TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp (toelichting en regels)
Tekst van het document
Zo behoeft niet gekeken te worden naar activiteiten die in het verleden zijn vergund en al zijn of worden uitgevoerd.5 Ook bij ‘intern salderen’ hoeft volgens de ABRvS niet naar cumu- latie gekeken te worden wanneer per saldo geen sprake is van een toename aan stik- stofdepositie.6 Onzekere toekomstige gebeurtenissen kunnen bij de beoordeling van cu- mulatieve effecten buiten beschouwing blijven. Dat betekent dat met andere projecten waarvoor een natuurvergunning is vereist maar die nog niet is verleend geen rekening hoeft te worden gehouden.7 De gedachte hierachter is dat in afwachting van een besluit op een aanvraag voor een natuurvergunning doorgaans niet zeker is of, en zo ja, met welke voorschriften de vergunning verleend zal worden. En bij de toetsing van bijvoor- 5 ABRvS, 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3111, r.o. 3.2; ABRvS 16 april 2014, nr. 201304768, r.o. 38.2. 6 ABRvS, 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 9.8. 7 ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312. 23 beeld bestemmingsprojecten mag de cumulatieve toets volgens de ABRvS ook achter- wege worden gelaten.8 Bij een project is van belang om te kijken naar mogelijke cumulatieve effecten met reeds natuurvergunde, maar nog niet (volledig) uitgevoerde, projecten.
Voor het voorgenomen project geldt dat uit de effectbeoordeling blijkt dat het projecteffect dermate in omvang beperkt en bovendien slechts tijdelijk is, dat geen sprake is van een in ecologische zin merkbare verandering in de kwaliteit van de betreffende habitattypen. Van een significant effect door cumulatie met eventuele andere projecten kan dan ook geen sprake zijn. Bij een zoektocht via het openbare online platform officiële bekendmakingen.nl zijn boven- dien geen natuurvergunningen gevonden voor projecten die gelijktijdig met de aanleg van het voorgenomen project worden uitgevoerd en die een overlap hebben qua beïnvloe- dingsgebied met de overbelaste hexagonen waarop het voorgenomen project een be- perkte stikstoftoename heeft. Er worden momenteel ook nauwelijks natuurvergunningen verleend met een toename aan stikstofdepositie. Stikstoftoenames worden in een ver- gunningprocedure veelal gesaldeerd (intern of extern salderen), waardoor er per saldo geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie. Geconcludeerd wordt dat ook in combinatie met eventuele andere projecten of projecten geen sprake kan zijn van significante gevolgen voor de Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. 8 ABRvS 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:683 (bestemmingsproject Wijk aan Zee/Beverwijk), r.o. 15.4.
24 5 Conclusie Uit de ecologische beoordeling blijkt dat het voorgenomen project op zichzelf, of in com- binatie met andere reeds vergunde maar nog niet gerealiseerde projecten, niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van de betreffende habitattypen/leefgebieden van soorten in het Natura 2000- gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. De ont- wikkeling is niet in strijd is met de bepalingen uit artikel 5.1, eerste lid, van de Omge- vingswet. Literatuur ▪ | Ad Fontem 2025. AERIUS berekening Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp. Datum 12 september 2025. ▪ | Arcadis 2024. Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor ecologische beoordeling voor tijdelijke projecten en activiteiten: versie 2024, Rijkswaterstaat. ▪ | Bobbink, R., 2021. Effecten van stikstofdepositie nu en in 2030: een analyse. Onderzoekcentrum B-WARE, Nijmegen. Rapportnummer RP-20.135.21.35 ▪ | Dobben, H. F., Bobbink, R., Bal, D., & van Hinsberg, A. (2012).
Overzicht van kri- tische depostiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. (Alterra-rapport; No. 2397). Alterra, Wageningen. ▪ | Interbestuurlijke Projectgroep Habitatkartering 2015. Methodiekdocument karte- ring habitattypen Natura 2000. Versie 16 september 2015-1. ▪ | Marra, W.A. et al. 2024: Actualisatie AERIUS Calculator 2024, RIVM | -briefrapport 2024-0078 - https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2024-0078.pdf. ▪ | Provincie Overijssel 2017. PAS-gebiedsanalyse Bergvennen en Brecklenkampse Veld. ▪ | Provincie Drenthe 2023. Natuurdoelanalyse Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. ▪ | Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwan- tificering van beschikbare biomassa voor bio energie uit Staatsbosbeheerterrei- nen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.
▪ | https://www.calculator.aerius.nl/calculator ▪ | https://www.natura2000.nl/gebieden ▪ | https://terinzage.gralliantie.nl/vergunningen/vergunningen/natuurvergunningen/ve rgunning-wet-natuurbescherming-natura-2000 ▪ | https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen 25 Bijlage 7 natuurwaardenonderzoek bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 163 1 Quickscan natuurwaardenonderzoek Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 2 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 5-7 7131 PZ – Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852 Opdrachtgever: N+L Landschapsontwerpers Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna Projectnummer en versie: 7910 versie 1.0 Status: Definitief Ligging plangebied: Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Rapportdatum: 24-09-2025 Auteur: N. Houwers Veldwerk uitgevoerd door: N. Sessink De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
3 Inhoudsopgave 1.1 Inleiding ................................................................................................................................................. 4 1.2 Reikwijdte .............................................................................................................................................. 4 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 5 2.1 Situering ................................................................................................................................................ 5 2.2 Beschrijving van het plangebied ............................................................................................................ 6 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 7 3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................
8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied ................................................................................................. 9 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS ................................................................................................................. 10 4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 10 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 ............................................................................................................... 10 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 10 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 11 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ............................................................. 13 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 14 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................
14 5.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 14 5.3 Natura 2000 ......................................................................................................................................... 16 5.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................ 18 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING .......................................................................................................... 19 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 19 6.2 Te toetsen soorten .............................................................................................................................. 19 6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep .............................. 20 6.4 Toetsing beschermde soorten ............................................................................................................. 22 6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................
28 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES .......................................................................................................................... 32 7.1 Aanleiding en doel ............................................................................................................................... 32 7.2 Conclusie toetsing ............................................................................................................................... 32 7.3 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit ............................................................................................. 33 Bijlagen .......................................................................................................................................................... 34 Bijlage 1. De Natuurkalender .................................................................................................................... 34 Bijlage 2. Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit ................................................................ 35 Bijlage 3. Fotobijlage ................................................................................................................................. 40 Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen ............................................................................................................ 44 Bijlage 5.
Lijst jaarrond beschermde nesten ............................................................................................. 45 4 HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Inleiding In het voorliggende plan wordt aan de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp alle bebouwing gesloopt. Hiervoor in de plaats komen een nieuwe hoofdboerderij, een twee -onder-een-kapwoning met inpandig bijgebouw, een vrijstaande woning met inpandig bijgebouw en een losstaand bijgebouw. Initiatiefnemer heeft Natuurbank Overijssel gevraagd een onderzoek uit te voeren naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde planten, dieren en (natuur)gebied (en). Het onderzoek omvat een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet, de resultaten van het onderzoek en de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten. In dit rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
1.2 Reikwijdte Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland). De voorgenomen ontwikkeling wordt niet getoetst aan andere beschermde aspecten zoals houtopstanden, beschermingszone natte landnatuur of stiltegebied. De beoordeling van voorgenoemde gebiedsaanduidingen vinden plaats in andere onderzoeken. 5 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp. Het ligt circa 1,5 kilometer ten noordoosten van het dorp Lattrop. Het plangebied wordt omgeven door landelijk gebied . Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
6 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een erf met een woning , een grote stal, drie kleinere schuren, erfverharding, struweel, fruitbomen en gras. De grote stal beschikt over gemetselde gevels met luchtspouw en heeft golfplaten als dakbedekking. De woning en de schu ren 1 en 2 beschikken over gemetselde gevels met spouwmuur en een dakpannen gedekt dak. Schuur 3 heeft gevels van damwandplaten en is voorzien van een dak met golfplaten. Het plangebied grenst aan agrarisch cultuurland. Op onderstaande afbeelding staat de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage. Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: gelderland.maps.arcgis.com). Schuur 1 Grote stal Woning Schuur 2 Schuur 3 7 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen In het voorgenomen plan wordt alle bestaande bebouwing gesloopt en een deel van de beplanting gerooid. Ter vervanging worden een nieuwe hoofdboerderij, een twee -onder-een-kapwoning met inpandig bijgebouw, een vrijstaande woning met inpandig bijgebouw en een losstaand bijgebouw gerealiseerd. De huidige erfverharding wordt verwijderd en vervangen door nieuwe erfverharding. Het terrein zal vervolgens landschappelijk worden ingepast.
De fruitbomen worden verplant en er zullen nieuwe solitaire bomen worden aangeplant. Daarnaast worden hagen aangelegd. Op onderstaande afbeelding wordt een impressie van de voorgenomen plannen weergegeven. Plattegrond van de voorgenomen plannen (bron: N+L Landschapsontwerpers). De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Slopen woning en schuren; • Verwijderen beplanting; • Bouwrijp maken terrein; • Bouwen hoofdboerderij; • Bouwen woningen en bijgebouwen; • Verwijderen erfverharding; • Aanleggen nieuwe erfverharding; • Aanplant beplanting; • Ingebruikname woning met bijgebouw;
8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust - en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Doden van dieren; • Afname en verdwijnen van functioneel leefgebied van dieren; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van (bouw/sloop)werkzaamheden en de ingebruikname van de woningen met bijgebouwen.
Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland. Het is niet aannemelijk dat beschermde soorten en waarden in het aangrenzende agrarische cultuurland op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. Maar de inzet van werktuigen en machines k unnen mogelijk tot verstoring van beschermde soorten leiden en mogelijk hebben de werkzaamheden negatieve effecten op beschermde soorten. Om de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden inzichtelijk te krijgen, word t daarom circa 50 meter van het naastgelegen agrarisch cultuurland meegenomen in het onderzoeksgebied. 9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijkgesteld aan het plangebied . Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven. Indien verder in deze rapportage gesproken wordt over het plangebied wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld. Hierboven zijn het plangebied (geel) en het onderzoeksgebied (rood) weergegeven.
10 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000 - gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 11 c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.
het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna -activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide c ategorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora - en fauna- activiteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier - en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht. 12 Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.
13 Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora - en fauna -activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing).
Ind ien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze e en negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkz aamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen . De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden.
De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale omgevingsverordening van de provincie Overijssel. 14 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij" -regime vastgelegd.
Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN -spelregels gehanteerd: her -begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.
Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. 15 Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt naast gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode omlijning aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
16 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteit leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000 -gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • De leefgebieden van vogels; • De natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natur a 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de ‘voortoets’ moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgest eld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. 17 Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op 330 meter afstand van Natura 2000 -gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000 - gebied is het Bergvennen & Brecklenkampse Veld .
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de gele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000 -gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000 -gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve ef fecten op Natura 2000 -gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en af voer van (sloop/bouw)materialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het plangebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden niet op voorhand worden uitgesloten. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkelfase is noodzakelijk.
Minimaal 330 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren. 18 Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Als gevolg van het bewonen van de nieuwe woningen neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe tijdens de gebruiksfase. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om een stikstofberekening uit te voeren voor de gebruiksfase 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NN N, omdat de bescherming van het NNN geen externe werking kent in Overijssel . Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, het toenemen van verkeer gedurende de gebruiksfase, de afstand tussen het plangebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000- gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden niet op voorhand uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om een stikstofberekening uit te voeren voor de gebruiks - en ont wikkelfase.
Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. 19 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF) en • Een oriënterend veldbezoek, uitgevoerd op dinsdag 16 september 2025. Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten. 6.2 Te toetsen soorten Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Bij het bepalen van de beschermde soorten die mogelijk in het plangebied voorkomen wordt rekening gehouden met de in het onderzoeksgebied aanwezige habitats, gevoerde beheer en aspecten zoals afstand tot erven in verband met verstoring. In voorliggende studie wordt gekeken naar mogelijk voorkomende soorten op een agrarisch erf, agrarisch cultuurland (grasland en akker) en in de omgeving van een erf. Soortgroep Mogelijk aanwezige beschermde soorten Flora Geen. Geschikte standplaatsomstandigheden voor beschermde planten ontbreken op het erf en het aangrenzend agrarisch cultuurland.
Grondgebonden zoogdieren Huisspitsmuis, bosmuis, bunzing, wezel, hermelijn, egel, steenmarter, boommarter, vos, ree, haas, konijn, eekhoorn Vleermuizen Gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger Vogels - jaarrond beschermde nesten Boerenzwaluw, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, raaf, roek, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zwarte specht Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp, zwarte roodstaart Vogels – in gebruik zijnde nesten Diverse algemene broedvogels Amfibieën Gewone pad, bruine kikker, heikikker Reptielen Levendbarende hagedis, ringslang Vissen Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Vlinders Aardbeivlinder, g rote vos, kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder, Libellen Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Overige ongewervelden Geen.
Geschikt habitat ontbreekt volledig Tabel 6.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen 20 6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Sommige van de soorten uit tabel 6.2 kunnen op basis van verspreiding niet op voorhand worden uitgesloten. Op basis van het op 16 september 2025 uitgevoerde veldbezoek blijkt echter dat het negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgesloten op de volgende soortgroepen: • Flora Beschermde planten worden niet verwacht in het plangebied. De meeste beschermde planten stellen bijzondere eisen aan hun groeiplaats en soms aan het beheer (zoals hooilandbeheer). Beschermde planten zijn vaak afhankelijk van schrale, voedselarme of matig v oedselrijke standplaatsen of een gebufferde standplaats door de aanwezigheid van kalk in de bodem of gebufferd kwel dat in de wortelzone komt. Dergelijke standplaatsfactoren ontbreken in het plangebied. • Grondgebonden zoogdieren Hermelijn Hermelijnen hebben een ruime verspreiding in ons land, maar zijn ten opzichte van wezels veel zeldzamer. Hermelijnen treffen we vooral aan in meer extensief beheerde agrarische landschappen, zoals natuurgebieden en bossen. Voor de hermelijn is het plangebied geen geschikt leefgebied.
De soort wordt vooral aangetroffen in wat vochtigere habitats zoals nattere natuurgebieden (moeras) en natte hooilanden. In een ruim gebied rondom het erf ontbreken waarnemingen van hermelijn in de NDFF . De NDFF is weliswaar niet geschikt om een soort ‘uit te kunnen sluiten’ in het plangebied, maar het ontbreken van de soort in een groot gebied rondom het erf, bevestigt het beeld dat de soort zeldzaam is. Het is daarom niet aannemelijk dat hermelijnen op een dergelijk erf voorkomt. • Reptielen Op ruime afstand van het plangebied komen levendbarende hagedis en ringslang voor. Reptielen stellen bijzondere eisen aan hun leefgebied en vanwege deze habitateisen treffen we ze vaak aan in geïsoleerde (natuur)gebieden. Buiten deze (natuur)gebieden ontbreekt (veelal) geschikt habitat en de meeste reptielen zijn niet in staat om andere gebieden te bereiken. Het plangebied ligt op enige afstand van gebieden waar reptielen voorkomen. Ringslang Ringslangen zijn gebonden aan waterrijke habitats die veelal op zandgronden en op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigrond liggen. Deze soort zont vaak op dijkjes en in wegbermen in de buurt van water. Op circa 1 kilometer afstand van het plangebied is één exemplaar waargenomen in het nabijgelegen natuurgebied Bergvennen . Dit is zeer waarschijnlijk een zwervend exemplaar. Bij ringslangen treedt namelijk dispersie op.
Juveniele ringslangen zwerven uit nadat ze zelfstandig zijn geworden. Het is niet aannemelijk dat ringslang in het plangebied aanwezig is. Gelet op de aard en beheer van het erf en de ligging ten opzichte van de bestaande verspreiding van ringslangen kan de aanwezigheid van deze reptielensoort in het onderzoeksgebied uitgesloten worden. Levendbarende hagedis Levendbarende hagedissen komen voor in redelijk dichtbegroeide gebieden, zoals veen, (vochtige) heide, schraal grasland , rijk begroeide bosranden en open plekken in bossen. Heide en hoogveen hebben de voorkeur, maar deze soort kan ook in bermen van (spoor)wegen , dijktaluds, hagen en houtwallen voorkomen. Het is een vochtminnende soort die veel wordt aangetroffen in structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Levendbarende hagedis is afhankelijk van een structuurrijke habitat. Er moeten snel opwarmende plekken aanwezig zijn met in de nabijheid dekkingsmogelijkheden om zich te kunnen beschermen tegen predatie en uitdroging. Op 2 kilometer afstand van het plangebied is een populatie levendbarende hagedissen bekend in de NDFF- databank. Deze levendbarende hagedissen zijn waargenomen in een natuurgebied met heide, veen, poelen en bos. Het huidige agrarische cultuurland maakt het voor levendbarende hagedis zeer moeilijk om nieuwe leefgebieden te bereiken.
Gelet op de aard en beheer van het erf en de ligging ten opzichte van de 21 bestaande verspreiding van levendbarende hagedis kan de aanwezigheid van reptielen in het onderzoeksgebied uitgesloten worden. • Vlinders Het voorkomen van beschermde vlinders is sterk gekoppeld aan bestaande populaties en hun verspreiding en de aanwezigheid van waardplanten. Trekvlinders of vlinders die makkelijk grote afstanden afleggen, zoals de grote weerschijnvlinder, kunnen ook opduiken buiten het normale verspreidingsgebied . Vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten voor kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder wordt de aanwezigheid van deze soorten uitgesloten in het onderzoeksgebied. In het nabijgelegen natura2000 gebied de Bergvennen komt een populatie Aardbeivlinders voor. Deze soort komt zeer lokaal voor en is honkvast. Waarnemingen van de waardplanten en individuen zijn binnen het plangebied niet bekend. Voorkomen is daarom uitgesloten. Daarnaast zijn in het natuurgebied ook vier losse waarnemingen van grote vos bekend. Grote vossen zijn de laatste jaren sterk toegenomen en zwervende individuen kunnen overal opduiken. Gelet op het zeer schaarse voorkomen is het niet aannemelijk dat de soort een verblijfplaats bezet in het onderzoeksgebied. • Vogels De grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart leeft rondom stromende beken en stilstaand water.
Ze broeden bij boomwortels of bruggen. Het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid voor deze soort. Gierzwaluw Gierzwaluwen zijn sterk afhankelijk van bebouwing en komen voornamelijk voor in de binnensteden van (kleinere) steden. De waarnemingen die gedaan zijn in de NDFF betreffen uitsluitend overvliegende individuen. Het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid voor deze soort. 22 6.4 Toetsing beschermde soorten In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 6.2 genoemde soorten beschreven. Grondgebonden zoogdieren Steenmarter Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter, zoals prooiresten en latrines. Verder zijn er geschikte voortplantings - en/of rustplaatsen aanwezig in het plangebied weergegeven op onderstaande afbeeldingen. Dichte beplanting ontbreekt. Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Foto’s: Van schuur 2 is de zolder toegankelijk, mogelijk geschikte voortplantings- en/of rustplaats voor steenmarter. Boommarter De boommarter komt voor in bosrijke omgevingen. Uitgezonderd zwervende exemplaren bezetten boommarters doorgaans een verblijfplaats in bossen. In de omgeving van het plangebied zijn geen boommarters waargenomen, blijkt uit brononderzoek in de NDFF.
‘Agrarische’ erven zoals het plangebied worden niet als potentiële verblijfplaats voor boommarters beschouwd. Door de voorgenomen activiteiten wordt geen voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield en wordt het functionele leefgebied niet aangetast. Bunzing De bunzing is de grootste van de kleine marterachtigen. Bunzingen hebben een voorkeur voor halfopen landschappen en voor deze soort is de aanwezigheid van dekking in de vorm van hogere vegetatie essentieel. Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen en gaten in de grond van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen, onder boomwortels en in holle ruimtes onder rommel en opgeslagen goederen kan deze soort een voortplantings- en rustplaats bezetten. Gezien zijn formaat, zijn deze holen relatief groot en zichtbaar. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van de bunzing aangetroffen. De aanwezigheid van een verblijfplaats van de bunzing wordt uitgesloten. Wezel Wezels komen met name voor in cultuurlandschap. Deze soort voelt zich thuis in de door de mens beïnvloede omgeving. De aanwezigheid van dekking, zoals verruigde vegetatie en struikbedekking, is essentieel voor wezels. Wezels zoeken lijnvormige structuren op zoals heggen en houtwallen/singels.
Deze soort kan in struikbedekking, onder rommel, opgeslagen spullen en houtstapels, in holen en gaten in de grond en onder takkenbossen een voortplantings - en rustplaats bezetten. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van wezels aangetroffen.
23 Eekhoorn De eekhoorn bezet een verblijfplaats in boomholtes en in bladernesten. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van eekhoorns waargenomen in het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt geen eekhoorn gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Egel Egels hebben een brede verspreiding in ons land en komen voor in stedelijk en landelijk gebied. Voor een egel moet er beplanting met voldoende ondergroei aanwezig zijn. Egels komen voor in tuinen, bosranden, struweel en loofbos. Deze soort kan onder takkenbossen, dichte (hoge) grazige vegetatie of onder een dikke laag bladeren een voortplantings- en rustplaats bezetten. De beplanting in het plangebied is niet dicht aan de onderzijde waardoor egels onder de beplanting geen verblijfplaats kunnen bezetten. Konijn Er zijn geen konijnenholen in het plangebied waargenomen. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt geen konijn gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Algemene soorten Naast voorgenoemde soorten, behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van soorten als gewone huisspitsmuis, bosmuis, haas, vos en ree. Deze algemene soorten kunnen het plangebied als foerageergebied gebruiken.
Bos- en huisspitsmuizen kunnen voortplantings- en rustplaatsen innemen in holtes en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen in de buitenruimte en in de toegankelijke gebouwen ( schuur 2 ) en onder strooisel en bladeren. Dergelijke plekken kunnen voorkomen in het plangebied. Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een huisspitsmuis en bosmuis gedood en een verblijfplaats beschadigd en vernield. Voor alle grondgebonden zoogdieren geldt: - De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen.
Verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen zijn doorgaans eenvoudig te herkennen aan uitwerpselen onder de hangplek. In de bebouwing zijn geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die wijzen op een vleermuisverblijfplaats. Het is echter niet uit te sluiten dat vleermuizen een voortplantings- of rustplaats bezetten in de bebouwing. Gebouwbewonende vleermuizen kunnen een verblijfplaats bezetten in de luchtspouw of in holle ruimtes achter een gevelplank of andere (gevel)betimmeringen. Het woonhuis , de grote stal , schuur 1 en 2 beschikken over gemetselde gevels met luchtspouw. Via gaten en kieren kunnen vleermuizen de luchtspouw bereiken. Vleermuizen kunnen tussen de dakoverstek en de gevel kruipen , zie foto onder . Dergelijke gebouwen worden in de regel uitsluitend door gewone dwergvleermuizen benut, maar de aanwezigheid van een verblijfplaats van laatvlieger, ruige dwergvleermuis of gewone grootoorvleermuis kan niet op voorhand uitgesloten worden. 24 Foto 1, woonhuis: vleermuizen kunnen in de ruimte tussen dakoverstek en gevel kruipen. Foto 2; schuur 2: open voegen. De vleermuizen die mogelijk een verblijfplaats kunnen bezetten in de gebouwen zullen door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden verstoord worden. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op verblijfplaatsen van vleermuizen.
Er zijn geen holtes en loshangend schors aangetroffen waar een vleermuis een verblijfplaats achter kan bezetten. Verblijfplaatsen van een boom bewonende soort als rosse vleermuis zijn uitgesloten. - Als gevolg van het slopen van de gemetselde bebouwing wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een verblijfplaats beschadigd en vernield. Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk f oerageren verschillende vleermuissoorten rondom de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting , de oppervlakte en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. - Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Vliegroutes Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook uit een rij gevels van woningen.
- Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
25 Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er kunnen mogelijk vogels nestelen in voor vogels toegankelijke bebouwing en in beplanting. Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit de literatuurstudie blijkt dat er nesten van boerenzwaluw, buizerd, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, raaf, roek, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief en zwarte specht in het plangebied kunnen voorkomen. Tijdens het veldbezoek zijn een aantal waarnemingen gedaan van nesten van huismus, huiszwaluw en boerenzwaluw. Verder zijn er 2 kerkuilen waargenomen in de grote stal inclusief een nestkast. In schuur 3 is een wegvliegende steenuil waargenomen. De locaties zijn op de onderstaande kaart weergegeven. Foto 1: 9 huiszwaluwnesten aan kopgevel van schuur 1, foto 2: Huismusnesten in de deurrail van de grote stal. Foto 1: kerkuilkast in de grote stal, foto 2: 1 van de twee kerkuilen in de grote stal. - Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een kerkuil gedood en een bezet nest beschadigd en vernield. - Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een steenuil gedood en een bezet nest beschadigd en vernield.
- Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een huismus gedood en een bezet nest beschadigd en vernield. - Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een huiszwaluw gedood en een bezet nest beschadigd en vernield. - Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een boerenzwaluw gedood en een bezet nest beschadigd en vernield.
26 Kaart met locaties van kerkuilen en steenuil en nesten van kerkuil, huismus en huiszwaluw en boerenzwaluw. De raaf bouwt zijn nesten hoog in bomen. Ze leven in uitgestrekte gebieden met bos en heide, maar ook in bosjes in cultuurland. Er zijn waarnemingen gedaan van de raaf in het nabijgelegen natuurgebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen en zijn er ook geen visuele of auditieve waarnemingen van de Raaf gedaan. De aanwezigheid van raven in het plangebied kan echter worden uitgesloten. Roeken zijn echte koloniebroeders en broeden met vaak tientallen tegelijk in groepen bomen. Deze nesten zijn jaarrond zichtbaar en tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De aanwezigheid van roekennesten in het plangebied is uitgesloten. Ooievaars broeden op hoge plekken zoals houten platforms op palen, schoorstenen, kerktorens, telefoonpalen en in bomen. Dergelijk broedplaatsen zijn duidelijk zichtbaar en zijn niet waargenomen in het plangebied. Zwarte specht is een uitgesproken bosvogel met een groot territorium en komt voornamelijk voor in uitgestrekte naaldbossen/beukenbossen. Deze soort foerageert met name in naaldhout op in houtlevende keverlarven en mieren en hakt zijn nestholte bij voorkeur in dikke beuken, maar ook in Amerikaanse eiken, grove den en lariks. Zwarte specht zal geen nestplaats bezetten in het plangebied.
Mogelijk kan deze vogelsoort een nestplaats in het nabijgelegen natuurgebied bezetten. Dit blijft echter ongemoeid waardoor het functionele leefgebied en de voortplantingsplaats intact blijft. Buizerd, sperwer , torenvalk en wespendief broeden allen in bebost gebied. De bomen in en rond het plangebied bieden wel een potentiële broedplaats voor deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen nesten van deze soorten waargenomen. Rode stip: Kerkuil ter plaatse Groene stip: Kerkuil nestkast Paarse stip: Huiszwaluwnesten Gele stip: Huismusnesten Blauwe stip: Boerenzwaluwnesten Oranje stip: Steenuil ter plaatse Grote stal 27 Vogels - ‘jaarrond beschermd’ (afhankelijk van ecologische factoren) Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn.
Uit de literatuurstudie blijkt dat nesten van blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, kleine bonte specht, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp en zwarte roodstaart in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. Het plangebied ligt in een kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Rondom het plangebied liggen woonerven, agrarische erven, houtsingels, houtwallen en bossen. Er zijn in de directe omgeving voldoende alternatieve nestplaatsen beschikbaar. Er zijn geen ecologische factoren waardoor de nestplaatsen als ‘jaarrond beschermde nestplaatsen’ beschouwd worden. De bebouwing is gecontroleerd op sporen van aanwezigheid van vogels en nestplaatsen. Er zijn geen sporen, potentiële nestplaatsen of oude nesten van vogels met deze status aangetroffen. Het aangrenzende agrarisch cultuurlan d blijven ongemoeid door voorgenomen werkzaamheden. Potentiële nesten van weidevogels en nesten in bomen worden niet beïnvloed door de werkzaamheden. In gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Vogelsoorten zoals merel, heggenmus, roodborst, zwarte kraai, koolmees, pimpelmees, houtduif, winterkoning, vink en holenduif kunnen mogelijk in de beplanting nestelen. Er zal bepla nting verwijderd worden.
Vogelsoorten als witte kwikstaart, merel, holenduif en winterkoning kunnen in bebouwing nestelen. Tijdens het veldbezoek is in schuur 3 een nest van een holenduif waargenomen. - Als gevolg van het slopen van de bebouwing en het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Voor alle vogels geldt: - De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af. Amfibieën Algemene soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, b astaardkikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en bezetten er mogelijk een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, zowel buiten als in toegankelijke gebouwen. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. - Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een voortplantings- en/of (winter)rustplaats beschadigd of vernield. Voor alle amfibieën geldt: - De betekenis van het plangebied als foerageergebied neemt voor amfibieën niet af.