TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Tekst van het document
De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Conclusie 44
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Het Natura 2000-gebied vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Wel ligt het plangebied binnen gronden die tot het Nationaal landschap behoren. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op minimaal 37 meter afstand van het plangebied. In figuur 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 5.3: Ligging plangebied t.o.v. NNN (bron: Lycens) Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Wel ligt het plangebied binnen gronden die behoren tot het Nationaal landschap. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN ten aanzien van het provinciaal beleid. Vanwege de bestaande bebouwing in de omgeving en de ligging van het plangebied wordt gesteld dat de geplande ontwikkeling de kernwaarden van het Nationaal landschap niet aantast. In de huidige situatie staan er woningen in en om het plangebied, hier is in de nieuwe situatie ook sprake van. Daarnaast bevindt het plangebied zich in de bebouwde kom, waardoor de ontwikkeling het landschap niet grootschalig veranderd. Conclusie Het plan heeft vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland geen negatief effect op het Natuurnetwerk Nederland. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
45
ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.2
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied In het kader van de quickscan flora en fauna zoals opgenomen in Bijlage 7 is het onderzoeksgebied (plangebied) op 10 juni 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Beschermde ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Mogelijk bezitten gebouw bewonende soorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger een vaste rust- en verblijfplaats binnen het onderzoeksgebied. Er dient onderzocht te worden of er zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen aanwezig zijn. Er wordt geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aangetast.
Verblijfplaatsen van vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een omgevingsvergunning is verkregen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt mogelijk tot wettelijke consequenties. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te stellen is specifiek vervolgonderzoek nodig. Er dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden voor de bebouwing. Een volledig onderzoek voor alle relevante soorten, conform het vleermuisprotocol bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode van 15 mei tot en met 30 september. Om een eventuele omgevingsvergunning voor het beschadigen/vernielen van een verblijfplaats van vleermuizen of het verstoren van een vleermuis te kunnen krijgen, moet er sprake zijn van een wettelijk belang, zoals opgenomen in de Habitatrichtlijn. Mogelijk wordt een jaarrond beschermd nest van een huismus of gierzwaluw beschadigd, vernield en/of verstoord als gevolg van voorgenomen activiteiten. Om deze nesten te verstoren, beschadigen of vernielen is een vergunning nodig. Om de functie van de bebouwing voor huismussen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist.
Een volledig onderzoek, conform Kennisdocument huismus (Bij12, versie 2.1, februari 2023), bestaat uit minimaal twee gerichte veldbezoeken in de optimale periode 1 april tot en met 15 mei of drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (met minimaal 1 veldbezoek in de optimale periode). Er dienen minimaal 10 dagen tussen de bezoeken te zitten. Om nesten van gierzwaluwen in de bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig gierzwaluwonderzoek, conform Kennisdocument Gierzwaluw, bestaat uit drie avondbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei tot en met 15 juli. Van de in het onderzoeksgebied nestelende overige vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden.
Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
46
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen omgevingsvergunning voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Indien deze soorten worden aangetroffen gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden, dan mogen ze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het onderzoeksgebied. Vegetatie of bodemmateriaal (stronken, puinbulten, takken etc.) dient gefaseerd te worden verwijderd, waardoor dieren de gelegenheid krijgen om te vluchten. Indien in de winter gewerkt wordt, dient rekening te worden gehouden met de winterslaap. In het kader van de (specifieke) zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Conclusie Als gevolg van het aspect 'soortenbescherming' dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar nesten van de huismus en de gierzwaluw. Daarnaast is een nader onderzoek noodzakelijk om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te stellen.
De verplichting tot het uitvoeren van de nadere onderzoeken, het treffen van eventuele mitigerende maatregelen en/of het aanvragen van een flora-en-fauna-activiteit is - volgt uit de Omgevingswet en de nadere onderzoeken zullen worden uitgevoerd. Concreet betekent dit dat alvorens de werkzaamheden voor het slopen en bouwen kunnen plaatsvinden, de resultaten van de nadere onderzoeken bekend moeten zijn en eventuele mitigerende maatregelen danwel een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit is verkregen. Op voorhand staat het aspect 'soortenbescherming' met inachtneming van bovenstaande niet aan de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan in de weg.
5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
47
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. 5.5.2
Situatie plangebied
Het plangebied in de gemeente Dinkelland ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen van vijf nieuwe woningen inclusief bijbehorende infrastructuur en groen), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM, kan worden gesteld dat het plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van vijf nieuwe woningen inclusief infrastructuur en groen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Een verdere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 5.5.3
Conclusie
Uit bovenstaande volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
5.6 Geluid 5.6.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals 48
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.4: Standaardwaarden (bron: artikel 5.78t van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig (48 dB) en de bovengrens 'zeer onrustig' (63 dB) bij een plangebied langs een gebiedsontsluitingsweg. 5.6.2
Situatie plangebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen. Het aspect 'railverkeerlawaai' vormt geen belemmering. Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de N349 en Almelosestraat. De N349 behoort tot de geluidbronsoort provinciale wegen. Voor provinciale wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB en een grenswaarde van 60 dB.
De Almelosestraat behoort tot de geluidbronsoort gemeentelijke wegen. De standaardwaarde voor gemeentelijke wegen bedraagt 53 dB en de grenswaarde 70 dB. Om de geluidbelasting van het wegverkeer op de gevels van de nieuwe woningen te onderzoeken, is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk B05.25.136-RM, d.d. 5 mei 2026). Het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
49
akoestisch onderzoek is als Bijlage 11 bij deze motivering opgenomen. Hieronder worden de conclusies van het onderzoek weergegeven: Uit de resultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de N349 wordt overschreden ter plaatse van alle woningen. Het hoogste geluid op de gevel bedraagt 56 dB. Daarmee wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 63 dB; De standaardwaarde ten gevolge van de geluidbronsoort gemeentelijke wegen wordt niet overschreden; Maatregelen om het geluid op de gevel terug te dringen tot aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB stuit naar verwachting op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard; Het is realistisch om een hogere waarde dan de standaardwaarde toe te staan van 56 dB voor woning 1, 52 dB voor woning 2 en 54 dB voor woningen 3, 4 en 5 ten gevolge van de N349; Uit de berekeningen blijkt dat het gezamenlijk geluid op de gevel de 53 dB overschrijdt ter plaatse van geplande woningen. Daarmee wordt voor de woningen niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De gezamenlijke geluidbelasting op de gevel van woning 1 bedraagt maximaal 61 dB (lden). De gezamenlijke geluidbelasting op de gevel van woning 2 bedraagt maximaal 57 dB (lden) en de gezamenlijke geluidbelasting op de gevels van woning 3, 4 en 5 bedraagt maximaal 59 dB (lden).
Extra geluidwerende voorzieningen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn noodzakelijk om aan het binnenniveau te voldoen. De gezamenlijke geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen is in de regels van dit TAM-omgevingsplan vastgelegd. De planregels geven uitvoering aan artikel 5.78ad Bkl door de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan zelf op te nemen. Bij de aanvraag voor de zgn. technische bouwactiviteit moet de initiatiefnemer aantonen dat met de te treffen gevelmaatregelen kan worden voldaan aan de binnenwaarde, gebruikmakend van de in de regels vastgelegde geluidbelasting. Dat betekent concreet dat bij de aanvraag omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende zijn om aan het binnenniveau te voldoen. Daarmee is verzekerd dat geluidwerende voorzieningen moeten worden aangebracht, waardoor aan het binnenniveau voldaan wordt. Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig waar een geluidproductieplafond geldt. Industrielawaai van industrieterreinen is geen belemmering voor het voorgenomen pan. Solitaire bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieuhinderlijke activiteiten en bedrijfsactiviteiten aanwezig. Het betreft voornamelijk enkele horeca-activiteiten en enkele solitaire bedrijfsfuncties.
Om te onderzoeken of deze functies een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling, wordt aansluiting gezocht bij de richtafstanden uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies (woningen). Om te onderzoeken of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden en om eventueel aanwezige milieubelastende activiteiten en/of bedrijven de zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen blijven uitoefenen, wordt hieronder getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking. Daarbij is allereerst van belang om te bepalen in welk omgevingstype het plangebied is gelegen. Het plangebied is gelegen aan de rand van de Ootmarsum waar overwegend woningen aanwezig zijn. Daarom moet het plangebied worden aangemerkt als 'rustig woongebied'. Binnen deze gebieden staat een prettig, rustig woongenot als doel centraal. Binnen een rustig woongebied komen incidenteel ook niet-woonactiviteiten voor, maar deze activiteiten zijn beperkt in aantal, voegen zich naar het primaat van de rustige woonomgeving en veroorzaken doorgaans geen wezenlijke hinder voor de omwonenden. De vestiging van niet-woonactiviteiten blijft in rustig woongebied veelal beperkt tot het toestaan van beroepen en bedrijven aan huis.
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende milieuhinderlijke activiteiten en/of bedrijfsactiviteiten aanwezig:
50
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Figuur 5.5: Tabel richtafstanden De afstand is gemeten vanaf de grens van de milieubelastende functie (voorheen bestemming) tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen. Uit de tabel volgt dat aan alle richtafstanden wordt voldaan (deze richtafstanden gelden zowel voor geluid als geur). Tot slot wordt een woning niet aangemerkt als milieubelastende functie. Derhalve heeft het plan geen negatief effect op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Warmtepompen Mogelijk dat de toekomstige woningen worden voorzien van warmtepompen. Om het installatiegeluid buiten de woonfunctie te beperken, zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) eisen gesteld voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB in de avond- en nachtperiode en voor de dagperiode ten hoogste 45 dB van één installatie. Hoewel op dit moment (nog) niet bekend is op welke wijze de warmte- en koudeopwekking zal plaatsvinden is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek (kenmerk B03.26.116-RM, d.d. 6 mei 2026) uitgevoerd om te onderzoeken of het plaatsen van warmtepompunits aan de zijde van het Keupinkspad kan leiden tot geluidsoverlast bij de omliggende woningen aan het Keupinkspad (worst-case situatie).
Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 12 bij deze motivering opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten gevolge van buitenunits van warmtepompen niet zal leiden tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Daarbij wordt opgemerkt dat het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een worst-case situatie waarbij alle warmtepompunits aan de zijde van het Keupinkspad zijn gesitueerd en 24 uur per dag in bedrijf zijn. Derhalve kan geconcludeerd worden dat eventuele warmtepompunits niet leiden tot geluidsoverlast. Voorts geldt dat de definitieve wijze van warmte- en koudeopwekking op dit moment nog niet concreet is. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de woningen zal worden aangetoond op welke wijze dit concreet zal plaatsvinden en wordt eveneens aangetoond dat die installaties voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op voorhand vormen de warmtepompen geen belemmering. 5.6.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande leidt het aspect geluid niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.7 Geur 5.7.1
Algemeen
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
51
activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. 5.7.2
Situatie plangebied
Het plan maakt nieuwe geurgevoelige functies/gebouwen mogelijk. Zoals in paragraaf 5.6.2 is beschreven zijn er in de omgeving van het plangebied enkele solitaire bedrijven aanwezig zoals een theehuis en hotels met keuken die invloed kunnen hebben op het aspect 'geur'. Zoals echter uiteen is gezet wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. De richtafstanden van geur en geluid zijn gelijk, waardoor reeds is aangetoond dat de solitaire bedrijven geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. Daarnaast bevindt zich in de omgeving van het plangebied geen agrarisch bedrijf. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op een afstand van 600 meter aan de Tichelwerk 6, waar een melkveehouderij is gevestigd. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving geldt een vaste afstand van 100 meter tussen het geurgevoelige gebouw en het agrarisch bedrijf waar landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gehouden worden (artikel 5.112 Bkl). Aan deze vaste afstand wordt ruimschoots voldaan. Tot slot geldt dat zich in de omgeving van het plangebied geen rioolwaterzuiveringsinstallatie bevindt. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt voldaan aan de vaste afstand op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 52
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 5.8.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de kaart 'omgevingsveiligheid' van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Op deze kaart staan onder andere de brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden van externe risicobronnen. In figuur 5.6 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Figuur 5.6: Uitsnede Atlas Leefomgeving, omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving) Uit de kaart blijkt dat de dichtstbijzijnde risicobron op een afstand van circa 735 meter van het plangebied ligt. Het betreft een brandaandachtsgebied van de aardgasleiding van de Gasunie met kenmerk N-531-91. Het plangebied ligt op ruime afstand van het brandaandachtsgebieden van de Gasunie. Verder zijn er geen explosieof gifwolkaandachtsgebieden in de omgeving van het plangebied. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
53
aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmering vormt voor deze ontwikkeling. 5.8.3
Conclusie
Als gevolg van het plan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Evenmin ligt het plangebied in of in de nabijheid van een aandachtsgebied van een risicobron. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.9 Trilling 5.9.1
Algemeen
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 5.9.2
Situatie plangebied
Het aspect trillingen is niet relevant voor de dit plan aangezien het plangebied zich niet bevindt in de nabijheid van spoorlijnen of bedrijven waar zware trillingen kunnen plaatsvinden. Het dichtstbijzijnde bedrijventerrein waar eventueel bedrijven gevestigd zouden kunnen worden die kunnen leiden tot trillingshinder bevindt zich op een afstand van 780 meter van het plangebied (bedrijventerrein De Mors). Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied geen andere functies aanwezig die dusdanige trillingen kunnen veroorzaken. Tevens wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt die kan leiden tot trillingshinder bij omwonenden. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor dit plan. 5.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Archeologie
5.10.1 Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: 54
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. 5.10.2 Situatie plangebied Op grond van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland geldt dat het plangebied is gelegen in het gebiedstype "diepe erosiedalen met natte, zandige bodems" (voor het grootste gedeelte) en voor een klein deel in het gebiedstype 'stuwwalhellingen met een plaggendek'. In figuur 5.7 is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weergegeven.
Figuur 5.7: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Ter plaatse van de stuwwalhellingen met een plaggendek geldt dat archehologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 2.500 m2 bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m2 geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek. Voor de diepe erosiedalen geldt vrijstelling van het uitvoeren van een archeologisch onderzoek, met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones. Als gevolg van het plan vinden er geen bodemingrepen plaats over een oppervlakte van 2.500 m2. Immers, de nieuw te bouwen woningen hebben een gezamenlijke (bebouwde) oppervlakte van circa 539 m2. De nieuwe verharding op het erf inclusief de parkeerplaatsen hebben een oppervlakte van 666 m2. Daarmee bedraagt de bebouwde oppervlakte inclusief de verharding 1.145 m2. De wadi heeft - vanwege het schuinlopende talud - een grondoppervlakte van circa 290 m2. Dat betekent dat er als gevolg van het plan voor het graven van de fundering van de woningen, het realiseren van de verharding en de wadi in ieder geval gegraven wordt over een oppervlakte van 1.435 m2. Daarbij geldt dat de bestaande bebouwing is gesitueerd ter plaatse van het nieuwe woonerf waardoor dit niet leidt tot een uitbreiding van de grondroerende werkzaamheden.
De oppervlakte van de bestaande inrit van het Keupinkspad naar het huidige woonerf bedraagt circa 110 m2. Daarmee zullen de grondroerende werkzaamheden voor het bouwen, verharden, slopen en het aanleggen van de wadi plaatsvinden over een oppervlakte van circa 1.545 m2. Als de nieuw aan te leggen hagen volledig in de af te graven oppervlakte worden opgenomen (cica 176 m2) wordt de grond over een oppervlakte van circa 1.721 m2 afgegraven dieper dan 40 cm. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de oppervlakte van 2.500 m2 niet wordt overschreden. Zelfs als voor de fundering een groter grondoppervlak wordt afgegraven blijven de grondroerende bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
55
werkzaamheden onder de oppervlakte van 2.500 m2. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor dit plan. 5.10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief beïnvloed kunnen worden.
In de omgeving van het plangebied zijn echter wel enkele gemeentelijke monumenten aanwezig. Het betreft onder andere het dubbele woonhuis aan de Almelosestraat 44-46 waar een dubbel woonhuis uit begin vorige eeuw aanwezig is. Door de solitaire ligging en de oorspronkelijke staat is het opvallend en beeldbepalend aan de rand van Ootmarsum. Daarnaast bevindt zich aan de Nieuwe Almelosestraat 1 een gemeentelijk monument. Het betreft een geheel vrijstaande op rechthoekige basis gebouwde villa, op een hoogte (voormalige esrand) liggend ten noorden van de invalsweg Almelosestraat en uitkijkend over het stadje Ootmarsum. Tot slot bevindt zich ten oosten van het plangebied de "Engelse tuin" welke zowel als tuin als het zitbankje is aangewezen als rijksmonument. De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een bestaand woonperceel aan de Almelosestraat 43. De ontwikkeling heeft geen invloed op de (cultuurhistorisch) waardevolle kenmerken van de omliggende monumenten. Hoewel de oostzijde van het plangebied grenst aan de Engelse tuin, wordt het plangebied en de Engelse tuin doorsneden door de Almelosestraat. Als gevolg van het plan vinden geen ingrepen aan de Engelse tuin plaats. Voorts geldt dat de ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast, waarbij de groenwaarden in de omgeving in het plan zijn betrokken.
Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Ook ligt het gebied niet in een landschap dat als cultuurhistorisch is aan te merken. 5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Bodem
5.11.1 Algemeen Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. 56
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.11.2 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe bodemgevoelige functies en gebouwen. Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te onderzoeken is door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2025-0561, versie 1.0, d.d. 24-7-2025). Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 13 bij deze motivering opgenomen. Hieronder worden de conclusies weergegeven.
Resultaten grond Chemisch analytisch zijn in de bovengrond lichtverhoogde gehalten aan kwik, lood en PAK aangetoond en in de ondergrond met kwik en lood. De verhoogde gehalten in de grond met kwik, lood en PAK zijn vermoedelijk te relateren aan het gebruik van de locatie door de jaren heen en/of de bodemvreemde materialen in de bodem. Resultaten grondwater Chemisch analytisch is in het grondwater een licht verhoogd gehalte aan naftaleen aangetoond. De aangetoonde verhoging is veroorzaakt door het gebruik van de locatie door de jaren heen. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater geen belemmering tegen de voorgenomen planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. 5.11.3 Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater belemmering tegen de voorgenomen herinrichting van de locatie.
5.12
Waterbelang
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen 5.12.1 Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
57
Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Provinciaal beleid Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in de watervisie 2050 en het Waterbeheerplan 2022-2027.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast zijn de waterschapsverordening en legger van Waterschap Vechtstromen belangrijk regelstellende instrumenten waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsprogramma/-plan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling. 5.12.2 Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Watsysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.
Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben in het 58
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43
Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
5.12.3 Situatie plangebied Weging van het waterbelang Op 26 augustus 2025 is het plan in het kader van 'Het Wateradvies' voorgelegd aan het waterschap. Op 4 september 2025 heeft het waterschap aangegeven dat volstaan kan worden met de standaard waterparagraaf. De standaard waterparaagraaf is in dit hoofdstuk verwerkt. Het plan heeft vanwege de grootte geringe invloed op de waterhuishouding waardoor het waterschap op voorhand een positief wateradvies afgeeft voor dit plan met inachtneming van onderstaande toelichting op het hemelwater en vuilwater. Op grond van het 'Water- en Rioleringsprogramma 2025-2030' van de gemeente Dinkelland geldt een bergingseis van 40 mm per verhard oppervlakte (daken en alle verhardingen) voor hemelwater. Om aan deze waterbergingseis te voldoen wordt aan de oostzijde van het plangebied een wadi gerealiseerd die voldoet aan de minimale bergingseis van 40 mm per m2 verhard oppervlak. De nieuw te bouwen woningen hebben een gezamenlijke (bebouwde) oppervlakte van circa 539 m2. De verharding inclusief de parkeerplaatsen die in grasbetonstenen worden uitgevoerd bedraagt circa 606 m2. De verharding exclusief de grasbetonstenen bedraagt circa 526 m2. Daarmee bedraagt de totale oppervlakte aan bebouwing en verharde oppervlakte (inclusief waterdoorlatende grasbetonstenen) 1.145 m2.
De oppervlakte aan bebouwing en verharding zonder de parkeerplaatsen welke in waterdoorlatende grasbetonstenen worden uitgevoerd bedraagt 1.065 m2. De waterberging bedraagt over de verharde oppervlakte aan bebouwing en erfverharding zonder de waterdoorlatende grasbetonstenen (1.065 m2 * 40 mm = ) 42,6 m3. Daarmee voorziet de wadi in voldoende bergingscapaciteit aangezien de wadi beschikt over een bergingscapaciteit van 45 m3. De daken én de verharde oppervlakten wateren via kolken af op de wadi, maar een overstort op het Keupinkspad is eveneens mogelijk. De aanleg en instandhouding van de wadi is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Op voorhand is aangetoond dat het plan voldoet aan de verplichte waterbergingseis. Ten aanzien van het huishoudelijk afvalwater worden de woningen aangesloten op het gemeentelijke riool. Gemeenten hebben de plicht om afvalwater in te zamelen in de bebouwde kom. De aansluiting van de riolering zal moeten voldoen aan de gemeentelijke eisen. Deze vormen op voorhand geen belemmering voor dit omgevingsplan. Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt door het waterschap een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot.