CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a.pdf

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a”24.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

51

Figuur 5.11: Toekomstige waterberging, DWA is vuilwater, HWA hemelwater. In combinatie met het water- en bodemsysteem van eerdere fases van Denekamp Oost, en het naastgelegen Tiny Houses, is het plan uitgevoerd om nu en in de toekomst voldoende klimaatrobuust te zijn. Hierbij is het overschot aan waterberging in het noorden van het plangebied Fase 1, en het watersysteem aanleggen in lijn met het natuurlijke verloop van het gebied een goed voorbeeld van. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen.

5.13

Spuitzone

Algemeen Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter moet worden aangehouden tussen gevoelige functies (zoals wonen) en agrarische bedrijvigheid waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Die zone van 50 meter wordt een spuitzone, een spuit(vrije)zone of een milieuzone genoemd. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan of omgevingsplan dat nieuwe gevoelige functies toelaat, moet de planwetgever voor de nabijgelegen agrarische percelen uitgaan van hetgeen op grond van het bestemmingsplan (of omgevingsplan) maximaal is toegelaten. Of feitelijk ook van die maximale mogelijkheden gebruik wordt gemaakt, is in principe niet relevant. Een nieuwe gevoelige functie kan namelijk een belemmering opleveren voor de toekomstige exploitatie op het agrarische perceel. Situatie plangebied Alle omliggende gronden rondom het plangebied zijn in eigendom van de gemeente Dinkelland. In onderstaande afbeelding zijn de gronden in gemeente eigendom paars gearceerd.

52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Figuur 5.12: Gronden in eigendom van de gemeente Dinkelland. Omdat de omliggende gronden in eigendom van de gemeente zijn, en het voornemen is om hier verdere woningbouw mogelijk te maken, zullen hier geen agrarische activiteiten met bestrijdingsmiddelen of andere schadelijke stoffen plaatsvinden. De dichtsbijzijnde agrarisch perceel bevindt zich op ca. 200 meter afstand.

Conclusie Spuitzones ten behoeve van agrarische bedrijvigheid zijn niet aan de orde.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

53

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 6

Financiële haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. In voorliggend geval is er geen spraken van te verhalen kosten omdat er sprake is van een gemeentelijk plan. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

55

56

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Hoofdstuk 7

Toelichting planregels

7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels 7.2.1

Algemeen

Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsregels. 7.2.2

Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Preambule Dit plan beoogt het realiseren van maximaal 39 woningen in Denekamp-Oost. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

57

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van bijlage 22l bij het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3

Juridisch ponsen

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te 'ponsen'. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels: Artikel 3 (Toepassingsbereik) d. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. e. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. f. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Denekamp Oost fase 2a waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMGKDENOOSTFASE2A-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (artikel 7): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene ruimtelijke bouwregels (artikel 8): In deze regels zijn bouwregels opgenomen ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Ook staan hier regels ten aanzien van de relatie tussen het bouwen en in stand houden van gebouwen en het beeldkwaliteitsplan. Planologische gebruiksactiviteiten (artikel 9): In deze regels is aangegeven wat onder strijdig en verboden gebruik wordt verstaan. Regels parkeren (artikel 10): in deze regels zijn de regels omtrent parkeereisen opgenomen. Overige regels (artikel 11): In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen. 7.2.5

Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

7.3 Verantwoording van de regels Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen (Artikel 4) Op de gronden ter plaatse van de wadi's hebben de gronden een 'Groen' functie. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan. Verkeer (Artikel 5) Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de functie 'Verkeer' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder is zoveel mogelijk 58

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan. Wonen - Wonen in de bebouwde kom (Artikel 6) Ter plaatse van de beoogde woningen is de functie 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen. Op de voor 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de omschrijving. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd, waarbij geldt dat het aantal woningen per bouwvlak één is tenzij dat is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

59

         





      &'(

    !" #$ #  %!

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Inhoudsopgave Bijlagen motivering

3

Bijlage 1

Brief terugkoppeling inloopavond

4

Bijlage 2

Plan-mer-beoordeling

7

Bijlage 3

AERIUS-berekening

16

Bijlage 4

Natuurtoets

50

Bijlage 5

Beeldkwaliteitsplan

71

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek Denekamp Oost fase 1

98

Bijlage 7

Archeologisch onderzoek

133

Bijlage 8

Verkennend bodemonderzoek

174

Bijlage 9

Waterhuishoudkundig plan

225

2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Bijlagen motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

3

Bijlage 1 Brief terugkoppeling inloopavond

4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

De bewoners van (adres) (postcode)

Inlichtingen bij Fysieke leefomgeving

Uw kenmerk

Zaaknummer ZD-2025-000237 Documentnummer DD-2025-0010419

Onderwerp Terugkoppeling inloopavond woningbouwplan Denekamp Oost fase 2a

Bijlagen: Verzenddatum 23 april 2025

Beste heer/mevrouw , Op donderdag 20 maart 2025 is in het kader van participatie voor het woningbouwplan Denekamp Oost fase 2a een inloopavond georganiseerd in het gemeentehuis van Denekamp. Als omwonende heeft u hiervoor een uitnodiging ontvangen. De inloopavond is bezocht door een tiental omwonenden. Gedurende deze avond zijn er meerdere onderwerpen met betrekking tot het plan Denekamp Oost fase 2a aan bod gekomen. Met de aanwezigen is afgesproken dat zij een reactie ontvangen op de ingebrachte onderwerpen. In deze brief reageren wij op de onderwerpen die zijn ingebracht door de aanwezigen. De onderwerpen die vanuit de aanwezige omwonenden zijn ingebracht gingen over de bouw van de appartementen in de wijk en de doelgroepen die hier vanuit sociale huur wellicht gehuisd kunnen worden. Het doorzetten van de bouwkundige structuur van fase 1 en het bouwen van meer starterswoningen is aan bod gekomen. Daarnaast kwam nog de onwenselijkheid van nieuwe looppaden richting het bestaande fietspad aan de Gildehauserdijk ter sprake. Los van het woningbouwplan Denekamp Oost fase 2a werden er door een aantal omwonenden nog een aantal opmerkingen gegeven over de Tiny houses. Tot slot werd er nog de vraag gesteld of het mogelijk is om op voorhand in contact met de wethouders te komen. Hieronder worden de onderwerpen puntsgewijs behandeld.

Appartementen sociale huur via woningcorporatie Mijande Wonen De appartementen zijn sociale huurwoningen, die worden verhuurd door Mijande Wonen. Zoals u misschien weet, speelt de woningnood ook in Dinkelland een steeds grotere rol. Het aanbod van sociale huurwoningen is relatief laag in vergelijking tot andere gemeenten in Nederland, en dat terwijl de vraag toeneemt. Zo is er een grote vraag naar sociale huurwoningen en is de huishoudsamenstelling veranderd: er is een toenemende vraag naar kleinere woningen, zoals woningen voor één- of tweepersoonshuishoudens. Met dit project speelt de gemeente Dinkelland samen met Mijande Wonen in op deze behoefte. Iedereen die in aanmerking komt voor een sociale huurwoning kan reageren op de nieuw te bouwen appartementen. Daarbij hebben Mijande Wonen en de gemeente Dinkelland de afspraak gemaakt dat maximaal 30% van de woningen wordt toegewezen aan aandachtsgroepen (o.a. medisch- en sociaal urgenten en statushouders). Het grootste deel van de woningen is ontworpen voor de algemene lokale groei, en daarmee vooral voor inwoners uit de eigen gemeente.

Gemeente Dinkelland | Postbus 11, 7590 AA Denekamp | bezoekadres: Nicolaasplein 5, Denekamp e-mail: info@dinkelland.nl | internet: www.dinkelland.nl | tel: (0541) 854100 BNG 28.50.92.839 | BTW NL8092.45.206.B01 | IBAN NL82BNGH0285092839 | BIC BNGHNL2G

Bijlage 2

Plan-mer-beoordeling

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

7

Plan-mer-beoordeling Opdrachtgever:

Gemeente Dinkelland

Onderwerp:

Plan-mer-beoordeling Denekamp Oost fase 2a

Datum:

14 februari 2025

1.

Inleiding

1.1

PLANIDEE EN PLANLOCATIE

Projectnummer:

P003222

Het voornemen bestaat uit nieuwbouw in Denekamp Oost - fase 2. In het plangebied wordt een verdere uitbreiding van het dorp Denekamp gerealiseerd met 39 nieuwe woningen. Het woningaanbod bestaat uit 14 twee-onder-een-kap-woningen, twee vrijstaande woningen, vijf rijwoningen voor senioren en maximaal 18 appartementen. In onderstaande figuren is de locatie en inrichting weergegeven.

Figuur 1. Planidee (bron: gemeente Dinkelland, Noaberkracht)

1.2

AANLEIDING

Het voornemen bestaat uit het ontwikkelen van een uitbreidingswijk 'Denekamp Oost - fase 2a' met 39 woningen. Het plangebied heeft in het huidige omgevingsplan de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Het voornemen past niet volledig binnen de regels van het geldende omgevingsplan, met name vanwege de functiewijziging naar wonen, het aantal woningen, en de herinrichting van het gebied. De activiteit valt onder onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen maar wordt in kolom 2 vermeld 'Niet van toepassing'. Dat betekent dat voor die projecten geen directe plan-mer-plicht geldt. Het bevoegd gezag moet beoordelen of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Om die reden is het opstellen van een plan-mer beoordeling noodzakelijk. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een plan-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow).

Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. 1.3

INITIATIEFNEMER EN BEVOEGD GEZAG

De gemeente Dinkelland is initiatiefnemer van deze ontwikkeling. Gemeente Dinkelland is tevens het bevoegd gezag. 1.4

PLANOLOGISCHE INPASSING

In het plangebied geldt tot op het moment van inwerkingtreding van de wijziging omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Denekamp' als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Hierin heeft het gebied de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond'. De ontwikkeling van 39 woningen bestaande uit twee-onder-een-kap-woningen, vrijstaande woningen, seniorenwoningen en appartementen past niet binnen het huidige juridisch-planologische kader. Daarom wordt een wijziging van het omgevingsplan voorbereid. Hiermee wordt een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor het toekomstig gewenst gebruik geboden. Voorwaarde voor de wijziging van het omgevingsplan is dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

2

1.5

PROCEDURELE ASPECTEN1

Het bevoegd gezag beoordeelt de effecten van het plan of programma om te bepalen of een planmilieueffectrapportage moet worden doorlopen. Voor die beslissing raadpleegt het bevoegd gezag ook andere bestuursorganen en wettelijke adviseurs: Als het plan aanzienlijke effecten voor het milieu kan hebben, volgt een plan-milieueffectrap-



portage. Als het plan geen aanzienlijke effecten voor het milieu kan hebben, volgt geen plan-milieueffect-



rapportage. Dan wordt ook geen plan-milieueffectrapport gemaakt. Het bevoegd gezag motiveert in het plan (of programma) dat er geen plan-milieueffectrapportage nodig is (artikel 11.1, lid 1, Omgevingsbesluit). 1.6

INHOUDELIJKE EISEN AAN DE MER-BEOORDELING

In de beoordeling worden de milieueffecten van het voornemen beschreven. In de praktijk wordt de beoordeling vaak in de vorm van een aparte notitie geschreven (voorheen aanmeldnotitie). Deze beoordeling is vormvrij, maar er zijn wel eisen aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de mer-richtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Een mededeling moet een beschrijving bevatten van: x

het project: de fysieke kenmerken en de locatie;

x

de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;

x

wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

In de beoordeling kan ook een beschrijving opgenomen worden van de kenmerken van het voorgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen. Een mer is dan niet nodig, zie artikel 11.10, lid 3, van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU2). De initiatiefnemer levert deze informatie vaak aan bij het bevoegd gezag. De 3 hoofdcriteria zijn: 1.

de kenmerken van het project;

2.

de plaats van het project;

1

https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/plan-mer-beoordeling/

2

https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2011/92

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

3

3.

de kenmerken van de potentiële effecten.

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

4

2. Beoordeling Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak mer-procedure

Hoofdthema 1: Kenmerken van het project A.

De omvang en het ont-

Het plan betreft de ontwikkeling van Denekamp Oost - fase 2a

werp van het gehele plan.

met 39 woningen met bijbehorende voorzieningen. Dit sluit aan

Nee

op het onderdeel J11: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierbij gelden geen drempelwaarden, maar is een merbeoordeling nodig. B.

De cumulatie met andere

In de directe omgeving zijn geen andere ontwikkelingen voor-

projecten.

zien. Er is in die zin dan ook geen sprake van cumulatie van ef-

Nee

fecten met andere projecten. C.

Gebruik van natuurlijke

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van de

hulpbronnen.

nieuwbouw van woningen geeft geen aanleiding aanzienlijke ge-

Nee

volgen voor het milieu te verwachten. D. E.

De productie van afval-

Bouwafval kan bij de werkzaamheden op de gebruikelijke wijze

stoffen.

worden ingezameld en verwerkt.

Verontreiniging en hinder.

Een eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000-

Nee Nee

gebied als gevolg van het planvoornemen is middels een Aeriusberekening in beeld gebracht. Hieruit komt naar voren dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De milieueffecten van het plan op de omgeving zijn bestudeerd. De effecten zijn getoetst en vallen binnen de gestelde normen. Hierbij is geen sprake van schadelijke effecten op omliggende functies. F.

Het risico van zware onge-

Binnen en nabij het plangebied zijn geen risicovolle activiteiten

vallen

gelegen. Met het planvoornemen worden geen risicovolle activi-

en/of

rampen,

waaronder rampen door

Nee

teiten mogelijk gemaakt.

klimaatverandering. G.

Risico’s voor de menselijke

Het planvoornemen maakt geen ruimtelijke ontwikkeling moge-

gezondheid.

lijk met effecten op de volksgezondheid.

Nee

Hoofdthema 2: Plaats van het plan A.

Het bestaande (en goed-

Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van Denekamp. Het

gekeurde) grondgebruik.

omvat momenteel agrarische gronden.

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

Nee

5

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak mer-procedure

B.

Relatieve rijkdom aan en

Het werkingsgebied bevat geen relatieve rijkdom en er worden

de kwaliteit en het regene-

geen natuurlijke hulpbronnen gewonnen die regeneratiever-

ratievermogen van de na-

mogen behoeven.

Nee

tuurlijke hulpbronnen van het gebied. C.

Het

opnamevermogen

Het plangebied ligt in een uitbreidingsgebied aan de rand van

van het natuurlijke milieu,

stedelijk gebied. Er worden in het werkingsgebied geen signifi-

met in het bijzonder aan-

cante effecten toegebracht aan het opnamevermogen van het

dacht voor gevoelige ge-

natuurlijke milieu.

Nee

bieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Dinkelland' ligt op ongeveer 1,5 kilometer afstand. Er is berekend dat het plan geen significante effecten op dit gebied heeft. Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect A.

B.

De aard, de orde van

De effecten als gevolg van het bouwproject zullen beperkt blij-

grootte en het ruimtelijk

ven. De orde van grootte van het voornemen sluit aan bij de om-

bereik van de effecten (bij-

liggende bebouwing. De effecten blijven beperkt tot het plange-

Nee

voorbeeld geografisch ge-

bied en de directe omgeving. De realisatie van de woningen past

bied en omvang van de

qua schaal en maat bij de bestaande woonomgeving. De laag-

bevolking die getroffen

bouwwoningen zorgen ervoor dat er geen significante impact is

kan worden).

op bijvoorbeeld de windvang van de nabijgelegen kavels.

Het grensoverschrijdende

Van grensoverschrijdende milieueffecten is geen sprake.

Nee

De intensiteit en de com-

De potentieel aanzienlijke effecten op de directe woon- en leef-

Nee

plexiteit van het effect.

omgeving wijzigen niet significant als gevolg van de ontwikkeling

karakter van het effect. C.

van het plangebied. Het effect is beperkt tot het plangebied en de nabije omgeving. Relevante milieuaspecten voor onderzoek zijn erfgoed, natuurwaarden, omgevingsveiligheid, geluidhinder, water, verkeer en luchtkwaliteit. Hieruit blijken geen redenen om aan te nemen dat er sprake is van onoverkomelijke belemmeringen voor planontwikkeling op deze planlocatie. D

De waarschijnlijkheid van

De effecten duren zo lang de planlocatie voor de nieuwe woon-

het effect, de verwachte

functie in gebruik zal zijn. De effecten zijn uitsluitend omkeer-

aanvang, de duur, de fre-

baar door het gebruik te beëindigen en de hiertoe gerealiseerde

quentie en de omkeer-

bebouwing op te ruimen.

Nee

baarheid van het effect.

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

6

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak mer-procedure

E.

De cumulatie van effecten

In de directe omgeving zijn geen andere (grootschalige) ontwik-

met de effecten van an-

kelingen dan inmiddels planologisch toegestaan of in ontwikke-

dere projecten.

ling voorzien. Er is in die zin dan ook geen sprake van cumulatie

Nee

van effecten met andere projecten. F.

De mogelijkheid om de ef-

Er zijn als gevolg van het planvoornemen geen effecten op de

fecten doeltreffend te ver-

omgeving te verwachten waarvoor op voorhand mitigerende

minderen.

maatregelen aan de orde zijn.

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

Nee

7

3. Conclusie In deze mer-beoordeling zijn de gevolgen geanalyseerd van de ontwikkeling van Denekamp Oost - fase 2a met 39 woningen. De studie is vormgegeven aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Wanneer geen 'belangrijke nadelige gevolgen' bestaan voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een volledige merprocedure te doorlopen. Uit voorliggende beoordeling blijkt dat, gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldige inpassing en realisatie van het plan, de effecten beperkt zijn en binnen acceptabele grenzen vallen. Er is geen sprake van relevante milieueffecten die het doorlopen van een volledige mer-procedure noodzakelijk maken. Daarom wordt een mer-procedure niet zinvol geacht.

datum 14-2-2025

projectnummer P003222

8

Bijlage 3

16

AERIUS-berekening

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a

Berekening stikstofdepositie Denekamp Oost fase 2a

DEFINITIEF

Berekening stikstofdepositie Denekamp Oost fase 2a

DEFINITIEF

Inhoud Rapport en bijlagen

1 april 2025 Projectnummer P003222

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging plangebied

6

4

Invoergegevens AERIUS

7

4.1

Aanlegfase

8

4.1.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

8

4.1.2

Werkverkeer (bron 2 en 3)

9

4.1.3

Totale emissie aanlegfase

10

4.2

Gebruiksfase

10

4.2.1

Verkeersgeneratie appartementen (bron 1 t/m 6)

10

4.2.2

Totale emissie gebruiksfase

11

5

Model

12

6

Rekenresultaten en conclusie

13

1 april 2025

1

Inleiding In het kader van de motivering voor de wijziging omgevingsplan Denekamp Oost Fase 2A is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik de ontwikkeling aan de oostkant van Denekamp in de gemeente Dinkelland, berekend. Het plan maakt de bouw van 14 twee-onder-één-kapwoningen, 2 vrijstaande woningen, 5 rijwoningen voor senioren en maximaal 18 appartementen mogelijk op een locatie in het niet stedelijk woonmilieu. De omvang van het project is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (1 april 2025). Dit rapport vormt een toelichting op de berekening.

Afbeelding 1 – Omvang plangebied

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Omgevingswet bij vergunningaanvragen of de wijziging van het omgevingsplan. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

1 april 2025

3

2

Wettelijk kader De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat het onderdeel gebiedsbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een wijziging van het omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Ondanks dat bij een wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet het niet langer noodzakelijk is om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen, moet wel onderzocht worden of een ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Hiernaast geldt op grond van artikel 1.6 Omgevingswet in samenhang met artikel 11.6 Bal een zorgplicht voor omgevingsvergunningen en het wijzigen van het omgevingsplan. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat de wijziging van het omgevingsplan niet kan worden vastgesteld indien dit negatief effect niet kan worden voorkomen door bijvoorbeeld de toepassing van mitigerende maatregelen.

Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden

toegestaan.

In

gebieden

waar

de

kritische

depositiewaarde

hoger

is

dan

de

achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van intern of extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de netto stikstofemissie niet toeneemt.

1 april 2025

4

Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten binnen het projectgebied of plangebied zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het project- of plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling (extern salderen). Bij de toepassing van intern of extern salderen gelden belangrijke voorwaarden, namelijk: -

om intern te mogen salderen, moet er sprake zijn van één project of één plan waarbij sprake is van één locatie waarbinnen de te salderen activiteiten zich bevinden;

-

zowel intern als extern salderen worden aangemerkt als een mitigerende of verzachtende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn en mogen dus alleen plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid voor woningbouwprojecten, waarbij sprake is van een stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, om de projecten mogelijk te maken via het stikstofregistratiesysteem. In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstofreducerende maatregelen opgeslagen. De door deze maatregelen beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70% worden besteed aan economische ontwikkelingen.

1 april 2025

5

3

Ligging plangebied Zoals in de inleiding is aangegeven, ligt het plangebied aan oostkant van Denekamp. Het plangebied is gelegen ten zuiden van de Sombeekweg en ten oosten van de Gildehauserdijk. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: - Dinkelland, gelegen op een afstand van circa 1,5 km; - Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, gelegen op een afstand van circa 5,0 km; - Landgoederen Oldenzaal, gelegen op een afstand van circa 5,4 km.

1 april 2025

6

4

Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NOx en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling dient te worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de woningen gasloos word uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit wordt geborgd in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de woningen zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (zie afbeelding 3).

1 april 2025

7

4.1

Aanlegfase

4.1.1 Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1) In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen. Tijdens de bouw zal er gebruik worden gemaakt van een elektrische kraan. Hierbij komt geen emissie van NOx vrij. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof. Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie

Bouw 2-1kapwoningen

Aantal

Werktuig

14 graafmachine 14 kraan* 14 betonstorter 14 heistelling 14 verreiker Bouw 2 graafmachine woningen 2 kraan* vrijstaand 2 betonstorter 2 heistelling 2 verreiker Bouw 5 graafmachine rij5 kraan* woningen 5 betonstorter 5 heistelling 5 verreiker Bouw 18 graafmachine apparte18 kraan* menten 18 betonstorter 18 heistelling 18 verreiker Verharding 3.000 m2 graafmachine 3.000 m2 kraan 3.000 m2 betonstorter Totale emissie in kg NOx /jaar *inzet elektrisch materieel

kW

Stage

Eenheid

200 200 200 200 60 200 200 200 200 60 200 200 200 200 60 200 200 200 200 60 100 100 10

Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV

6 6 3,5 3,5 3,5 8 8 4 4 4 5 5 3 3 3 4 4 2 2 2 2 1 1

u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/ u/

won. won. won. won. won won. won. won. won. won won. won. won. won. won won. won. won. won. won 100 m2 100 m2 100 m2

Draaiur en

Verbruik liters /uur

Totaal Verbruik liters

84 uur 84 uur 49 uur 49 uur 49 uur 16 uur 16 uur 8 uur 8 uur 8 uur 25 uur 25 uur 15 uur 15 uur 15 uur 72 uur 72 uur 36 uur 36 uur 36 uur 60 uur 30 uur 30 uur

19,81 19,81 19,81 6,32 19,81 19,81 19,81 6,32 19,81 19,81 19,81 6,32 19,81 19,81 19,81 6,32 10,18 10,18 2,5

1.664 971 971 310 317 158 158 51 495 297 297 95 1426 713 713 455 611 306 75

Emissie NOx

9,3 5,6 5,6 1,7 1,8 0,7 0,7 0,3 2,7 1,6 1,6 0,5 7,9 3,9 3,9 1,3 3,4 1,5 1,7 55,6

kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg

De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 55,6 kg NOx/jr en 2,3 kg NH3/jr.

1 april 2025

8

4.1.2 Werkverkeer (bron 2 en 3) Werkverkeer, rijdend verkeer (bron 2) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met het volgende aantal ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie Twee-onder-één-kapwoningen

Vrijstaande woningen

Rijwoningen

Appartementen

Verharding

Aantal

Verkeer

Eenheid

Aantal

14

Licht verkeer

80/won.

1.120

14

Middelzwaar verkeer

15/won.

210

14

Zwaar verkeer

4/won.

56

2

Licht verkeer

100/won.

200

2

Middelzwaar verkeer

20/won.

40

2

Zwaar verkeer

4/won.

8

5

Licht verkeer

70/won.

350

5

Middelzwaar verkeer

12/won.

60

5

Zwaar verkeer

4/won.

20

18

Licht verkeer

60/won.

1.080

18

Middelzwaar verkeer

10/won.

180

18

Zwaar verkeer

4/won.

72

3.000 m2

Licht verkeer

20/100 m2

600

3.000 m2

Middelzwaar verkeer

0/100 m2

0

3.000 m2

Zwaar verkeer

20/100 m2

600

Licht verkeer Totaal

3.350

Middelzwaar verkeer

490

Zwaar verkeer

756

Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van Informatiepunt leefomgeving (IPLO, tabel 3). Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (IPLO) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen

Middelzware motorvoertuigen

-

alle personenauto’s

-

bestelauto’s

-

kleine vrachtauto’s

-

voertuigen

met

voertuiggewicht

kleiner dan 20 ton Zware motorvoertuigen

-

voertuigen

met

voertuiggewicht

groter dan 20 ton

De totale emissie van het rijdend werkverkeer bedraagt 5,5 kg NOx/jr en 97,9 gram kg NH3/jr. Werkverkeer, koude start (bron 3) Voor de koude start is er bij het werkverkeer vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een voertuig naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is uitgegaan van 1.117 koude starts van lichte motorvoertuigen per jaar. Voor het vrachtverkeer wordt ervan uitgegaan dat deze naar de locatie komen om te laden en te lossen. Er wordt

1 april 2025

9

ervan uitgegaan dat deze voertuigen kort op de locatie aanwezig zijn, en daarmee geen koude start maken. De totale emissie van het werkverkeer koude start bedraagt 0,3 kg NOx/jr en 49,7 gram kg NH3/jr.

4.1.3 Totale emissie aanlegfase De totale emissie van het plan in de aanlegfase bedraagt 61,4 kg NOx/jr en 2,5 kg NH3/jr.

4.2

Gebruiksfase

4.2.1 Verkeersgeneratie appartementen (bron 1 t/m 6) Verkeersgeneratie, rijdend verkeer (bron 2 t/m 6) In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROWpublicatie 744, augustus 2024. In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij is aangesloten op de kencijfers uit CROW-publicatie 381, ‘Toekomstbestendig parkeren’ (december 2018). Hierbij is uitgegaan van de uitgangspunten ‘niet stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Omdat de berekening als een worstcase-scenario wordt uitgevoerd, wordt er gebruik gemaakt van de maximale kencijfers met betrekking tot de verkeersgeneratie. Tabel 6. Verkeersgeneratie gebruiksfase

Type

CROW classificatie

Rijwoningen

‘Koop, huis, tussen/hoek’

7,8

5

39

Twee-onder-één-kapwoningen

‘Koop, huis, twee-onder-een kap’

8,2

14

114,8

Vrijstaande woningen

‘Koop, huis, vrijstaand’

8,6

2

17,2

Appartementen

‘Koop, appartement <75m2bvo’

6,0

18

108

Totaal

Max. kencijfer

Aantal

Totaal

279

Dit betekent dat er rekening gehouden dient te worden met 279 ritten licht verkeer per etmaal. Deze zijn naar woningtype verdeeld over het plangebied. Daarnaast is er rekening gehouden met 4 ritten middelzwaar vrachtverkeer ten behoeve van pakketbezorging en 2 ritten zwaar vrachtverkeer per week voor het ophalen van vuilnis. De totale emissie van de verkeersgeneratie rijdend verkeer van woningen in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 18,7 kg NOx/jr en 0,9 kg NH3/jr. Verkeersgeneratie, koude start (bron 1) Voor de koude start is er bij de verkeersgeneratie vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt er van uitgegaan dat het alleen de vertrekkende bewegingen betreft omdat een voertuig naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is er vanuit gegaan twee derde van vertrekkende

1 april 2025

10

bewegingen (66.6%) een koude start betreft. Daarom is er rekening gehouden met 93 koude starts van lichte motorvoertuigen per etmaal. Voor eventueel vrachtverkeer wordt ervan uitgegaan dat deze naar de locatie komen om te laden en te lossen. Er wordt ervan uitgegaan dat deze voertuigen kort op de locatie aanwezig zijn, en daarmee geen koude start maken. De totale emissie van de verkeersgeneratie koude start bedraagt 9,2 kg NOx/jr en 1,5 kg NH3/jr.

4.2.2 Totale emissie gebruiksfase De totale emissie van het plan in de gebruiksfase bedraagt 27,9 kg NOx/jr en 2,4 kg NH3/jr.

1 april 2025

11

5

Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (1 april 2025). In de berekening is uitgegaan van de rekenjaar 2025 voor de aanlegfase en 2026 voor de gebruiksfase. Indien het plan later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 3 - AERIUS-model aanlegfase

Afbeelding 4 - AERIUS-model gebruiksfase

Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie

2024.1.3_20250325_2d340884eb

Database versie

2024.1.3_2d340884eb_calculator_nl_stable

1 april 2025

12

6

Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert voor zowel de aanleg- als de rekenfase een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Deze pdf-bestanden zijn als bijlage toegevoegd.

Afbeelding 5 – Rekenresultaat aanlegfase

Afbeelding 6 – Rekenresultaat gebruiksfase

Met betrekking tot de invoergegevens van de AERIUS-berekening is uitgegaan van deels elektrisch materieel. Deze uitgangspunten dienen te worden geborgd in het omgevingsplan. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

1 april 2025

13

1 april 2025

14

Colofon

BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart NZ 48-50 9401 GN Assen T 0592-31 62 06 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort

1SPKFDUCFSFLFOJOH                                !"###$   %&  &    &&      '&  (    % &&    )  %         )    % )  &              &

                                        

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/948/documents/24148