TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp (toelichting en regels)
Tekst van het document
In de voortoets wordt een gebiedspecifieke ecologische beoordeling gemaakt van het projecteffect zonder toepassing van mitigerende maatregelen. Op hexagon niveau is voor het betreffende Natura 2000-gebied gekeken naar de toename aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitattypen/leefgebieden van soorten en naar de huidige stikstofbelasting op deze hexagonen i.r.t. de kritische depositiewaarde (KDW). Daar waar geen sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW van een habitat/leefgebied, kunnen stikstofeffecten op voorhand worden uitgesloten. Daar waar sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW, wordt een aanvullende ecologische beoordeling uitgevoerd. Voor de ecologische beoordeling zijn verschillende beschikbare bronnen geraadpleegd, zoals de PAS-gebiedsanalyse, Natuurdoelanalyse en Natura 2000 Beheerplan van het betreffende Natura 2000-gebied. 5 2 Wettelijk kader 2.1 Omgevingswet (Natura 2000 activiteit) De bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland is geregeld in de Omgevingswet. Projecten of plannen die significante gevol- gen kunnen hebben voor deze beschermde gebieden, zijn in beginsel (zonder vergun- ning) niet toegestaan. De verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van Natu- ra 2000-gebieden staan in artikel 5.1, eerste lid, sub e, van de Omgevingswet.
Daarin is aangegeven dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000 acti- viteit te verrichten. Een Natura 2000-activiteit is een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Kern van de Natura 2000 toetsing zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000-gebied zijn geformuleerd. Een project of project mag er niet toe leiden dat de in- standhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van sig- nificante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te wor- den naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stik- stofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000-gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met ze- kerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet.
2.2 Jurisprudentie beoordeling stikstofeffecten Recent heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enkele uitspraken gedaan over stikstofdepositie, waarbij met name de uitspraken inzake het Porthos -project (ECLI:NL:RVS:2023:3129) en de VIA-15 (ECLI:NL:RVS:2024:951) relevant zijn voor de vraag op welke wijze de effecten van een voorgenomen project beoordeeld moeten wor- den voor wat betreft het aspect stikstofdepositie. De Afdeling geeft aan dat het enkele feit dat de KDW in de huidige situatie wordt overschreden niet maakt dat een passende be- oordeling zonder meer noodzakelijk is en dat niet met een voortoets volstaan kan wor- den. De Afdeling sluit niet uit dat de tijdelijkheid van stikstofdeposities in sommige geval- len de conclusie kan rechtvaardigen dat uitgesloten is dat een project of project signifi- cante gevolgen heeft. Daarbij is van belang in hoeverre en op welke termijn een gebied die deposities kan opvangen. Als een gebied maar een klein opvangend vermogen heeft, is het mogelijk dat tijdelijke deposities toch structureel doorwerken en wel significante gevolgen kunnen hebben, maar als een gebied die tijdelijke toename wel kan opvangen, zijn significante gevolgen wellicht uitgesloten.
Volgens de Afdeling moet bij elk nieuw project of project dat leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden een voortoets gemaakt worden waarbij een ecologische analyse moet worden gegeven van die gevolgen in het licht van de specifie- ke milieukenmerken en omstandigheden van het betreffende Natura 2000 -gebied, ook als het gaat om een tijdelijke en beperkte toename. Daarbij zal voor de relevante Natura 2000-gebieden moeten worden onderzocht hoe de staat van de instandhouding op dat moment is. De effecten van de stikstofdeposities die al hebben plaatsgevonden, zullen zich daarin vertalen. In de VIA-15 uitspraak wordt door de Raad van State bevestigd dat het in het algemeen niet zo is dat elke (geringe) toename van de stikstofdepositie steeds de natuurlijke ken- merken van een gebied zal aantasten, ook niet als de KDW wordt overschreden. De KDW is geen absolute grenswaarde voor het bepalen van de gunstige staat van instand- houding. Als sprake is van een (geringe) toename van de stikstofdepositie op reeds 6 overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename te worden beoordeeld. Dat geldt voor ieder afzonderlijk project of project. Niet voor elke toename van stikstofdepositie geldt de verplichting om een pas- sende beoordeling te maken.
Wanneer uit een voortoets blijkt dat een voorgenomen pro- ject of project geen merkbaar effect heeft op de kwaliteit van kwalificerende habitattypen, dan kunnen significante gevolgen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. De effecten van de stikstofdeposities die al hebben plaatsgevonden, zullen zich volgens de Afdeling vertalen in de beoordeling van de huidige staat van instandhouding van het be- treffende habitat. Deze effecten kunnen niet worden toegerekend aan een specifiek pro- ject of project dat nog moet worden uitgevoerd. 7 3 Natura 2000-gebieden 3.1 Afbakening Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied, maar ligt wel in de nabijheid van het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat alleen op het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld sprake is van een toename aan stikstofdepositie op daarvoor ge- voelige kwalificerende habitattypen/leefgebieden van kwalificerende soorten. Op andere Natura 2000-gebieden zijn geen toenames aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige kwalificerende habitattypen of leefgebieden van soorten berekend als gevolg van het voorgenomen project met Aerius Calculator. Significante gevolgen voor andere Natura 2000-gebieden dan Bergvennen en Brecklenkampse Veld kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.
3.2 Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld 3.2.1 Gebiedsbeschrijving Het gebied bestaat uit drie delen en omvat vennen, vochtige heiden en heischrale gras- landen met jeneverbesstruwelen. De Bergvennen is een heidegebied op dekzandruggen met daarin een aantal grote zwakgebufferde vennen. De hydrologie van deze vennen wordt op kunstmatige wijze op orde gehouden: in de winter wordt grondwater opgepompt om de benodigde buffering te kunnen leveren. Langs de vennen liggen smalle gordels met overgangen van natte naar droge heide. Langs één van de vennen groeit gagel- struweel. Het Brecklenkampse Veld ligt direct ten noorden van de Bergvennen en betreft een geaccidenteerd landschap met dekzandruggen waarin rijke gradiënten van heide naar schraallanden en laagten met oeverkruidbegroeiingen optreden. Ook komen hier vochtige eiken-berkenbossen voor. Hier zijn recentelijk succesvolle herstelmaatregelen uitgevoerd. Op de flanken van de ruggen ligt heischraalgrasland en blauwgrasland. Deze zone wordt gevoed door basenrijke kwel en wordt niet of kortstondig geïnundeerd. 3.2.2 Begrenzing Op onderstaande figuur is de begrenzing van het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld weergegeven. Figuur 3.2.2: Begrenzing Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld.
8 3.2.3 Instandhoudingsdoelen Het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld is aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn. Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor habitattypen. In onderstaande tabellen zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied weergegeven. Tabel 3.2.3: Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen 9 4 Effecten en toetsing 4.1 Uitkomsten berekeningen Door Ad Fontem zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met het rekenprogramma Aerius Calculator (versie 2025). Uit de stikstofberekeningen blijkt dat als gevolg van het voorge- nomen project tijdelijk, gedurende de aanlegfase, en in de gebruiksfase sprake is van een beperkte toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. Tabel 4.1-1: Berekende stikstofdepositie in de aanlegfase Tabel 4.1-2: Berekende stikstofdepositie in de gebruiksfase 4.2 Kleine (tijdelijke) stikstoftoenames algemeen In algemene zin is bekend dat de kwaliteit van een stikstofgevoelig habitattype of een stikstofgevoelig leefgebied van een soort afneemt als de stikstofdepositie toeneemt. Pro- cessen die ten grondslag liggen aan de afnemende kwaliteit zijn vermesting en verzuring.
Vermesting en verzuring kunnen boven bepaalde niveaus leiden tot het veranderen van de verhouding in het voorkomen van individuele plantensoorten, met bijvoorbeeld een toename van groei van stikstofminnende plantensoorten die ten koste gaat van typische soorten. Tevens kan ophoping van stikstof in de bodem het eiwitgehalte van planten ver- anderen en als gevolg daarvan kunnen ook de vraatafwerende eigenschappen en voe- dingskwaliteit van planten beïnvloed worden. De veranderingen in de vegetatie kunnen doorwerken in de voedselketen, waardoor de kwaliteit van een habitattype of leefgebied van een als geheel kan afnemen.
10 Accumulatie van stikstof in de bodem door langdurige overbelasting is van invloed op de mate waarin sprake is van kwaliteitsverlies. Het (al dan niet) optreden van kwaliteitsver- lies wordt daarnaast beïnvloed door het bufferend vermogen van de bodem, de aan - en afwezigheid van (andere) voedingsstoffen in de bodem, en andere gebieds - en habitat- specifieke factoren, zoals de aanwezige dynamiek en hydrologische omstandigheden. Geringe (tijdelijke) toenames van stikstofdepositie leiden op zichzelf echter meestal niet tot een afname van de kwaliteit van een habitattype of een leefgebied van een soort. Wetenschappelijke experimenten bevestigen dat effecten pas waargenomen worden bij een toename van stikstofdepositie van minimaal 70 mol N/ha/jaar en onder deze hoe- veelheid zijn verschillen in de kwaliteit van een habitat niet aantoonbaar.1 In de meeste habitattypen functioneert een stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per hectare per jaar. Onverstoorde, natuurlijke achter- gronddeposities liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram/ha/jr, overeenkomend met 71 tot 357 mol/ha/jr. Ook binnen deze verhoogde achtergronddepositie is het mogelijk om ver- schillende habitattypen in stand te houden.
Dat blijkt wel uit het feit dat in sommige geval- len de kwaliteit van een stikstofgevoelig habitattype goed is, ondanks een (forse) over- schrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) door de achtergronddepositie. De geringe projectbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop en dus ook niet op de kwaliteit van het betreffende habitattype. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door men- sen beïnvloede oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie. De huidige trend is dat de stikstofdepositie sinds 1990 aan het dalen is van ongeveer 2.600 mol N/ha/jr naar gemiddeld 1.600 mol N/ha/jr. Deze trend is echter in de recente jaren afgevlakt, waarvoor regionaal soms nog altijd sprake is van een overschrijding van de KDW optreedt. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddeposities da- len, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (tempera- tuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kun- nen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de ordegrootte van 10% 2 .
Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. Een toename in depositie van 0,1 mol N/ha/jr bedraagt ongeveer 0,005% van de hoogste achtergronddepositie in Nederland. Een eenmalige dosis van > 0,1 is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergrond- deposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen en/of leefgebieden van soorten als gevolg van dergelijke kleine deposities zijn met zeker- heid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland na- melijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol.3 Dergelijke kleine depositietoenames leiden eveneens niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de vegetatie, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant 1 van Dobben, H. F., Bobbink, R., Bal, D., & van Hinsberg, A. (2012). Overzicht van kritische depostiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. (Alterra-rapport; No. 2397). Alterra. https://edepot.wur.nl/245248. 2 https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie.
3 Effecten van stikstofdepositie via effecten op de projectten/vegetatie kunnen zijn: koeler en vochtiger microkli- maat, afname kwantiteit en kwaliteit voedselprojectten, afname kwaliteit voedselprojectten, afname bloemdicht- heid, afname beschikbaarheid gastheer, afname nestgelegenheid of afname prooibeschikbaarheid. 11 nodig heeft om te groeien. Een eenmalige depositie van 0,1 mol N/ha/jr komt overeen ca. 0,005% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. 4 Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (dus het uitspoelen van stikstof niet mee beschouwend), leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groei- snelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een eenmalige kleine depositietoename van 0,1 mol/ha/jr of minder op een locatie waar de KDW wordt overschreden de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. In voorliggende ecologische beoordeling is geen gebruik gemaakt van een vooraf vast- gestelde grenswaarde.
In de ecologische beoordeling is voor elk habitattype en leefge- bied van een soort met een projectbijdrage groter dan 0,00 mol N/ha/jr beoordeeld of de toename van stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbaar effect op de kwaliteit van het habitattype of leefgebied van een soort en daarmee tot significante gevolgen voor het habitattype of leefgebied. 4.3 Afbakening 4.3.1 Geen overschrijding KDW Uit de stikstofberekeningen blijkt dat voor habitattype H91D0 Hoogveenbossen geldt dat de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden. Dit is in onderstaande tabel weer- gegeven. Tabel 4.3.1: Overzicht maximale achtergronddepositie i.r.t. de KDW Habitattype KDW (mol N/ha/jr) Max. achtergronddepositie aanlegfase (mol N/ja/jr) Max. stikstoftoename (mol N/ja/jr) H91D0 1.786 1.659 0,02 Voor habitattype H91D0 geldt dat met het projecteffect (maximaal 0,02 mol N/ha/jr) de KDW niet zal worden overschreden. Dat betekent dat significante gevolgen voor dit habi- tattype op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Habitattype H91D0 wordt derhalve niet verder beschouwd in de gebiedspecifieke ecologische beoordeling. 4.4 Gebiedspecifieke ecologische beoordeling 4.4.1 H4030 Droge heiden Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en behoud van de kwaliteit.
Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse lokaal voor op hogere terreingedeeltes in het Brecklenkampse veld en rond de Bergvennen voor, met een totaaloppervlak van 17,5 ha. De huidige kwaliteit is goed, wat tot uiting komt in de overheersende aanwezigheid van de Associatie van struikhei en stekelbrem op podzolbodems en een gevarieerde vegetatiestructuur met een hoog aandeel heide- struiken in diverse leeftijdsklassen. Soortenarme rompgemeenschappen met bochtige smele en pijpenstrootje komen alleen verspreid voor en beslaan een relatief kleine op- pervlakte. De trend in areaal en kwaliteit is momenteel stabiel door effectief beheer. Een hoge mate van stikstofdepositie kan zorgen voor opslag van bomen en struiken in de heidevegetatie en voor vergrassing van het habitattype. Bij het huidige reguliere beheer treedt dit echter niet op en is de kwaliteit overwegend goed, ondanks een overschrijding van de KDW. 4 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.
12 Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een beperkte toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,06 mol N/ha/jr op een deel (16,18 ha) van het totaal aan H4030 in het Natura 2000-gebied (17,62 ha). In de ge- bruiksfase is sprake van een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maxi- maal 0,01 mol N/ha/jr op klein deel (0,15 ha) van het totaal aan H4030 in het Natura 2000-gebied (17,62 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projectef- fect overal boven de KDW van 714 mol N/ha/jr, met een maximum van 2.301 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, beperkte toename aan stikstofdepositie gedurende een korte periode waarin de aanlegwerkzaamheden plaatsvinden van maximaal 0,06 mol N/ha/jr en van een verwaarloosbare stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr in de gebruiksfase. Een zeer beperkte toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert.
Een dergelijke (tijdelijke) verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening ge- houden moet worden. Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H4030 (ZGH4030), de meest logische plek voor uitbreiding van het habitattype om- dat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H4030.
Volgens de herstelstrategie voor H4030 is uitbreiding van droge heidesystemen mogelijk door de bodem te plaggen waarna heideplaggen worden aangebracht op een schrale bodem. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H4030 in het Natura 2000-gebied. Het voorgenomen project staat er evenmin aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype kan wor- den gerealiseerd. Significante gevolgen van het voorgenomen project kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.2 H3110 Zeer zwakgebufferde vennen Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse in de Bergvennen voor. Hier liggen een vijftal zeer zwakgebufferde vennen, met een gezamen- lijk oppervlak van 13,5 ha. De huidige kwaliteit is goed, wat tot uiting komt in de over- heersende aanwezigheid van de Associatie van Biesvaren en Waterlobelia met de groot- 13 ste actuele groeiplaats van waterlobelia in Nederland.
Soortenarme rompgemeenschap- pen met bijvoorbeeld veelstengelige waterbies, knolrus of veenmossen komen in dit ge- bied nauwelijks voor. Er is sprake van grote vennen in een open landschap waar wind- werking zorgt voor permanent zandige bodems, wat gunstig is voor de kwaliteit. Opper- vlakte- en kwaliteitsverlies door verzuring wordt voorkomen door het periodiek oppompen van gebufferd grondwater. Een hoge mate van stikstofdepositie kan zorgen voor opslag van bomen en struiken aan de randen van de vennen en voor verruiging van het habitat- type. Bij het huidige reguliere beheer treedt dit echter niet op en is de kwaliteit overwe- gend goed, ondanks een overschrijding van de KDW. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een beperkte toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,06 mol N/ha/jr op een deel (8,82 ha) van het totaal aan H3110 in het Natura 2000-gebied (13,52 ha). In de gebruiks- fase is sprake van een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op klein deel (0,15 ha) van het totaal aan H3110 in het Natura 2000 - gebied (17,62 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 429 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.807 mol N/ha/jr.
Er is sprake van een tijdelijke, beperkte toename aan stikstofdepositie gedurende een korte periode waarin de aanlegwerkzaamheden plaatsvinden van maximaal 0,06 mol N/ha/jr en van een verwaarloosbare stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr in de gebruiksfase. Een zeer beperkte toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert. Een dergelijke (tijdelijke) verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage.
Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening ge- houden moet worden. Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H3110 (ZGH3110), de meest logische plek voor uitbreiding van het habitattype om- dat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H3110. Volgens de herstelstrategie voor H3110 kan het open maken van dichtgeschoven vennen of het herstellen van voormalige vennen op landbouwgrond bijdragen aan uitbreiding van het habitattype. Ook het openmaken van ven-laagten die zijn dichtgegroeid of verland zijn, zou kunnen bijdragen aan uitbreiding van het habitattype. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H3110 in het Natura 2000-gebied.
Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H31 10 in het Natu- ra 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habitattype kun- nen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 14 4.4.3 H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse verspreid door het hele gebied voor, met een netto oppervlakte van ca. 5,7 ha. De huidige kwaliteit is goed, wat tot uiting komt in de overheersende aanwezigheid van soortenrijke vormen van de Associatie van gewone dophei en pionierstadia hiervan, waar de dopheide asso- ciatie met veenmos en beenbreek er één van is. Er is sprake van een gevarieerde vege- tatiestructuur met een hoog aandeel dopheide. Soortenarme rompgemeenschappen met pijpenstrootje en struwelen met wilde gagel komen alleen verspreid voor en beslaan een relatief kleine oppervlakte. De trend in omvang en kwaliteit is de afgelopen decennia po- sitief, maar actueel stabiliserend. Een hoge mate van stikstofdepositie kan zorgen voor opslag van bomen en struiken in de heidevegetatie en voor verruiging van het habitatty- pe.
Bij het huidige reguliere beheer treedt dit echter niet op en is de kwaliteit overwegend goed, ondanks een overschrijding van de KDW. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een beperkte toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,06 mol N/ha/jr op een deel (4,97 ha) van het totaal aan H4010A in het Natura 2000-gebied (5,65 ha). In de gebruiks- fase is sprake van een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op klein deel (0,06 ha) van het totaal aan H4010A in het Natura 2000 - gebied (5,65 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 71.071 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.829 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, beperkte toename aan stikstofdepositie gedurende een korte periode waarin de aanlegwerkzaamheden plaatsvinden van maximaal 0,06 mol N/ha/jr en van een verwaarloosbare stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr in de gebruiksfase. Een zeer beperkte toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn.
Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert. Een dergelijke (tijdelijke) verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening ge- houden moet worden.
Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H4010A (ZGH4010A), de meest logische plek voor uitbreiding van het habitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H4010A. Volgens de herstelstrategie voor H4010A zijn er diverse mogelijkheden om vochtige heiden te ontwikkelen op plaatsen waar het habitattype reeds lang is verdwe- nen. De beste perspectieven daarvoor zijn aanwezig op plekken waar de voedselrijkdom, pH en waterhuishouding relatief weinig zijn veranderd. Dat is met name het geval in natte bossen, voor zover hier geen ander habitattype dan vochtige heiden wordt nagestreefd. 15 Herstel van de gewenste abiotische condities is vaak relatief gemakkelijk, waarbij verwij- dering van strooisel en herstel van de hydrologie meestal een hoofdrol spelen. Het voor- genomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitat- type op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H4010A in het Natura 2000-gebied. Het voorgenomen pro- ject staat er evenmin aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype kan worden gerealiseerd.
Significante gevolgen van het voorgenomen project kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.4 H3130 Zwakgebufferde vennen Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en verbete- ring van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse vooral voor in het Brecklenkampse Veld. Daarnaast komen er kleine snippers voor ten zuiden van de Brekkelerweg. In totaal betreft het 5,0 ha. De huidige kwaliteit is goed, wat tot uiting komt in de aanwezigheid van verschillende typische waterplantensoorten. Soorten- arme rompgemeenschappen met knolrus en veenmossen komen in dit gebied nauwelijks voor. Door natuurontwikkeling en herstelbeheer vanaf de vroege jaren negentig is een forse uitbreiding en kwaliteitsherstel gerealiseerd in zowel de Bergvennen als het Breck- lenkampse veld. Op dit moment is sprake van een stabilisering van oppervlakte en kwali- teit. Een hoge mate van stikstofdepositie kan zorgen voor opslag van bomen en struiken aan de randen van de vennen en voor verruiging van het habitattype. Bij het huidige re- guliere beheer treedt dit echter niet op en is de kwaliteit overwegend goed, ondanks een overschrijding van de KDW.
Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een beperkte toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,06 mol N/ha/jr op een deel (4,81 ha) van het totaal aan H3130 in het Natura 2000-gebied (5,04 ha). In de gebruiks- fase is sprake van een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op klein deel (0,17 ha) van het totaal aan H3130 in het Natura 2000 - gebied (5,04 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 500 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.936 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, beperkte toename aan stikstofdepositie gedurende een korte periode waarin de aanlegwerkzaamheden plaatsvinden van maximaal 0,06 mol N/ha/jr en van een verwaarloosbare stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr in de gebruiksfase. Een zeer beperkte toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert.
Een dergelijke (tijdelijke) verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- 16 gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening ge- houden moet worden. Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H3130 (ZGH3130), de meest logische plek voor uitbreiding van het habitattype om- dat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H3130.
Volgens de herstelstrategie voor H3130 kan het open maken van dichtgeschoven vennen of het herstellen van voormalige vennen op landbouwgrond bijdragen aan uitbreiding van het habitattype. Ook het openmaken van ven-laagten die zijn dichtgegroeid of verland zijn, zou kunnen bijdragen aan uitbreiding van het habitattype. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H3130 in het Natura 2000-gebied. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H3130 in het Natu- ra 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habitattype kun- nen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.5 H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse voor in de laagten in vochtige heiden (H4010) en oevers van zeer zwakgebufferde vennen in het deelgebied Bergvennen. De totale netto oppervlakte bedraagt ca. 2,8 ha. Trends in are- aal en kwaliteit zijn onbekend.
Ontwatering door waterlopen in en nabij het Natura 2000 - gebied vormen het belangrijkste knelpunt voor dit habitattype. Effecten van een decen- nialange hoge stikstofdepositie werken nog door in het habitattype, omdat er nog naleve- ring van geaccumuleerd stikstof in de bodem plaatsvindt en de kwaliteit van de vegetatie door verruiging kan teruglopen. Een hoge mate van stikstofdepositie zorgt voor opslag van bomen en struiken en voor verruiging van het habitattype. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een beperkte toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,06 mol N/ha/jr op een deel (1,44 ha) van het totaal aan H7150 in het Natura 2000-gebied (2,75 ha). In de gebruiks- fase is sprake van een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op klein deel (0,04 ha) van het totaal aan H7150 in het Natura 2000 - gebied (2,75 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 1.071 mol N/ha/jr, met een maximum van 2.143 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, beperkte toename aan stikstofdepositie gedurende een korte periode waarin de aanlegwerkzaamheden plaatsvinden van maximaal 0,06 mol N/ha/jr en van een verwaarloosbare stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr in de gebruiksfase.
Een zeer beperkte toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert. Een dergelijke (tijdelijke) verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- 17 tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. Voor het habitattype is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden hoeft te worden.
Er is ook geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H7150 (ZGH7150), de meest logische plek voor uitbreiding van het ha- bitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H7150. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H7150 in het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen van het voorgenomen project kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.6 H6410 Blauwgraslanden Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en verbete- ring van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse in beide deelgebieden voor met een oppervlakte van ca. 3,4 ha. De kwaliteit is overwegend goed, wat tot uiting komt in de plaatselijke aanwezigheid van goed ontwikkeld blauwgrasland inclusief vormen daarvan die de overgang vormen naar kalkmoeras, heischraal grasland en zwakgebufferde vennen. Er is duidelijk sprake van kwelinvloed. Aan de noordzijde van de Bergvennen is verder een beperkte oppervlakte aanwezig die wordt gekenmerkt door een matige kwaliteit vanwege het ontbreken van kwelinvloed.
Door herstelmaatregelen vanaf de vroege jaren negentig is een forse uitbreiding en kwaliteitsherstel gerealiseerd in het Brecklenkampse Veld. Op dit moment is hier sprake van een stabilisering van op- pervlakte en kwaliteit. De beperkte oppervlakte in de Bergvennen is naar verwachting niet duurzaam te handhaven. Vanwege het ontbreken van een lemige of anderszins gebuffer- de bodem zal de vegetatie zich ter plekke ontwikkelen richting H4030 Droge heide . Een hoge mate van stikstofdepositie zorgt voor opslag van bomen en struiken en voor verruiging van het habitattype. Bij het huidige reguliere beheer treedt dit echter niet op en is de kwaliteit overwegend goed, ondanks een overschrijding van de KDW. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op de gehele oppervlakte (3,38 ha) aan H6410 in het Natura 2000-gebied. De achtergrond- depositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 786 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.696 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maxi- maal 0,02 mol N/ha/jr als gevolg van de werkzaamheden gedurende de aanlegperiode.
Een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,0 2 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert. Een dergelijke tijdelijke, verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen 18 processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW.
Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening ge- houden moet worden. Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H6410 (ZGH6410), de meest logische plekken voor uitbreiding van het habitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H6410. Volgens de herstelstrategie voor H6410 is het voor realisatie van blauwgraslan- den van belang dat de fosfaatverrijkte bovengrond geheel wordt afgegraven waarna blauwgraslandsoorten kunnen worden ingezaaid. In gevallen waar het habitattype afhan- kelijk is van een lokaal watersysteem, kan het gewenst zijn om de hogere terreindelen juist niet af te graven maar actief te verschralen. Herstel van blauwgrasland is ook moge- lijk uit elzenbroekbos, waarbij bomen worden verwijderd. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H6410 in het Natura 2000-gebied.
Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H6410 in het Natu- ra 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habitattype kun- nen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.7 H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is uitbreiding van de omvang en verbete- ring van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse met een oppervlakte van ca. 2,2 ha in zowel de Bergvennen als in het Brecklenkampse Veld voor. Het grootste deel van het habitattype is aanwezig in het Brecklenkampse Veld. Daar is sprake van een goede kwaliteit van het habitattype. Smalle overgangszones met een grotendeels vergelijkbare soortenopbouw op de overgang van vochtige heide naar blauwgrasland zijn niet als zelfstandige eenheid heischraal grasland opgevat, maar toe- gerekend aan de heischrale vorm van blauwgrasland. In de Bergvennen is een beperkte oppervlakte droog heischraal grasland aanwezig dat zich in een pionierstadium bevindt. Vanwege het prille stadium van ontwikkeling is sprake van een matige kwaliteit. Naar verwachting zal dit grasland zich verder ontwikkelen in de richting van Droge heide.
Effecten van een decennialange hoge stikstofdepositie werken nog door in het habitatty- pe, omdat er nog nalevering van geaccumuleerd stikstof in de bodem plaatsvindt en de kwaliteit van de vegetatie door verruiging kan teruglopen. Een hoge mate van stikstofde- positie zorgt voor opslag van bomen en struiken en voor verruiging van het habitattype. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op de gehele oppervlakte (2,20 ha) aan H6230vka in het Natura 2000-gebied. De achter- gronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 714 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.600 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maxi- maal 0,02 mol N/ha/jr als gevolg van de werkzaamheden gedurende de aanlegperiode. Een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- 19 tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert.
Een dergelijke tijdelijke, verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening ge- houden moet worden. Er is geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor H6230vka (ZGH6230vka), de meest logische plekken voor uitbreiding van het habi- tattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ontwikkelen tot H6230vka.
Volgens de herstelstrategie voor H6230 gebeurt uitbreiding van heischrale graslanden veelal op voormalig intensief agrarische gronden. Hierbij kan het mobiliseren van fosfaat een rol spelen, aangezien dit vaak in grote hoeveelheden aanwezig is op voormalige landbouwgronden. Naast het afvoeren van de voedselrijke bovenlaag, moet er voor de vochtige onderdelen ook naar eventueel herstel van de waterhuishouding worden gekeken. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbrei- dingsopgave voor het habitattype op deze wijze kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H6230vka in het Natura 2000-gebied. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H6230vka in het Natura 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habi- tattype kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.8 H7230 Kalkmoerassen Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse met een beperkte oppervlakte van ca. 0,3 ha voor in het Brecklenkampse Veld.
De kwaliteit is overwegend goed, vanwege het reguliere beheer dat plaatsvindt. Trends omtrent het areaal zijn thans niet bekend. Depositieniveaus boven de kritische depositiewaarde kun- nen in dit habitattype leiden tot zowel verzuring als vermesting. Beide abiotische proces- sen leiden tot een afname van kwalificerende soorten en een toename van soorten die horen bij een voedselrijker milieu. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op de een deel (0,28 ha) van het totaal aan H7230 in het Natura 2000-gebied (< 1,00 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 1.143 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.659 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maxi- maal 0,02 mol N/ha/jr als gevolg van de werkzaamheden gedurende de aanlegperiode. 20 Een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn.
Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert. Een dergelijke tijdelijke, verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. De huidige kwaliteit is bovendien overwe- gend goed vanwege het gevoerde reguliere beheer, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belangrijk knelpunt voor het habitattype. Voor het habitattype is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden hoeft te worden.
Er is ook geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebieden voor H7230 (ZGH7230), de meest logische plekken voor uitbreiding van het habitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ont- wikkelen tot H7230. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H7230 in het Natura 2000-gebied. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H7230 in het Natu- ra 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habitattype kun- nen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.9 H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse lokaal voor tussen de twee vennen direct ten zuiden van de onverharde Brekkelerveldweg, met een netto oppervlakte van 0,01 ha. Trends en kwaliteit zijn thans niet bekend, omdat het habitattype recent is toegevoegd aan het definitieve aanwijzingsbesluit. Stikstofdepositie vormt een knelpunt voor dit habitattype.
Effecten van een decennialange hoge stikstofde- positie werken nog door in het habitattype, omdat er nog nalevering van geaccumuleerd stikstof in de bodem plaatsvindt en de kwaliteit van de vegetatie door vergrassing kan teruglopen. Een hoge mate van stikstofdepositie zorgt voor opslag van bomen en strui- ken en voor vergrassing van het habitattype. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op de gehele oppervlakte (0,01 ha) aan H2320 in het Natura 2000-gebied. De achtergrond- depositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 1.071 mol N/ha/jr, met een maximum van 1.253 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maxi- maal 0,02 mol N/ha/jr als gevolg van de werkzaamheden gedurende de aanlegperiode. Een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is 21 geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert.
Een dergelijke tijdelijke, verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2). Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. Voor het habitattype is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Er is ook geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebieden voor H2320 (ZGH2320), de meest logische plekken voor uitbreiding van het habitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ont- wikkelen tot H2320. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H2320 in het Natura 2000-gebied.
Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H2320 in het Natu- ra 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habitattype kun- nen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 4.4.10 H5130 Jeneverbesstruwelen Het instandhoudingsdoel voor het habitattype is behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit. Het habitattype komt volgens de PAS-gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse zeer lokaal in oostelijk deel van De Bergvennen voor, met een netto oppervlakte van 0,2 ha. Op basis van de vegetatietypen uit de meest recente habitattypenkaart is er sprake van een goede kwaliteit. Wanneer overige kwaliteitsaspecten worden meegewogen, is de kwaliteit eerder matig vanwege de beperkte omvang van het habitattype en het voorals- nog uitblijven van verjonging waardoor het habitattype zeer kwetsbaar is. Effecten van een decennialange hoge stikstofdepositie werken nog door in het habitattype, omdat er nog nalevering van geaccumuleerd stikstof in de bodem plaatsvindt en de kwaliteit van de vegetatie door verruiging kan teruglopen. Een hoge mate van stikstofdepositie zorgt voor opslag van bomen en struiken en voor verruiging van het habitattype, waardoor verjonging kan uitblijven.
Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdelijk, gedurende de aanlegfase, een verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op de een deel (0,20 ha) van het totaal aan H5130 in het Natura 2000-gebied (< 1,00 ha). De achtergronddepositie ligt in de hexagonen met een projecteffect overal boven de KDW van 1.071 mol N/ha/jr, met een maximum van 2.322 mol N/ha/jr. Er is sprake van een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maxi- maal 0,01 mol N/ha/jr als gevolg van de werkzaamheden gedurende de aanlegperiode. Een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt niet tot meetbare veranderingen in de abiotische condities die voor het habi- tattype van belang zijn. Van ammonium- en/of aluminiumtoxiciteit van plantensoorten is geen sprake en er zal geen zodanige extra verruiging, vergrassing of extra merkbare verzuring van de bodem optreden, dat daardoor de soortensamenstelling van het habitat- type verandert. Een dergelijke tijdelijke, verwaarloosbare stikstoftoename leidt niet tot 22 meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veran- deringen in concurrentiepositie van planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschui- vingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen (zie paragraaf 4.2).
Er is dus geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van habi- tattype of de mogelijkheden de kwaliteit te verbeteren. Zoals is toegelicht veranderen processen die onder invloed van een overschrijding van de KDW plaatsvinden niet in meetbare of merkbare mate bij een dergelijke kleine extra depositiebijdrage. Hierdoor worden de aanwezigheid van typische soorten en de kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype niet beïnvloed. Voor het habitattype is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Er is ook geen toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebieden voor H5130 (ZGH5130), de meest logische plekken voor uitbreiding van het habitattype omdat op deze locaties al vegetaties aanwezig zijn die zich kunnen ont- wikkelen tot H5130. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H5130 in het Natura 2000-gebied. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen voor H5130 in het Natu- ra 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het habitattype kun- nen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.
4.5 Cumulatie Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet gelezen in samenhang met de definitie van een Natura-2000 activiteit, is het verboden zonder om- gevingsvergunning een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten negatieve effecten kan hebben voor een Natura 2000 - gebied. Dit betekent dat ingeval een project op zichzelf niet leidt tot negatieve effec- ten/aantasting van natuurlijke kenmerken, ook beoordeeld moet worden of het project in combinatie met andere projecten alsnog hiertoe kan leiden. De Habitatrichtlijn vereist dat ook de cumulatieve effecten van reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde, plannen of projecten inzichtelijk worden gemaakt en worden betrokken in deze ecologische be- oordeling, zodat geen enkel negatief natuureffect over het hoofd wordt gezien. Het be- trekken van deze plannen of projecten wordt in de praktijk ook wel de cumulatietoets genoemd. In de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) wordt aangegeven wat er in de cumulatietoets wel/niet betrokken hoeft te worden.