CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp (toelichting en regels)

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp75.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 9

28 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Resumerend De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland. 4.1.5 Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In deze paragraaf is de toets aan dit programma opgenomen. Op 1 december 2024 heeft de gemeenteraad van Dinkelland het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 vastgesteld. Het Volkshuisvestingsprogramma richt zich op het waarborgen van voldoende woningen van goede kwaliteit die betaalbaar en toegankelijk zijn voor iedereen. Dit kan alleen worden bereikt met een integrale aanpak, waarin verschillende beleidsterreinen van de gemeente worden samengebracht. Het raakt onder meer thema’s als sociale samenhang, leefbaarheid, specifieke doelgroepen, gezondheid, betaalbaarheid, grondbeleid, ruimtelijke ordening en duurzaamheid.

Kwantitatieve woningbehoefte Rekening houdend met de verwachte algemene lokale bevolkings- en huishoudensgroei, migratie (statushouders en arbeidsmigratie) en urgentiegroepen zijn er in totaal 871 extra woningen benodigd tot 2032 (zie tabel 1). Gezien de langdurige aard en complexiteit van woningbouwprojecten, zal in de praktijk een deel (30%) van de geplande woningbouwplannen vertraging oplopen of zelfs geheel komen te vervallen. Gelet hierop en gezien de looptijd van besluitvorming over woningbouw is een overmaat aan plancapaciteit ten opzichte van het aantal te bouwen woningen van belang voor het realiseren van de woningbouwproductie. Daarmee kan bij vertraging of wegvallen van een project gekeken worden naar alternatieve locaties. Om die reden zijn er vanaf 2020 afspraken tussen het Rijk en provincies om te zorgen voor 130% plancapaciteit, zoals beschreven in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Rekening houdend met 130% plancapaciteit voor de gemeente Dinkelland komt het aantal nieuw te bouwen woningen om te voldoen aan de lokale en bovenlokale behoefte uit op 1.133 woningen tot 2032. Kwalitatieve woningbehoefte Gemeente Dinkelland streeft naar een divers woningaanbod voor de huidige en toekomstige inwoners, waarbij er specifiek aandacht is in de woningbouwopgave voor verschillende aandachtsgroepen zoals starters, mensen met een woon- en zorgbehoefte (incl.

ouderen), arbeidsmigranten, statushouders en andere urgentiegroepen. Beoordeling van de plannen: Het toevoegen van drie compensatiewoningen past binnen deze programmering. In de brief als reactie op het principeverzoek heeft de gemeente Dinkelland aangegeven dat in het woningbouwprogramma de woningen zijn gereserveerd. De compensatiewoningen passen dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Geconcludeerd wordt dat het initiatief is in overeenstemming is met het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029. 4.1.6 Casco benadering N oordoost Twente De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 29 afbeelding 4.6: fragment van de cascokaart ter plaatse van de planlocatie (bron: geo.overijssel.nl) Beoordeling van plannen: Op de locatie is sprake van een rode en een groene lijn. De groene lijn maakt onderdeel uit van het casco beleid, de rode lijn is geen onderdeel van het cascobeleid. De lijn als onderdeel uitmakend van de casco blijft behouden.

Er zijn geen consequenties. De rode lijn betreft in de huidige situatie geen landschapselement. Er zijn daarom geen gevolgen voor het casco beleid. 4.1.7 Beeldkwaliteit In dit geval is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld die onder de Nota omgevingskwaliteit Dinkelland vastgesteld wordt. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de woningen, waarvoor het genoemde beeldkwaliteitskader de randvoorwaarden vormt. Voor de volledigheid is het beeldkwaliteitsplan opgenomen als Bijlage 3. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van voorliggend plan. 30 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1 Provinciaal vooroverleg De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor is door de gemeente een kennisgevingsformulier gestuurd aan de provincie.

De provincie heeft de volgende reactie gegeven: Een volledige voortoets voor Natura 2000 is vereist om vast te stellen of de stikstofdepositie significante negatieve gevolgen kan hebben voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Dit is meegenomen in het ontwerp omgevingsplan. Van de ter inzage legging van het ontwerp omgevingsplan is kennis gegeven aan provincie. Provincie heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. 4.2.2 Waterschap Vechtstromen Op 22 augustus 2025 is de digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. Op 1 september 2025 heeft het waterschap laten weten verder geen bezwaren te hebben tegen dit plan. 4.2.3 Participatie omgeving De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen.

Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: Een overzicht van de participatiestappen en opgehaalde resultaten van de participatie met een beschrijving van welke onderdelen van het plan of welke alternatieven van een plan kunnen rekenen op draagvlak en waarvoor minder of geen draagvlak is; Een beschrijving wat is gedaan met de resultaten van de participatie. Heeft de inbrengen van participanten bijvoorbeeld geleid tot een aanpassing van uw plan en op welke manier?; Een beschrijving van de overwegingen wat wel en niet is meegenomen en de onderbouwing. Voor de planlocatie geldt dat initiatiefnemers met omwonenden gesproken hebben. Dit is uitgewerkt in Bijlage 4. Er zijn vragen gesteld over de concrete uitvoering van de plannen en input gegeven voor de inpassing van het nieuwe erf. De gemaakte opmerkingen geven na beantwoording van het gestelde op dit moment geen directe aanleidingen om planwijzigingen aan te brengen.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 31 32 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.

Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt en conform de rood voor rood regeling drie compensatiewoningen gebouwd mogen worden. De ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen, de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien geeft het plan invulling aan een ruimte voor ruimte-regeling. Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte. 5.2 Besluit milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is.

In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 33 In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. De voorgenomen activiteit, het saneren van bebouwing en het in plaats hiervan bouwen van drie compensatiewoningen, staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.

Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'.

Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het voorliggend plan voorziet in de sanering van een veehouderij aan de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp en de nieuwbouw van compensatiewoningen op dezelfde locatie Voor de locatie geldt dat de verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf vervallen, vanwege het staken van de agrarische bedrijvigheid. In plaats hiervan worden drie compensatiewoningen gerealiseerd. De bestaande woning wordt daarnaast herbouwd, maar de verkeersbewegingen wijzigen als gevolg hiervan niet. Hiermee is de worst-case verkeersontwikkeling maximaal 25 (8,4 verkeersbeweging per woning). Dit beperkte aantal is zo laag dat de verkeersontwikkeling geen problemen veroorzaken op de omliggende wegen zoals de Bergvennenweg. De betrefffende wegen zijn gebiedsontsluitingswegen voldoende toeberekend op dergelijke aantallen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.

Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Dinkelland dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval worden in de nieuwe situatie drie extra vrijstaande woningen gebouwd. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4 per woning) afgerond 8 parkeerplaatsen. Daarnaast wordt de bestaande woning op het erf vervangen en ook daar wordt voorzien in eigen parkeerbehoefte (minimaal 3 parkeersplaatsen). Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocatie, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. 34 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht.

Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1 G ebiedsbescherming 5.4.1.1 N atura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie plangebied Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werkvoertuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl).

Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m³ aan afval vrijkomt. Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: 1. de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl); 2. de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling). Om te onderzoeken of een plan/project leidt tot een toename van stikstofdepositie dient gebruik gemaakt te worden van de AERIUS Calculator. Het rapport opgesteld door Ad Fontem ruimtelijk advies is opgenomen in Bijlage 5 stikstofberekening. Het rekeninstrument AERIUS berekent zowel de stikstof- als ammoniakdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van een plan of project voor wat betreft stikstof en ammoniak. De berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator Voor de aanlegfase is gerekend voor het rekenjaar 2026. Voor de gebruiksfase 2027.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 35 De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 29,2 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,1 kg/j. Er zijn rekenresultaten naar voren gekomen van 0,06 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt in de gebruiksfase in totaal 1,4 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,2 kg/j. Er zijn rekenresultaten naar voren gekomen van 0,01 mol/ha/j. Overige negatieve effecten kunnen op Natura 2000-gebieden voor beide locaties worden uitgesloten. De toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, als gevolg van de aanlegwerkzaamheden en gebruikfase, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is gekozen om een effectenbeoordeling te laten uitvoeren, om in kaart te brengen of de depositie bestempeld kan worden als 'niet tot significante gevolgen leidend'.

Uit de ecologische beoordeling, opgenomen in Bijlage 6, blijkt dat het voorgenomen project op zichzelf, of in combinatie met andere reeds vergunde maar nog niet gerealiseerde projecten, niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van de betreffende habitattypen/leefgebieden van soorten in het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. De ontwikkeling is niet in strijd is met de bepalingen uit artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet. Conclusie Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase een meetbare depositie van stikstof en ammoniak geconstateerd. In de aanlegfase bedraagt de hoogste bijdrage 0,06 mol/ha/jaar ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. In de gebruiksfase bedraagt de hoogste bijdrage 0,01 mol/ha/jaar ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. Gezien de meetbare depositie in zowel de aanlegfase als gebruiksfase is een ecologische voortoets uitgevoerd.

Significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld kunnen op basis daarvan met zekerheid worden uitgesloten. De ontwikkeling is niet in strijd is met de bepalingen uit artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet. 5.4.1.2 N atuurnetwerk N ederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied De plangebieden behoren niet tot het Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeven voorgenomen initiatieven niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Conclusie De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 36 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 5.4.2 Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.

Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied In het natuuwaardenonderzoek in Bijlage 7 zijn de bevindingen opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de bebouwing, het verwijderen van beplanting en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, maar dat geldt niet voor vleermuis, steenuil, kerkuil, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en steenmarter. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, steenuil, kerkuil, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en steenmarter.

Conclusies van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen; Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor steenmarters; Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor steenuil, kerkuil, huismus, huiszwaluw en boerenzwaluw; Op basis van de nadere onderzoeken moeten er mogelijk mitigrerende maatregelen getroffen worden en/of een eventueel benodigde omgevingsvergunning aangevraagd worden. Dit hoeft de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan in principe niet in de weg te staan. Conclusie Met inachtneming van de voorgaande bevindingen staat het onderdeel soortenbescherming de ontwikkeling op voorhand niet in de weg. 5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogereconcentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 37 voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool Beoordeling van de plannen: Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp. Gekeken is wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit drie extra woningen bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit de locatie. Afbeelding 5.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit.

De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'. Conclusie 38 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: Afbeelding 5.3: standaarwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl) bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 39 Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'.

Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai De locatie ligt nabij de Bergvennenweg. Het erf is niet direct aan deze weg gelegen, maar is middels eigen toerit bereikbaar. De betreffende weg is een 60 km/u weg welke wordt benut door bestemmingsverkeer. Er is daarmee sprake van relatief lage intensiteiten in combinatie met een behoorlijke aangehouden afstand ten opzichte van deze weg voor de nieuwe woningen. De weg zelf laat zien dat een verwachte geluidsbelasting van 33 dB geldt. Dit voldoet aan de standaardwaarde. De nieuwe woningen liggen op een ruimere afstand, daarmee voldoet het plan voor wegverkeerslawaai aan de geldende normen. Afbeelding 5.4 geluidskaart omgeving plangebied wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving) Situatie plangebied, industrielawaai Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn.

Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour. Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten Aan de Breemorsweg 7 geldt dat een niet grondgebonden agrarisch bedrijf is gelegen op 260 meter van het plangebied, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geluid. De onderlinge afstand is ruim voldoende. Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie. Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid. 5.7 Geur In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

40 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Beoordeling van de plannen: Onderhavige plannen maken een transformatie op het erf Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp mogelijk en voorzien dit erf van extra woningen. De betreffende ontwikkeling beoogt daarmee om nieuwe geurgevoelig objecten te realiseren. Onderstaand wordt per locatie de situatie voor geur behandeld. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf nabij Bergvennenweg 23 betreft het erf Breemorsweg 7 in Lattrop-Breklenkamp. De locatie ligt op minstens 260 meter van het plangebied, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. De onderlinge afstand is ruim meer dan de benodigde vaste afstand van 50 meter conform artikel 5.111 en 5.115 van het Bkl die geldt bij ruimte voor ruimte-ontwikkelingen. Gezien de ruime onderlinge afstand worden belemmeringen vanuit geur niet voorzien. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie aangaande geur.

5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan.

In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Beoordeling van de plannen: bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 41 Afbeelding 5.6: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt) Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 800 m van de nieuwe woningen de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een mestvergistingsinstallatie. De nieuwe woningen liggen echter buiten de aandachtsgebieden als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan. 5.9 Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw.

Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid.

In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Beoordeling van de plannen: Voorliggend project heeft betrekking op een rood voor rood voornemen en herbouw van bedrijfswoning. In totaal gaat het om de bouw van 4 woningen. 42 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op. 1. Bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen dient rekening te worden gehouden met trillingen. Rondom de planlocatie zijn hoofdzakelijk woonerven en agrarische bedrijven gevestigd. In Artikel 5.80 van het Bkl staat de gebruiksfunctie 'wonen' omschreven als een trillinggevoelige functie.

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten en de situaties die zijn uitgezonderd van de instructieregels van het Bkl. De activiteit wonen behoort tot één van de uitzonderingen. In onderhavig plan is er geen sprake van trillingsveroorzake bedrijvigheid of acitviteiten in nabijheid van de nieuwe woningen. Een goed woon- en leefklimaat hiervoor is gegarandeerd. 2. Omgekeerd dient ook rekening te worden gehouden met trillingen bij het toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Zoals in voorgaande alinea is benoemd is er geen sprake van trillingsveroorzakende bedrijvigheid in de nabijheid van de planlocatie. Er treedt dan ook geen hinder op voor activiteiten of bedrijvigheid in de omgeving. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'. 5.10 Archeologie en Cultuurhistorie In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Beoordeling van de plannen: 5.10.1 Archeologie Onderstaand is voor de planlocatie een uitsnede van de gemeente verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 43 Afbeelding 5.8: uitsnede archeologische beleidsadvieskaart, planlocatie aangegeven met omcirkeling (bron: gemeente Dinkelland) De meest hoge waarde komt toe aan dekzandhoogten en -ruggen. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is vanaf 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. De plannen in het kader van rood voor rood overschrijden deze oppervlakte en diepte niet. Ook niet omdat de betreffende gronden op dit moment reeds bebouwd en daarmee geroerd zijn. De bodemingrepen binnen het plangebied blijven ruim beneden de 2.500 m2. Het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

5.10.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. 5.11 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K 44 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

Beoordeling van de plannen: Op een locatie gelegen aan de Bergvennenweg 23 te Lattrop-Breklenkamp, kadastraal bekend gemeente: Denekamp, Sectie: L, nummer(s): 2033 is op 4 september 2025 door Dumea een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 8. De locatie bestaat uit een perceel landbouwgrond aan de Bergvennenweg 23 in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp. Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie het omgevingsplan te wijzigen en een nieuwe woning te realiseren. De onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen koper en barium aangetroffen. Algemeen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

5.11.1 Eindconclusie Op basis van het voorafgaand bodemonderzoek wordt niet verwacht dat de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden aan de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp. Gezien de bodemkwaliteit is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan de locatie (ETFAL). Er kan voor wat betreft de bodemkwaliteit ingestemd worden met de bestemmingsplanwijziging via Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) Omgevingsplan. Indien tijdens graafwerkzaamheden toch een (mogelijke) verontreiniging wordt aangetroffen dient direct contact gezocht te worden met de Omgevingsdienst Twente. 5.12 Waterbelang Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.

Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 45 het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Waterparagraaf ‘toekomstgericht waterbeheer’ Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering.

Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1054/documents/25684