluitingsweg bij 1.500 woningen. Aangezien het hier gaat om de realisatie van maximaal 39 woningen, is er sprake van een niet-in-betekenende-mate effect op de luchtkwaliteit.

Het projectgebied bevindt zich daarnaast ver buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarmee overbodig. Voor de volledigheid is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd om te bekijken wat de luchtkwaliteit is ter plaatse. In onderstaande figuur is de concentratie fijnstof weergeven als indicatie voor de luchtkwaliteit. Een aanvaardbaar woon- en leefomgeving wordt gewaarborgd.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

41

Figuur 5.6: Fijnstof als indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied (geraadpleegd: 17-12-2024) Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het voornemen.

5.6 Geluid 5.6.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. 42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geluidbeleid De gemeente beschikt over eigen geluidbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woonwijk'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde voor wegverkeer 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). 5.6.2

Situatie plangebied

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. De gevels van de geluidgevoelige gebouwen bevinden zich op meer dan 200 meter van de Scandinavië-route (N342). Daarmee bevinden de woningen zich buiten het geluidsaandachtgebied van deze weg. Nader onderzoek vanwege het geluid van wegverkeer van deze weg is niet aan de orde. Het plangebied bevindt zich wel binnen het geluidaandachtsgebied van de Sombeekweg.

In de eerste fase van Denekamp Oost is reeds de geluidbelasting, gecumuleerd met de Scandinavië-Route, inzichtelijk gemaakt ten behoeve van die fase. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 De uitkomst hiervan is dat de waarden voor Lden maximaal 48 dB(A) bedraagt. Gezien de grotere afstand tot fase 2a en de woningen in fase 1 is het niet aannemelijk dat de standaardwaarden worden overschreden ter plaatse van het plan en wordt verder onderzoek onnodig geacht. Industrielawaai Er bevinden zich geen gezoneerde industrieterreinen in de omgeving. Bedrijvigheid Voor de beoordeling van geluid door bedrijfsmatige activiteiten zijn twee kaders van belang: de waarden uit de Bruidsschat (artikel 22.57) voor geluid door activiteiten en de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (2024) voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor dit plan is specifiek gekeken naar het bedrijventerrein Sombeek III, waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. In de eerste fase van Denekamp Oost is al onderzoek gedaan naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daaruit blijkt dat een afstand van minimaal 50 meter tussen bedrijfspercelen en woningen voldoende is voor een acceptabel geluidniveau. Dit past binnen de richtafstanden voor gemengd gebied uit de VNG-handreiking. Bij deze afstand worden de bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering.

Fase 2a ligt op grotere afstand dan fase 1, waarbij fase 1 als buffer fungeert tussen het bedrijventerrein en het plangebied. De afstanden tot bedrijven zijn ruimer dan in fase 1. Hierdoor is aannemelijk dat voldaan kan worden aan zowel de standaardwaarden uit de Bruidsschat als aan een evenwichtige toedeling van functies. In de omgeving zijn geen andere relevante bedrijfsmatige activiteiten aanwezig die vanuit geluidoogpunt een belemmering vormen. Nader onderzoek naar geluid door bedrijfsmatige activiteiten is niet aan de orde.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

43

Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat. 5.6.3

Geluid afkomstig van project op omgeving

Woonwijken zijn geen relevante bron van geluidshinder. 5.6.4

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van fase 2a van Denekamp Oost.

5.7 Geur Algemeen In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol: bestaande toetsingskaders, zoals lokaal geurbeleid; geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties; aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit; historie van het bedrijf en het klachtenpatroon; bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit; kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.

Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden. Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor: wonen; dienstverlening; bedrijvigheid; detailhandel; horeca. Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel. Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur.

De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); 44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1). Bij deze toets kan de Geurverordening van Dinkelland van belang zijn. Situatie plangebied Woningen zijn geurgevoelige gebouwen in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit toetsing blijkt dat de dichtsbijzijnde relevante geuremitterende activiteit in de omgeving van het plangebied zich bevindt op ongeveer 300 meter afstand. Het betreft het bedrijf aan de Brandlichterweg 67 in Denekamp. Voor geurgevoelige gebouwen (voorheen: geurgevoelige objecten) binnen de bebouwde kom geldt een afstandsnorm van 100 meter (Bruidsschat artikel 22.101). Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Er zijn geen andere relevante geuremiterende activiteiten nabij het plangebied.

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voornemen, daarnaast worden bedrijven niet beperkt in de bedrijfsvoering. Dit betekent dat er verder geen bedrijven of activiteiten aanwezig zijn die een zodanige geurbelasting veroorzaken dat deze van invloed zou kunnen zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.8 Omgevingsveiligheid Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan.

In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

45

Situatie plangebied Het plangebied is getoetst aan de risicovolle activiteiten in de omgeving via het Register externe veiligheidsrisico's (REV). In figuur 4.3 is een uitsnede weergeven. Op basis hiervan zijn de volgende aspecten beoordeeld: Plaatsgebonden risico Binnen een straal van 680 meter van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen die relevant zijn voor het plaatsgebonden risico. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een gasleiding van de Gasunie, waarvan het invloedsgebied niet tot het plangebied reikt. Groepsrisico Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied voor brand, explosie of gifwolk. Een nadere beoordeling van het groepsrisico of aanvullende bouweisen zijn daarom niet noodzakelijk. Overige veiligheidsaspecten Er zijn geen belemmeringengebieden van buisleidingen, vuurwerkbedrijven, ontplofbare stoffen of luchthavens die van invloed zijn op het plangebied.

Figuur 5.7: Risicovolle activiteiten in de omgeving (bron: REV) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het voornemen.

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

5.9 Trilling Algemeen Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving. Situatie plangebied De Atlas Leefomgeving (d.d. 26 juni 2024) is geraadpleegd om na te gaan of er permanente bronnen van trilling in de omgeving zijn. Dit kunnen spoorwegen of bepaalde type industrie zijn. Er zijn geen permanente bronnen van trillingen in de omgeving van het plangebied. Verder onderzoek naar trillingen is daarmee overbodig.

Conclusie Trillingen vormen geen belemmeringen voor het plan.

5.10

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Algemeen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Situatie plangebied Archeologie In het kader van de ontwikkeling Denekamp-Oost is door Hamaland Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het gehele ontwikkelgebied, waaronder het voorliggende plangebied fase 2a.

Dit onderzoek bestond uit een bureauonderzoek conform BRL 4002 en een verkennend booronderzoek conform BRL 4003. Het plangebied heeft volgens de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart een middelmatige archeologische verwachting. Uit het cartografisch onderzoek blijkt dat het gebied lang een heideveld is geweest, dat in de loop van de 19e en 20e eeuw na ontginning veranderde in wei- en bouwland. In circa de helft van het plangebied is een intacte veldpodzol aangetroffen. In de overige boringen is sprake van A/C-profielen, waarbij de oorspronkelijke podzolbodem door grondbewerking is opgenomen in de subrecente bouwvoor. Vanwege de grootschalige bodemverstoring tot in de natuurlijke ondergrond door de jonge heideontginning en het landbouwkundig gebruik vanaf circa 1935 wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. De regioarcheoloog heeft het rapport en selectieadvies op 21 december 2020 beoordeeld en onderschrijft de conclusies. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek kunnen de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied worden vrijgegeven. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Cultuurhistorie Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel ligt het plangebied in het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

47

"Dinkelland". Ter plaatse heeft het plangebied enkel 'gemiddelde' waardering voor het thema ruilverkavelingen. Andere waarden zijn ter plaatse niet aan de orde. In figuur 4.5 is een uitsnede van de waarderingskaart weergeven.

Figuur 5.8: Waardenkaart terplaatse, geel geeft een gemiddelde waardering voor ruilverkaveling weer (bron: Waardenkaart Overijssel) Landschap Het plangebied bevindt zich in het landschapstype 'Heideontginningen en bossen'. In onderstaande afbeelding is de aanmerking weergeven.

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Figuur 5.9: Landschapstype plangebied Het plan houdt hier rekening mee. In het beeldkwaliteitsplan Bijlage 5 is de wijze van inpassing nader toegelicht. Conclusie De aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap vormen geen belemmering voor het voornemen.

5.11

Bodem

Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Situatie plangebied Met het voornemen wordt bodemgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt. Op de onderzoekslocatie is in het verleden in 2019 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het voorgaande bodemonderzoek wordt niet meer als geheel representatief beschouwd. Om te toetsen of de gronden veilig zijn voor gebruik als woonwijk is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd door Sigma (4 februari 2025).

Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8 van de motivering. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bovengrond, geen belemmering voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voornemen.

5.12

Water

Algemeen Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

49

het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. In onderhavig geval is met name de waterschapsverordening van belang. Hierover is met het betreffende waterschap gesproken. Dit komt hieronder aan de orde. Situatie plangebied Het verhard oppervlakte neemt toe in de toekomst. Dit bestaat uit circa 3.725 m2 voor de toekomstige rijbaan, trottoirs en parkeerplaatsen (verhardingen).

Voor het voornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld door Geofoxx. Het waterhuishoudkundig plan is toegevoegd als Bijlage 9. Daarnaast zal de bebouwing zorgen voor een toename van het verhard oppervlak met circa 3.520 m2. Dit is inclusief inritten en een parkeerplaats op particulier terrein. Hierbij is uitgegaan van 180 m2 verharding voor een vrijstaande woning, 140 m2 bij een twee-onder-één-kap woning, en 100 m2 voor een rijtjeswoning. De verhardingen zijn inclusief bestrating en oprit. De gemiddelde hoogte grondwater (GHG) wordt geschat op 24 tot 24,2 meter NAP. Het watersysteem in fase 2a zal worden aangesloten op de bestaande waterstructuur van fase 1. In navolgende figuur is het huidige watersysteem weergegeven.

Figuur 5.10: Huidig watersysteem fase 1. Hierop wordt aangesloten in fase 2a (bron: Geofoxx)

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

De ontwikkeling heeft na realisatie een hoeveelheid verhard oppervlak van 7.245 m2. Compenserende maatregelen zijn ten tijden van het opstellen van het waterhuishoudkundig plan noodzakelijk conform het Gemeentelijk Riool Plan 2019-2024 en waterschapsverordening van waterschap Vechtstromen. In een actualisatie naar het programma Water en Riolerings Programma Dinkelland 2025 - 2030 blijft deze verplichting bestaan. Boven de 1.500 m2 is compensatie met 40 mm noodzakelijk voor een uitbreidingslocatie, minus 3 mm inloopverlies (=37 mm). Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en zo mogelijk geïnfiltreerd. De totale bergingsopgave komt uit op 268 m3. Zie onderstaande tabel voor de berekening.

Het watersysteem bestaat uit een wadi in het centraal westelijk deel en het oostelijk deel van het plangebied. In het oostelijk terreindeel wordt de bestaande greppel, welke gegraven is rondom het project Tiny Houses, uitgebreid worden in westelijke richting. De wadi in het westelijk deel wordt verbonden met een duiker. In totaal wordt hiermee circa 200 m3 waterberging gecreëerd. De overige 68 m3 waterberging is wordt voorzien in de wadistructuur van fase 1. Hier is een overcapaciteit in het hemelwatersysteem aangelegd vanwege de toekomstige uitbreidingen, in verband met de aflopende hoogte van zuid naar noord. De totale capaciteit van dit systeem is geschat op 1.100 m3, waarvan ongeveer 500 m3 in gebruik is voor fase 1. De wadi's dienen te voldoen aan een doorlatendheid van 0,5 meter per dag. Omdat de doorlatendheid van de bodem matig is, wordt de aanleg van drainage aanbevolen. De wadi's moeten voorzien zijn van een slokop met overstort voor situaties waarin de waterstanden hoger worden dan 0,3 meter.

Bij de dimensionering van de wadi's gelden de volgende uitgangspunten: Maximale waterstand van 30 cm met een minimale wake van het waterpeil van 10 cm De wadi moet binnen 24 uur weer leeg zijn door infiltratie of vertraagde afvoer Het talud mag een verhang bevatten van 1:3 (of flauwer) Wadi's dienen altijd voorzien te zijn van een overstort en drainage De westelijke wadi wordt aangelegd op een bodempeil van 24,35 m NAP met een maximaal waterpeil van 24,65 m NAP. De oostelijke wadi heeft een bodempeil van 24,25 m NAP. Het maximale waterpeil in normale neerslagsituaties is 24,55 m NAP, dat via een bestaande duiker aan de noordzijde wordt afgevoerd. Vuilwater wordt aangesloten op het bestaande stelsel in fase 1. In onderstaande afbeelding is het beoogde watersysteem weergegeven. Verdere details van de aanbevelingen voor het watersysteem zijn opgenomen in het waterhuishoudkundigplan (Bijlage 9).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/948/documents/24148