CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a.pdf

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a”24.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost Fase 2a

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld 15-09-2025 NL.IMRO.1774.TAMGKDENOOSTFASE2AVG01

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Inhoudsopgave Motivering

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging 1.3 Leeswijzer

5 5 6 7

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

9 9 9

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan

13 13 13

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

15 15 28

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.2 Mer-beoordeling 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

31 31 37 38

5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13

39 41 42 44 45 47 47 49 49 52

Gebiedsbescherming en soortenbescherming Luchtkwaliteit Geluid Geur Omgevingsveiligheid Trilling Archeologie, cultuurhistorie en landschap Bodem Water Spuitzone

Hoofdstuk 6

Financiële haalbaarheid

Hoofdstuk 7 Toelichting planregels 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels

2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

55 57 57 57 58

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

3

4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Voorliggend wijziging omgevingsplan heeft betrekking op een onbebouwd agrarisch perceel nabij de Sombeekweg en Scandinavië Route (N342) in het noordoosten van de kern Denekamp. De locatie is in de huidige situatie onbebouwd en ingericht als gras- en/of akkerland. Deze fase is een vervolg op fase 1 en het naastliggende project Tiny Houses. De gemeente Dinkelland is voornemens het perceel te ontwikkelen naar een woningbouwlocatie voor Denekamp, een en ander met bijbehorende infrastructuur, groenstructuren en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 39 woningen met verschillende woningtypen, in de vorm van 2 vrijstaande woningen, 14 twee-onder-één kapwoningen, 5 rijwoningen (senioren) en een appartementencomplex voor in totaal 18 appartementen (sociale huur). Zie onderstaande figuren voor het plangebied en aanduiding.

Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van de kern Denekamp (bron: PDOK-viewer)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

5

Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied (bron: BügelHajema Adviseurs) De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Binnen de huidige functie 'Agrarisch - Cultuurgrond' zijn de aangewezen gronden hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en cultuurgrond. Een woningbouwontwikkeling is op deze gronden niet toegestaan. Het omgevingsplan biedt geen mogelijkheden voor de voorziene ontwikkeling. Een wijziging van het omgevingsplan is noodzakelijk om de ontwikkeling mogelijk te maken. De gemeente werkt hiervoor met TAM-IMRO. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet hierin. Hierbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en uitvoerbaar is.

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of er een besluit kan worden genomen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening 6

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden.

Hiervan in is 4.2.3 een overzicht gegeven. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

7

8

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 2

Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling Het plangebied betreft op dit moment onbebouwde cultuurgrond aan de oostelijke rand van Denekamp, gelegen naast gronden die momenteel in ontwikkeling zijn voor woningbouw (fase 1). Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door de nieuw aangelegde Berkenbos, waar de eerste woningen van fase 1 in aanbouw zijn. Aan de oostzijde wordt het gebied begrensd door het project 'Tiny Houses'. In onderstaande afbeelding is het plangebied te zien in een luchtfoto.

Figuur 2.1: Luchtfoto van de planlocatie (bron: PDOK-viewer, 2024) Aan de westzijde van het plangebied ligt de Gildehauserdijk met daarlangs een bestaande woonwijk. Ten noorden van het plangebied worden de nieuwe straten Heideven en Kreekrand aangelegd als onderdeel van fase 1. Het plangebied zelf heeft nog een volledig open karakter met grasland. De nieuw aan te leggen straat Dennenhof zal de zuidelijke begrenzing van het plangebied vormen. Het plan omvat het realiseren van een woonbuurt met maximaal 39 woningen. Het karakter van deze nieuwe buurt wordt kleinschalig, landelijk en intiem. Het dorpse karakter sluit aan bij de karakteristiek van het dorp Denekamp. De architectonische uitgangspunten zijn vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan, met eveneens een analyse van de historische context, bodem en landschap, gebiedsbeschrijving en de relatie met de omgeving. Het beeldkwaliteitsplan is bijgevoegd als Bijlage 5.

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving De woonbuurt krijgt een ruime opzet waarin de zichtlijnen richting het landschap blijven. Samen met de toepassing van groene (voor)tuinen met hagen en gebiedseigen beplanting, krijgt de nieuwe woonbuurt een groene en dorpse uitstraling. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

9

Figuur 2.3: Schetsontwerp Denekamp Oost fase 2a De woningen bestaan uit een mix van rijwoningen, twee-onder-één-kappers, vrijstaande woningen en een appartementencomplex. Ten noorden van Binnenveld worden vier twee-onder-één-kappers (8 woningen) en vijf seniorenwoningen gerealiseerd. Ten zuiden van Binnenveld komen drie twee-onder-één-kappers (6 woningen), twee vrijstaande woningen en maximaal 18 appartementen. In totaal zijn maximaal 39 woningen voorzien. Aan de oostzijde zijn de rijwoningen en het appartementencomplex gelegen. De nadruk ligt op woningen voor starters en ouderen (levensloopbestendige woningen), waarbij de twee-onder-één-kappers en vrijstaande woningen zorgen voor een passende overgang van dorp naar buitengebied. Via een lusvormige ontsluiting wordt de buurt ontsloten. Ter plaatse zijn ook groenstroken aangelegd om het water en de hoogteverschillen in het terrein op te vangen. Nabij de woningen, op de kopse kanten komen diverse parkeerkoffers. Daarnaast zal het parkeren zo veel mogelijk plaatsvinden op eigen erf. Denekamp Oost fase 2a sluit aan op de bestaande plannen voor Denekamp Oost. Hiervoor is een beeldkwaliteitsplan opgesteld die aansluit op het geheel, zie hiervoor pagina 14 van Bijlage 5. In paragraaf 4.1.6 is de relatie met de Nota Omgevingskwaliteit beschreven.

Groen- en waterstructuur Er worden op verschillende plekken groenvoorzieningen gerealiseerd. De groenzones in combinatie met wadi's zorgen voor opvang van water en beleefbare hoogteverschillen. Naast dat dit groen een landschappelijke mooie afronding vormt voor het nieuwe woongebied c.q. de oostelijke dorpsrand van Denekamp en esthetisch fraai is, levert het ook een bijdrage aan klimaatbestendigheid en biodiversiteit. In onderstaande uitsnede is de 10

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

groenstructuur, verharding en locatie van wadi's weergeven. De waterstructuur is verder toegelicht in 5.12.

Figuur 2.4: Uitsnede verhardingstekening, met groenvoorziening en wadi's (bron: gemeente Dinkelland)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

11

12

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie Het plan omvat het realiseren van een woonbuurt met maximaal 39 woningen. Het plan maakt onderdeel uit van de bredere ontwikkeling van woningbouw in Denekamp Oost.

3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: Bouwen van woningen Aanleg van wegen Aanleg van groen 3.2.1

Strijdigheden met bestemmingsplan Denekamp

Bestemmingsplannen maken sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Denekamp', vastgesteld op 9 oktober 2012. De woningbouwlocatie is hierin voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond'. In onderstaande figuur is een fragment uit de verbeeldingen van de bestemmingsplannen in en nabij het plangebied opgenomen.

Figuur 3.1: Uitsnede verbeeldingen bestemmingsplannen omgevingsplan Dinkelland (bron: Omgevingsloket). De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Binnen de huidige functie 'Agrarisch - Cultuurgrond' zijn de aangewezen gronden hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en cultuurgrond.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

13

3.2.2

Bruidsschat

De bruiddschat blijft onveranderd als gevolg van dit initiatief. Enkel de volgende artikelen worden genoemd of naar verwezen in de regels van dit plan: Artikel 22.36 Artikel 22.26 Artikel 22.29 De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 22.24 22.7 3.2.3

Gemeentelijke verordeningen

Er zijn geen relevante gemeentelijke verordeningen van toepassing in het plangebied.

14

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

de

fysieke

leefomgeving.

Daarnaast

kan

een

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk.

In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Toetsing De ontwikkeling draagt bij aan de NOVI-prioriteit "Sterke en gezonde steden en regio's". Het plan voorziet in een gevarieerd woningaanbod met rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen, vrijstaande woningen en appartementencomplex. Door deze differentiatie wordt invulling gegeven aan verschillende woonbehoeften en wordt afwenteling op toekomstige generaties voorkomen. De ontwikkeling vindt plaats in aansluiting op bestaand stedelijk gebied en combineert verschillende functies zoals wonen, groen en waterberging.

Hiermee sluit het plan aan bij de afwegingsprincipes uit de NOVI. Het initiatief raakt geen nationale belangen die directe Rijksbetrokkenheid vereisen. De ontwikkeling past daarmee binnen de kaders van de NOVI.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

15

4.1.2

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel beschrijft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel. De visie integreert het beleid voor ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in één samenhangend document gericht op duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van Overijssel gelden de leidende principes duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Deze principes vormen de basis voor de provinciale sturing op ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

Omgevingsverordening Overijssel De provincie Overijssel zet verschillende instrumenten in om haar ambities te verwezenlijken. De Omgevingsvisie bevat per beleidsambitie een realisatieschema dat aangeeft welke instrumenten worden ingezet voor onderwerpen van provinciaal belang. De provincie kiest daarbij steeds de optimale combinatie van instrumenten om effectief resultaat te bereiken. De Omgevingsverordening Overijssel vormt het juridisch kader voor de doorwerking van het provinciale beleid. Deze verordening stelt bindende regels voor onderwerpen waarbij juridische borging noodzakelijk is voor het realiseren van de provinciale beleidsdoelen uit de Omgevingsvisie. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Uitvoeringsmodel Overijssel Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Door de uitvoeringsmodel te doorlopen wordt getoetst of het voornemen in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, 16

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan Omgevingsverordening Overijssel

de

uitgangspunten

Omgevingsvisie

Overijssel en

eisen

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het provinciaal ruimtelijk beleid ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In dit onderdeel wordt de OF-benadering behandeld. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 4.5 van de Omgevingsverordening) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Artikel 4.4 Principe van concentratie Middels het principe van concentratie is bepaald dat omgevingsplannen uitsluitend voorzien in woningbouw en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte of de behoefte van bijzondere doelgroepen. Dit plan ziet toe op de realisatie van maximaal 39 woningen op een uitbreidingslocatie in Denekamp. Deze woningen geven invulling aan de woningbehoefte voor Denekamp en voorzien hiermee in een concrete lokale behoefte voor de kern Denekamp. Ook draagt het plan bij aan de realisatie van betaalbare woningen en woningen voor starters en senioren. Dit is getoetst aan de woonvisie zoals opgenomen in paragraaf 4.1.4. De ontwikkeling wordt zoveel mogelijk in aansluiting op de bestaande kern beoogd.

Hiermee is voldaan aan het principe van concentratie. Artikel 4.5, lid 1 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

17

aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt de Groene omgeving aangemerkt als: 'dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied'. Onder bestaand bebouwd gebied wordt verstaan: "de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg". Een stedelijke functie wordt in de Omgevingsverordening aangemerkt als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen". Het voorliggend plangebied wordt niet aangemerkt als gronden met stedelijke functies omdat het plangebied in de huidige situatie een agrarische bestemming kent.

Er dient dan ook gekeken te worden of binnen de kern Denekamp voorzien kan worden in de additionele woningbehoefte. Denekamp kent meerdere inbreidingslocaties die over de afgelopen jaren invulling hebben gekregen of krijgen. Deze locaties zijn echter niet van voldoende omvang om in de gehele woningbehoefte voor de kern Denekamp te voorzien. Er is daardoor niet voldoende beschikbare ruimte voor de woonbehoefte in Denekamp binnen bestaand stedelijk gebied. Daarom is gekozen voor een woningbouwlocatie aan de oostkant van Denekamp, in directe aansluiting bij de bestaande woonwijk aan deze zijde. Op deze wijze is er sprake van een uitbreiding in de groene omgeving, maar wel in zoveel mogelijk in samenhang en aansluiting met bestaande stedelijke functies. Het extra ruimtebeslag wordt hiermee zo beperkt mogelijk gehouden. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming met artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.8 Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt de 'ruimtelijke kwaliteit' aangemerkt als: 'resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, dier en plant belangrijk is'.

Er is een beeldkwaliteitsplan ten behoeve van het plan gemaakt. Hiermee wordt aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt. Artikel 4.9, lid 1 Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit Hierin is bepaald dat omgevingsplannen een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.' In deze motivering is het uitvoeringsmodel gevolgd. Dit is terug te zien in deze paragraaf, uit het uitvoeringsmodel zijn de relevante gebiedskenmerken, ontwikkelingsperspectieven en generieke beleidskeuzes behandeld. De catalogus met de gebiedskenmerken, welke is toegepast op de kaarten van de omgevingsvisie, zijn gebruikt. Er wordt voldaan aan dit onderdeel. Artikel 4.13, klimaatrobuust water- en bodemsysteem In dit artikel is het volgende bepaald: 1.

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. 2. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Ten behoeve van het plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. In bredere zin sluit dit plan aan op eerdere fases van Denekamp Oost, en het naastgelegen Tiny Houses. Tezamen wordt met de inpassing hiervan voldoende onderbouwt hoe het water- en bodemsysteem klimaatrobuust is. Een verdere motivering hiervan is opgenomen in paragraaf 5.12. 18

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Artikel 4.14 Woonafspraken en woningbouw Omgevingsplannen kunnen alleen voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Wanneer de realisatie niet past binnen deze afspraken of wanneer er geen woonafspraken gelden, moet de behoefte worden aangetoond met actueel onderzoek waarop instemming is verkregen van andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. In dat geval mag het omgevingsplan in maximaal 80% van de aangetoonde behoefte voorzien. Het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma is in overeenstemming met de Regionale Woonagenda Twente. Op de gronden in het plangebied kunnen op basis van dit plan maximaal 39 woningen gerealiseerd worden. De bouw van deze woningen is passend binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma (zie ook paragraaf 3.3.2) en daarmee ook binnen de geldende woonafspraken, zoals deze tussen de gemeenten en provincie zijn gemaakt op basis van regionale afstemming. Gelet hierop wordt voldaan aan de artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.55 Nationaal Landschap Noordoost-Twente Het plan bevindt zich in het nationaal Landschap Noordoost-Twente.

In artikel 4.55 is bepaald dat een omgevingsplan alleen voorziet in nieuwe ontwikkelingen als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. De kernkwaliteiten staan in lid 2. Te noemen: a. het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; b. de grote mate van kleinschaligheid; c. het groene karakter. In het beeldkwaliteitsplan, toegevoegd als Bijlage 5, zijn deze kernkwaliteiten beschreven. Daarnaast is beschreven in het beeldkwaliteitsplan op welke wijze de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud en ontwikkeling van deze kernkwaliteiten, in het bijzonder voor het Landschap Noordoost-Twente.

Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit onderdeel wordt de WAAR-benadering behandeld. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

19

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De locatie is gelegen op de grens van het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en het gebied dat is aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De woonfunctie past binnen de 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en het gebied dat is aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het plan bestaat uit de realisatie van grondgebonden woningen en appartementen voor starters- en senioren als vitalisering van de kern Denekamp. Daarbij zullen agrarische gronden die in aansluiting liggen van het bestaand stedelijk gebied van Denekamp, getransformeerd worden tot woongebied voor de lokale behoefte. De plannen worden goed ingepast in een overgang tussen buitengebied en kern en leveren zodoende geen extra belemmeringen op voor de omgeving. De plannen geven invulling aan een ontwikkelingsperspectief voor Denekamp.

Gebiedskenmerken Onder gebiedskenmerken vallen, volgens het uitvoeringsmodel, de natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving. Te zamen geven zij vorm aan het onderdeel wordt de HOE-benadering is behandeld. Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

20

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart 'de natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. Dekzandvlakten zijn na de ijstijd door de wind gevormde zandlandschappen. Ze beslaan een groot deel van de provincie. De afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen met bijbehorende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dienen ze bij te dragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij (her)inrichting, net als (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen. De planlocatie maakt reeds deel uit van in cultuur gebracht gebied. Het huidig gebruik is agrarisch, waarbij de percelen op regelmatige basis bewerkt worden voor dit gebruik. De natuurlijke laag is dan ook vrijwel niet zichtbaar binnen het plangebied. Desondanks wordt binnen het plan gewerkt met hoogteverschillen, waardoor een beleefbare omgeving juist versterkt wordt. Het plan past binnen de uitgangspunten voor de natuurlijke laag.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'jonge heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

21

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten mt erven en de kenmerkende ruimtematen. Het voorliggend woningbouwplan brengt voldoende groene ruimten aan in het plangebied. Als gevolg van dit plan vindt een transformatie van het gebied plaats naar een woningbouwlocatie. De rechtlijnige structuren vanuit het landschap worden hierbij gerespecteerd en versterkt door de aanleg van nieuw groen. Het plan doet geen afbreuk aan de herkenbaarheid van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag In de stedelijke laag is aangeduid dat ter plaatse van het plangebied sprake is van verspreide bebouwing en informeel traag netwerk. De betreffende kaart is onderstaand zichtbaar.

22

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De betreffende lagen geven weer dat in de huidige situatie nog geen sprake is van een stedelijke functie van het plangebied, zoals dit ook al eerder in de provinciale toetsing ter sprake is gekomen. Onderstaand wordt ingegaan op de toegekende kenmerken.

Verspreide bebouwing: De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan. Binnen het plangebied zijn geen bestaande erf of bebouwingstructuren aanwezig.

Het voorliggend plan doet dan ook geen afbreuk aan eventuele waarden van verspreide bebouwing, wel is in het voorliggend stedenbouwkundig zoveel mogelijk rekening gehouden met een goede overgang tussen buitengebied en stedelijk gebied, door bijvoorbeeld duidelijke kapvormen en lage goothoogten te hanteren en landschappelijk bezien een passende inpassing te verzorgen. Informele trage netwerk: Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. Als ontwikkelingen plaats vinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen (b.v. bedrijventerreinen, woonwijken), dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Met voorliggend plan worden meerdere routestructuren voor langzaam verkeer in de dorpsrand van Denekamp aangebracht. Laag van de beleving Op grond van de 'Laag van de beleving' geldt voor het plangebied geen kenmerk. Dit is weergeven in onderstaande uitsnede van de kaart. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

23

Figuur 3.6: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Daarmee is er geen relevant kenmerk van toepassing op het plangebied vanuit de laag van de beleving.

Conclusie Het plan past binnen het provinciale beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel. 4.1.3

Mijn Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van Dinkelland heeft in 2021 een Omgevingsvisie vastgesteld, 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veilighied en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en de samenleving willen sturen. Wat er behouden moet worden en wat moet worden ontwikkeld. De Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn de manieren van werken. De vier prinicpes zijn: 1. 2. 3. 4.

we doen het samen; we geven het goede voorbeeld; we wentelen niet af op volgende generaties; we combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt benut.

Leefbare kernen De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is. Waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. Onze inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant zien we ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken. Van oudsher zijn inwoners van onze kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van onze kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit willen we voortzetten aan de hand van vier speerpunten:

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte. Aantrekkelijk wonen Betaalbaar wonen in je eigen gemeente De gemeente Dinkelland wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. Inbreiden voor uitbreiden Vanuit de gemeente Dinkelland wil men graag binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerkgebouw of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom is de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past. Kijken naar de toekomst Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In onze woonvisie kijken we op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit op de vraag naar woningen.

Als gemeente wordt geprobeerd erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij houdt de gemeente de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog. Toets Bij toetsing aan de Waardenkaart valt het plangebied binnen 'kernen met een woon- en centrumfunctie'.

Figuur 3.7: Waardenkaart MijnOmgevingsvisie Dinkelland Het plangebied is onderdeel van het gebied dat als één van de uitbreidingslocaties in Denekamp is aangewezen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

25

Het voorliggende plan geeft concreet invulling aan het speerpunt 'aantrekkelijk wonen' uit de MijnOmgevingsvisie. Deze uitbreidingslocatie aan de oostzijde van Denekamp biedt ruimte voor diverse doelgroepen, met bijzondere aandacht voor starters en senioren. De ontwikkeling sluit goed aan bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van Denekamp. De woningbouw wordt op kwalitatief goede wijze ingepast in de omgeving en houdt rekening met omliggende functies zoals het bedrijventerrein Sombeek. In het ontwerp is aandacht besteed aan klimaatadaptief en duurzaam bouwen, voldoende waterbergingscapaciteit, bevordering van biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Deze aspecten sluiten aan bij de kernprincipes van de MijnOmgevingsvisie. 4.1.4

De Woonvisie 2021+

De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 5.1 is de toets aan dit programma opgenomen in de zogenoemde laddertoets. 4.1.5

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Het plan maakt geen onderdeel uit van de casco zoals te zien in onderstaande uitsnede van de kaart (plangebied in lichtblauw).

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Figuur 3.8: Plangebied ten opzichte van casco waarden (bron: Atlas van Overijssel) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Het plangebied voor de nieuwe woningen raakt geen van de elementen op de casco-kaart. De bestaande waardevolle landschapselementen blijven staan. Realisatie van dit plan heeft geen gevolgen voor de belangrijke landschapselementen. 4.1.6

Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeenten bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: Basis omgeving Midden omgeving Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart benoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats.

Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria.

Toets Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan aanvragen voor de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor het onderdeel bouwen worden getoetst (Bijlage 5). In het beeldkwaliteitsplan is onder andere het stedenbouwkundige plan en de gewenste sfeer beschreven, evenals criteria met betrekking tot het uiterlijk (massa, vorm, gevels) van de woningen en de inpassing van het plan in de omgeving.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

27

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1

Vooroverleg provincie

De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het initiatief zijn 39 nieuwe woningen buiten het bestaand stedelijk gebied. Voor dit initiatief is geen uitzondering voor vooroverleg bepaald. De provincie Overijssel geeft aan dat het plan past binnen het ruimtelijk beleid. Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van provinciale belangen. Het ambtelijk vooroverleg is op 20 februari 2025 afgerond. 4.2.2

Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Vechtstromen. In overleg met het waterschap is er een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het plan is verder beschreven in paragraaf 5.12 Water. Het wateradvies (digitale watertoets) is ingevuld op 09-08-2024. 4.2.3

Participatie omgeving

Omgevingsdialoog In het kader van de ontwikkeling 'Denekamp Oost fase 2a' is een participatietraject doorlopen conform het gemeentelijk beleid 'Inwonersparticipatie' en de daarin opgenomen 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie'. Participatiestappen De kennisgeving van het voornemen tot het plan is op donderdag 6 maart 2025 gepubliceerd in het gemeenteblad Dinkelland Visie. Op donderdag 20 maart 2025 is een inloopavond georganiseerd waarbij alle omwonenden middels een persoonlijke brief zijn uitgenodigd. Op vrijdag 21 maart 2025 is het plan gepresenteerd tijdens de woonbeurs WOON2025 van de gemeente Dinkelland en Tubbergen. Daarnaast worden inwoners van Dinkelland doorlopend geïnformeerd over de plannen via de website www.kavelsindinkelland.nl en social media waaronder Facebook. Inloopavond 20 maart 2025 De inloopavond van 20 maart 2025 is bezocht door een tiental omwonenden. Omwonenden hebben voor deze inloopavond per brief een uitnodiging ontvangen. Gedurende deze avond zijn er meerdere onderwerpen met betrekking tot het plan Denekamp Oost fase 2a aan bod gekomen. De onderwerpen die vanuit de aanwezige omwonenden zijn ingebracht gingen over de bouw van de appartementen in de wijk en de doelgroepen die hier vanuit sociale huur wellicht gehuisd kunnen worden.

Het doorzetten van de bouwkundige structuur van fase 1 en het bouwen van meer starterswoningen is aan bod gekomen. Daarnaast kwam nog de onwenselijkheid van nieuwe looppaden richting het bestaande fietspad aan de Gildehauserdijk ter sprake. Los van het woningbouwplan Denekamp Oost fase 2a werden er door een aantal omwonenden nog een aantal opmerkingen gegeven over de Tiny houses. Tot slot werd er nog de vraag gesteld of het mogelijk is om op voorhand in contact met de wethouders te komen. Met de aanwezigen is afgesproken dat zij een reactie ontvangen op de ingebrachte onderwerpen. De ingebrachte onderwerpen zijn intern opgepakt en op 23 april 2025 is middels een brief een reactie op de onderwerpen richting omwonenden gestuurd. Deze reactie is als Bijlage 1 bij deze motivering van de wijziging van het omgevingsplan gevoegd. Het participatietraject heeft bijgedragen aan het informeren van de omgeving over de voorgenomen ontwikkeling en heeft belanghebbenden de mogelijkheid geboden hun reacties en suggesties kenbaar te maken.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

4.2.4

Zienswijzen

Het ontwerpbesluit voor het wijzigen van het omgevingsplan heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In die periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. De wijziging van het omgevingsplan kan daarom worden vastgesteld.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

29

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl bevat een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.

Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling moet bepaald worden aan de hand van de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het plan 'Denekamp Oost fase 2a' voorziet in maximaal 39 woningen, als uitbreiding van de kern Denekamp. Volgens jurisprudentie is bij meer dan 11 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor dit plan als zodanig wordt aangemerkt. Behoefte en ruimtelijk verzorgingsgebied In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

31

5.1.1

Ruimtelijk verzorgingsgebied

Het aantal verhuisbewegingen van, naar en binnen gemeente Dinkelland (inclusief de kern Denekamp) is een belangrijke indicator van het ruimtelijke verzorgingsgebied. Hieronder wordt eerst migratie (verhuisbewegingen) op intergemeentelijk niveau beschreven, waarna vervolgens specifiek op de binnengemeentelijke kernen (inclusief Denekamp) wordt ingegaan. Migratie op intergemeentelijk niveau Kijkend naar de migratie van gemeente Dinkelland, zien we een relatief stabiel verloop over de periode van 2020 tot 2024, zie figuur 5.1. De verhouding tussen verhuisbewegingen binnen de gemeente (hier gedefinieerd als hervestiging), naar de gemeente toe (hier gedefinieerd als vestiging/positieve migratie) en vertrek (hier gedefinieerd als negatieve migratie) uit de gemeente is eveneens stabiel gebleven. Over de periode 2020-2023 laten CBS-migratiecijfers zien dat circa 37% van de verhuisde personen binnen Dinkelland verhuisden, 32% zich vestigde in Dinkelland en 31% verhuisde uit gemeente Dinkelland. Daarmee (her-)vestigden gemiddeld 69% van de verhuisde personen zich in Dinkelland over de periode 2022-2024.

Figuur 5.1: Migratie gemeente Dinkelland (periode 2020-2024). Het gemeentelijke migratiesaldo schommelde over de periode van 2020-2024 per jaar tussen positieve en negatieve migratie, met een gemiddeld positief migratiesaldo van 28 verhuisde personen per jaar (zie tabel 5.1). Verder tonen de CBS-migratiegegevens (2020-2023) aan dat 54% (3.448/6.436) van alle gevestigde personen in Dinkelland uit de gemeente zelf komt. Hiermee is het ruimtelijk verzorgingsgebied de gemeente Dinkelland en kent Denekamp een overwegend lokale woningmarkt. Tabel 5.1. Migratie gemeente Dinkelland weergeven in absolute aantallen verhuisde personen per jaar. Jaar

Binnen Personen Personen Migratiesaldo Dinkelland gevestigd in vertrokken Dinkelland verhuisde Dinkelland uit Dinkelland personen

Totaal aantal verhuisde personen

(Her-)vestiger s in Dinkelland (binnen en naar de gemeente verhuisd) 2020 1.002 807 675 132 2.484 1.809 (73%) 2021 810 729 732 -3 2.271 1.539 (68%) 2022 756 678 660 18 2.094 1.434 (68%) 2023 880 774 811 -37 2.465 1.654 (67%) Totaal 3.448 2.988 2.878 gemiddeld +28 9.314 6.436 2022-2024 per jaar (gemiddeld 69% per jaar) 2024* 952 795 732 63 2.479 1.747 (70%) Bron: CBS migratiegegevens 2020-2023. *2024 betreffen voorlopige gegevens afkomstig uit gemeente Dinkelland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/948/documents/24148