CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp (toelichting en regels)

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp75.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 9

Status: vastgesteld Bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop- Breklenkamp Status: vastgesteld Datum: IMRO-Code: NL.IMRO.1774.TAMBUIBERGVENNWG23- VG01 Auteur(s):

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Inhoudsopgave Motivering | 5 Hoofdstuk 1 Inleiding | 7 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied | 7 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging | 8 1.3 Leeswijzer | 9 Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie | 11 2.1 Huidige situatie | 11 2.2 Gewenste ontwikkeling | 12 2.3 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving | 13 Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege | 15 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten | 15 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan | 15 Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 17 4.1 Visie en beleid voor het plangebied | 17 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders | 31 Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten | 33 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking | 33 5.2 Besluit milieueffectrapportage | 33 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren | 34 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming | 35 5.5 Luchtkwaliteit | 37 5.6 Geluid | 39 5.7 Geur | 40 5.8 Omgevingsveiligheid | 41 5.9 Trillingen | 42 5.10 Archeologie en Cultuurhistorie | 43 5.11 Bodem | 44 5.12 Waterbelang | 45 5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen | 47 Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid | 49 Hoofdstuk 7 Juridische toelichting | 51 7.1 Wijziging omgevingsplan | 51 7.2 Artikelsgewijze toelichting | 51 Bijlagen bij de toelichting | 53 Bijlage

1 ruimtelijk kwaliteitsplan | 54 Bijlage 2 kwaliteitsteam advies | 73 Bijlage 3 BKP | 75 Bijlage 4 participatieverslag | 90 2 | bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Bijlage 5 stikstofberekening 93 Bijlage 6 effectenbeoordeling 137 Bijlage 7 natuurwaardenonderzoek 163 Bijlage 8 bodemonderzoek 209 Bijlage 9 watertoets 268 Regels 273 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 275 Artikel 1 Begripsbepalingen 275 Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen 276 Artikel 3 Toepassingsbereik 277 Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen 279 Artikel 4 Agrarisch - 1 279 Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied 281 Hoofdstuk 3 Algemene regels 285 Artikel 6 Anti-dubbeltelregel 285 Artikel 7 Algemene ruimtelijke bouwregels 286 Artikel 8 Planologische gebruiksactiviteiten 287 Artikel 9 Regels parkeren 288 Artikel 10 Overige regels 289 Hoofdstuk 4 Overgangsrecht 291 Artikel 11 Overgangsrecht 291 Bijlagen bij de regels 293 Bijlage 1 Begripsbepalingen 294 Bijlage 2 Erfinrichtingsplan 300 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 3 4 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Motivering bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 5 6 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk

22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Er is sprake van bedrijfsbeëindiging in het kader van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (hierna: Lbv) van het agrarisch bedrijf ter plaatse van Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp. De bedrijfsgebouwen hebben na staken van de activiteiten geen vervolgfunctie en de initiatiefnemer is daarom voornemens om de stallen en schuren te slopen. Daarnaast is een bestaande bedrijfswoning op de locatie aanwezig die niet voldoet aan de huidige wensen en eisen van deze tijd voor bewoning. Ook hiervoor geldt dat sloop gewenst is, waarna nieuwbouw zal plaatsvinden. Hiermee is het plan opgevat de schuren op het erf, in totaal ruim 4.160 m2, te saneren en in te brengen in het kader van rood voor rood. Het plan omvat de sloop van de bestaande gebouwen en het terugbouwen van in totaal 4 woningen (één bestaand en drie nieuw) en bijbehorende bouwwerken op het erf. De plannen passen niet in het omgevingsplan van rechtswege. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader noodzakelijk om de plannen mogelijk te maken. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling.

Ligging planlocatie Het plangebied ligt aan de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp, in het noordoostelijk deel van het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L met perceelnummers 2032 en 2033. Een topografische kaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het huidig bedrijfsperceel, de gewenste ontwikkeling op het erf en de landschappelijke investeringen. Afbeelding 1.1: topografische kaart met plangebied (in rood) ten opzichte van omliggende plaats Lattrop (bron: Map5 kaarten) bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 7 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente.

De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken.

De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie.

In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren. Zienswijzen Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor een ieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 8 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau.

Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 9 10 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie 2.1.1 Historische context en bestaande situatie Het erf van de initiatiefnemer is gelegen aan de Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp. De locatie ligt te midden van een gebied met dekzandvlakten en -ruggen. Nabij zijn eveneens beekdalgebieden gelegen. De planlocatie ligt in een lager gelegen gebied waar zowel heide- als kleinschalige veengebieden zijn ontgonnen. Het erf is in de jaren ‘60 ontstaan, in de tijd van de grootschalige ruilverkaveling. In die tijd konden de minder vruchtbare gebieden worden ontgonnen door met name de verbeterde afwateringstechnieken.

De ontginningsgebieden waren grootschalig en open en door de ruilverkaveling ontstonden boerderijen met grote, aaneengesloten percelen, zoals ook op de planlocatie. Op de planlocatie is een zogenaamde ontginningsboerderij te vinden. In de jaren ‘60 is de boerderij van de initiatiefnemer verplaatst van de rand van Lattrop naar de Bergvennenweg. Het erf kent een grootschalige en rechtlijnige structuur met een openheid richting het landschap. Het erf heeft een kenmerkende structuur. Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie Bergvennenweg 23 (bron: PDOK.nl) bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 11 Afbeelding 2.2: vogelvlucht aanzicht huidige erfsituatie (bron: Streetsmart) 2.2 Gewenste ontwikkeling In de nieuwe situatie worden de agrarische opstallen, inclusief de bestaande woning (E, witte stippellijnen) en de kuilvoerplaten (F) gesloopt en/ of verwijderd. Het huidige woonhuis, dat parallel aan de weg is gelegen, maar haaks op de schuur staat, wordt gesloopt en op een andere locatie op het erf vervangen door een nieuwe (woon)boerderij. Het bijbehorend bouwwerk mag 200 m2 groot worden. Op basis van de regeling mogen drie woningen worden gerealiseerd. Naast de hoofdwoning worden een vrijstaande woning (C op tekening) en een 2^1 woning (B) met geïntegreerde bijgebouwen gerealiseerd.

Door deze opzet wordt het aantal afzonderlijke gebouwen beperkt gehouden. Het erf krijgt daarmee een compacte, maar robuuste inrichting die aansluit bij het open en rechtlijnige landschap. Om de ruimtelijke kwaliteit te versterken en de openheid van het landschap te behouden, worden op diverse plekken fragmenten haag aangeplant (G). Ook worden enkele bomen toegevoegd, waaronder zomereiken (I) en zomerlinden (J), die bijdragen aan een passende landschappelijke structuur. De bestaande fruitbomen (H) worden verplaatst naar de voorzijde van de boerderij en herplant in een lossere, boomgaardachtige opstelling. Binnen het erf wordt nieuwe verharding aangebracht (K), waarbij een open zicht op het achterliggende landschap behouden blijft. De buitenzijde van het erf blijft hierdoor vrij van verhardingen, wat zorgt voor een natuurlijke inpassing in de omgeving. Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit: Compact erf met een herkenbare opzet, passend in het landschap; Nieuw aan te planten hagen (G); Aan te planten fruitboomgaard (H); Nieuw aan te planten zomereiken en zomerlinden (I en J); Verwijderen bebouwing (E) en erfverharding (F).

12 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke situatie Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp (bron: N+L Landschapsontwerpers) 2.3 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Het erf ligt in het ontginningslandschap. Erven in het ontginningslandschap kennen een rechtlijnige structuur die herkenbaar moet blijven. Daarnaast dient de openheid richting het landschap behouden blijven met eventueel beplanting langs de weg. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in een inpassing die aansluit bij deze karakteristieken. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 13 14 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor een rood voor rood ontwikkeling op de locatie Bergvennenweg 23 in Lattrop-Breklenkamp. Op de locatie is een agrarische bedrijfsbestemming voor grondgebonden veehouderij toegekend. Deze bedrijfsacitviteiten worden gestaakt en met het rood voor rood voornemen gaat er enkel nog een woonfunctie worden uitgeoefend. Het omzetten naar een reguliere woonfunctie is daarom gewenst.

Het bouwen van de compensatiewoningen past daarnaast niet binnen de standaard planregels voor de woonfunctie. Bovendien dient de sloop op de locatie Bergvennenweg 23 vastgelegd te worden, zodat deze bebouwingsoppervlakte niet opnieuw kan worden teruggebouwd. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk. 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege met onderdelen 'Buitengebied 2010' en 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland'. Het onderdeel "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" dient enkel als borging van het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland en wordt daarom verder niet behandeld in deze paragraaf. Hierna wordt nader ingegaan op de huidige planologische situatie. Bergvennenweg 23, Lattrop-Breklenkamp Het plandeel heeft de functie 'Agrarisch - 1' met bijbehorende functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' en bouwvlak. Het realiseren van extra (reguliere) woningen binnen de functie is niet toegestaan. Daarnaast moet de woonfunctie vanwege het beeindigen van de agrarische bedrijvigheid worden toegekend en dient de sloop in het kader van rood voor rood te worden geborgd.

Afbeelding 3.1: verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past het bouwen van de compensatiewoningen en vastleggen van het maximum bebouwingsoppervlakte niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 15 3.2.2 Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.

De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen: begrippen (hoofdstuk 1) voorrangsbepalingen en overgangsrecht (afdeling 22.1) regels over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.2) regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond (afdeling 22.4) regels over overige gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5) De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. Zodoende zijn de regels niet relevant. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan. 3.2.3 G emeentelijke verordeningen Er zijn geen gemeentelijke verordeningen die van belang zijn voor dit plan. 16 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 N ationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen.

De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.

Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme. De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen.

Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap. Beoordeling van het plan: Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI.

Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een VAB-locatie, omdat een vrijkomend agrarisch erf wordt omgevormd naar regulier woonerf, waarbij bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 17 bebouwing wordt gesaneerd, maar met behoud van de (agrarische) karakteristieken herbouwd wordt en voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Geconstateerd is dat de compensatiewoningen op de bestaande erflocatie een logische vervolgfunctie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (omgevings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3.

Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag en laag van de beleving) Doorwerking in onderhavig plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: artikel 4.4 (principe van concentratie) artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls groene omgeving) artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) artikel 4.14 (woonafspraken) artikel 4.55 (Nationaal Landschap Noordoost-Twente) Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.4: principe van concentratie In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Beoordeling van het plan: In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel in gebruik zijn als erf. De agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Bergvennenweg worden beëindigd en daarom wordt de voormalige bedrijfsbebouwing nu gesaneerd en de erflocatie omgezet. Hier in de plaats mogen woningen worden gebouwd op basis van de rood voor rood-regeling.

Op basis van de gemeentelijke woonvisie is sprake van behoefte aan toevoeging van woningen. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.5. Daarmee is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie. Artikel 4.5: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 2 Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: 18 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Beoordeling van het plan: De locatie Bergvennenweg ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van herontwikkeling, waarbij bestaande agrarische bebouwing wordt gesaneerd en als tegenprestatie compensatiewoningen mogen worden gebouwd. Basis uitgangspunt is hierbij herbouw op de slooplocatie. In dit geval worden alle compensatiewoningen op de slooplocatie gebouwd; dit is ook het maximaal toelaatbare vanuit het uitgangspunt van ruimtelijke kwaliteit. De keuze is vanuit dat oogpunt ook genomen om bijgebouwen inpandig te realiseren, zodat er niet te veel losse volumes ontstaan.

Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening. Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting bij omgevingsplannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering). Beoordeling van het plan: Voor de plangebieden is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten voor artikel 4.9 van de verordening. Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving In dit artikel wordt een generieke mogelijkheid geboden om onder voorwaarden nieuwe ontwikkelingen toe te staan in de Groene Omgeving als daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen zijn. Deze regeling wordt 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' genoemd, omdat van deze nieuwe ontwikkelingen wordt verwacht dat ze een extra impuls opleveren voor investeringen in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Beoordeling van het plan: Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Dinkelland.

De aanleiding voor deze ontwikkeling is de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, waarbij de veehouderij aan de Bergvennenweg wordt gesaneerd om een vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te bewerkstelligen. Deze sociaaleconomische of maatschappelijke meerwaarde vertaalt zich daarnaast in: Sloop van 4.160 m2 aan voormalig agrarische bebouwing; het realiseren van een erfensemble met ruimtelijk kwaliteit; de verwijdering van overtollige erfverhardingen e.d.; Het landschappelijk inpassen van de aangepaste erflocatie; In het onderhavig geval betreft het de ontmanteling van een agrarische bedrijfslocatie aan de Bergvennenweg, sanering van de voormalige bedrijfsgebouwen en de realisatie van drie compensatiewoningen met inpandige bijgebouwen. Dit is in Bijlage 1 nader uitgewerkt. Met inachtneming van dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt voldaan aan artikel 4.11. Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.

Beoordeling van het plan: De ontwikkeling is van relatief kleine omvang en vindt plaats op een bestaande erflocatie, waardoor de invloed op de bodem en water zeer beperkt zal zijn. Bovendien wordt er nieuwe beplanting gerealiseerd, dit zorgt voor een hogere capaciteit van het groen om het water op te vangen en vast te houden. Daarmee levert het - op zeer bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 19 lokaal niveau - een bijdrage aan klimaatadaptatie. Hiermee kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 4.13. Artikel 4.14 (woonafspraken) 1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2. Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. Beoordeling van het plan: Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 3 compensatiewoningen op basis van de rood-voor-rood-regeling. Door de sloop van bebouwing wordt het recht voor drie extra wooneenheden verkregen. De woningen voldoen aan de kwalitatieve behoefte en worden gebouwd voor de lokale behoefte.

Zoals uit paragraaf 4.1.5 blijkt is er in de gemeente Dinkelland ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend omgevingsplan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.55: Nationaal Landschap Noordoost-Twente Lid 1 Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Lid 3 Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Beoordeling van het plan: De plannen van de eigenaren van Bergvennenweg 23 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan het voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente.

Er wordt op de locatie gezorgd voor een behoud en versterking van landschapskenmerken in een passende setting. De voormalige agrarische identiteit van de locatie wordt hierbij respecteerd door in een herkenbaar erfensemble te bouwen en te kiezen voor deels inpandige bijbehorende bouwwerken, vergezeld van passende landschappelijke ingrepen. Bovendien wordt voldaan aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het landschap, mede gelet op de (extra) investering in de ruimtelijke kwaliteit, juist versterkt. Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is voor de planlocatie het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.

20 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp Afbeelding 4.1: ontwikkelingsperspectief, planlocatie omcirkeld (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

De ontwikkeling van de woonfunctie binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het omvormen van de agrarische bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie na beeindiging van het agrarisch bedrijf is een passende activiteit in het mixlandschap. Ook het toevoegen van een extra woningen binnen dit mixlandschap is passend binnen het ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. Natuurlijke laag. 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. 3. Stedelijke laag. 4. Laag van de beleving. Natuurlijke laag bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 21 De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water.

De locaties zijn gelegen in gebieden met overgangen van dekzandvlakte en ruggen naar beekdalen en natte laagtes. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat. Soms vlak bij elkaar, soms ver van elkaar verwijderd. Daardoor is er sprake van hoogteverschillen. In de jaren zijn hoogteverschillen geërodeerd door de wind. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. Afbeelding 4.2: uitsnede natuurlijke laag, planlocatie omcirkeld (bron: provincie Overijssel) Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Afbeelding 4.3: uitsnede laag van cultuurlandschap, planlocatie omcirkeld (bron: provincie Overijssel) Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het 22 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid van dat landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds.

De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De planlocatie is aangemerkt als jonge heide- en broekontginning. Er is echter ook sprake van veenontginning. Voor de kenmerken van het landschap maakt dat niet veel verschil: het ontginningslandschap kent hier een rechtlijnige verkaveling, een open karakter en begroeiing in de vorm van lanen en boscomplexen. Laag van de beleving en stedelijke laag Afbeelding 4.4: uitsnede laag van de beleving, planlocatie omcirkeld (bron: provincie Overijssel) Het plangebied valt binnen de waarde 'Donkerte' in deze laag. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief.

De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Hierbij wordt de toepassing van kunstlicht zeer selectief ingezet. Het plan doet geen afbreuk aan beleving 'donkerte'. Juist kan gesteld worden dat de bedrijfsuitstraling van de agrarische bedrijvigheid komt te vervallen, zodat er geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder dat afbreuk doet aan het aspect donkerte. Stedelijke laag Het plangebied heeft voor wat betreft de stedelijke laag geen specifieke kenmerken toegewezen gekregen, die voor voorliggende ontwikkeling relevant zijn. Daarom blijft een verdere toetsing aan deze lagen buiten beschouwing. Conclusie Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 23 4.1.3 MijnOmgevingsvisie Dinkelland De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe.

De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema's 'Goede staat van landschap en natuur' en 'Buitengebied in balans' van belang. Goede staat van landschap en natuur De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Dinkelland, willen we behouden en ontwikkelen. Het landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor: behouden en versterken van het veelzijdige cultuurlandschap; versterken van de biodiversiteit; behoud van natuur en landgoederen. Buitengebied in balans De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek.

De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. In het buitengebied van de gemeente is er landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers.

De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. 24 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de bijbehorende waardenkaart weergegeven. De locatie ligt in de zone 'gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek'. afbeelding 4.5: uitsnede waardenkaart, planlocatie omcirkeld (bron: gemeente Dinkelland) Beoordeling van de plannen: De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het slopen van bebouwing, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. Tevens wordt op het erf drie compensatiewoningen en worden inpandige bijbehorende bouwwerken gerealiseerd. De bestaande woning wordt herbouwd. Door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1 ruimtelijk kwaliteitsplan) worden de planlocatie landschappelijk ingepast. Hiermee wordt het verval en de verkrotting voorkomen en bijgedragen aan het behoud en het versterken van de identiteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt.

Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur, de Nota verblijfsrecreatie en het VAB+ beleid. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en kaders verblijfsrecreatie. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende passages uit het beleid zijn relevant: 3.2 Uitbreiden bijbehorende bouwwerken bij woning (schuur voor schuur) 3.5 Extra woningen (rood voor rood) 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ De relevante artikelen worden onderstaand stapsgewijs gehandeld.

3.2 Uitbreiden bijbehorende bouwwerken bij woning (schuur voor schuur) Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie ‘Wonen’, gelden de volgende voorwaarden: bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 25 1. Extra m2 bebouwing wordt uitsluitend toegestaan indien elders binnen de gemeente Dinkelland of Tubbergen landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt. Hierbij geldt de volgende bouw-/sloopverhouding: 2. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 3. Landschap ontsierende veldschuren komen ook in aanmerking voor deze regeling; 4. Gebouwen moeten in het geheel worden gesloopt, inclusief funderingen en eventuele (mest)kelders; 5. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 6. Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop en worden ingepast in de nieuwe erfopzet; 7. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie.

Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel. 3.5 Extra woningen (Rood voor Rood) Voor het toestaan van extra woningen binnen de functie ‘Wonen’ gelden de volgende voorwaarden: 1. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien sprake is van een kwaliteitsimpuls in de vorm van de sloop van landschapsontsierende gebouwen binnen de gemeente Dinkelland en Tubbergen. Hierbij geldt dat voor elke 1.200 m² te slopen landschapsontsierende bebouwing, één bouwkavel voor een woning kan worden toegekend; 2. Voor bedrijfsmatige kassen/een kassencomplex geldt een sloopverhouding van 1:5 ten opzichte van overige landschap ontsierende bebouwing, waarbij geldt dat hiermee per plan/locatie maximaal 3 compensatiewoningen gerealiseerd kunnen worden. 3. Alleen (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden ingezet, voor gebouwen met een ander (voormalig) bedrijfsmatig gebruik geldt maatwerk; 4. Alleen gebouwen die tenminste 5 jaar geleden zijn opgericht kunnen worden ingezet; 5. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 6. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen.

De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 7. Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop en worden ingepast in de nieuwe erfopzet 8. Er mogen meerdere sloop- en bouwlocaties worden gecombineerd; 9. Tenminste 75% van de vereiste sloopoppervlakte voor een woning moet uit de gemeente komen waar de woning gebouwd wordt; 10. Op een slooplocatie moet tenminste 300m² worden gesloopt, tenzij het gaat om een veldschuur; 11. Alle landschapsontsierende gebouwen op een slooplocatie moeten worden gesloopt; 12. Bouwwerken zoals sleufsilo’s, mestplaten, mestbassins, (mest)kelders, hobby-/tunnelkassen en erfverharding moet worden verwijderd en tellen niet mee met de sloopoppervlakte. Torensilo’s en mestsilo’s kunnen worden meegeteld in de sloopoppervlakte; 13. De extra woning moet worden teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalig) agrarisch bedrijf, (voormalig) niet-agrarisch bedrijf dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Een locatie van een veldschuur geldt niet als geschikte terugbouwlocatie; 26 bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied, Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 14. De woning en de bijbehorende bouwwerken dienen één erfensemble te vormen met de overige bebouwing (één-erf gedachte); 15.

Wanneer de slooplocatie(s) niet geschikt is/zijn om een extra woning te bouwen vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, milieu-, ruimtelijke ordening- en/of overige wet- en regelgeving, kan de woning elders teruggebouwd worden. In dat geval dient de terugbouwlocatie aan te sluiten op bestaande bebouwing. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bouwen in kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing, een bestaand erfensemble/erfstructuur (hieronder kan eventueel ook het ensemble/ de erfstructuur van een historisch(e) landgoed/ buitenplaats worden verstaan) of op de locatie van een solitair gelegen recreatiewoning waarbij deze wordt omgezet in een reguliere woning; 16. Indien wordt voldaan aan de sloopnorm, mag een extra woning met bijbehorende bouwwerk(en) gebouwd worden conform de toegestane afmetingen (inhoud/oppervlakte/etc.) die gangbaar zijn in het geldend omgevingsplan voor de functie ‘Wonen; 17. Van de sloopoppervlakte boven de sloopnorm, mag een gedeelte worden teruggebouwd dan wel behouden blijven voor het realiseren van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Voor de berekening van de terug te bouwen dan wel de te behouden oppervlakte wordt de tabel uit paragraaf 3.2 toegepast. Indien de te behouden gebouwen landschap ontsierend zijn, worden eisen gesteld aan het verfraaien van de gebouwen zodat deze niet meer landschap ontsierend zijn; 18.

In afwijking van lid 11 kunnen gebouwen die in eerste instantie landschapsontsierend zijn, maar waarin bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn, worden uitgezonderd van sloop mits dit landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is, de gebouwen zodanig verfraaid worden dat deze niet meer landschapsontsierend zijn en voldaan wordt aan de voorwaarden uit paragraaf 3.4. 19. Middels een beeldkwaliteitsplan dient de beeldkwaliteit van de woning vastgelegd te worden. Er is een standaard beeldkwaliteitsplan opgesteld welke hiervoor gebruikt kan worden. Indien dit plan niet volstaat voor een specifiek project, dient een initiatiefnemer zelf een beeldkwaliteitsplan aan te leveren. Het beeldkwaliteitsplan dient akkoord te worden bevonden door de gemeente; 20. In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied; 21. Het toepassen van de regeling houdt in dat dat op alle betrokken locaties de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken door de vergunninghouder, de locaties een passende functie krijgen conform het nieuwe gebruik en planologisch wordt geregeld dat de bedrijfsmatige agrarische activiteiten moeten worden beëindigd; 22.

De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel. 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5. Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken. Beoordeling van plannen: 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ In onderhavig geval is sprake van de bouw van extra woningen. Daarom wordt voldaan aan de sloopcompensatie voor een woontitel. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast. De omgevingsvergunningen milieu voor het agrarisch bedrijf worden geheel ingetrokken. Met inachtneming hiervan wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen.

3.5 Extra woningen (Rood voor Rood) Ter compensatie van de sloop van tenminste 1.200 m² aan landschap ontsierende gebouwen en een investering in ruimtelijke kwaliteit, mag een woning met bijbehorende bouwwerk(en) worden gerealiseerd met een inhoud/oppervlakte conform het omgevingsplan van rechtswege. Uitgangspunt is dat de compensatiewoning teruggebouwd wordt op de slooplocatie, dat is met het voornemen het geval. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ai Buitengebied , Bergvennenweg 23 Lattrop-Breklenkamp 27 Landschap ontsierend Uit een beoordeling van de gebouwen door landschap en stedenbouw deskundigen volgt dat alleen de machineberging (ca. 900m²) als landschap ontsierend aangemerkt kan worden. Voor de grote ligboxenstal (ca. 3.320m²) geldt dit in principe niet. Het kleur- en materiaalgebruik en ook de situering van het gebouw op het erf en de omvang van het gebouw in het (grootschalige) landschap ter plekke doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 9.2 van het beleid is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen op basis waarvan afgeweken kan worden van de beleidsregels indien de specifieke omstandigheden van een concreet geval hiertoe aanleiding geven. Dit kan onder andere wanneer niet aan de voorwaarden voldaan wordt maar een ontwikkeling wel voldoet aan de doelstelling van het beleid.

In paragraaf 1.2 staat dat het doel van de beleidsregeling meervoudig is. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Gezien het doel van de Lbv-regeling (het terugdringen van de stikstofuitstoot voor natuurherstel in Natura 2000-gebieden) waaraan het bedrijf deelneemt, willen de gemeente Dinkelland voor deze situatie gemotiveerd afwijken van het beleid om de sloopmeters van de ligboxenstal toch in te zetten voor rood voor rood. Het doel van regeling voorziet immers in een instandhouding/verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, zijnde natuurherstel. Het bedrijf is in dit specifieke geval met een afstand van 250 meter ook zeer dicht bij het Natura 2000-gebied De Bergvennen gelegen (en 20 meter ten opzichte van ‘uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000’). Door af te wijken van het beleid wordt bijgedragen aan natuurherstel van kwetsbare Natura 2000-gebieden en aan een leefbaar buitengebied, doordat het erf een nieuwe geschikte functie krijgt.

Uitgangspunt voor de compensatiewoning is dat deze moet worden teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalig) agrarisch bedrijf, dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Hier wordt aan voldaan. De huidige agrarische bedrijfsfunctie wordt omgezet naar een reguliere woonfunctie. De milieuvergunning en planologische mogelijkheden voor uitoefening van een agrarische veehouderij worden ingetrokken. De erflocatie biedt ruimte voor de toevoeging van drie extra woningen. De sloopppervlakte boven de sloopnorm voor rood voor rood wordt ingezet voor vergroten van de oppervlakte bijgebouwen bij de compensatiewoningen. Deze wordt evenredig verdeeld over de woningen. In overeenstemming met voorwaarde 17 van paragraaf 3.5 en de algemene randvoorwaarde 12 van paragraaf 2 is een gecombineerde toepassing van de in de beleidsregel opgenomen onderdelen mogelijk. Onderstaand is eveneens de toetsing aan paragraaf 3.2 (Uitbreiden bijbehorende bouwwerken bij woning (schuur voor schuur) uitgewerkt. Voor de beoordeling van de erfopzetten is het plan voorgelegd aan het Kwaliteitsteam. Het adveis is opgenmen in Bijlage 2. Vanuit deze bespreking is goedkeuring verschaft aan de opzet. Het Ruimtelijke kwaliteitsplan Bijlage 1 voorziet in een juiste ruimtelijke kwaliteit van het erf.

3.2 schuur voor schuur Zoals benoemd in de vorige alineas wordt in totaal 4.160 m2 aan bebouwing gesaneerd in het kader van rood voor rood. Voor drie compensatiekavels wordt 3.600 m2 aangewend (3*1.200 m2). Er resteert daarom 560 m2 en deze oppervlakte wordt ingezet ten behoeve van een vergroting van bijbehorende bouwwerken op het erf. Op basis van de algemene randvoorwaarde 12 van paragraaf 2 is een gecombineerde toepassing van de in de beleidsregel opgenomen onderdelen mogelijk. De voorwaarden voor inzet sloop zijn nagenoeg gelijk aan die voor rood voor rood en daarmee voldoet het aan de gestelde voorwaarden. Er wordt 560 m2 meer gesloopt dan nodig is voor drie compensatiewoningen. Het gaat om schuren zonder asbest. Om tot de schuur voor schuur regeling te komen is de volgende berekening van toepassing: 200 m2 slopen zonder asbest = 100 m2 bouwen 360 m2 slopen zonder asbest = 90 m2 bouwen Dit betekent dat 190 m2 gebouwd mag worden. Deze meters worden ingezet om de oppervlakte van de bijgebouwen te vergroten. Het bijgebouw nabij de (woon)boerderij wordt vergroot met 100 m2 waardoor er in totaal 200 m2 kan worden gebouwd. De overgebleven oppervlakte wordt verdeeld onder de drie woonrechten. Dat houdt in dat elk woonrecht 130 m2 aan bijgebouwen kan bouwen. Het gaat in dit geval om aangebouwde bijgebouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1054/documents/25684