CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2_Bijlagen toelichting_Bijlage 5 Passende beoordeling

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘Rossum Noord 2”22.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Passende beoordeling stikstofdepositie realisatie woonwijk Rossum Toetsing van mogelijke effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet

Uitgevoerd door: Tuitert Natuuronderzoek

Opdrachtgever: BJZ.nu

Projectnummer en versie: TNO/2026/01.05-01 Versie C1 Auteur: D. Tuitert

Status: Definitief Rapportdatum: 19-05-2026

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................. 5 1.1. Aanleiding ................................................................................................. 5 1.2. Doel en leeswijzer ...................................................................................... 6 2. Wettelijk kader ....................................................................................... 8 2.1. Algemeen ................................................................................................. 8 2.2. De voortoets ............................................................................................. 8 2.3. De passende beoordeling ............................................................................ 9 2.4. Intern salderen en de referentiesituatie in de plantoets ................................ 10 2.5. Beoordeling additionaliteit in de passende beoordeling in de plantoets ............ 10 3. Afbakening Natura 2000-gebieden ....................................................... 12 3.1. Natura 2000-gebieden .............................................................................. 12 3.2. Tussenconclusie effectbeoordeling Natura 2000-gebieden ............................. 13 4.

Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek ..................................................................................................... 14 4.1. Gebiedsbeschrijving ................................................................................. 14 4.2. Begrenzing .............................................................................................. 14 4.3. Relevante instandhoudingsdoelen .............................................................. 14 5. Effecten en toetsing planeffect zonder toepassen intern salderen ............................................................................................................ 16 5.1. Rekenresultaten planeffect zonder intern salderen ....................................... 16 5.2. Beoordeling effecten voor toepassing intern salderen als mitigerende maatregel ............................................................................................... 18 5.2.1. Kleine (tijdelijke) stikstoftoenames algemeen .............................................. 18 5.2.2. Gebiedsspecifieke ecologische beoordeling .................................................. 20 5.3. Tussenconclusie beoordeling planeffect zonder salderen ............................... 24 6. Effecten en toetsing planeffect met toepassen intern salderen ............. 26 6.1.

Intern salderen met de beëindiging van bemesten van agrarische gronden in het plangebied .................................................................................... 26 6.2. Effectbeoordeling na toepassing van intern salderen..................................... 27 6.3. Cumulatie met andere plannen en projecten ............................................... 29 6.4. Tussenconclusie stikstofdepositie na toepassing intern salderen als mitigerende maatregel ......................................................................................... 29 7. Additionaliteit ....................................................................................... 30 7.1. Inleiding ................................................................................................. 30 7.2. Is de salderingsmaatregel naar zijn aard geschikt als passende maatregel voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek? ...................................................................................................... 31 7.3. Uitkomst Natuurdoelanalyse Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek ....................................................................................................... 33 7.4.

Ontwikkeling stikstofdepositie op landelijk- en gebiedsniveau: dalende trend ...................................................................................................... 34 7.4.1. Landelijke ontwikkeling stikstofdepositie ..................................................... 34 7.4.2. Ontwikkeling stikstofdepositie Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek ....................................................................................................... 39 7.4.3. Tussenconclusie dalende trend .................................................................. 41 7.5. Vergewisplicht overige openbare stukken .................................................... 41

3

7.5.1. Gebiedsanalyse en Beheerplan .................................................................. 41 7.5.2. Provinciaal inpassingsplan ’Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek’ ...................................................................................................... 42 7.5.3. Beleidsegel Natuur Overijssel 2024 ............................................................ 42 7.5.4. Landelijke maatregelen ............................................................................. 43 7.6. Tussenconclusie Additionaliteitsvereiste ...................................................... 43 8. Conclusie .............................................................................................. 44

4

1. Inleiding 1.1. Aanleiding Het voornemen bestaat om een nieuwbouwwijk aan te leggen aan de Hooimaat en de Revenkamp in het noorden van Rossum. Hier zullen 36 nieuwe woningen worden gerealiseerd. De woningen bestaan uit vrijstaande woningen, rijenwoningen, twee-onder-een kapwoningen en boven-beneden woningen. Verder wordt er voor een deel groen aangelegd en wordt er verharding aangelegd. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor deze ontwikkeling wordt een omgevingsplan vastgesteld. Het betreft het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2’ (hierna: TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2). Door BJZ.nu is hiervoor een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekeningen – inclusief de onderbouwing voor de gehanteerde invoergegevens – zijn neergelegd in het rapport van BJZ.nu ‘AERIUS-Berekening Rossum Noord 2, Rossum’ d.d. mei 2026 (hierna: ‘Stikstofrapport’). Dit rapport is als bijlage 1 aan deze passende beoordeling gevoegd. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat zowel tijdens de ontwikkelfase als in de gebruiksfase sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

In voorliggende passende beoordeling wordt getoetst of de berekende toename aan stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor het betreffende Natura 2000gebied en of de natuurlijke kenmerken door deze toename worden aangetast.

Figuur 1-1: Locatie plangebied (rode ster en rood omlijnd).

5

Figuur 1-2: Inrichtingsschets plangebied.

1.2. Doel en leeswijzer Doel van voorliggende toetsing is om te bepalen of het voorgenomen TAMOmgevingsplan Rossum Noord 2 significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden en of kan worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied worden aangetast. Uit het Stikstofrapport volgt namelijk dat zowel tijdens de ontwikkelfase als in de gebruiksfase sprake is van een zeer geringe toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Tijdens de aanlegfase is sprake van een tijdelijke stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar op enkele hexagonen (3,66 hectare stikstofgevoelig habitattype in het gehele Natura 2000-gebied). In de gebruiksfase is sprake van een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar op slechts 3,50 hectare stikstofgevoelig habitattype in dit natura 2000-gebied.

6

Gelet op de zeer geringe toename op slechts een beperkt gedeelte van het Natura 2000-gebied wordt allereerst in dit rapport beoordeeld (middels een voortoets) of op voorhand significante gevolgen kunnen worden uitgesloten, zonder rekening te houden met interne saldering. Juist nu sprake is van (uitsluitend) zeer geringe stikstofeffecten. Deze beoordeling is neergelegd in hoofdstuk 5. Zekerheidshalve wordt in dit rapport de effecten van deze toename in het geheel voorkomen, door – als mitigerende maatregel – intern te salderen met het beëindigen van de bemesting van de agrarische gronden in het plangebied waar de woningbouwontwikkeling wordt gerealiseerd. Meer concreet wordt (in hoofdstuk 6) intern gesaldeerd met de feitelijk planologisch legale bemesting van circa 1,57 hectare agrarische gronden (hierna: ‘de salderingsmaatregel’). In hoofdstuk 6 wordt beoordeeld of gelet op deze salderingsmaatregel vanwege stikstofeffecten per saldo nog sprake is van een stikstofdepositietoename en daarmee of gelet op interne saldering de natuurlijke kenmerken worden aangetast. Doordat in hoofdstuk 6 rekening wordt gehouden met de inzet van interne saldering, is sprake van een passende beoordeling. Ook moet voldaan worden aan het additionaliteitsvereiste (hoofdstuk 7). Hoofdstuk 8 bevat de conclusies uit het voorliggende onderzoek.

7

2.

Wettelijk kader

2.1. Algemeen Sinds 1 januari 2024 is het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht geregeld in de Omgevingswet (hierna: ‘Ow’) en het daaronder hangende Besluit Kwaliteit Leefomgeving (hierna: ‘Bkl’). Vóór 1 januari 2024 was het Natura 2000gebiedsbeschermingsrecht geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). De Wnb is per 1 januari 2024 komen te vervallen. Op het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 is de Omgevingswet van toepassing. Uit artikel 16.53c lid 1 van de Ow volgt dat er voor plannen en projecten een zelfstandige verplichting bestaat om de effecten daarvan op Natura 2000gebieden te onderzoeken. Het artikel bepaalt dat voor een plan of project als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn (hierna: ‘Hrl’) het bestuursorgaan dat het plan vaststelt (in geval van een (wijziging van het) omgevingsplan: de gemeenteraad) of de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Hrl maakt. 2.2. De voortoets De verplichting om een passende beoordeling te doorlopen ziet dus uitsluitend op een plan of project als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Hrl.

Dit betekent dat het moet gaan om een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten 'significante gevolgen kan hebben' voor een Natura 2000-gebied. Om te beoordelen of het plan of project ‘significante gevolgen kan hebben’ wordt veelal een voortoets verricht. Een plan of project met stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een of meerdere voor stikstofdepositie gevoelige hexagonen1 in een (naderend) overbelaste situatie2 heeft in potentie een significant effect. Wanneer in de voortoets significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, moet op grond van artikel 16.53c lid 1 van de Ow voor het plan of project een passende beoordeling worden doorlopen.

1 Rekeninstrument AERIUS berekent de depositie op ‘hexagoon’ niveau (een zeshoek

met een oppervlak van 1 ha) 2 Indien de achtergronddepositie in een Natura 2000-gebied hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) dan bevindt de natuur (habitats of leefgebieden van soorten) zich in een overbelaste situatie. Bij toestemmingsverlening van projecten wordt een veiligheidsmarge van 70 mol/ha/jaar aangehouden. Hexagonen zijn naderend overbelast als de depositie hoger is dan de KDW minus deze veiligheidsmarge. Hexagonen met een depositie lager dan deze waarde zijn gedefinieerd als niet overbelast.

8

2.3. De passende beoordeling In de passende beoordeling (en niet in de voortoets) mag rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen. 3 Een mitigerende maatregel is een maatregel die beoogt eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten.4 Het plan mag vervolgens alleen worden vastgesteld en de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit mag alleen worden verleend, wanneer uit die passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen (daargelaten de ADC-toets). Dat volgt uit artikel 10.24 lid 1 van het Bkl respectievelijk artikel 8.74b lid 1 van het Bkl. Door middel van het rekeninstrument AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend als gevolg van projecten en plannen op alle stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden. Wanneer de depositie op alle relevante hexagonen in de omliggende Natura 2000-gebieden (al dan niet na saldering in een passende beoordeling) op 0,00 mol N/ha/jaar uitkomt, is verzekerd dat het plan de natuurlijke kenmerken niet aantast en kan het omgevingsplan worden vastgesteld.

Wordt voor een omgevingsplan een passende beoordeling opgesteld, dan geldt er daarnaast ook een verplichting om voor het plan een planmer(-beoordeling) te doorlopen. Het aantal uitzonderingen op de plan-mer plicht is groot, waardoor in de praktijk vaak volstaan kan worden met een plan-mer beoordeling. De Natura 2000 projecttoets die doorlopen wordt voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.1 sub e Ow (hierna: ‘natuurvergunning’)) dient te worden onderscheiden van de Natura 2000 plantoets (die doorlopen wordt voor een omgevingsplan. Het betreffen twee separate en zelfstandige van elkaar te onderscheiden toetsingen. In de plantoets wordt het omgevingsplan volledig en zelfstandig beoordeeld. In de plantoets - zo volgt expliciet uit de uitspraak ABRS 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2318 (Moerdijk)) - geldt geen uitvoerbaarheidstoets, waarin de vraag beantwoord wordt of ook een natuurvergunning nodig is (projecttoets) en zo ja, of die kan worden verleend. Met de voorliggende passende beoordeling wordt beoordeeld of het TAMOmgevingsplan Rossum Noord 2 kan worden vastgesteld in overeenstemming met het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht. Deze passende beoordeling dient dus als onderbouwing voor het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2, waarmee dus invulling wordt gegeven aan de Natura 2000 plantoets.

3 In het projectspoor is dit de lijn sinds AbRS 18 december 2024,

ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac) en AbRS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale). In het planspoor is dit de lijn sinds AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West). 4 Zie o.a. AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, r.o. 19.1

9

2.4. Intern salderen en de referentiesituatie in de plantoets De voorgenomen ontwikkeling leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats (zie hiervoor hoofdstuk 5). Hoewel in hoofdstuk 5 beoordeeld wordt of significante gevolgen vanwege het planeffect (zonder interne saldering) gelet op de instandhoudingsdoelstellingen niet kunnen worden uitgesloten, is in hoofdstuk 6 zekerheidshalve gelet op de berekende stikstofdepositie interne saldering als mitigerende maatregel toegepast in de stikstofberekeningen. Intern salderen betreft het reduceren van de door de ruimtelijke ontwikkeling uit het omgevingsplan veroorzaakte stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat in Natura 2000-gebied, door binnen de ruimtelijke ontwikkelingen en de planbegrenzing rekening te houden met het beëindigen van het feitelijk bestaande gebruik dat onder de referentiesituatie uit de plantoets valt.

Uit vaste rechtspraak volgt dat in de plantoets als hoofdregel voor de referentiesituatie in de plantoets geldt de ‘feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan’.5 De beëindiging van dat gebruik is dan rechtstreeks en onlosmakelijk verbonden aan de verwezenlijking van de ruimtelijke ontwikkeling uit het plan (=interne saldering).6 In deze passende beoordeling (hoofdstuk 6) wordt het feitelijke, planologische legale gebruik binnen (een gedeelte, zijnde circa 1,57 hectare van) het plangebied dat bestaat uit bemesten van de agrarische gronden als mitigerende maatregel ingezet. 2.5. Beoordeling additionaliteit in de passende beoordeling in de plantoets Omdat intern salderen een mitigerende maatregel betreft, moet ook getoetst worden aan het additionaliteitsvereiste gelijk voor extern salderen het geval is. Ter invulling van de toetsing aan het additionaliteitsvereiste geldt voor gemeentelijke plannen een vergewisplicht. Dit betekent dat de gemeenteraad moet motiveren dat de interne saldering, voor zover die als mitigerende maatregel wordt ingezet, niet nodig is als instandhoudingsmaatregel of als passende maatregel.

Maar, omdat de gemeenteraad geen bevoegdheden heeft ten aanzien van in te zetten maatregelen om de staat van Natura 2000gebieden te verbeteren, “kan hij enkel op basis van openbare gegevens komen tot een invulling van de motiveringsverplichting”, aldus de Raad van State in de Pasgeld-West-uitspraak.7 Dit “betekent dat de raad aan zijn motiveringsverplichting kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maat-

5 Zie AbRS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212 (Bergeijk); AbRS 4 maart 2020,

ECLI:NL:RVS:2020:683 (Beverwijk) en AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960 (Heiloo), ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West) 6 Zie AbRS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:784 (Randweg Haps), r.o. 27.4. 7 AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West), r.o. 23.3.

10

regelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie [de salderingsmaatregel] nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel.”8 In paragraaf 7 van deze passende beoordeling wordt toegelicht dat de inzet van de salderingsmaatregel (beëindiging bemesten) als mitigerende maatregel ten behoeve van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 additioneel is, gelet op de vergewisplicht (zoals die volgt uit de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak van 14 januari 2026).

8 AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West), r.o. 1.4. Zie ook r.o.

23-23.4.

11

3.

Afbakening Natura 2000-gebieden

3.1. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt ruim buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. De kortste afstand gelegen tussen het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 Rossum Noord 2 en het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek bedraagt ca. 1,2 kilometer. Overige Natura 2000-gebieden, zoals het Natura 2000-gebied Lemselermaten en het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal zijn gelegen op een veel grotere afstand (ca. 2,5 km respectievelijk 3,2 km). Op onderstaande figuur is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de begrenzing van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek weergegeven.

Figuur 3.1: Begrenzing Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek (gele kleur) ten opzichte van het projectgebied (zwarte pijl ‘4 bronnen’). Bron: AERIUS Calculator.

Behalve effecten van stikstof op habitats en leefgebieden van soorten kan op voorhand worden uitgesloten dat door het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord

12

2 (significante) effecten kunnen optreden vanwege alle overige verstoringsaspecten. Denk daarbij aan lichthinder, geluidhinder, trillingseffecten, versnippering, etc. De afstand van het plangebied tot de grens van de omliggende Natura 2000-gebieden is daarvoor (veel) te groot. Deze bedraagt immers ten minste 1,2 km. Op andere Natura 2000-gebieden dan Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek zijn ook geen toenames aan stikstofdepositie berekend als gevolg van het voorgenomen project met AERIUS Calculator, zo volgt uit het Stikstofrapport. Significante gevolgen voor alle andere Natura 2000-gebieden dan Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Reden waarom in het vervolg uitsluitend nog ingegaan wordt op de effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. 3.2. Tussenconclusie effectbeoordeling Natura 2000-gebieden Voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek concluderen wij dat reeds gelet op de afstand op voorhand kan worden uitgesloten dat het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 (significante) gevolgen kan hebben vanwege alle andere verstoringsaspecten, dan stikstof. Gelet op de afstand en de resultaten uit het Stikstofrapport kunnen significante effecten op voorhand worden uitgesloten op alle andere Natura 2000gebieden.

13

4.

Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

4.1. Gebiedsbeschrijving Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek zijn drie loofbosgebieden gelegen in Twente. Door de plaatselijke aanwezigheid van kalkrijke leem in de ondergrond en door het waterregime zijn dit vanouds zeer soortenrijke gebieden. Achter de Voort bestaat uit twee deelgebieden. Het Loomanskamp is een eikenhaagbeukenbos en vogelkers-essenbos, Asbroek is een natter bos met tussenliggende graslandjes en enkele poelen. Agelerbroek is een elzenbroekbos met daarin enkele graslandjes, moerassen en een voormalige eendenkooi. Voltherbroek bevat een uitgestrekt moerasbos (elzenbroekbos) en vochtige graslanden. 4.2. Begrenzing Op onderstaande figuur is de begrenzing van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek weergegeven.

Figuur 4.2: Begrenzing Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

4.3. Relevante instandhoudingsdoelen Het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek is aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn (hierna: ‘Hrl’). Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor verschillende soorten habitattypen en voor de habitatsoorten Zeggekorfslak en Kamsalamander. Uit het

14

Stikstofrapport volgt dat op de kwalificerende habitatss Droge heiden, Vochtige alluviale bossen en Eiken-haagbeukenbossen sprake is van een stikstoftoename tijdens de aanlegwerkzaamheden en de gebruiksfase. In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen van het Natura 2000-gebied weergegeven.

Tabel 4.3: Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

15

5.

Effecten en toetsing planeffect zonder toepassen intern salderen

5.1. Rekenresultaten planeffect zonder intern salderen Door BJZ.nu zijn in het Stikstofrapport stikstofberekeningen uitgevoerd met de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2025.2). Daarbij zijn de aanlegfase (inclusief de bouwfase) en de gebruiksfase gelet op het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 doorgerekend. Uit deze stikstofberekeningen volgt dat het plan op zichzelf beschouwd, zonder rekening te houden met interne saldering als mitigerende maatregel, een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar tot gevolg heeft op enkele hexagonen (maximaal 3,66 ha stikstofgevoelige habitats) in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Meer specifiek wordt voor de aanlegfase een maximale stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar op een zeer beperkt gedeelte (maximaal 3,66 hectare stikstofgevoelig habitat) berekend. In de gebruiksfase is eveneens sprake van een maximale toename van 0,01 mol N/ha/jaar. Die slaat neer in nog een beperkter gebied (maximaal 3,50 hectare stikstofgevoelig habitat). In de tabellen en afbeeldingen hieronder is de stikstofdepositie op de betreffende stikstofgevoelige habitats in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 weergegeven.

Dit betreffen dus de resultaten uit het Stikstofrapport waarbij nog geen rekening is gehouden met het staken van de bemesting van de agrarische activiteiten in het plangebied als interne salderingsmaatregel.

Tabel 5.1: Berekende stikstofdepositie zonder intern salderen in de ontwikkelfase (rekenjaar 2026)

16

Afbeelding 1: Effectgebied stikstofdepositie aanlegfase 2026

Tabel 5.2: Berekende stikstofdepositie zonder intern salderen in de gebruiksfase (rekenjaar 2027)

17

Afbeelding 2: Effectgebied stikstofdepositie gebruiksfase

5.2. Beoordeling effecten voor toepassing intern salderen als mitigerende maatregel In deze paragraaf worden de berekende stikstofeffecten van het voorgenomen plan op zichzelf (zonder saldering) ecologisch beoordeeld, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. 5.2.1. Kleine (tijdelijke) stikstoftoenames algemeen In de meeste habitattypen functioneert een stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per hectare per jaar. Onverstoorde, natuurlijke achtergronddeposities liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram N/ha/jr, overeenkomend met 71 tot 357 mol N/ha/jr. Ook binnen deze verhoogde achtergronddepositie is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. Dat blijkt wel uit het feit dat in sommige gevallen de kwaliteit van een stikstofgevoelig habitattype goed is, ondanks een (forse) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) door de achtergronddepositie. De geringe projectbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop en dus ook niet op de kwaliteit van het betreffende habitattype. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie.

De huidige trend is dat de stikstofdepositie sinds 1990 aan het dalen is van ongeveer 2.600 mol N/ha/jr naar gemiddeld 1.600 mol N/ha/jr. Deze trend is echter in de recente jaren afgevlakt, waarvoor regionaal soms nog altijd sprake is van een overschrijding van de KDW optreedt. Hoewel er

18

sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddeposities dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de ordegrootte van 10%9 . Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. Een toename in depositie van 0,1 mol N/ha/jr bedraagt ongeveer 0,005% van de hoogste achtergronddepositie in Nederland. Een dergelijke toename is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. De voor dit plan berekende stikstoftoename is nog eens een factor 10 kleiner. Immers, uit het Stikstofrapport en paragraaf 5.1 volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op slechts enkele hexagonen. Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen en/of leefgebieden van soorten als gevolg van dergelijke kleine deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt.

Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol.10 Dergelijke kleine (zeer geringe) depositietoenames leiden eveneens niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Een toename in depositie van 0,1 mol N/ha/jr komt – zoals gezegd – overeen met ca. 0,005% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. 11 Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (dus het uitspoelen van stikstof niet mee beschouwend), leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een kleine depositietoename van 0,1 mol N/ha/jr of minder op een locatie waar de KDW wordt overschreden de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast.

9 https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie. 10 Effecten van stikstofdepositie via effecten op de planten/vegetatie kunnen zijn: koe-

ler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit en kwaliteit voedselplanten, afname kwaliteit voedselplanten, afname bloemdichtheid, afname beschikbaarheid gastheer, afname nestgelegenheid of afname prooibeschikbaarheid. 11 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.

19

Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat een beperkte bijdrage van ordegrootte < 0,1 mol N/ha/jr dermate gering is, dat er doorgaans geen waarneembare verandering optreedt van de standplaats van plantensoorten. Er is geen sprake van een ecologische doorwerking op planten- of (korst)mosniveau en daarmee ook niet van een merkbare doorwerking in de kwaliteit van het habitattype. Wanneer geen merkbare verandering van de kwaliteit van een habitat/leefgebied optreedt, dan is ook geen sprake van verlies van omvang of kwaliteit van een habitattype/leefgebied als gevolg van stikstofdepositiebijdrage. Significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstelling van het habitattype/leefgebied voor het Natura 2000-gebied kunnen dan worden uitgesloten. Dat staat los van het feit dat een te hoge achtergronddepositie bij een overschrijding van de kritische depositiewaarde van een habitattype/leefgebied in veel gevallen (waarin stikstofdepositie een bepalend knelpunt is) kan leiden tot een verlies aan kwaliteit van het betreffende habitattype/leefgebied. Hier zal dan via bronmaatregelen gezorgd moeten worden voor een reductie van de achtergronddepositie of via natuurherstelmaatregelen voor een verbetering van de kwaliteit of om zicht te krijgen op doelbereik voor het betreffende habitattype/leefgebied op grond van artikel 6, tweede lid, van de Hrl.

Maar dat is wat anders dan een toetsing op projectniveau op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl. Indien op grond van objectieve gegevens kan worden geconcludeerd dat een plan of project (al dan niet in combinatie met andere reeds vergunde maar nog niet gerealiseerde projecten) niet leidt tot een merkbare verandering van de kwaliteit van een habitattype/leefgebied, dan kunnen significante gevolgen als gevolg van dat specifieke plan of project met zekerheid worden uitgesloten. 5.2.2. Gebiedsspecifieke ecologische beoordeling Voor de aanleg- en gebruiksfase geldt dat zonder toepassing van intern salderen sprake is van een geringe stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op de volgende kwalificerende habitattype en/of leefgebieden van kwalificerende soorten: • H91E0C Vochtige alluviale bossen • H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) • H4030 Droge heiden H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse in alle deelgebieden voor, met een totale oppervlakte van ca. 80 ha. De kwaliteit van het habitattype is matig. De trendmatige ontwikkeling van de kwaliteit en oppervlak is negatief.

Dit is onder andere te zien aan het optreden van verruiging door braam, framboos en hennegras en de afname van moerasplanten binnen het bosareaal dat kwalificeert als habitattype. In de boomlaag neemt de es toe. Op sterk verdroogde en verzuurde locaties vesti-

20

gen zich de droge soorten zomereik, pijpestrootje en rankende helmbloem. Uit het voorkomen van een groot areaal van sterk verdroogde elzenopstanden met een ondergroei van braam die niet meer tot het habitattype behoren, kan worden afgeleid dat het habitattype sterk in oppervlakte is afgenomen en de degradatie ver is gevorderd als gevolg van verdroging. Alleen in een beperkt oppervlakte langs het kanaal in het Voltherbroek is hier een uitzondering op als gevolg van de genomen maatregelen in de RVK Volthe. Dit laatste laat zien dat hydrologische maatregelen effectief zijn in het stoppen van achteruitgang van het habitattype. Verdroging is een belangrijk knelpunt voor dit habitattype. Bij hoge depositieniveaus kunnen beekbegeleidende bossen ondanks een vrij hoge KDW ook gevoelig zijn voor stikstof, waarbij met het vrijkomen (door mineralisatie van organische stof) van grote hoeveelheden stikstof en fosfor o.a. een sterke toename van brandnetels kan optreden. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een klein deel (2,40 ha) van het totaal aan H91E0C in het Natura 2000-gebied (79,59 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 1.857 mol N/ha/jr, met een maximum van 2.081 mol N/ha/jr.

Een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habitattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitattype verandert. Een dergelijke verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 5.2.1). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van het habitattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden moet worden.

Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H91E0C (ZGH91E0C), de meest logische plek voor uitbreiding van het habitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H91E0C. Volgens de herstelstrategie voor H91E0C is uitbreiding van het habitattype mogelijk door in bestaande, gedegradeerde bossen die de minimumkwaliteit voor het habitattype nu nog ontberen (vooral populierenbossen) om te vormen door spontane suc-

21

cessie waarbij de populieren na verloop van tijd vanzelf afsterven. De voorgenomen ontwikkeling staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H91E0C in het Natura 2000-gebied. De voorgenomen ontwikkeling staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H91E0C in het Natura 2000-gebied kunnen worden gehaald. H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse voor in deelgebied Achter de Voort en in het zuidelijk deel van deelgebied Voltherbroek (Oude broek/Wiekermeden). Het totale oppervlak bedraagt ca. 12 ha. De kwaliteit van het habitattype is redelijk in het deelgebied Achter de Voort vanwege het voorkomen van het vegetatietype ‘eiken-haagbeukenbos, typische subassociatie’, het voorkomen van diverse typische soorten, een bosstructuur waarin eik overheerst in de boomlaag en er onvoldoende licht inval op de bodem plaatsvindt.

De ontwikkeling van de kwaliteit van het habitattype in Achter de Voort is negatief, hetgeen te zien is aan de afname van een soort als de eenbes. De ontwikkeling van de kwaliteit van het habitattype in Voltherbroek is niet bekend. In deelgebied Voltherbroek is de kwaliteit van het habitattype matig aangezien het voor het grootste deel uit rompgemeenschappen van klimop bestaat. In het Voltherbroek is het habitattype Eikenhaagbeukenbossen deels ontstaan door verdroging van het habitattype Vochtige alluviale bossen. De trendmatige ontwikkeling van de kwaliteit is negatief (deelgebied Achter de Voort), die van oppervlakte is stabiel. Verdroging is een knelpunt voor dit habitattype. Bij hoge depositieniveaus kunnen vochtige eiken-haagbeukenbossen ondanks een relatief hoge KDW ook gevoelig zijn voor stikstof, waarbij met het vrijkomen (door mineralisatie van organische stof) van grote hoeveelheden stikstof en fosfor o.a. een verruiging van de ondergroei kan plaatsvinden met een sterke toename van brandnetels als gevolg. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een klein deel (0,96 ha) van het totaal aan H9160A in het Natura 2000-gebied (11,84 ha).

De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 1.429 mol N/ha/jr, met een maximum van 2.081 mol N/ha/jr. Een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habitattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verrui-

22

ging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitattype verandert. Een dergelijke verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 5.2.1). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van het habitattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. Voor het habitattype is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H9160A in het Natura 2000-gebied.

De voorgenomen ontwikkeling staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H9160A in het Natura 2000-gebied kunnen worden gehaald.. H4030 Droge heiden Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de Natuurdoelanalyse op enkele kleine locaties verspreid door het Natura 2000-gebied voor. Het gaat om kleine droge plekken in een matrix van broekbos. Volgens de habitattypenkaart is er ongeveer 1,1 ha droge heide aanwezig, grotendeels bestaande uit soortenarme associatie van struikhei en stekelbrem. De kwaliteit van het habitattype is vanwege aanwezigheid van associatie van struikhei en stekelbrem volgens het profieldocument goed. Omdat het grotendeels de soortenarme subassociatie betreft en er plaatselijk sprake is van vergrassing door pijpenstrootje, is de kwaliteit in dit Natura 2000-gebied in de Natuurdoelanalyse beoordeeld als matig. Effecten van een decennialange hoge stikstofdepositie op het gebied kunnen voorlopig nog doorwerken in het habitattype omdat er nog nalevering van geaccumuleerd stikstof in de bodem plaatsvindt en de kwaliteit van de vegetatie door vergrassing is teruggelopen. Een hoge mate van stikstofdepositie zorgt voor opslag van bomen en struiken en voor vergrassing van het heidesysteem.

Als gevolg van het voorgenomen TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 vindteen verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een klein deel (0,14 ha) van het totaal aan H4030 in het Natura 2000-gebied (1,07 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen

23

met een planeffect overal boven de KDW van 714 mol N/ha/jr, met een maximum van 2.044 mol N/ha/jr. Een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habitattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitattype verandert. Een dergelijke verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 5.2.1). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van het habitattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed.

Voor het habitattype is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H4030 in het Natura 2000-gebied. De voorgenomen ontwikkeling staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H4030 in het Natura 2000-gebied kunnen worden gehaald. 5.3. Tussenconclusie beoordeling planeffect zonder salderen Uit de stikstofberekeningen volgt dat het plan op zichzelf beschouwd, zonder rekening te houden met interne saldering als mitigerende maatregel, een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar tot gevolg heeft op enkele hexagonen (maximaal 3,66 ha stikstofgevoelige habitats) in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. De toename vindt uitsluitend plaats op de habitats Vochtige alluviale bossen (2,55 ha), Eikenhaagbeukenbossen (0,98 ha) en Droge heiden (0,14 ha).

Uit de ecologische beoordeling opgenomen in paragraaf 5.2 volgt (onder meer) dat een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op alleen de rand van het Natura 2000-gebied (maximaal 3,66 ha kwalificerende habitats) niet zal leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid of onderlinge concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten van de betreffende kwalificerende habitats. Evenmin leidt deze zeer geringe toename tot wijzigingen in de beheeropgave en het uitvoeren van herstelmaatregelen. De berekende stikstofdepositie is te gering om enig effect te hebben op de over-

24

belaste stikstofgevoelige habitattypen en (leefgebied van) soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied. De maximaal berekende toename van 0,01 mol N/ha/jaar, ook gelet op het zeer beperkte effectgebied, is dan ook dermate gering dat significante gevolgen op voorhand niet op kunnen treden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. Het plan kan in overeenstemming met het gebiedsbeschermingsrecht worden vastgesteld. Hoewel daarmee ook verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek door het TAMomgevingsplan niet worden aangetast, wordt in het vervolg van dit rapport zekerheidshalve (nu sprake is van een zeer gering berekend planeffect) in deze beoordeling aanvullend nog rekening gehouden met de beëindiging van de bemesting van agrarische gronden in het plangebied, die als interne salderingsmaatregel betrokken wordt in deze passende beoordeling.

25

6.

Effecten en toetsing planeffect met toepassen intern salderen

6.1. Intern salderen met de beëindiging van bemesten van agrarische gronden in het plangebied Om in een passende beoordeling tot de conclusie te komen dat de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, mag toepassing worden gegeven aan mitigerende maatregelen. Sinds de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (Pasgeld-West) wordt intern salderen, waarbij rekening wordt gehouden met beëindiging van het gebruik binnen dezelfde ruimtelijke ontwikkeling uit het omgevingsplan, als mitigerende maatregel aangemerkt. Als na toepassing van intern (of extern) salderen per saldo geen sprake (meer) is van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied, kan het omgevingsplan in zoverre in overeenstemming met 10.24 lid 1 Bkl worden vastgesteld (zie meer uitgebreid hoofdstuk 2 van deze passende beoordeling). Om in de passende beoordeling rekening te houden met interne saldering, wordt met AERIUS Calculator een verschilberekening gemaakt tussen de effecten van het gebruik uit de referentiesituatie (als interne salderingsmaatregel) met de stikstofeffecten afkomstig van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 (zoals gemodelleerd en berekend in het Stikstofrapport (zie ook paragraaf 5.1 van deze passende beoordeling)). Voor wat betreft intern salderen geldt wel dat dit mogelijk is als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1.

het moet gaan om beëindiging van gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie en plaatsvindt binnen hetzelfde gebied als de ruimtelijke ontwikkeling waar het omgevingsplan in voorziet; 2. verzekerd moet zijn dat de beëindiging van het gebruik (de mitigerende maatregel) direct samenhangt met de ruimtelijke ontwikkeling uit het plan en ook daadwerkelijk en tijdig wordt beëindigd; en 3. de mitigerende maatregel moet voldoen aan het additionaliteitsvereiste. De gronden gelegen in het plangebied waar de woningbouwontwikkeling wordt gerealiseerd zijn thans feitelijk agrarisch in gebruik voor grasland met volledig maaien en worden voor dat gebruik thans ook daarvoor bemest. Voor het beoordelen of het beëindigen van het agrarisch gebruik van deze gronden als (interne) salderingsmaaatregel kan worden ingezet is allereerst relevant dat uit vaste rechtspraak volgt dat als referentiesituatie in de Natura 2000plantoets als hoofdregel geldt de ‘feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan’ (zie paragraaf 2 uit deze passende beoordeling). Op de gronden in het plangebied die agrarisch in gebruik zijn gelden thans de regels uit het plan ‘Rossum-Noord’, zoals dat op 29 november 2016 door de raad van de gemeente Dinkelland is vastgesteld, dat thans onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Dinkelland.

Dit agrarisch gebruik wordt beëindigd ten behoeve van de realisatie van de woningbouwontwikkeling uit het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2. Het agrarisch grondgebruik is met het TAM-Omgevingsplan volledig wegbestemd

26

en (gelet op de directe samenhang en de planregels) wordt dit gebruik ook tijdig beëindigd. Gelet op de voorwaarden 1 en 2, kan dan ook intern gesaldeerd worden met de beëindiging van bemesting van de agrarische gronden gelegen in het plangebied. Uit hoofdstuk 7 van deze passende beoordeling volgt overigens dat ook voldaan wordt aan voorwaarde 3. Het additionaliteitsvereiste staat gelet op de vergewisplicht niet in de weg aan het inzetten van de interne salderingsmaatregel als mitigerende maatregel in de passende beoordeling. Voor de nadere onderbouwing van de modellering en de ammoniakemissies die gerelateerd zijn aan het bemesten van de agrarisch gronden wordt verwezen naar het Stikstofrapport. 6.2. Effectbeoordeling na toepassing van intern salderen Uit het Stikstofrapport met de daarbij behorende stikstofberekeningen volgt dat na toepassing van intern salderen nergens in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek nog sprake is van een toename van stikstofdepositie. Op geen enkel hexagoon wordt nog een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Nu geen toename ontstaat worden de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek niet aangetast.

Per saldo is zelfs sprake van een (aanzienlijke) afname van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, niet alleen in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, maar ook in de Natura 2000gebieden Lemselermaten en Landgoederen Oldenzaal. Zo volgt uit de verschilberekening dat op het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie van maximaal 0,064 mol N/ha/jr op een oppervlakte van meer dan ca. 75 ha. Zie hieronder de uitkomsten van de verschilberekeningen uit het Stikstofrapport.

27

Tabel 6.1: Uitkomst AERIUS-berekening na toepassing intern salderen aanlegfase.

Tabel 6.2: Uitkomst AERIUS-berekening na toepassing intern salderen gebruiksfase.

28

6.3. Cumulatie met andere plannen en projecten Nu er als gevolg van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 per saldo geen toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen optreedt (op geen enkel Natura 2000-gebied), kunnen er ook geen effecten zijn als gevolg van de uitstoot van stikstof en kunnen er ook geen cumulatieve effecten zijn met andere plannen projecten. Om die reden hoeft in deze passende beoordeling voor wat betreft het onderzoek naar de stikstofdepositie geen rekening te worden gehouden met overige ontwikkelingen. Aan cumulatie met andere plannen en/of projecten wordt niet wordt toegekomen. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.12 Bovendien, relevant voor de conclusie neergelegd in paragraaf 5.3, zijn er ook geen andere plannen en projecten in de omgeving bekend, die het effectgebied gelet op het planeffect (zonder saldering) overlappen. Ook in zoverre is van cumulatieve effecten geen sprake. 6.4. Tussenconclusie stikstofdepositie na toepassing intern salderen als mitigerende maatregel Uit de stikstof-verschilberekeningen van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 ten opzichte van het gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie (intern salderen met beëindiging bemesting) volgt, dat per saldo nergens sprake is van een toename van stikstofdepositie.

Op geen enkel stikstofgevoelig habitattype wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat geldt voor zowel de aanlegfase, als voor de gebruiksfase. Uit de verschilberekeningen volgt dan ook dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek niet worden aangetast. Gedurende de aanlegfase als in de gebruiksfase is zelfs sprake van een duidelijke afname van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Om toepassing te geven aan de salderingsmaatregelen dient getoetst te worden aan het additionaliteitsvereiste (zie voorwaarde 3 uit paragraaf 6.1). Dit houdt in dat beoordeeld en onderbouwd moet worden dat en waarom een salderingsmaatregel niet als instandhoudings- of passende maatregel ten behoeve van de natuur moet worden ingezet. De Afdeling overweegt daarbij dat het additionaliteitsvereiste geldt voor de inzet van de gehele referentiesituatie die als mitigerende maatregel wordt ingezet (dus voor zover de negatieve effecten van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 door de salderingsmaatregel worden weggenomen). In het volgende hoofdstuk 7 van deze passende beoordeling wordt getoetst aan het additionaliteitsvereiste.

12 Zie onder meer AbRS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1210, r.o. 11 – 11.1, AbRS

30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:947, r.o. 9.3, AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, r.o. 26.1 en AbRS 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1586, r.o. 24.8.

29

7.

Additionaliteit

7.1. Inleiding Hierna wordt getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Daarbij wordt invulling gegeven aan de vergewisplicht zoals deze volgt uit de uitspraak van Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld West). Een (interne of externe) salderingsmaatregel, mag alleen worden betrokken als mitigerende maatregel in een passende beoordeling, als aannemelijk wordt gemaakt dat de salderingsmaatregel niet geschikt óf niet nodig is als passende of instandhoudingsmaatregel voor de Natura 2000-gebieden. Het moet dus gaan om aanvullende maatregelen; de maatregel moet additioneel zijn. Ter invulling van de toetsing aan het additionaliteitsvereiste geldt voor gemeentelijke plannen een vergewisplicht. Dit betekent dat de gemeenteraad moet motiveren dat de saldering, voor zover die als mitigerende maatregel wordt ingezet, niet nodig is als instandhoudingsmaatregel of als passende maatregel.

Maar, omdat de gemeenteraad geen bevoegdheden heeft ten aanzien van in te zetten maatregelen om de staat van Natura 2000-gebieden te verbeteren, “kan hij enkel op basis van openbare gegevens komen tot een invulling van de motiveringsverplichting”, aldus de Afdeling in de PasgeldWest-uitspraak.13 Dit “betekent dat de raad aan zijn motiveringsverplichting kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudingsof passende maatregel.”14 De woningbouwontwikkeling waar het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 in voorziet, leidt in de aanlegfase en gebruiksfase, zonder daarbij rekening te houden met mitigerende maatregelen, tot een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op enkele hexagonen (max 3,66 ha kwalificerende habitats) in het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. Door de inzet van de salderingsmaatregel wordt deze stikstofdepositie die neerslaat op dit Natura 2000-gebied in het geheel voorkomen.

Voor zover de salderingsmaatregel de depositie voorkomt op dit Natura 2000gebied, is de salderingsmaatregel ingezet als mitigerende maatregel in deze passende beoordeling, waarvoor de additionaliteitstoets moet worden doorlopen. Mits de salderingsmaatregel naar zijn aard geschikt is als instandhoudings- of passende maatregel. De additionaliteitstoets wordt ook alleen doorlopen voor wat betreft het deel van de inzet van de salderingsmaatregel, die als mitigerende maatregel is betrokken en daarmee het deel om de stikstofef13 AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West), r.o. 23.3. 14 AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West), r.o. 1.4. Zie ook r.o.

23-23.4.

30

fecten van de voorliggende ontwikkeling volledig weg te nemen of te verminderen (tot 0,00 mol N/ha/jaar).15 Hierna (paragraaf 7.2) wordt eerst beoordeeld of de salderingsmaatregel (voor zover deze de effecten van de onderhavige woningbouwontwikkeling op het betrokken Natura 2000-gebied wegneemt) naar zijn aard geschikt is als instandhoudings- of passende maatregel. Vervolgens (paragraaf 7.3-7.5) wordt voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek invulling gegeven aan de vergewisplicht in de toetsing aan het additionaliteitsvereiste. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met openbare raadpleegbare gegevens van (bestuursorganen van) de provincie Overijssel, omdat de salderingsmaatregel en het plangebied in deze provincie zijn gelegen en gekoppeld (kunnen) worden aan het verlenen van de omgevingsvergunning(en) voor de Natura 2000-activiteit voor de ruimtelijke ontwikkeling waarin het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 voorziet. 7.2.

Is de salderingsmaatregel naar zijn aard geschikt als passende maatregel voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek? Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat het additionaliteitsvereiste uitsluitend van toepassing is, indien de salderingsmaatregel naar zijn ook geschikt kan zijn om als instandhoudings- of passende maatregel te dienen.16 In dit geval wordt als salderingsmaatregel ingezet de beëindiging van het agrarisch grondgebruik (bemesting) op circa 1,57 hectare agrarische gronden. Deze salderingsmaatregel wordt als mitigerende maatregel ingezet om de effecten van een tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op een zeer beperkt gedeelte (3,66 ha habitats) in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek weg te nemen. De beëindiging van het agrarisch grondgebruik van circa 1,57 hectare ten behoeve van het wegnemen van slechts 0,01 mol N/ha/jr op 3,66 ha habitats in het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek, betreft naar zijn aard evenwel geen ontwikkeling die als instandhoudings- of passende maatregel zal en kan worden ingezet.

De aankoop en vervolgens de beëindiging van het agrarische grondegebruik om in te zetten als natuurherstelmaatregel voor zo’n beperkte gedeelte van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek is niet aan de orde en is naar zijn aard ook niet geschikt en mogelijk, uitsluitend al vanwege de zeer hoge kosten gerelateerd aan de beëindiging van het agrarisch grondgebruik. Dat verhoudt zich niet tot de hiervoor besproken relatief zeer geringe ‘stikstofwinst’ van de inzet als mitigerende maatregel voor een tijdelijke stikstofdepostie-

15 Dit volgt uit AbRS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404 (Overduin), r.o. 19.3. Zie

ook r.o. 19.5. 16 Zie o.a. AbRS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969 (Esbeek).

31

vermindering van 0,01 mol N/ha/jaar op slechts een zeer beperkt gedeelte (3,66 ha) aan de rand van dit Natura 2000-gebied. Vanuit een ecologisch standpunt volgt evenmin dat het beëindigen van het agrarisch grondgebruik om een tijdelijke stikstofdepositie (van 0,01 mol N/ha/jaar) weg te nemen, naar zijn aard kan worden aangemerkt of ingezet als instandhoudings- of passende maatregel. Van een structurele en duurzame maatregel die kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, dan wel aan het voorkomen van (dreigende) verslechtering of significante verstoring van de natuurwaarden in het betrokken Natura 2000gebied, is dan immers geen sprake. Een afname van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar zal niet leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid of onderlinge concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten van de betreffende kwalificerende habitats. Evenmin leidt deze zeer geringe extra stikstofdepositiedaling tot een vermindering van de beheeropgave of een vermindering van het uitvoeren van herstelmaatregelen. De berekende stikstofdepositie afkomstig van de salderingsmaatregelen die als mitigerende maatregel wordt ingezet op deze Natura 2000-gebieden is te gering om enig effect te hebben op de overbelaste stikstofgevoelige habitats, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25302