CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43”35.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Met het Rijk, de gemeenten en de provincie is afgesproken om bovenop de bruto realisatie van 14.100 woningen tot en met eind 2030, nog eens minimaal 5.000 woningen extra te bouwen in diezelfde periode. De totale bruto opgave komt daarmee op minimaal 19.100 woningen. Deze extra woningen worden onder andere gerealiseerd in de Twentse steden (Almelo, Enschede, Hengelo), Borne, Oldenzaal en Rijssen-Holten. Daarnaast heeft de regio de ambitie om bovenop deze minimale opgave nog extra woningen te realiseren, die kunnen landen in de lokale programmering en sleutelprojecten. In de actualisatie van de Woondeal committeren de provincie en Twentse gemeenten zich aan de ambitie om binnen de regio in de periode 2022 tot en met eind 2030 19.100 woningen bruto te realiseren. Om dit te bereiken spant de regio zich in voor voldoende plancapaciteit (130% van de te realiseren woningen) en het afgeven van voldoende vergunningen voor de realisatie. Op dit moment bedraagt in Twente de plancapaciteit 32.762 woningen (periode 2024 tot en met eind 2030), waarvan 17.207 woningen harde plancapaciteit en 15.555 woningen zachte plancapaciteit. Dit betekent dat er momenteel voldoende plancapaciteit is om de ambitie van minimaal 19.100 woningen te realiseren. De komende jaren spant de regio zich in om de harde plannen tot realisatie te brengen en onze zachte plannen om te zetten naar harde plancapaciteit.

Deze opgave pakken de gemeenten lokaal op, waarbij de provincie ondersteunt. Betaalbaarheid De regio Twente ziet een grote opgave als het gaat om betaalbaarheid en het toevoegen van sociale huurwoningen, middenhuur en betaalbare koopwoningen. Er wordt vastgehouden aan het uitgangspunt om 30% van de woningbouwopgave te realiseren in sociale huur (5.730 woningen), 40% in de middenhuur en betaalbare koop (7.640 woningen) en 30% (5.730 woningen) in de vrije sector. Uit een tussentijdse evaluatie van de provincie blijkt dat gemeenten zich hard inzetten om deze verdeling te halen en het aandeel betaalbare woningen te vergroten. Alle gemeenten in de regio hanteren dit 30-40-30 principe als basis voor lokale beleid, prestatieafspraken en uitgangspunten bij plan- en gebiedsontwikkelingen. Binnen de kaders van de (aankomende) wet Versterking regie volkshuisvesting is er ruimte voor maatwerk binnen de betaalbaarheidsverdeling, voor gemeenten waarbij het aandeel sociale huur in de huidige woningvoorraad hoger is dan het landelijk gemiddelde. In onderbouwde gevallen kunnen deze gemeenten van het aandeel van 30% sociale huur afwijken. Dit kan zolang ze, door minstens 40% van de nieuwe woningen te richten op middeninkomens (betaalbare koop en middenhuur), de totale beschikbaarheid van betaalbare woningen (70%) op regioniveau voldoende waarborgen.

In het borgen van de betaalbaarheidsambities worden de landelijke prijsgrenzen en indexeringen voor zowel huur als koop gevolgd. Omdat de gehanteerde betaalbaarheidsgrens voor betaalbare koopwoningen (€405.000,voor 2025) in de praktijk in de meeste gemeenten niet altijd overeenkomt met de lokale behoefte staat het gemeenten vrij om binnen de grens een lokaal aangescherpte grens voor betaalbare koopwoningen te hanteren. Wonen en zorg Op basis van de afspraken van de Woondeal (en als onderdeel van de Rijksprogramma’s ‘Wonen, ondersteuning en zorg voor ouderen’ en ‘Een thuis voor iedereen’) heeft de regio binnen Twente een regionale doorvertaling van de woon- en zorgopgave gemaakt in de vorm van een regionale woonzorgvisie en afsprakenkader ouderenhuisvesting. In het voorjaar van 2024 zijn de regionale woonzorgvisie en het afsprakenkader ouderenhuisvesting vastgesteld. Voorliggende actualisatie van de Woondeal betreft op dit thema een formalisering van de regionale woonzorgvisie en het afsprakenkader. Op het gebied van de realisatie van nultreden woningen, geclusterde en zorggeschikte woningen heeft de regio bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

27

zich gecommitteerd aan de kwantitatieve aantallen uit het afsprakenkader ouderenhuisvesting. Dit betreft een basisopgave tot en met eind 2030 van 8.060 geschikte woonvormen, bestaande uit 4.500 nultredenwoningen geschikt voor ouderen, 2.000 geclusterde woningen en 1.560 zorggeschikte woningen die onderdeel vormen van het afgesproken woningbouwprogramma uit de Woondeal (19.100 woningen). Daarbij is de ambitie uitgesproken om meer (geclusterde) woonvormen te realiseren. De kwantitatieve basisopgave op het gebied van ouderenhuisvesting is geen extra opgave, maar vormt onderdeel van de totale regionale woningbouwopgave van 19.100 woningen tot en met eind 2030. Duurzaam en toekomstbestendig bouwen In de Woondeal werden afspraken gemaakt over toekomstbestendige woningbouw in balans met andere grote opgaven op bijvoorbeeld het gebied van klimaatadaptatie, -mitigatie en waterveiligheid. De afspraken en uitgangspunten die we in de Woondeal hebben vastgelegd, blijven met deze actualisatie overeind. Partijen zetten zich in om de ambities op het gebied van toekomstbestendig bouwen zoveel mogelijk toe te passen door borging van de thema’s en doelstellingen in lokaal beleid zoals omgevingsvisies, volkshuisvestingsprogramma’s en prestatieafspraken. Toets De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld.

De Woonvisie is achterhaald door het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Dinkelland, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 4.1.5 is de toets aan dit programma opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf nieuwe woningen op een inbreidingslocatie binnen de bebouwde kom van Ootmarsum. Van de nieuwe woningen worden er vier levensloopbestendig (nultredenwoningen) uitgevoerd, aangezien de mogelijkheid bestaat om de woonkamer, keuken, badkamer, toilet en tenminste één slaapkamer op de begane vloer te realiseren. Daarmee wordt voorzien in een actuele behoefte aan levensloopbestendige woningen. Zoals uit de Regionale Woondeal blijkt heeft de regio zich op het gebied van nultredenwoningen gecommitteerd aan de kwantitatieve aantallen uit het afsprakenkader ouderenhuisvesting. Dit betreft een basisopgave tot en met eind 2030 van 8.060 geschikte woonvormen, bestaande uit 4.500 nultredenwoningen geschikt voor ouderen, 2.000 geclusterde woningen en 1.560 zorggeschikte woningen die onderdeel vormen van het afgesproken woningbouwprogramma uit de Woondeal (19.100 woningen). Het plan draagt concreet bij aan de realisatie van nultredenwoningen waardoor geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de Regionale Woondeal Twente.

Voorts geldt dat de nieuwe woningen duurzaam worden uitgevoerd (BENG-normen) en het plan landschappelijk wordt ingepast, de parkeerplaatsen worden uitgevoerd middels waterdoorlatende grasbetonstenen en een wadi wordt aangelegd voor de waterberging. 4.1.4

Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen. 2. We geven het goede voorbeeld. 3. We wentelen niet af op volgende generaties. 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. In de Omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend plan zijn met name de thema's 'leefbare kernen', 'aantrekkelijk wonen' en 'leefomgeving van de toekomst' van belang. Leefbare kernen De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar ook vooral kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen.

Van oudsher zijn inwoners van de kernen van Dinkelland gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente voorzetten aan de 28

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

hand van de speerpunten: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen en leefbare openbare ruimte. Aantrekkelijk wonen De gemeente wil zorgen dat het aantal en soort woningen past bij de vraag. De gemeente wil graag binnen de grenzen van de kern bouwen. Wanneer daar geen plek beschikbaar is, dan wordt er gekeken naar de randen van de kern. De huidige knelpunten zijn betaalbare woningen voor starters en ouderen. In de Woonvisie (zie paragraaf 4.1.5) van de gemeente wordt nader vooruit gekeken naar de vraag naar woningen. De gemeente houdt de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog. Dit doet de gemeente door een meerjaren woningbouwprogramma op te stellen met inbreng van de kernen. Zo worden nieuwe woongebieden gezamenlijk ingericht. Leefomgeving van de toekomst De gemeente wil een leefomgeving die gezond, veilig en duurzaam is. De bodem, het water en de lucht, de natuur, gebouwen en wegen en paden zijn allemaal onderdeel van de leefomgeving. Duurzaam beheer van de leefomgeving betekent ook dat de omgeving groen is met een goede kwaliteit van water, bodem en lucht. Omgevingsveiligheid gaat over de vraag hoe onze inwoners en bezoekers zo veilig mogelijk in hun fysieke leefomgeving kunnen wonen, werken, ontspannen, reizen, sporten en bewegen.

Bij het toedelen van functies, dus wat mag op welke plek in de gemeente, wordt gekeken naar welke risico’s levert een initiatief op Veilige en gezonde leefomgeving betekent dat de inwoners en de kinderen leven in een omgeving met een gezonde bodem, gezonde lucht en gezond water. En dat betekent dat er ruimte is om te bewegen en te ontmoeten. De ruimte moet ook veilig zijn, zodat er gespeeld kan worden en dat je kan wandelen, fietsen of autorijden zonder ongelukken. Daarnaast zijn de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid in de openbare ruimte en maatregelen tegen droogte en hitte als gevolg van klimaatadaptatie belangrijke speerpunten. Wat betreft duurzaamheid wil de gemeente ook anders omgaan met energie en grondstoffen. We gebruiken teveel en we gebruiken vooral grondstoffen die op raken. Dat moet anders. De speerpunten voor veilig, gezond en duurzaam zijn: energieneutraal in 2050; duurzaam beheer; gezonde leefomgeving; veilige leefomgeving. Waardenkaart In figuur 4.4 is een uitsnede van de waardenkaart van de omgevingsvisie weergegeven. Voor het plangebied (aangeduid met marker) geldt dat het onderdeel uitmaakt van de 'Kernen met woon- en centrumfunctie'.

Figuur 4.4: Uitsnede Waardenkaart (bron: gemeente Dinkelland/Regels op de kaart). Voor de kernen met woon- en centrumfunctie gelden onder andere de volgende relevante waarden: kernen met kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms ook middelhoge bebouwing in het hart; (verbindingen met) de groene omgeving; in veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het silhouet van de kern en als belangrijk gebouw in de dorpsstructuur, tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig. Bij ontwikkelingen moet onder andere ingespeeld worden op: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

29

de opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere woonbebouwing aan de randen; de verbindingen met de groene omgeving; behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing; Vasthouden van water. Toets Omgevingsvisie Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf nieuwe woningen voor de lokale behoefte (zie paragraaf 4.1.5). Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied en voldoet daarmee aan de principes van 'inbreiding voor uitbreiding'. Tevens is bij de toets aan de Omgevingsverordening Overijssel aangetoond dat het voldoet aan de principes van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' van de provincie Overijssel. Zoals in paragraaf 2.2 en 4.1.2 onder de 'stedelijke laag' is beschreven sluit het plan stedenbouwkundig aan bij de bebouwing in de omgeving van het plangebied (historische invalsweg). Het plan is dusdanig opgezet dat het achtererf (ontsloten vanuit het Keupinkspad) in combinatie met de woningen samen het karakteristieke agrarisch erfensemble vormt. Er worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd en één groter bouwdeel waar drie woningen in gerealiseerd worden. Als gevolg van het voorliggende plan ontstaat een duidelijk centraal (agrarisch) erf dat dient als centrale ontsluiting van de woningen.

Het geheel wordt groen omzoomd en krijgt aan de zuidoostkant een open en natuurlijk karakter dat van belang is voor het uitzicht. Daarmee wordt een verbinding gemaakt met de groene omgeving en wordt het geheel groen ingepast. Het grotere bouwdeel (waar drie woningen in gerealiseerd wordt) verwijst naar de voormalige boerderij en de twee vrijstaande woningen verwijzen naar de oorspronkelijke schuren op een erf. Deze woningen worden als schuurwoning uitgevoerd. Tevens wordt onderscheid in de grootte van de schuurwoningen aangebracht overeenkomstig de typologie van een boerenerf. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het behouden van de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing, er wordt een verwijzing gemaakt naar het oorspronkelijke agrarische erf. Het plan wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving. Het plan wordt aan langs de Almelosestraat ingepast door een gemengde haag die beheert wordt op minimaal 1,50 meter hoogte. De haag bestaat uit een mix van Veldesdoorn en Liguster. Langs het Keupinkspad wordt eveneens in deze haag voorzien, waarbij de gemengde haag aan deze zijde minimaal twee keer per jaar beheerd wordt op een hoogte van circa 1 meter. Aan de westzijde van het plangebied worden verschillende (solitaire) bomen aangeplant (lijsterbes, magnolia en rode paardenkastantje.Ten behoeve van de waterberging wordt aan de oostzijde van het plangebied een wadi gerealiseerd.

Rondom de wadi worden zes knotbomen aangeplant en in de meest oostelijke hoek van het plangebied wordt een bomengroep bestaande uit drie bomen (Fraxinus Omus 'Louisa Lady') aangeplant. Tot slot geldt dat de nieuwe woningen moeten voldoen aan de geldende BENG-normen wat betekent dat de woningen bijna energieneutraal moeten worden uitgevoerd. Om te voorzien in voldoende waterberging wordt een wadi aangelegd, welke tevens een functie heeft als groen en een bijdrage levert aan klimaatadaptatie (zowel door opvang van water als verkoelend effect in de zomer). Daarnaast worden de parkeerplaatsen op het centrale erf uitgevoerd in grasbetonstenen om de waterdoorlatendheid te vergroten. Daarmee wordt tevens een bijdrage geleverd aan de speerpunten van de leefomgeving van de toekomst. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 4.1.5

Volkshuisvestingsprogramma gemeente Dinkelland

Algemeen De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Dinkelland, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. Onbalans tussen woningvraag en - aanbod De woningmarkt vormt een complexe uitdaging voor de gemeente Dinkelland. Uit de beschrijving van de huidige woningvoorraad gemeente Dinkelland en de ontwikkeling van de woningbehoefte blijkt duidelijk dat er een onbalans bestaat tussen de (kwalitatieve) vraag en het aanbod van woningen. Deze onbalans wordt veroorzaakt door uiteenlopende factoren zoals de huishoudensgroei, bevolkingssamenstelling, specifieke woonbehoeften van verschillende groepen, en het huidige woningaanbod dat onvoldoende aansluit op de huidige en toekomstige vraag. Het is noodzakelijk om deze onbalans aan te pakken, zowel binnen de bestaande woningmarkt als door nieuwbouwontwikkelingen. De onbalans in de woningmarkt van Dinkelland is zichtbaar op verschillende aspecten: 30

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

sociaal huuraanbod; Dinkelland kent een relatief laag aandeel sociale huurwoningen in vergelijking met andere gemeenten, terwijl er een groeiende vraag is naar betaalbare woningen, met name voor starters, statushouders en urgentie- en andere aandachtsgroepen. Woninggrootte; Het huidige woningaanbod bestaat voor een groot deel uit relatief grote eengezinswoningen, terwijl de vraag naar kleinere woningen voor 1-/2 persoonshuishoudens, zoals appartementen, beneden-bovenwoningen en zorggeschikte woningen, toeneemt. Deze onbalans in grootte en type van woningen belemmert een efficiënte woningtoewijzing en zorgt voor mismatches op de woningmarkt. Kwetsbare doelgroepen en zorgbehoefte; De toenemende behoefte aan woningen voor ouderen, zorgbehoevenden, aandachts- en urgentiegroepen en jongeren wordt momenteel niet volledig gedekt door het beschikbare aanbod. Betaalbaarheid Met name starters, jongeren en lage- tot middeninkomens (één tot anderhalf maal modale inkomens) hebben moeite om passende woonruimte te vinden binnen hun financiële mogelijkheden. Het tekort aan betaalbare koop- en huurwoningen leidt tot een toename van woningzoekenden die tussen wal en schip vallen. De onbalans tussen woningvraag en woningaanbod in de gemeente Dinkelland vraagt om een brede en integrale aanpak.

Om de onbalans te corrigeren, is een eerste stap om de bestaande woningvoorraad beter te benutten en te verduurzamen. Naast het optimaal benutten van de bestaande woningvoorraad, is het noodzakelijk om door middel van nieuwbouw in te spelen op de woningbehoefte van de komende jaren. Hoewel de bovengenoemde maatregelen een belangrijke stap zijn in het herstellen van de balans tussen vraag en aanbod, kunnen aanvullende inspanningen noodzakelijk zijn om de onbalans te verminderen. Een van de grootste uitdagingen is om versnelling aan te brengen in het oplossen van deze onbalans, aangezien de vraag naar woningen snel toeneemt. Dit vraagt om een versnelde uitvoering van nieuwbouwprojecten, kortere doorlooptijden voor vergunningprocedures en het beter coördineren van vraaggestuurde woningbouw. Tegelijkertijd is het van belang om oog te houden voor duurzaamheid en kwaliteit in de bouw. De complexe uitdagingen vragen om continue monitoring en bijsturing zodat de onbalans in de woningmarkt binnen de gemeente Dinkelland de komende jaren geleidelijk wordt hersteld. Beleid om huidige woningvoorraad beter te benutten Om de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte te realiseren, richt de gemeente Dinkelland zich zowel op het beter benutten van de bestaande voorraad als het toevoegen van nieuwbouwwoningen.

De gemeente Dinkelland richt zich op het bevorderen van de doorstroming binnen de woningmarkt. Het doel is om de woningmarkt toegankelijker en efficiënter te maken, zodat woningen beter aansluiten op de veranderende woonbehoeften van onze inwoners. Het doorstromingsbeleid richt zich op drie speerpunten. Relevant voor de voorgenomen ontwikkeling is het toevoegen van levensloopbestendige woningen aan nieuwbouwprojecten. De gemeente Dinkelland streeft ernaar om in nieuwbouwprojecten levensloopbestendige woningen toe te voegen, specifiek gericht op 1- en 2-persoonshuishoudens. Dit draagt bij aan een woningaanbod dat beter aansluit op de behoeften van kleine huishoudens en senioren, waardoor de doorstroming op de woningmarkt wordt bevorderd. De gemeente definieert drie verschillende woonvormen onder levensloopbestendige woningen. De voor dit plan relevante woonvorm betreft: nultredenwoningen In dit type woning is de woonkamer, keuken, badkamer, toilet en tenminste één slaapkamer gelijkvloers. De woning is zonder traplopen bereikbaar. Deze gelijkvloerse woningen/appartementen liggen waar mogelijk in de buurt van voorzieningen. Deze is goed toegankelijk voor mensen met een rollator. In zowel gemeentelijke als particuliere woningbouwplannen worden goedkope koopwoningen gerealiseerd. Dat kunnen kleinere woonproducten zijn met een woonoppervlakte van ten minste 60 m².

De gemiddelde prijs van deze nieuwbouwwoningen liggen tussen de € 260.000,- en € 320.000,- (prijspeil 2024) en kunnen in combinatie met een starterslening betaalbaar zijn voor deze doelgroep. De gemeente streeft ernaar dat minimaal 10% van de te realiseren woningen per plan uit deze goedkope woonproducten bestaat. In projecten waar geen sociale huurwoningen worden gerealiseerd, is het verplicht om 30% van de te realiseren woningen bestaan uit goedkope koop woningen (tot € 275.000,- VON). Als de realisatie van goedkope koopwoningen evident niet passend is binnen het woningbouwplan dan kan hier van worden afgeweken. Toets Volkshuisvestingsprogramma gemeente Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf nieuwe woningen op een inbreidingslocatie binnen de bebouwde kom van Ootmarsum. Van deze vijf woningen worden er vier levensloopbestendig bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

31

(nultredenwoningen) uitgevoerd, aangezien de mogelijkheid bestaat om de woonkamer, keuken, badkamer, toilet en tenminste één slaapkamer op de begane vloer te realiseren. Daarmee wordt voorzien in een actuele behoefte aan levensloopbestendige woningen. Het doel van de gemeente Dinkelland is immers om doorstroming van ouderen te bevorderen naar kleinere en op een zorgbehoefte voorbereide woningen. Het toevoegen van geschikte, aantrekkelijke woningen voor ouderen aan de bestaande voorraad, kan verhuisketens op gang brengen. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande (ruime) woningen op de markt die geschikt zijn voor (startende) gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Vanwege de specifieke kenmerken van het plangebied wordt gemotiveerd afgeweken van de uitgangspunten uit het Volkshuisvestingsprogramma ten aanzien van goedkope koopwoningen. Het plangebied betreft een alzijdige zichtlocatie op een beeldbepalende plek binnen Ootmarsum, waar een relatief hoge beeldkwaliteit wordt nagestreefd in de vorm van één erfensemble refererend aan de voormalige boerderij. Dit brengt hogere kosten met zich mee voor zowel de erfinrichting als de woningen. Daarnaast komen ook de sloopkosten van de voormalige boerderij voor rekening van de initiatiefnemer.

Verder zorgen beperkingen vanuit de geluidzone van de Almelosestraat voor extra kosten in het kader van geluidwering. Gelet op deze ruimtelijke en bijkomende financiële omstandigheden wordt de realisatie van goedkope koopwoningen binnen dit woningbouwplan niet passend geacht. De grote vrijstaande woning zal worden aangewend door de initiatiefnemer van dit plan. Daarmee wordt voorzien in een concrete behoefte aan de vrijstaande woning door initiatiefnemer. Geconcludeerd kan worden dat het plan een bijdrage levert aan het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Dinkelland. 4.1.6

Beleidsnota inbreidingslocaties 2020

De gemeente Dinkelland heeft de 'Beleidsnota inbreidingslocaties 2020' vastgesteld. Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. De beleidsnota bevat voorwaarden voor de ontwikkeling van inbreidingslocaties. Naast het voldoen aan het rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid moet voldaan worden aan de gestelde voorwaarden uit hoofdstuk 3 van de beleidsnota. In paragraaf 3.4 van de beleidsnota zijn de locaties aangemerkt die in aanmerking komen voor inbreiding. Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aan beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken wordt verstaan:

Onder een 'lege plek' wordt verstaan: een fysiek onbebouwde ruimte, gelegen in bestaand bebouwd gebied. Ten aanzien van de stedenbouwkundige voorwaarden geldt dat een aanvraag tenminste moet voldoen aan de volgende voorwaarden: 32

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

a. aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; b. kavel(s) moet(en) grenzen aan de openbare weg; c. samenhang met de omgeving; d. woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast. Voor de planologische procedure geldt dat de volgende aspecten een belangrijke rol spelen: milieuaspecten: zoals bodem, geluid, geur, luchtkwaliteit en externe veiligheid; water; verkeer en parkeren; flora en fauna (en stikstof); archeologie/cultuurhistorie. Voorts worden in een anterieure overeenkomst afspraken gemaakt over de inrichting van het plangebied en te verhalen kosten. Toets aan beleidsnota inbreidingslocaties 2020 Het plangebied aan de Almelosestraat 43 in Ootmarsum ligt binnen bestaand stedelijk gebied en is goed bereikbaar. Het plangebied kan aangemerkt worden als een structuurversterkende plek in Ootmarsum waarbij sprake is van het herontwikkelen van een incourante bouwkavel met woningen. Dit vanwege de slechte staat van de woning, bijbehorende renovatiekosten en onderhoud van bijbehorende gronden. Bovendien kent het perceel al een woonfunctie waar stedelijke functies zijn toegestaan. Zoals is aangetoond in paragraaf 4.1.5 voorziet het plan in een actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan levensloopbestendige woningen. Daarmee komt het plangebied in aanmerking voor de herontwikkeling op basis van de beleidsnota inbreidingslocaties.

Zoals in paragraaf 2.2 en 4.1.2 onder de 'stedelijke laag' is beschreven sluit het plan stedenbouwkundig aan bij de bebouwing in de omgeving van het plangebied (historische invalsweg). Het plan is dusdanig opgezet dat het achtererf (ontsloten vanuit het Keupinkspad) in combinatie met de woningen samen het karakteristieke agrarisch erfensemble vormt. Er worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd en één groter bouwdeel waar drie woningen in gerealiseerd worden. Als gevolg van het voorliggende plan ontstaat een duidelijk centraal (agrarisch) erf dat dient als centrale ontsluiting van de woningen. Het geheel wordt groen omzoomd en krijgt aan de zuidoostkant een open en natuurlijk karakter dat van belang is voor het uitzicht. Daarmee wordt een verbinding gemaakt met de groene omgeving en wordt het geheel groen ingepast. Het grotere bouwdeel (waar drie woningen in gerealiseerd wordt) verwijst naar de voormalige boerderij en de twee vrijstaande woningen verwijzen naar de oorspronkelijke schuren op een erf. Deze woningen worden als schuurwoning uitgevoerd. Tevens wordt onderscheid in de grootte van de schuurwoningen aangebracht overeenkomstig de typologie van een boerenerf. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het behouden van de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing, er wordt een verwijzing gemaakt naar het oorspronkelijke agrarische erf.

Daarmee voldoet het aan de voorwaarden dat het moet aansluiten op de bestaande stedenbouwkundige structuur en samenhang met de omgeving. Het plan wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving. Het plan wordt aan langs de Almelosestraat ingepast door een gemengde haag die beheert wordt op minimaal 1,50 meter hoogte. De haag bestaat uit een mix van Veldesdoorn en Liguster. Langs het Keupinkspad wordt eveneens in deze haag voorzien, waarbij de gemengde haag aan deze zijde minimaal twee keer per jaar beheerd wordt op een hoogte van circa 1 meter. Aan de westzijde van het plangebied worden verschillende (solitaire) bomen aangeplant (lijsterbes, magnolia en rode paardenkastantje.Ten behoeve van de waterberging wordt aan de oostzijde van het plangebied een wadi gerealiseerd. Rondom de wadi worden zes knotbomen aangeplant en in de meest oostelijke hoek van het plangebied wordt een bomengroep bestaande uit drie bomen (Fraxinus Omus 'Louisa Lady') aangeplant. De woningen grenzen aan de Almelosestraat en worden ontsloten vanaf het Keupinkspad. Daarmee voldoet het aan de voorwaarde dat kavels moeten grenzen aan de openbare weg. In hoofdstuk 5 van voorliggend TAM-omgevingsplan wordt ingegaan op alle voor de fysieke leefomgeving relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daaruit blijkt dat de milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin de afspraken en het verhaal van kosten vastgelegd zijn. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de 'Beleidsnota inbreidingslocaties 2020'.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

33

4.1.7

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergeven, zie de navolgende tabel.

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijke aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In figuur 4.5 is een fragment van de cascokaart behorende bij de cascobenadering weergegeven. Toets aan cascobenadering Zoals uit figuur 4.5 blijkt is er in de nabijheid van het plangebied een groenstructuur die onderdeel uitmaakt van de Casco-benadering aanwezig. Het betreft een bestaande houtsingel achter het perceel Almelosestraat 44-46 zie onderstaande figuur 4.5.

34

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

Figuur 4.5: Uitsnede cascokaart (bron: Provincie Overijssel) Voorliggend plan heeft betrekking op de herontwikkeling van het perceel Almelosestraat 43. Als gevolg van het plan vinden geen ingrepen plaats aan groenstructuren die onderdeel uitmaken van het Casco. De casco-benadering vormt geen belemmering voor de uitvoering van de in dit TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling. 4.1.8

Nota Omgevingskwaliteit

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeenten bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: Basis omgeving Midden omgeving Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart benoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats.

Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Voor onderhavig plan bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor de voorgenomen ontwikkeling, waarbij met name de beoogde erfopzet en architectuur beeldkwaliteitseisen moeten worden vastgelegd. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria. Toets Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan aanvragen voor de omgevingsvergunning voor de bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

35

omgevingsplanactiviteit voor het onderdeel bouwen worden getoetst. In het beeldkwaliteitsplan is onder andere het stedenbouwkundige plan en de gewenste sfeer beschreven, evenals criteria met betrekking tot het uiterlijk (massa, vorm, gevels) van de woningen en de inpassing van het plan in de omgeving. Het beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 4 bij deze motivering opgenomen. Onder de beoordelingsregels voor het bouwen zijn de regels over het uiterlijk van bouwwerken vastgelegd.

4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan voor het woningbouwplan aan de Almelosestraat 43 in Ootmarsum. Het plan is daarnaast besproken met het Kwaliteitsteam. Het Kwaliteitsteam heeft een positief advies gegeven. 4.2.1

Provinciaal vooroverleg

De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. In de voornoemde lijst is opgenomen dat er vrijstelling geldt van het vooroverleg (voorkantsamenwerking) voor woningbouwplannen tot en met elf woningen inclusief bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen, en in lijn met de regionale Woonagenda Twente in kernen met een inwoneraantal van meer dan 1.000 inwoners. Het plan voorziet in vijf nieuwe woningen, waardoor vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk is. Wel wordt het plan als gevolg van de planologische procedure (ontwerp-omgevingsplan) aan de provincie voorgelegd. 4.2.2

Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

Via www.hetwateradvies.nl is het plan op 26 augustus 2025 kenbaar gemaakt bij het waterschap. De beantwoording van de vragen is als Bijlage 3 bij deze motivering opgenomen. Op 4 september 2025 heeft het waterschap gereageerd op de 'weging van het waterbelang'. Het waterschap heeft aangegeven dat de invloed van de wijziging dermate klein is dat de standaard waterparagraaf gebruikt mag worden. In paragraaf 5.12 wordt nader ingegaan op het aspect 'water'. 4.2.3

Participatie en omgeving

Door initiatiefnemers is geparticipeerd met de omgeving. Op 22 juni 2025 zijn de omwondenen uitgenodigd voor een inloopbijeenkomst waarbij de plannen gepresenteerd zijn. Doel was om alle directe buren de gelegenheid te bieden om de plannen zoals ze op dat moment voorlagen in te zien. Door de architect is een toelichting op het plan gegeven. Alle bewoners van het Keupinkspad en vier naaste buren van de Almelosestraat (nrs 41, 44, 45, 46) zijn uitgenodigd. Daarnaast is de eigenaresse van het pand Keupinkspad 7 uitgenodigd. Initiatiefnemer heeft een verslag gemaakt van de inloopochtend. Het verslag is als Bijlage 5 bij de motivering opgenomen. Naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft initiatiefnemer op 14 januari 2026 met één van de indieners van een zienswijze gesproken in aanwezigheid van de waarnemend wethouder op het gemeentehuis in Denekamp. De indiener van de zienswijze had een alternatief ontwerp voorgelegd. Initiatiefnemer heeft dat ontwerp samen met de architect bekeken maar niet haalbaar geacht omdat daarmee andere omwonenden daardoor meer overlast kunnen ervaren omdat de koplampen van de uitrijdende auto's door het voorstel van de indiener van de zienswijze dan direct in één van de omliggende woningen schijnt.

Wél heeft initinatiefnemer een voorstel tot aanpassing van het plan gedaan door de linker vrijstaande woning te draaien en de middelste woning en rijwoningen iets op te schuiven. Daardoor ligt het uirit tussen de woningen aan Keupinkspad 8 en 10 en zal geen sprake zijn van direct inschijnende koplampen in de woning. Tevens zorgt de verschuiving voor betere doorzichten naar de Almelosestraat. Daarnaast heeft initiatiefnemer ook op 28 januari 2026 met één van de omwonenden gesproken welke een zienswijze had ingediend (op advies van initiatiefnemer). Initiatiefnemer heeft twee varianten voorgelegd voor aanpassing van het plan (opschuiven van woning naar voren of licht draaien van de vrijstaande woning). Met hen is overeengekomen dat de vrijstaande woning (linkerwoning) enkele graden gedraaid zal worden en dat is in voorliggend omgevingsplan aangepast door het bouwvlak te draaien. Zoals hierboven aangegeven heeft initiatiefnemer als gevolg van de ingediende zienswijzen en de in het kader daarvan gevoerde gesprekken het plan gewijzigd en de situering van de nieuwe woningen aangepast om zoveel 36

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

als mogelijk aan de wensen van de omwonenden tegemoet te komen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

37

38

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat een wijziging van het Omgevingsplan alleen wordt vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de wijziging zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1.1

Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). 5.1.2

Situatie plangebied

De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijke ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het plan voorziet in de realisatie van vijf nieuwe woningen. Op basis van de overzichtsuitspraak met jurisprudentie met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) is bepaald dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er sprake is van een woningbouwplan dat voorziet in meer dan 11 woningen. Aangezien het plan voorziet in vijf nieuwe woningen is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling volgens de ladder. Daarbij wordt opgemerkt dat er op grond van het geldende omgevingsplan reeds twee woningen zijn toegestaan.

De planologische toename van het aantal woningen bedraagt daarmee drie woningen, waardoor het niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Ook wanneer de ladder niet van bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

39

toepassing is moet echter gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze motivering voorziet hierin. 5.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2 Mer-beoordeling 5.2.1

Algemeen

Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.

De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a.

het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. 5.2.2

Situatie plangebied

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het plan voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. De voorgenomen plannen zijn niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan echter wel worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van 40

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

bouwplannen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Het plan voor de realisatie van vijf nieuwe woningen als gevolg van de sloop van de bestaande woning met bijgebouw, inclusief bijbehorende infrastructuur en groen valt onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaalniveau. Hiervoor is een plan-mer beoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als Bijlage 6 bij deze motivering toegevoegd. 5.2.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1

Algemeen

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering' (agustus 2024). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. 5.3.2

Situatie plangebied

Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' (augustus 2024). De publicatie staat bekend als CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' en vervangt CROW-publicatie 381. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom. In de voornoemde publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddeld aantal verkeersbewegingen per functie. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie weergegeven.

Als gevolg van het plan is er sprake van een toename van afgerond 39 (38,6) verkeersbewegingen. Deze toename is berekend over het totaal aantal woningen. De woningen worden via het centrale erf ontsloten op het Keupinkspad, welke in verbinding staat met de provinciale weg N349 en de historische invalsweg Almelosestraat. De provinciale weg N349 betreft een belangrijke doorgaande verbindingsweg die Ootmarsum met de overige kernen in de omgeving verbindt en is aangemerkt als 'gebiedsontsluitingsweg (GOW) binnen de bebouwde kom'. De historische invalsweg Almelosestraat betreft eveneens een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom. De maximale verkeersintensiteit die gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom aankunnen bedraagt circa 3.000 tot 15.000 verkeersbewegingen per dag. Gelet op de kenmerken van de omliggende infrastructuur (N349 en Almelosestraat) wordt geconcludeerd dat de toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via het bestaande wegennet afgewikkeld kan worden. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

41

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Voor de parkeerbehoefte worden eveneens de volgende uitgangspunten gehanteerd: verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; stedelijke zone: rest bebouwde kom. Hieronder is de parkeerbehoefte van het plan weergegeven.

Als gevolg van het plan bedraagt de totale parkeerbehoefte afgerond 11 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt danwel bij bij het bouwplan behorende en daartoe bestemd gronden. Bij de drie-onder-een kapwoning worden twee aangebouwde carports gerealiseerd die ruimte bieden voor het parkeren van één auto per carport. Daarnaast is het mogelijk om voor de middelste woning één auto te parkeren. Bij de drie aaneengebouwde woningen worden derhalve drie parkeerplaatsen gerealiseerd. Bij de kleinere vrijstaande woning wordt eveneens een aangebouwde carport gerealiseerd waar voorzien wordt in één parkeerplaats. Bij de grotere vrijstaande woning wordt een carport gerealiseerd en een oprit waardoor het mogelijk is om twee auto's te parkeren. Op het centrale erf worden vijf parkeerplaatsen gerealiseerd. In figuur 5.1 is de situatietekening van het parkeren weergegeven. Het plan voorziet in 11 parkeerplaatsen waarmee voldaan wordt aan de geldende parkeerbehoefte.

Figuur 5.1: Situatietekening erf (bron: Loman Architecten) Op basis van figuur 5.1 kan geconcludeerd worden dat het plan voorziet in het parkeren op eigen terrein. Er wordt voldaan aan de geldende parkeerbehoefte.

42

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

5.3.3

Conclusie

Het plan voldoet aan het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland en de toename van het aantal verkeersbewegingen kan via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet voor gebieds- en soortenbescherming, is door Lycens een quickscan flora en fauna uitgevoerd (projectnummer 2025-0561-5, d.d. 27 november 2025). De quickscan natuurwaarden is als Bijlage 7 bij deze motivering opgenomen. Hieronder wordt nader ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied.

Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en ligt op 2,1 kilometer afstand van het plangebied. In figuur 5.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Ootmarsum, Almelosestraat 43

43

Figuur 5.2: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Lycens) De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving. Als gevolg van fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, zijn. Echter, het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek bestaat voor een deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en personeel.

Daarnaast zal als gevolg van het realiseren van extra woningen een toename van verkeersbewegingen plaatsvinden in de gebruiksfase. Door Lycens is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (projectnummer 2025-0561-6, d.d. 11 mei 2026). Het rapport is als Bijlage 8 bij deze motivering opgenomen. In bijlage 9 en 10 zijn de rekengegevens voor de realisatiefase en gebruiksfase opgenomen. Uit het situatieresultaat 'beoogde situatie, realisatiefase' blijkt dat geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige project, voor wat betreft stikstofdepositie, in de (tijdelijke) realisatiefase geen significant negatieve invloed uitoefent op de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit het situatieresultaat 'beoogde situatie, gebruiksfase' blijkt dat geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige project, voor wat betreft stikstofdepositie, in de gebruiksfase geen significant negatieve invloed uitoefent op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25338