CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2_Bijlagen toelichting_Bijlage 5 Passende beoordeling

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘Rossum Noord 2”22.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook als onderdeel van een groter pakket aan maatregelen is de bijdrage aan deze gebieden te gering om van enige betekenis te kunnen zijn. Mutatis mutandis wordt ook verwezen naar de (gebiedspecifieke) ecologische beoordeling zoals opgenomen in de paragrafen 5.2.1 en 5.2.2 van deze passende beoordeling. Ook vanuit uitsluitend een ecologische analyse is de beëindiging van de bemesting op de agrarische gronden in het plangebied dan ook niet een maatregel die naar zijn aard geschikt is om in te zetten als natuur(herstel)maatregel. De depositiedaling die gerealiseerd kan worden is zeer gering en levert geen (relevante) bijdrage aan de benodigde daling van de achtergronddepositie in deze Natura 2000-gebieden. Kortom: het beëindigen van het agrarisch grondgebruik op de circa 1,57 hectare grond ter voorkoming van een tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) op slechts 3,66 ha habitat in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek als instandhoudings- of passende maatregel is – gelet op de relatief zeer hoge kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst en het ontbreken van ecologische effecten – irreëel. Alleen al om die reden kan - gelet op het additionaliteitsvereiste – de ingezette salderingsmaatregel als mitigerende (salderings)maatregel worden betrokken.

Hierna wordt – ten overvloede en onverminderd het voorgaande - aan de hand van de openbaar raadpleegbare gegevens invulling gegeven aan het additionaliteitsvereiste.

32

7.3. Uitkomst Natuurdoelanalyse Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek Voor het Natura 2000-gebied is een Natuurdoelanalyse gemaakt door de provincie Overijssel.17 In de Natuurdoelanalyse wordt (onder meer) gekeken of de maatregelen die worden getroffen leiden tot tegengaan van verslechtering én borgen deze dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (voor zover het uitbreiding of verbetering betreft) binnen bereik blijft of komt. Voor habitattype H4030 wordt in de Natuurdoelanalyse geconcludeerd dat ondanks de voorgestelde herstelmaatregelen verdere verslechtering niet is uitgesloten, dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen momenteel niet binnen bereik ligt, dat stikstof, versnippering en klimaatdroogte restproblemen zijn en wordt als eindoordeel ‘Nee, tenzij’ gegeven. Voor habitattype H9160A wordt in de Natuurdoelanalyse geconcludeerd dat ondanks de voorgestelde herstelmaatregelen verdere verslechtering niet is uitgesloten, dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen momenteel niet binnen bereik ligt, dat stikstof, hydrologie en versnippering restproblemen zijn en wordt als eindoordeel ‘Nee, tenzij’ gegeven.

Voor habitattype H91E0C wordt in de Natuurdoelanalyse geconcludeerd dat als gevolg van de voorgestelde maatregelen verdere verslechtering kan worden voorkomen, dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen binnen bereik ligt, dat stikstof, hydrologie, interne eutrofiering en waterkwaliteit restproblemen zijn en wordt als eindoordeel ‘Ja, mits’ gegeven. Op 14 mei 2024 heeft de Ecologische Autoriteit haar advies gepubliceerd over de Natuurdoelanalyse.18 De Ecologische Autoriteit onderschrijft in haar advies het ‘nee, tenzij’-oordeel voor de habitattypen H4030 (droge heiden) en H9160A (Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)). Voor het habitattype H91E0C (Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)) adviseert de Ecologische Autoriteit het eindoordeel (vanwege verdroging en externe eutrofiering) het eindoordeel aan te passen naar ‘nee-tenzij’. Uit de Natuurdoelanalyse en het bijbehorende advies van de Ecologische Autoriteit volgt dat (bron)maatregelen moeten worden genomen om stikstofdepositie verder naar beneden te brengen. De aard en omvang van aanvullend te treffen maatregelen worden verder niet geconcretiseerd. Uit de Natuurdoelanalyse en het bijbehorende advies van de Ecologische Autoriteit volgt niet dat de salderingsmaatregel, als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel worden voorgeschreven. De salderingsmaatregel is dan

17 Raadpleegbaar via:

https://overijssel.notubiz.nl/document/12589713/2/047_Achter+de+Voort+Agelerbro ek+en+Voltherbroek_NDA_OV_20230328?connection_type=16&connection_id=83245 2 18 Raadpleegbaar via: https://pas.ecologischeautoriteit.nl/files/ea/5080/5080_advies_natuurdoelanalyse.pdf

33

ook additioneel ten opzichte van de maatregelen die volgen uit deze beleidsstukken. 7.4. Ontwikkeling stikstofdepositie op landelijk- en gebiedsniveau: dalende trend In deze paragraaf wordt in het kader van de vergewisplicht nader ingegaan op de landelijke en gebiedsspecifieke (voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek) dalende trend in de achtergrondconcentratie van stikstof. Beoordeeld wordt of daarin aanwijzingen staan dat de salderingsmaatregel niet als mitigerende maatregel mag worden ingezet, gelet op maatregelen waar in de prognoses rekening mee wordt gehouden. 7.4.1. Landelijke ontwikkeling stikstofdepositie Voor de stikstofdepositie in de historische jaren wordt daarbij uitgegaan van de gegevens in de emissieregistratie van het RIVM en voor de toekomstige jaren van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (hierna: ‘PBL’) op basis van de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (hierna: ‘KEV2025’). Er is uitgegaan van de emissieraming voor vastgesteld beleid waarin alleen beleid is meegenomen dat was vastgesteld op de peildatum van de emissieraming. Het gaat dan om beleid dat voldoende concreet is uitgewerkt en bindend is vastgelegd.

Door alleen uit te gaan van vastgesteld beleid en niet ook van voorgenomen beleid, is aannemelijk dat wanneer sprake is van een (blijvende) daling van de depositie die daling ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Historische ontwikkeling ammoniak In figuur 1 is de historische ontwikkeling van ammoniakemissies zoals bekend vanuit de emissieregistratie weergegeven.19

Figuur 6.2-1: Totale NH3-emissies (kton) door bronnen op nationaal niveau in de periode 1990-2024

19 Data.emissieregistratie.nl

34

Uit de gegevens voor bovenstaande grafiek blijkt dat op landelijk niveau de totale nationale ammoniakemissies met 67% zijn afgenomen ten opzichte van het startjaar 1990. Deze daling is grotendeels toe te schrijven aan maatregelen in de landbouwsector: • De invoering van de verplichte emissiearme aanwending van dierlijke mest. Dit heeft geleid tot een ammoniakemissiereductie van 60-70% ten opzichte van de wijze van bemesten die gangbaar was in de jaren daarvoor.20 De verplichting is in 1991 ingevoerd en heeft bijgedragen aan de relatief sterke daling tussen 1991 en 1995. • In 1998 ging de overheid over van middelvoorschrift op sturen op het doel van reductie van mineralenverliezen. Hiervoor was het Mineralenaangiftesysteem (MINAS) ontwikkeld. Alhoewel het systeem voor melkveehouders goed werkte, bleek het met name voor varkenshouders te onnauwkeurig. Daarnaast bleek MINAS in 2003 juridisch onhoudbaar als nationale uitwerking van de Europese Nitraatrichtlijn. In 2006 werd als vervanging het zogenaamde gebruiksnormenstelsel ingevoerd, hetgeen meer een middelvoorschrift was in vergelijking met het MINAS-systeem. Het gebruikersnormenstelsel heeft geleid tot een duidelijke reductie van de toegediende mest.

Dit heeft ervoor gezorgd dat in die periode een duidelijke reductie van de ammoniakemissies plaatsvond.21 • De invoering van varkensrechten in 1998 in de Wet herstructurering varkenshouderij (en per 2006 in de Meststoffenwet), met het verval van latente ruimte voor varkens die nog binnen de mestproductierechten bestond (Wet herstructurering varkenshouderij). De mestproductierechten voor varkens werden vervangen door een hard plafond voor dieraantallen op basis van de representatieve veebezetting van het bedrijf, waarop ook nog een korting werd toegepast.22 • De invoering van pluimveerechten in 2001 in de Meststoffenwet, met eenzelfde systeem als bij de varkensrechten.23 Het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij uit 2008 met maximale emissiewaarde voor ammoniak per dierplaats per jaar. Per 1 augustus 2015 zijn de eisen aan stallen/huisvestingssystemen opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting24. Tussen 2010 en 2020 is de daling van de totale NH3-emissies afgevlakt, waarbij de NH3-emissies tussen 2014 en 2018 eerst licht toenemen en daarna weer afnemen. Deze tijdelijke toename is voornamelijk het gevolg van de afschaffing van de melkquota op 1 april 2015. Hierdoor steeg het aantal dieren (rundvee) en daarmee ook de mestproductie. Dat leidde tot overschrijdingen van het nationale plafond voor fosfaatproductie. Door

20 Planbureau voor de leefomgeving. Emissiearm bemesten geëvalueerd. April 2009.

https://www.pbl.nl/publicaties/emissiearm-bemesten-geevalueerd. 21 RIVM. Analyse ontwikkeling stikstofemissie en -depositie. RIVM-briefrapport 20240007. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2024-0007.pdf 22 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-236.pdf 23 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2000-538.pdf 24 https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/ammoniak/nieuw-besluit/

35

de hierop volgende introductie van fosfaatquota in 2018 namen het aantal dieren en de emissies weer af.25 Historische ontwikkeling stikstofoxiden In figuur 2 is de historische ontwikkeling van ammoniakemissies zoals bekend vanuit de emissieregistratie weergegeven.

Figuur 6.2-2: Totale NOx-emissies (kton) door bronnen op nationaal niveau in de periode 1990-2024

Uit de gegevens voor bovenstaande grafiek blijkt dat op landelijk niveau de totale nationale stikstofoxidenemissies met 61% zijn afgenomen ten opzichte van het startjaar 1990. Deze afname komt door emissiereducties in alle sectoren (mobiliteit, industrie, landbouw, huishoudens, diensten en bouw): • De totale NOX-emissies van de sector mobiliteit zijn de afgelopen decennia sterk gedaald, ondanks de groei in volume van de mobiliteit (zoals de groei in het goederen- en personenvervoer)26: – Deze daling kan voor een groot deel worden toegeschreven aan de Europese emissienormen voor nieuwe wegvoertuigen die in de afgelopen decennia stapsgewijs zijn aangescherpt. Ook nationale en lokale maatregelen om de instroom van schone voertuigen en de uitstroom van vervuilende voertuigen uit het wagenpark te stimuleren hebben bijgedragen aan de daling.27

25 https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/ammoniak/nieuw-besluit/ 26 PBL. Geraamde ontwikkelingen in nationale emissies van luchtverontreinigende stof-

fen 2023. Rapportage bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022. Rapportage bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022. 28 februari 2023. https://www.pbl.nl/uploads/default/downloads/pbl2023-geraamde-ontwikkelingen-innationale-emissies-van-luchtverontreinigende-stoffen2023_4930.pdf 27 Er zijn bijvoorbeeld stimuleringsregelingen van kracht geweest voor de vervroegde aanschaf van Euro V- en Euro VI-vrachtauto’s (voordat deze normen verplicht werden). De uitstroom van oude en vervuilende auto’s werd gestimuleerd via sloopregelingen (nationaal en lokaal), milieuzones en belastingverhogingen voor oude(re) auto’s.

36

•

•

•

•

•

– De continue daling van de emissies door mobiele werktuigen is hoofdzakelijk het gevolg van een schoner wordend machinepark. Net als bij wegvoertuigen gelden er Europese emissienormen voor nieuwe werktuigen, die in de afgelopen decennia stapsgewijs zijn aangescherpt. Hierdoor zijn nieuwe generaties machines steeds schoner en zijn de emissies door het machinepark in twintig jaar gehalveerd. – De emissies van stikstofoxiden door de zeescheepvaart (op Nederlands grondgebied) zijn tussen 2000 en 2006 gestegen, na 2006 afgenomen en vanaf 2015 nagenoeg onveranderd gebleven. De dalende trend vanaf 2006 komt door de eerste Tier I- en II-emissienormen die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) heeft gesteld voor de uitstoot van stikstofoxiden door zeeschepen (geldend voor nieuwe motoren geïnstalleerd vanaf 2000). – 2006 afgenomen en vanaf 2015 nagenoeg onveranderd gebleven. De dalende trend vanaf 2006 komt door de eerste Tier I- en IIemissienormen die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) heeft gesteld voor de uitstoot van stikstofoxiden door zeeschepen (geldend voor nieuwe motoren geïnstalleerd vanaf 2000). De verlaging van de maximumsnelheid op snelwegen van het rijk naar 100 km/uur overdag heeft ook bijgedragen aan de afname van de NOXemissie. De NOX-emissies door de industrie (inclusief raffinaderijen en afvalverwerking) zijn de afgelopen decennia sterk gedaald.

Deze reductie kan, net als bij de emissies door mobiliteit, voor een groot deel worden toegeschreven aan het Europese bronbeleid. Voor de industriële emissies zijn dit de Europese richtlijn voor industriële emissies (RIE) en de daaruit voortvloeiende BBT-conclusies die worden gebruikt in milieuvergunningen. De RIE stelt eisen aan de uitstoot van grote industriële bedrijven. De richtlijn eist dat bedrijven een integrale vergunning hebben waarbij de uitstoot moet voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT’s). Voor de grotere installaties die vallen onder de Richtlijn industriële emissies (IPPC-installaties) staan de BBT’s in de zogeheten BBT-conclusies. Deze BBTconclusies worden op Europees niveau vastgesteld en geactualiseerd.28 Ook de NOx-emissies door de energiesector zijn sterk gedaald. Net als bij de industrie hebben de in Europa vastgestelde conclusies over toepassing van BBT’s in milieuvergunningen, voortvloeiend uit eerdergenoemde RIErichtlijn, hierin een grote rol gespeeld. Daarnaast heeft de toename in hernieuwbare elektriciteitsproductie en de sluiting van kolencentrales bijgedragen aan deze reductie. De NOx-emissies door verbrandingsinstallaties bij de sectoren huishoudens en diensten en bouw zijn afgenomen, enerzijds door een afnemend gasverbruik en anderzijds als gevolg van het schoner worden van deze installaties.

door een afnemend gasverbruik en anderzijds als gevolg van het schoner worden van deze installaties.

28 PBL. Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2025. Rapportage bij de Kli-

maat- en Energieverkenning 2024.

37

• De NOx-emissies door de landbouw zijn gedaald door de dalende procesemissies in de veeteelt en akkerbouw (mestwaanwending) en door de inzet van schonere verbrandingsinstallaties. Toekomstige ontwikkeling ammoniakemissies Uit de PBL-emissieraming op basis van de KEV2024, met vastgesteld beleid, volgt dat de ammoniakemissies in Nederland tussen 2022 en 2030 verder dalen met ongeveer 20 kton (16% procent) en dat deze daling doorzet. In de ERL-rapportage van de KEV2025 is PBL hierbij uitgegaan van het volgende vastgestelde beleid en ontwikkelingen: • Vermindering van emissies die vrijkomen uit stallen en daarnaast door minder kunstmestgebruik. De reductie van stalemissies wordt vooral verklaard door meer en effectievere emissiearme stallen en deels door de krimp van de veestapel (varkens). De grootste procentuele emissiereductie wordt verwacht bij varkens- en pluimveestallen. De emissies door rundveestallen dalen minder. In de KEV 2022 is de implementatie van deze stalaanpassingen voornamelijk gebaseerd op het Besluit emissiearme huisvesting en lokaal op basis van de omgevingsverordeningen van de provincie Noord-Brabant en Limburg. • p basis van de omgevingsverordeningen van de provincie Noord-Brabant en Limburg. • Het verlies van derogatie leidt tot een afname van de toegestane mestaanwending van dierlijke mest.

Een deel van het wegvallen van deze dierlijke mestaanwending zal wel door kunstmest ingevuld gaan worden. • Door de Maatregel gerichte aankoop 1e tranche (MGA-1), de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Vrijwillige opkoopregeling kalverhouderijen provincie Gelderland vindt een daling van de veestapel plaats en daarmee van de ammoniakuitstoot. • Door ontwikkelingen in de staltechniek zijn meer en effectievere emissiearme stallen ontwikkeld. Dit leidt tot een reductie van bijna 6 kiloton aan ammoniak. • Nieuwe generaties katalysatoren in benzineauto’s hebben geleid tot een lichte afname in ammoniakemissies van het wegverkeer. • De toename van het aantal elektrische auto’s die mede voortvloeit uit de steeds verder aangescherpte CO2-emissienormen voor nieuwe personenen bestelauto’s. Cijfers van het CBS laten zien dat het aantal elektrische personenauto’s in Nederland tussen 2020 en 2022 is gestegen van 177 duizend naar 338 duizend (de totale jaarkilometrage van elektrische personenauto’s steeg in deze periode van 2,2 miljoen km naar 6,1 miljoen km). • e van 2,2 miljoen km naar 6,1 miljoen km). • De verdere instroom van schonere vrachtauto’s die voldoen aan de Euro VI emissienormen.

Deze instroom, waarbij oudere vrachtauto’s geleidelijk worden vervangen door nieuwere vrachtauto’s, wordt bevestigd door cijfers van het CBS (aangeleverd door RDW) die ook zijn gebruikt in de Emissieregistratie en voor de PBL-ramingen

38

Toekomstige ontwikkeling stikstofoxiden Uit de PBL-emissieraming op basis van de KEV2024, met vastgesteld beleid, volgt dat de stikstofoxidenemissies in Nederland tussen 2022 en 2030 verder dalen met ongeveer 70,3 kton (24% procent) en dat deze daling doorzet. In de ERL-rapportage van de KEV2025 is PBL hierbij uitgegaan van het volgende vastgestelde beleid en ontwikkelingen: • Door het schoner worden van wegverkeer, zeescheepvaart en mobiele werktuigen vindt een flinke emissiereductie plaats in de sector mobiliteit. Bij wegverkeer is de oorzaak voornamelijk te vinden in de groei van het aantal elektrische voertuigen en strengere emissienormen voor moderne dieselbestelauto’s. In de binnenvaart geldt de strenge Stage V NOxemissienorm van de EU, waardoor het aantal motoren dat hier aan voldoet is gestegen. Ook voor de zeescheepvaart is het aantal schepen dat voldoet aan de Tier-III NOx-emissiewetgeving van de Internationale Maritieme Organisatie toegenomen. Dit heeft geleid tot lagere stikstofoxidenuitstoot in de scheepvaart. Tot slot is het park mobiele werktuigen steeds schoner geworden met een doorgaande groei van het aantal relatief schone StageV werktuigen en elektrificatie van het machinepark. • De grote toename van elektriciteitsproductie uit wind en zon heeft geleid tot een daling van de elektriciteitsproductie uit gas en kolen.

Ook het vergroenen van de industrie draagt bij aan een verdere afname van stikstofoxidenemissie. Er komen minder stikstofoxiden vrij in verbrandingsprocessen in de glastuinbouw en overige landbouw door schonere installaties en minder energetisch brandstofverbruik. Ook heeft de afbouw van de derogatie geleid tot een lichte afname van stikstofoxidenemissie en het kleiner wordende landbouwareaal in combinatie met bemestingsvrije bufferstroken. 7.4.2. Ontwikkeling stikstofdepositie Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek De gebiedsgemiddelde depositie in de Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek daalt in de periode 2020-2040 volgens AERIUS Monitor 2025 structureel. De gemiddelde overbelasting in het Natura 2000-gebied daalt in die periode van gemiddeld 27,5 naar 19,8 mol N/ha/jr.

39

Figuur 6.4-1: Ontwikkeling stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Bron: AERIUS Monitor 2025.

In onderstaande figuur afkomstig uit AERIUS Monitor is de ontwikkeling van de overbelasting aan stikstofdepositie weergegeven, waarbij de oppervlakte in het gebied met een bepaalde onder- of overbelasting stikstof (in relatie tot de kritische depositiewaarde) met prognoses over de ontwikkeling is aangegeven. Uit de figuur blijkt dat in 2020 nog ca. 73% van de habitattypen overbelast is (paarse kleuren). In 2040 is dit gedaald tot slechts ca. 5%. Het percentage aan sterk overbelaste habitats (donkerpaars) daalt in de betreffende periode van 2,6% naar 0,5%.

40

Figuur 6.4-2: Ontwikkeling stikstofbelasting in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Bron: AERIUS Monitor 2025.

Op basis van voorgaande is duidelijk dat met vaststaand beleid in de komende jaren sprake is van een structurele dalende lijn in de achtergronddepositie binnen het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. 7.4.3. Tussenconclusie dalende trend Gelet op de geconstateerde en geprognosticeerde dalende trend voor het relevante Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, inclusief de onderbouwing die ten grondslag ligt aan deze dalende trend, zijn er in zoverre geen aanwijzingen dat de salderingsmaatregel niet als mitigerende maatregel mag worden ingezet. Deze salderingsmaatregel is additioneel. 7.5. Vergewisplicht overige openbare stukken 7.5.1. Gebiedsanalyse en Beheerplan In het kader van de vergewisplicht zijn de Gebiedsanalyse29 en het Beheerplan30 bij het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek geraadpleegd. Beide beleidsstukken bevatten geen aanwijzingen dat de 29 Zoals vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van de provincie Over-

ijssel op 31 oktober 2017. De Gebiedsanalyse is raadpleegbaar via: https://www.natura2000.nl/gebieden/overijssel/achter-de-voort-agelerbroekvoltherbroek/achter-de-voort-agelerbroek. 30 Zoals deze gedeeltelijk is herzien in september 2021. Raadpleegbaar via: https://www.geoportaaloverijssel.nl/attachment/48b79dbb-bd53-40dc-b1b1ae404af14a29/Natura_2000_beheerplan_Achter_de_Voort_Agelerbroeken_Voltherbroe k.pdf

41

salderingsmaatregel (het beëindigen van bemesting op agrarische gelegen op meer dan 1,2 km afstand van dit Natura 2000-gebied), als instandhoudingsof passende maatregel is voorgeschreven. De salderingsmaatregel is dan ook additioneel ten opzichte van de maatregelen ie volgen uit deze beleidsstukken. 7.5.2. Provinciaal inpassingsplan ’Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek’ Het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel heeft op 26 februari 2025 het provinciaal inpassingsplan ’Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek’ vastgesteld (hierna: ‘provinciaal inpassingplan’).31 Dit provinciaal inpassingsplan voorziet in de juridisch-planologische vertaling van de maatregelen uit het inrichtingsplan ‘deelgebied Agelerbroek & Voltherbroek’ (van 25 mei 202232) ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Het provinciaal inpassingsplan bevat geen maatregelen om stikstofuitstoot te verlagen (buiten het plangebied).33 Wel stelt het provinciaal inpassingsplan beperkingen aan bemesting op een gedeelte van de gronden binnen het plangebied. Aangezien de salderingsmaatregel betrekking heeft op gronden die (ver) buiten het plangebied liggen, kan deze dus ook niet worden aangemerkt als een instandhoudings- of passende maatregel uit hoofde van het provinciaal inpassingsplan.

De salderingsmaatregel is dan ook additioneel ten opzichte van de maatregelen die volgen uit het provinciaal inpassingsplan. 7.5.3. Beleidsegel Natuur Overijssel 2024 Verder is de Beleidsregel Natuur Overijssel 2024 geraadpleegd 34 (hierna: ‘Beleidsregel Natuur). Deze beleidsregel bevat geen nadere voorwaarden voor intern salderen (dat in het onderhavige geval als mitigerende maatregel wordt ingezet). Dit betekent dat de Beleidsregel Natuur gelet op het additionaliteitsvereiste niet in de weg zit aan het inzetten van de salderingsmaatregel als mitigerende maatregel ten behoeve van het TAM-Omgevingsplan Rossum

31 Raadpleegbaar via het volgende IMRO-identificatienummer: NL.IMRO.9923.ipAVAV-

va01. 32 Raadpleegbaar via: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9923.ipAVAVva01/b_NL.IMRO.9923.ipAVAV-va01_tb1.pdf 33 De Provincie Overijssel en het Rijk werken hier samen aan. Voor de Provincie Overijssel wordt dit opgepakt in het Programma Gebiedsgerichte Aanpak (GGA). Dit programma zit nog in een vroeg stadium en hieruit zijn nog geen concrete maatregelen voor het verminderen van stikstofuitstoot voortgekomen. Op het moment van het schrijven van dit rapport is begonnen met het ontwikkelen van aanvullende gebiedsgerichte maatregelen in en rondom het Natura 2000-gebied Borkeld. Concrete maatregelen zijn op dit moment echter nog niet aan de orde. Zie in dat verband de statenbrief van 17 maart 2026 met kenmerk: D2026-02-016973 (raadpleegbaar via: https://overijssel.notubiz.nl/document/16728661/2?connection_type=17&connection_i d=13121573). 34 Zoals laatstelijk gewijzigd op 16 april 2026 (zie: Prb. 2026, 6340)

42

Noord 2. De salderingsmaatregel is dan ook additioneel ten opzichte van de maatregelen die volgen uit de Beleidsregel Natuur.

7.5.4. Landelijke maatregelen De ingezette mitigerende (salderings)maatregel is ook gelet op het landelijke maatregelenpakket additioneel. De beëindiging van bemesten van de betreffende agrarische percelen op ruime afstand van Natura 2000-gebieden valt niet onder de landelijke beëindigingsregelingen (zoals de LBV(+)-regeling) en is ook niet als instandhoudings- of passende maatregel opgenomen in het landelijke Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. Overige op het relevante Natura 2000-gebied betrekking hebbende landelijke (beleids)stukken, ook gelet op de salderingsmaatregel, zijn niet aangetroffen. 7.6. Tussenconclusie Additionaliteitsvereiste Het beëindigen van het agrarisch grondgebruik op de circa 1,57 hectare grond ter voorkoming van een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) aan de rand van het Natura 2000-gebied (op ca. 3,66 ha kwalificerende habitats) is – gelet op de relatief zeer hoge kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst en het ontbreken van ecologische effecten – naar zijn aard niet geschikt als instandhoudings- of passende maatregel. Om die reden kan de ingezette salderingsmaatregel (gelet op het additionaliteitsvereiste) als mitigerende maatregel worden betrokken.

Verder staan ook in de openbare beschikbare gegevens geen aanwijzingen dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen, het beperken of beëindigen van de referentiesituatie in de vorm van bemeste percelen nodig acht als instandhoudingsof passende maatregel. Uit de toets aan het additionaliteitsvereiste (in de vorm van de vergewisplicht) volgt daarom dat de inzet van de salderingsmaatregel als mitigerende maatregel additioneel is aan de provinciale en landelijke instandhoudings- en passende maatregelen die het bevoegd gezag verantwoordelijk voor het beheer van het Natura 2000-gebied ’Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek’ treffen. Gelet op deze toetsing aan het additionaliteitsvereiste in de vorm van de uitgevoerde vergewisplicht kan de salderingsbron als mitigerende maatregel in deze passende beoordeling worden betrokken.

43

8. Conclusie De volgende conclusies kunnen voor het TAM-omgevingsplan ‘Rossum Noord 2’ worden getrokken. Voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek concluderen wij dat reeds gelet op de afstand op voorhand kan worden uitgesloten dat het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 (significante) gevolgen kan hebben vanwege alle andere verstoringsaspecten, dan stikstof. Gelet op de afstand en de resultaten uit het Stikstofrapport kunnen significante effecten op voorhand worden uitgesloten op alle andere Natura 2000-gebieden. Reden waarom uitsluitend op het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek het aspect stikstof nader is beoordeeld. Uit de stikstofberekeningen volgt dat het plan op zichzelf beschouwd, zonder rekening te houden met interne saldering als mitigerende maatregel, een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar tot gevolg heeft op enkele hexagonen (maximaal 3,66 ha stikstofgevoelige habitats) aan de rand van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

Uit de ecologische beoordeling opgenomen in paragraaf 5.2 volgt (onder meer) dat een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op alleen de rand van het Natura 2000-gebied (maximaal 3,66 ha kwalificerende habitats) niet zal leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid of onderlinge concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten van de betreffende kwalifice-rende habitats. Evenmin leidt deze zeer geringe toename tot wijzigingen in de beheeropgave en het uitvoeren van herstelmaatregelen. De berekende stikstofdepositie is te gering om enig effect te hebben op de overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en (leefgebied van) soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied. De maximaal berekende toename van 0,01 mol N/ha/jaar, ook gelet op het zeer beperkte effectgebied, is dan ook dermate gering dat significante gevolgen op voorhand niet op kunnen treden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. Het plan kan in overeenstemming met het gebiedsbeschermingsrecht worden vastgesteld.

Hoewel daarmee ook verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek door het TAMomgevingsplan niet worden aangetast, is zekerheidshalve (nu sprake is van een zeer gering berekend planeffect) in dit rapport aanvullend nog rekening gehouden met de beëindiging van de bemesting van agrarische gronden in het plangebied. De beëindiging van de bemesting is als interne salderingsmaatregel betrokken in deze passende beoordeling. Uit de stikstof-verschilberekeningen van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 ten opzichte van het gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie (intern salderen met beëindiging bemesting) volgt, dat per saldo nergens sprake is van een toename van stikstofdepositie. Op geen enkel stikstofgevoelig habitattype wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol

44

N/ha/jaar. Dat geldt voor zowel de aanlegfase, als voor de gebruiksfase (zie hoofdstuk 6 in samenhang met het Stikstofrapport). Verder is in hoofdstuk 7 geconcludeerd en onderbouwd dat het additionaliteitsvereiste (gelet op de uitgevoerde vergewisplicht) niet in de weg staat aan de inzet van de salderingsmaatregel als mitigerende maatregel in deze passende beoordeling. Hieruit volgt dan ook dat gelet op interne saldering de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek niet worden aangetast. Verzekerd is dan ook dat door het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek niet worden aangetast. Het omgevingsplan kan in overeenstemming met het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht worden vastgesteld.

45

Literatuur ▪

Arcadis 2024. Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor ecologische beoordeling voor tijdelijke projecten en activiteiten: versie 2024, Rijkswaterstaat.

▪

BJZ.nu 2026. AERIUS-Berekening Rossum Noord 2, Rossum. Datum April 2026.

▪

Marra, W.A. et al. 2024: Actualisatie AERIUS Calculator 2024, RIVMbriefrapport 2024-0078 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2024-0078.pdf

▪

Provincie Overijssel 2017. PAS-gebiedsanalyse Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

▪

Provincie Overijssel 2023. Natuurdoelanalyse Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

▪

Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.

▪

https://www.calculator.aerius.nl/calculator

▪

https://www.natura2000.nl/gebieden/overijssel

46

BIJLAGE 1

AERIUS-Berekening

Rossum Noord 2, Rossum

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

MEI 2026

STATUS: DEFINITIEF

1

AERIUS-BEREKENING ROSSUM NOORD 2, ROSSUM

Status: Datum: Projectnummer:

Definitief Mei 2026 2023-275

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

2

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1

INLEIDING .................................................................................. 4

HOOFDSTUK 2

VOORGENOMEN ONTWIKKELING ..................................................... 5

HOOFSTUK 3 UITGANGSPUNTEN ............................................................................. 6 3.1 3.2 3.3 3.4

Wettelijk kader ...................................................................................................................................... 6 Aanlegfase ............................................................................................................................................. 7 Gebruiksfase ........................................................................................................................................ 13 Intern Salderen .................................................................................................................................... 15

HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3

RESULTATEN & CONCLUSIE ...........................................................18

Aanlegfase ........................................................................................................................................... 18 Gebruiksfase ........................................................................................................................................ 18 Conclusie.............................................................................................................................................. 18

BIJLAGEN BIJ DE STIKSTOFBEREKENING .....................................................................19 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Rekenresultaten aanlegfase........................................................................................................ 19 Rekenresultaten gebruiksfase..................................................................................................... 20 Rekenresultaten salderingsberekening aanlegfase .................................................................... 21 Rekenresultaten salderingsberekening gebruiksfase ................................................................. 22

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

3

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Voorliggende AERIUS-berekening heeft betrekking op de aanleg van een nieuwbouwwijk in Rossum aan de Hooimaat en de Revenkamp in het noorden van Rossum. Het voornemen is om op een onbebouwd perceel 36 woningen te realiseren. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Rossum en de directe omgeving indicatief weergegeven. Het plangebied is aangeduid met de rode ster en rode contour.

Afbeelding 1.1

Ligging plangebied (Bron: OpenStreetMap)

In het kader van het voornemen is inzicht in de te verwachten effecten van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu is gevraagd om de te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan inzichtelijk te maken. De stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2025. In voorliggend rapport wordt een toelichting op de AERIUS berekening gegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

4

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief

HOOFDSTUK 2

VOORGENOMEN ONTWIKKELING

Het voornemen bestaat om binnen het plangebied 36 woningen te realiseren. De woningen bestaan uit vrijstaande woningen, rijenwoningen, twee-onder-een kapwoningen en boven-beneden woningen. Verder wordt er voor een deel groen aangelegd en wordt er verharding aangelegd. Tevens wordt de sloot die door het te bebouwen perceel loopt verlegd. Afbeelding 2.1 is de situatietekening van de voorgenomen ontwikkeling.

Afbeelding 2.1

Stedenbouwkundig plan (Bron: Gemeente Dinkelland)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

5

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief

HOOFSTUK 3 UITGANGSPUNTEN 3.1

Wettelijk kader

3.1.1

Europese en landelijke regels

In de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en Habitatrichtlijn (92/43/EEG) zijn Europese lidstaten verplicht ten bescherming van bepaalde natuur beschermde gebieden aan te wijzen. Dit zijn de Natura 2000-gebieden. Voor elk gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. De Omgevingswet stelt dat Natura 2000-activiteiten zonder omgevingsvergunning niet zijn toegestaan (artikel 5.1, lid 1). Een Natura 2000-activiteit heeft de volgende definitie: Een Natura 2000-activiteit is een 'activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied'. Voor een project of plan moet in beeld worden gebracht of het project of plan leidt tot significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Wanneer deze gevolgen niet via de voortoets kunnen worden uitgesloten, is sprake van een Natura 2000-activiteit en moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit zijn de Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000-gebied zich bevindt. In afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Dit geldt niet alleen voor projecten, maar ook voor plannen. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). In de voortoets mogen alleen standaardonderdelen van een project/plan worden betrokken. Mitigerende maatregelen, zoals intern salderen met de referentiesituatie of uitsluitend gebruiken van elektrische werktuigen, zijn niet toegestaan. Dit volgt uit de zogenaamde ‘Rendac uitspraak’ van de Raad van State op 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). Hiervoor moet een passende beoordeling worden opgesteld en een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit worden aangevraagd. In dit rapport staat de vraag centraal: kan het project leiden tot significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden op het aspect van stikstof? Het plangebied bevindt zich op circa 1,2 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. 3.1.2

Provinciale regels

Het plangebied ligt in de provincie Overijssel. Hiermee is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Op dit moment heeft provincie geen aanvullende regels opgesteld inzake het aspect stikstof. Om te onderzoeken of sprake is van stikstofdepositie als gevolg van het project, zijn twee AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Hierna worden de uitgangspunten voor deze berekeningen en de resultaten toegelicht. Indien sprake is van stikstofdepositie wordt verder ingegaan op de relevante wet- en regelgeving.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

6

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief

3.2

Aanlegfase

3.2.1

Algemeen

Binnen de aanlegfase (realisatie voornemen) is in voorliggend geval sprake van de volgende activiteiten (bronnen) die bijdragen aan de emissie van stikstof: 1. 2. 3. 4.

Verkeersgeneratie bouwverkeer van en naar het plangebied; Laden en lossen van vrachtwagens; Emissie koude start; Te benutten werktuigen binnen het plangebied.

In de berekening is er vanuit gegaan dat de bouwactiviteiten binnen één jaar zullen plaatsvinden. Doordat de AERIUS Calculator rekent met een stikstofemissie/ -depositie per jaar, zijn alle stikstofbronnen van de aanlegfase in één (reken)jaar opgenomen. Dit is een worst-case scenario. Voor de aanlegfase is rekenjaar 2026 aangehouden. 3.2.2

Verkeersgeneratie bouwverkeer

3.2.2.1 Algemeen De realisatie van het voornemen heeft een tijdelijke toename van vervoersbewegingen tot gevolg, namelijk door de komst van het personeel (bouwvakkers en aannemers) en de aan- en afvoer van bouwmateriaal en bouwafval. Dit heeft tijdelijke stikstofuitstoot tot gevolg. 3.2.2.2 Bouwrijpfase Om de grond bouwrijp te maken wordt gesteld dat de benodigde werkzaamheden 10 werkdagen duren. Gedurende deze dagen komen er twee personeelsbusjes per dag, In totaal 20 busjes, 40 bewegingen. Verder wordt ingeschat dat er maximaal 10 zware vrachtwagens nodig zijn om de benodigde materialen aan te leveren. Verder dient een aanwezige sloot verlegd te worden. De afgegraven grond zal door de verplaatsing hergebruikt worden. Voor het afgraven is een graafmachine benodigd, die de sloot van 120 m², verlegd. Onderstaande tabel geeft het totaal aantal voertuigen en verkeersbewegingen weer van de bouwrijpfase. Type verkeer

Aantal voertuigen

Licht verkeer Zwaar verkeer

20 10

Aantal verkeersbewegingen (aantal voertuigen x2) 40 20

3.2.2.4 Bouwen van de woningen Voor de te realiseren woningen wordt een bouwput gegraven van 55 m² per te realiseren woning, in totaal (36*55) 1.980 m2 met een diepte van 0,75 meter. In totaal moet zodoende 1.485 kubieke meter grond worden afgegraven. Een deel van het zand zal binnen het plangebied hergebruikt worden bij de fundering en de bestrating. Aangenomen wordt dat 80% van het zand afgevoerd dient te worden. Een zandvrachtwagen heeft een capaciteit van 20 m3. In totaal zijn er dan ook ((1.485*0,8)/20) = 60 vrachtwagens benodigd om het overtollige zand af te voeren (60 vrachtwagens; 120 verkeersbewegingen). Als uiterst geval wordt er vanuit gegaan dat bij de te realiseren woningen beton wordt gestort over de gehele oppervlakte met een dikte van 50 cm. Bij een oppervlakte van 1.980 m2 resulteert dit in 990 m3 beton. Een betonvrachtwagen heeft een laadvermogen van 15 m3, waardoor er 66 vrachtwagens nodig zijn voor het leveren voor beton. Dit resulteert in 132 bewegingen van betonvrachtwagens. De begane grond alsmede de verdiepingsvloeren van de woningen bestaan uit betonplaten. Het aantal betonplaten is afhankelijk van het aantal bouwlagen. In deze berekening wordt uitgegaan van gemiddeld 3 bouwlagen. Zodoende is (1.980 m² * 3) 5.940 m² benodigd voor betonplaten. Wanneer gebruik gemaakt wordt van betonplaten van 4 m² zijn er 1.485 betonplaten benodigd.

Per vracht kunnen er circa 30 betonplaten worden aangeleverd. Dit resulteert in 50 vrachtwagens; 100 vrachtbewegingen voor betonplaten.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

7

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief Bouwafval wordt afgevoerd in 10 bouwcontainers. Deze worden gebracht en op een later moment opgehaald. Dit resulteert in 10 volle vrachtwagens (20 bewegingen) en 10 lege vrachtwagens (20 bewegingen). Voor de aanvoer van bouwmaterialen wordt de volgende indeling gehanteerd: Bouwmateriaal

Aantal vrachtwagens

Gevelsteen binnen Gevelsteen buiten Kozijnen, deuren, ramen Dakbedekking, dakgoten en afwatering E&W

10 10 10 5

Aantal verkeersbewegingen (aantal vrachtwagens x2) 20 20 20 10

10

20

In totaal zijn er aan bouwmaterialen 40 vrachtwagens benodigd; 80 zware vrachtvoertuig bewegingen. De installatiematerialen worden aangeleverd door 5 middelzware vrachtwagens (10 bewegingen). De bouwperiode wordt ingeschat op 36 weken per jaar wat neerkomt op in totaal 180 werkdagen. Er komen 5 lichte voertuigen per dag zodat er in totaal sprake is van 900 lichte voertuigen per jaar, dus (900*3) 2.700 lichte voertuigen voor het gehele project. In de onderstaande tabel zijn de totale verkeersbewegingen voor de bovenstaande activiteiten samengevat. Type verkeer

Aantal voertuigen

Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

2.700 5 236

Aantal voertuigbewegingen (aantal voertuigen x2) 3.600 10 472

3.2.2.5 Aanleggen verharding In het plangebied wordt ten behoeve van de oprit en het terras van de woningen circa 3.935 m2 bestraat met klinkers. Uitgegaan wordt van een klinker van 210 x 105 x 100 mm met een gewicht van 1,28 kg per klinker. Bij een te bestraten/verharden oppervlak van 3.935 m2 is daarmee 251.840 kg (251,84 t) aan klinkers benodigd. Het gemiddelde laadvermogen van een vrachtwagen is 40 ton. Voor de bestrating zijn daarom 7 vrachtwagen; 14 bewegingen benodigd Onder de bestrating moet circa 20 cm zand worden aangelegd. Met een verhard oppervlak van 3.935 m² is 787 m³ aan zand nodig. Dit wordt aangevoerd met 40 zandwagens. Door machinaal te bestraten kan per uur circa 50 m² aan bestrating worden aangelegd. Bij 3.935 m² is sprake van 79 afgeronde werkuren (10 werkdagen). Gedurende deze werkdagen zal één busje met werknemers het plangebied benaderen en verlaten. Voor het aanleggen van de verharding zijn daarmee 10 lichte voertuigen; 20 bewegingen benodigd. Al met al is er voor het aanleggen van de verharding sprake van de volgende verkeersbewegingen: Type verkeer

Aantal voertuigen

Licht verkeer Zwaar verkeer

10 47

Aantal voertuigbewegingen (aantal voertuigen x2) 20 84

3.2.2.6 Verdere ontwikkeling plangebied Het plangebied wordt groen ingericht door het aanplanten van bomen en hagen. Uitgangspunt is dat er 400 m2 aan groen wordt aangelegd. Dit wordt aangevoerd door open trailers met een oppervlakte van 25 m 2. Er zijn 16 middelzware vrachtwagens nodig (32 bewegingen). 3.2.2.7 Werktuigen Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden worden er een aantal werktuigen in het plangebied ingezet. Deze voertuigen worden ofwel gebracht en opgehaald door een zwaar vrachtvoertuig (dit resulteert in 4 verkeersbewegingen per werktuig), ofwel rijden elke werkdag zelf naar het plangebied toe (dit resulteert in 2 BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

8

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief verkeersbewegingen per werkdag per werktuig). In onderstaande tabel zijn het aantal werktuigen en de hoeveelheid vrachtvoertuigen weergegeven: Werktuig

Fase

Vervoerwijze

Graafmachine 1 Graafmachine 2 Betonstorter Mobiele hijskraan Shovel Mini graafmachine Trilplaat Totaal

Bouwrijpfase Bouwen Realiseren fundering Bouwen Bouwen Woonrijp maken Aanleggen verharding

Rijd zelf Rijdt zelf Rijdt zelf Rijdt zelf Opgehaald en gebracht Opgehaald en gebracht Opgehaald en gebracht

Aantal voertuigbewegingen 20 8 6 90 4 4 4 136

In totaal zijn er 136 bewegingen van zware vrachtvoertuigen nodig ten behoeve van de werktuigen. 3.2.2.8 Resumé Op basis van de vorenstaande uitgangspunten is tijdens de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake van de volgende verkeersgeneratie: Type verkeer

Aantal voertuigen

Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

2.730 21 361

Aantal verkeersbewegingen (aantal voertuigen x2) 3.660 42 722

In voorliggend geval wordt er, gezien de ligging van het plangebied, vanuit gegaan dat het bouwverkeer de locatie bereikt en verlaat via twee verschillende routes. Op beide routes is gerekend met 50% van het aantal verkeersbewegingen. Route 1: Het bouwverkeer verlaat de locatie via de Hesselman en gaat linksaf de Thijstraat op. Het verkeer rijdt vervolgens de Thijstraat uit en slaat rechtsaf de Grotestraat op. Na het oprijden van de Grotestraat is het verkeer verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezig verkeer en is het qua rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het overige wegverkeer. Route 2: Het bouwverkeer verlaat de locatie via de Hesselman en gaat rechtsaf de Thijstraat op. Het verkeer rijdt vervolgens de Haarstraat op. Na deze weg voor 150 meter te hebben gevolgd is het verkeer verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezig verkeer en is het qua rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het overige wegverkeer 3.2.3

Emissies stationair draaien laden en lossen

Tijdens het laden en lossen van bouwmaterialen, beton, betonplaten, afvalcontainers, bestrating en zand draait een vrachtwagen stationair. Hierdoor is sprake van een NO x emitterende bron. Om deze reden is de emissie van het laden en lossen van deze vrachtwagens in de berekening meegenomen. Gemiddeld draaien deze vrachtwagens 10 minuten stationair. In onderstaande tabel is het totaal aantal uren per jaar, de emissiefactoren en de emissie weergegeven. Type Reken- Vracht- Maximaal Aantal Emissie kg/jaar Emissiefactor jaar aantal aantal laad- uren 1 g/uur los minuten totaal/jaar NOx NH3 NOx NH3 Zwaar 2026 361 10 61 74,06088 0,99312 4,52 0,061 verkeer Middelzwaar 2026 21 10 4 58,5348 0,7272 0,23 0,003 verkeer Totaal 4,75 0,064 1

https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2022/03/202201-Rekeninstructie-stationaire-emissies-wegverkeer.pdf

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

9

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief Het stationair draaien is als oppervlaktebron in de AERIUS-Calculator ingevoerd onder ‘anders’. De bovenstaande emissies zijn gemodelleerd als een oppervlaktebron. 3.2.4 Emissies koude start bouwverkeer In de AERIUS-Calculator is per 1 oktober 2024 het verkeer opgesplitst in rijdend verkeer en opstartend verkeer. De emissie van voertuigen met een koude motor zijn bij het opstarten tijdelijk veel groter. In onderzoek van TNO is naar voren gekomen dat binnen de periode van 10 tot 30 seconden de voertuigen nog niet of nauwelijks van hun startlocatie zijn vertrokken. De emissie van de koude start vindt hoofdzakelijk plaats rondom de startlocatie van het voertuig en niet op de wegen met doorgaand verkeer. Na ongeveer 2 uur stilstand (zonder draaiende motor) is de motor weer koud. Dit is van belang voor het toekennen van emissie op locaties waar voertuigen tijdelijk stilstaan, zoals parkeerplaatsen. Om het aantal koude starts te bepalen zijn onderstaande uitgangspunten gebruikt: • • •

Licht verkeer: alle voertuigen bereiken het plangebied aan het begin van de werkdag en verlaten het plangebied aan het eind van de werkdag: één koude start per voertuig; Middelzwaar verkeer: alle voertuigen doen het plangebied slechts korte tijd aan voor laden en lossen waarbij de motor stationair blijft draaien (zie vorige paragraaf). Er is geen sprake van een koude start; Zwaar verkeer: alle voertuigen doen het plangebied slechts korte tijd aan voor laden en lossen waarbij de motor stationair blijft draaien (zie vorige paragraaf). Er is geen sprake van een koude start.

Dit leidt tot het volgende aantal koude starts: 2.730 koude starts voor licht verkeer. De emissie is in de AERIUSCalculator als oppervlaktebron ingevoerd. 3.2.5

Emissies mobiele werktuigen

3.2.5.1 Algemeen Tijdens de realisatie van het voornemen worden er werktuigen ingezet. Deze werktuigen stoten stikstof uit en dienen om deze reden in ogenschouw genomen te worden. Voor het berekenen van de emissie is gebruik gemaakt van de instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025. Voor het berekenen van de emissie is de volgende formule aangehouden: LBPJ = (0.095 * Pmax + 0.54) * D LBPJ staat in de bovengenoemde formule voor literverbruik per jaar. Pmax is het maximale vermogen van het werktuig en D staat voor het aantal draaiuren. Daarnaast is er rekening gehouden met het gebruik van AdBlue. Ligterink et al 20212 constateert dat voor Stage IV en V werktuigen dit 6% van het totale dieselverbruik bedraagt. In de rest van deze paragraaf zijn de werktuigen nader toegelicht en uitgewerkt. 3.2.5.2 Bouwrijpfase Graafmachine 1 (150 kW) Voor de verplaatsing van de sloot en de rest van de bouwrijpfase wordt een graafmachine ingezet. Deze is 8 uur per dag gedurende 10 dagen in werking. In totaal is de graafmachine 80 uur werkzaam (8*10). 3.2.5.3 Bouwfase Graafmachine 2 (150 kW) Voor de fundering wordt een gat gegraven van 1.980 m2 en een diepte van 0,75 meter. In totaal wordt er dus 1.485 m3 aan grond worden afgegraven. De bakinhoud van een graafmachine is 1,5 m 3. Zodoende zijn er 990 graafbewegingen nodig. 1 graafbeweging duurt 1,5 minuut.

In totaal is de graafmachine 1.485 minuten (25 uur) bezig met graven. Aangenomen wordt dat de 20% van de grond wordt opgeslagen in het plangebied. Voor het

2

Ligterink et al., 2021. ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’. TNO_2021_R12305

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

10

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief herverdelen is de graafmachine dus 297 minuten, 5 uur extra bezig (1.485*0,2). In totaal is de graafmachine 30 uur werkzaam. Shovel (80 kW) Voor de bouwfase wordt een shovel ingezet. Deze zal 40 uur werkzaam zijn. Betonstorter (150 kW) Voor de vloeren van de begane grond wordt beton gestort. Deze laag beton wordt gestort op een oppervlakte van 1.980 m2 met een diepte van 0,50 meter. In totaal wordt er voor de woningen circa 990 m3 aan beton gestort. Een betonstorter kan 50 m3 beton per uur verwerken. Dit resulteert in (afgerond naar boven) 20 uur dat de betonstorter aan het werk is. Mobiele hijskraan (200 kW) Ten behoeve van het leggen van onder meer de betonplaten en de prefab onderdelen zal er gebruik worden gemaakt van een mobiele hijskraan. Uitgangspunt is dat er per woning 10 uur nodig is. In totaal is de mobiele hijskraan (36 * 10) 360 uur werkzaam. Trilplaat (10 kW) Zoals eerder vermeld wordt er 3.935 m2 aan verharding toegevoegd. Door machinaal te bestraten kan er circa 50 m2 per uur aan verharding worden aangelegd. Zodoende is de trilplaat circa 79 uur bezig met de verharding. Mini graafmachine (28 kW) Voor het aanleggen van kabels en leidingen wordt een mini graafmachine ingezet. Verwacht wordt dat deze mini graafmachine 40 uur wordt ingezet.

3.2.5.4 Overzicht emissie mobiele werktuigen In de onderstaande tabel zijn de gegevens zoals ingevoerd in de AERIUS-Calculator weergegeven. De werktuigen zijn in de AERIUS-berekening ingevoerd als ‘oppervlaktebron - mobiele werktuigen’. Opgemerkt wordt dat werktuigen met een vermogen van 56 kW of minder geen AdBlue verbruik hebben, evenals werktuigen op benzine. Voor deze werktuigen is dan ook geen AdBlue verbruik opgenomen in de AERIUS-Calculator. Werktuigen

Categorie

Aantal uren totaal

Max. vermogen (kW)

Dieselverbruik totaal

Aantal liter AdBlue

1.184

71

Bouwrijpfase Graafmachine 1

STAGE IV

80

150 Bouwfase

Graafmachine 2

STAGE IV

30

150

444

26

Shovel

STAGE IV

40

80

326

19

Betonstorter

MUT

20

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Mobiele hijskraan

Elektrisch

360

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Trilplaat

Benzine, 2 takt

79

10

118

n.v.t.

Mini graafmachine

STAGE IV

40

28

128

n.v.t.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

11

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief 3.2.6

Resultaten

Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr, namelijk 0,01 mol/ha/jr. De depositie is berekend op het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. In afbeelding 3.1 zijn de resultaten weergegeven. In bijlage 1 zijn de rekenresultaten toegevoegd.

Afbeelding 3.1

Resultaten aanlegfase (Bron: AERIUS-calculator)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

12

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief

3.3

Gebruiksfase

3.3.1

Algemeen

Binnen de gebruiksfase (beoogde situatie) is in voorliggend geval sprake van de volgende activiteiten (bronnen) die bijdragen aan de emissie van stikstof: 1. 2. 3. 3.3.2

Gasverbruik; Verkeersgeneratie gebruiksverkeer van en naar het plangebied; Emissie koude start gebruiksverkeer. Gasverbruik

Doordat de woningen gasloos worden gebouwd, is ten aanzien van het gebruik van de woningen zelf geen sprake van stikstofemissie en depositie op Natura 2000-gebieden. De woningen zelf bevatten daarmee geen bron die NOx of NH3 emitteren en zijn dan ook neutraal (zonder emissies) gemodelleerd in de AERIUSberekening. 3.3.3

Verkeersgeneratie

De te realiseren woningen brengen een bepaald aantal verkeersbewegingen met zich mee. Dit heeft stikstofuitstoot tot gevolg. Het toenemend aantal verkeersbewegingen als gevolg van het project heeft dan ook invloed op de AERIUS-berekening en moet in ogenschouw worden genomen. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Parkeercijfers, publicatie 744 (augustus 2024) van het CROW’. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: • • •

Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk / gemeente Dinkelland (Bron: CBS Statline) Stedelijke zone: rest bebouwde kom Functie: huis, koop, rijenhuis, huis, koop, twee-onder-een kap, huis, koop, vrijstaand, huur, huis, sociale huur & beneden-boven-woningen

In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld: Functie

Verkeersgeneratie

Huis, koop, rijenwoning Huis, koop, twee-ondereen kap Huis, koop, vrijstaand Huur, huis, sociale huur Beneden-bovenwoningen Totaal (naar boven afgerond)

7,4 7,8 8,2 4,8 6,0

Aantal te realiseren woningen 5 10 4 9 8

Totale verkeersgeneratie 37 78 32,8 43,2 48 239

De totale verkeersgeneratie voor de te realiseren woningen komt neer op 239 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. In verband met het ophalen van vuilnis, veegwagens en het leveren van goederen voor de woningen is rekening gehouden met 0,02 vrachtwagenbewegingen per woning. Dit komt overeen met tabel A5 in de publicatie van het CROW. Dit komt neer op 0,02*36= 0,72 vrachtwagenbewegingen per etmaal. De zware verkeersbewegingen zijn 50/50 verdeeld over middelzwaar en zwaar verkeer. Voor de route van het gebruiksverkeer wordt uitgegaan dat deze hetzelfde is als de route van het bouwverkeer, zoals beschreven in paragraaf 3.2.2.8. Met het gebruiksverkeer is met 50% op beide routes gerekend. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

13

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief 3.3.4

Emissie koude start gebruiksverkeer

Zoals in de vorige paragraaf is genoemd, dient de emissie als gevolg van een koude start te worden meegenomen bij voorliggende stikstofberekening. De emissie van de koude start vindt hoofdzakelijk plaats rondom de startlocatie van het voertuig en niet op de wegen met doorgaand verkeer. Na ongeveer 2 uur stilstand (zonder draaiende motor) is de motor weer koud. Dit is van belang voor het toekennen van emissie op locaties waar voertuigen tijdelijk stilstaan, zoals parkeerplaatsen. Om het aantal koude starts te bepalen zijn onderstaande uitgangspunten gebruikt: • •

Licht verkeer: voor elke woning is conform de Handreiking koude start uitgegaan van 2 koude starts per woning. Zwaar verkeer: de zware voertuigen staan niet langer dan 2 uur stil met de motor uit. Er is geen sprake van een koude start.

Dit leidt tot het volgende aantal koude starts: 72 koude starts voor licht verkeer. De emissie is in de AERIUSCalculator als oppervlaktebron ingevoerd ter plaatse van het plangebied. 3.3.5

Resultaten

Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr, namelijk 0,01 mol/ha/jr. De depositie is berekend op het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. In afbeelding 3.2 zijn de resultaten weergegeven. In bijlage 2 zijn de rekenresultaten toegevoegd.

Afbeelding 3.2

Resultaten gebruiksfase (Bron: AERIUS-calculator)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

14

AERIUS-Berekening Rossum, Rossum Noord 2 Definitief

3.4

Intern Salderen

3.4.1

Algemeen

Uit de resultaten van de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er sprake is van een depositie van ten hoogste 0,01 mol/ha/jr. op het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. Wanneer dit het geval is, kan worden vastgesteld of intern salderen tot de mogelijkheden behoort. Hierbij wordt gekeken naar de referentiesituatie. Intern salderen wordt gedefinieerd als het salderen binnen de begrenzing van één project of locatie. Bij de wijziging van het omgevingsplan is de referentiesituatie de huidige, feitelijk aanwezig, planologisch legale situatie. In de huidige situatie ligt het plangebied binnen de begrenzing van onder meer het bestemmingsplan “Rossum-Noord”. Het plangebied kent de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Groen’. In afbeelding 3.3 is een uitsnede van het vigerend planregime ter plaatse van het plangebied opgenomen. Het plangebied wordt aangegeven middels de rode omlijning.

Afbeelding 3.3

3.4.2

Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Referentiesituatie

Bemesting In de bestaande situatie wordt het perceel gebruikt als agrarisch perceel. Wanneer de voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd wordt uit gegaan van het stop zetten van het bemesten van deze gronden. Het bemesten van deze gronden zorgt voor een stikstofemissie, die ingezet mag worden voor het intern salderen. De gronden worden gebruikt om gras te verbouwen. Het gaat om circa 1,57 hectare. Om de stikstofemissie voor het bemesten van deze agrarische gronden te achterhalen is gebruik gemaakt van het Mestbeleid 2026 van het Ministerie van Economische Zaken & Klimaat. Hierin zijn de stikstofnormen per hectare, per grondsoort en grondgebruik weergegeven. Doordat het plangebied in een NV-gebied ligt, is uitgegaan van de stikstofgebruiksnormen uit tabel 2g uit het Mestbeleid 2026. De stiknormen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25302