CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing kaasautomaat Frensdorferweg 44 Lattrop-Breklenkamp

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake bindend advies plaatsen kaasautomaat Frensdorferweg 44 Lattrop-Breklenkamp18.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De vier kernprincipes zijn: 1. We doen het samen ; 2. We geven het goed voorbeeld ; 3. We combineren zoveel mogelijk functies , zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. 4. We wentelen niet af op volgende generaties. De gemeente Dinkelland wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies , waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen , singels , essen , ontginningen , natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw , natuur , toerisme en bedrijvigheid , recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn , om alles aan bod te laten komen.

De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik , de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap , bodem , water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners , partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn ; toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd ; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij de gemeente samenwerking zoekt met de landbouw ; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. • • • Ten aanzien van het speerpunt ‘buitengebied in balans’ wil de gemeente Dinkelland werken aan kwalitatief toerisme. De gemeente wil projecten en ideeën verwelkomen die gericht zijn op toerisme of dagrecreatie als ze aan aanvulling zijn op het bestaande aanbod , gericht zijn op interessante doelgroepen of zorgen voor seizoensverlenging. Toerisme zorgt voor bezoekers aan een dorp , stad , 20 gemeente of regio. De toestroom van deze bezoekers heeft gevolgen voor de economie , de leefomgeving van inwoners en het landschap. Wanneer het toerisme bijdraagt aan een prettige leef- en werkomgeving voor inwoners en ondernemers , en tevens het landschap niet teveel belast , dan spreken wij over kwalitatief toerisme.

Kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor de leefomgeving van inwoners , landschap en natuur wordt ook wel duurzaam toerisme genoemd. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde leefomgeving. Een voorbeeld van een gezonde leefomgeving is onder andere dat er mooie wandel- en fietsroutes zijn zodat mensen graag gaan bewegingen maar ook dat er plekken zijn waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Waardenkaart In figuur 4. 2 is een uitsnede van de waardenkaart van de omgevingsvisie weergegeven. Voor het projectgebied (aangeduid met marker) geldt dat het onderdeel uitmaakt van het lichtgroen gekleurd landschap (gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek): landschappelijk minder waardevolle landschappen waar in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel veranderd is en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. Dit zijn bijvoorbeeld de heide- of veenontginningen met een hoge dynamiek. Figuur 4. 2: Uitsnede waardenkaart (bron: gemeente Dinkelland/regels op de kaart) Bij ontwikkelingen in dit landschap moet onder andere ingespeeld worden op: de schaal van het landschap ; het agrarische karakter ; gemengde functies.

• • • Toets MijnOmgevingsvisie Dinkelland Initiatiefnemer wil met de realisatie van de overkapping met kaas- en streekproductenautomaat een kleinschalig rustpunt voor fietsers , wandelaars en overige toeristen creëren in het buitengebied. In de nabijheid van het projectgebied zijn verschillende wandel- en fietsroutes aanwezig. De verkoop van streekproducten draagt bij aan de versterking van kwalitatief toerisme , het agrarische karakter en de identiteit van het buitengebied doordat de relatie tussen landbouw , landschap en lokale productie zichtbaar wordt gemaakt. Door de verkoop van ter plaatse gemaakte producten zoals kaas en streekproducten kunnen bezoekers kennis maken met de agrarische producten , waardoor de belevingswaarde van het buitengebied kan worden vergroot. 21 Daarnaast biedt deze nevenactiviteit het agrarische bedrijf aan de Frensdorferweg 44 de mogelijkheid tot economische verbreding en draagt het bij aan de lokale economie , aangezien de bestedingen van de recreant direct ten goede komen aan lokale producenten. Daardoor blijft het platteland economisch vitaal en aantrekkelijk voor bezoekers. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waarbij – zoals in paragraaf 2. 2 is beschreven – wordt aangesloten bij de kenmerken van het heideontginningslandschap op de grens van een kampenlandschap.

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van ‘MijnOmgevingsvisie Dinkelland’. 4. 1. 7 Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente' De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke fraaie en beken bronnen , stuwwallen , met gebied een is Het landschapskwaliteiten. cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen , Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap.

Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet ; daaruit volgen drie mogelijke aanvragen op basis van het casco , dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco , maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart , zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets cascobenadering In figuur 4. 3 is de casco-kaart weergegeven. Daaruit blijkt dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het casco. 22 Figuur 4. 3: Cascokaart (bron: Atlas van Overijssel) In de praktijk werkt de casco benadering met het principe dat landschapselementen die tot het casco behoren niet verplaatst of verwijderd mogen worden. De casco-benadering regelt het verwijderen en compenseren van lijnvormige landschapselementen zoals vermeld op de casco-kaart. De grond ter plaatse van het projectgebied maakt onderdeel uit van het casco.

Als gevolg van deze ontwikkeling wordt echter geen houtwal/houtsingel , geriefhoutbosje of bomenrij verwijderd (zie onder andere figuur 5. 3). Ter plaatse van het bouwwerk waar de kaasautomaat geplaatst wordt is namelijk sprake van grasland , welke door initiatiefnemer beheerd wordt. Daarom is er geen sprake van verwijdering of verplaatsing van een casco-element. De Nota cascobenadering vormt geen belemmering. 4. 1. 8 Nota omgevingskwaliteit Op grond van artikel 4. 114 Invoeringswet Omgevingswet , geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud) , als een beleidsregel als bedoeld in 4. 19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen , denk aan vorm , kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22. 7 BS) , oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22. 29 BS). Artikel 22.

29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand , beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020 , tot op heden) beschrijft 23 het | welstandsbeleid | voor | de | gemeentes | Dinkelland | en | Tubbergen | (Noaberkracht). | De | nota omgevingskwaliteit | is bedoeld | om | te kunnen | beoordelen | of bouwplannen | voldoen | aan | redelijke | eisen van | welstand. Toets | Nota | omgevingskwaliteit Op | grond | van | de | Nota | omgevingskwaliteit | behoort | het | projectgebied | tot | de | gebiedskwaliteit ‘Buitengebied | – basis’. | Zoals | in | paragraaf | 2. 2 is beschreven | wordt | de | ontwikkeling | landschappelijk ingepast | , waarbij | wordt | aangesloten | bij de | kenmerken | van | het | heideontginningslandschap | op de | grens van | een | kampenlandschap. De | overkapping | wordt | gerealiseerd | volgens | de | Saksische | bouwstijl | , waarbij | deze | wordt | uitgevoerd | met eikenhout | (gevels) | en | voorzien | wordt | van | rode | dakpannen.

| Deze | materialen | komen | overeen | met | de traditionele | bebouwing | in Twente | en | zijn | passend | in het | landschap. | Daarmee | voldoet | het | aan | de omgevingscriteria | voor | het | buitengebied | (basis). Conclusie Het | project | sluit | aan | bij | de | omgevingscriteria | voor | het | buitengebied | (basis) | en | de | geldende landschapskenmerken. 4. 2 Voorbereidingsfase | / Verkenningsfase | met | stakeholders 4. 2. 1 Vooroverleg | provincie De | provincie | heeft | een | lijst vastgesteld | met | gevallen | van | buitenplanse | omgevingsplanactiviteiten waarvoor | op | grond | van | artikel | 16. 15a | sub | d Omgevingswet | advies | met | instemming | nodig | is (Lijst advies en | instemming | (lijst BOPA)). | Als | de | gewenste | activiteiten | zijn | opgenomen | op | deze | lijst dan | is | de provincie | bevoegd | om | advies | te | geven | en | instemming | te verlenen. | Onthoudt | de | provincie | instemming dan | kan | de | omgevingsvergunning | niet | verleend | worden. In | de | voornoemde | lijst | is | opgenomen | dat | er | vrijstelling | geldt | van | het | vooroverleg (voorkantsamenwerking) | voor | kleinschalige | openbare | (nuts)voorzieningen | en | kleinschalige voorzieningen | voor | openbaar | vervoer | en | wegverkeer | , recreatief | medegebruik | en | natuurbeheer.

| Tevens geldt | vrijstelling | voor | kleinschalige | agrarische | bebouwing | , zoals | bijvoorbeeld | een | schuilgelegenheid | of mestopslag | buiten | het | bouwperceel. De | voorgenomen | ontwikkeling | voorziet | in een | kleinschalige | voorziening | (rustpunt | met | overkapping | van circa | 16 | m 2 en | streekproductenautomaat) | waardoor | vooroverleg | niet | noodzakelijk | is. In paragraaf | 4. 1. 2 is aangetoond | dat | het | project | past | binnen | het | provinciale | omgevingsbeleid. 4. 2. 2 Vooroverleg | Waterschap | Vechtstromen Op | 21 | juli 2026 | is het | plan | via | www. | hetwateradvies. | nl kenbaar | gemaakt | bij het | waterschap. | Het waterschap | heeft | nog | geen | inhoudelijk | advies | uitgebracht. | Op | 5 augustus | 2026 | heeft | het | waterschap per | mail | kenbaar | gemaakt | dat | de | invloed | van | het | plan | dermate | klein | is waardoor | het | waterschap | op voorhand | geen | bezwaar | heeft | tegen | dit project. 4. 2. 3 Participatie | omgeving De | gemeenteraad | heeft | het | beleid | ‘Inwonersparticipatie’ | vastgesteld | en | daarin | is een | ‘Checklist | Aan | de slag | met | inwonersparticipatie’ | opgenomen. | Initiatiefnemer | heeft | enkele | omwonenden | door | middel | van een | keukentafelgesprek | geïnformeerd | over | het | voornemen.

| Initiatiefnemer | heeft | de | volgende | adressen geïnformeerd: • | Breemorsweg | 19 (4 | september | 2026) | ; • | Frensdorferweg | 48 | (4 september | 2026) | ; • | Camping | de | Rammelbeek | (5 september | 2026). De | reacties | waren | overwegend | positief | en | er is draagvlak | over | het | initiatief. | Initiatiefnemer | heeft | een participatieverslag | opgesteld | welke | aan | de | aanvraag | omgevingsvergunning | is toegevoegd. 24 4. 2. 4 Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16. 15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat om de volgende gevallen: Een toevoeging van een woning in het buitengebied ; (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak ; (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied ; De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf ; Duurzame energievoorzieningen , zoals bijvoorbeeld: zonneveld voorzover groter dan 50m2 ; windturbine/-molen voorzover hoger dan 25 meter ; biomassavergistingsinstallatie voorzover niet uitsluitend bedrijfseigen mest wordt verwerkt - Antenne-installatie voorzover hoger dan 40 meter ; Grootschalige infrastructurele (kunst)werken ; De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers.

- - - - - - - - - - Onderhavig project heeft betrekking op een geval waarvoor bindend adviesrecht is vastgesteld. Er wordt namelijk bebouwing op meer dan 30 meter van een bouwvlak gerealiseerd. 25 5. | Aspecten | fysieke | leefomgeving | en | milieu Zoals | blijkt uit hoofdstuk | 1. 2 geldt | bij vergunningverlening | van | een | buitenplanse | omgevingsplanactiviteit dat | een | vergunning | voor | de | activiteiten | alleen | wordt | verleend | met | het | oog | op | een | evenwichtige | toedeling van | functies | aan | locaties | (artikel | 4. 2 lid 1 Ow). Om | dit | te kunnen | beoordelen | zijn | alle | voor | de | fysieke | leefomgeving | relevante | aspecten | (voor | zover betrekking | hebbend | op | de | gevraagde | activiteit) | nader | onderzocht | en | afgewogen. | Voor | de | beoordeling van | de | buitenplanse | omgevingsplanactiviteiten | zijn op | basis | van | artikel | 8. 0b | lid 1 Bkl | de | volgende | regels en | instructies | van | toepassing: - | de | instructieregels | van | hoofdstuk | 5 , met | name | afdeling | 5. 1 ‘Instructieregels | met | het | oog | op | een evenwichtige | toedeling | van | functies | aan | locaties’ | van | het | Bkl ; - | de | instructieregels | uit de | provinciale | omgevingsverordening | ; - | eventuele | andere | instructies | van | het | Rijk | en | provincie.

In het | kader | van | een | evenwichtige | toedeling | van | functies | aan | locaties | zijn | niet | alleen | de | in het | Bkl geregelde | milieu | aspecten | beoordeeld | , maar | zijn | alle | relevante | aspecten | van | de | fysieke | leefomgeving en | milieu | beoordeeld | , zoals | bijvoorbeeld | het | effect | van | cumulatie. | Voor | zover | relevant | is er | voor | de aspecten | fysieke | leefomgeving | en | milieu | ook | getoetst | aan | het | gemeentelijk | beleid. 5. 1 Ladder | voor | duurzame | verstedelijking De | ladder | voor | duurzame | verstedelijking | is een | instructieregel | voor | zorgvuldig | ruimtegebruik | van | de fysieke | leefomgeving | en | het | tegengaan | van | leegstand | van | gebouwen. | De | instructieregel | in artikel 5. 129g | van | het | Bkl | verplicht | om | bij een | wijziging | van | het | omgevingsplan | , dat | een | nieuwe | stedelijke ontwikkeling | mogelijk | maakt | , rekening | te | houden | met | de | behoefte | aan | de | voorgenomen | nieuwe stedelijke | ontwikkeling. Artikel | 5. 129g | lid 2 van | het | Bkl | behelst | een | motiveringseis | en | vraagt | om | explicitering | van | gemaakte keuzes.

| Voor | het | maken | en | onderbouwen | van | die keuzes | is zo | nodig | , op | grond | van | artikel | 3:2 | Algemene wet | bestuursrecht | (Awb) | , onderzoek | geboden | waarbij | de | nodige | kennis | wordt | vergaard | omtrent | de behoefte | aan | de | in | het | project | voorziene | nieuwe | stedelijke | ontwikkeling. | Met | de | uitkomsten | daarvan dient | in het | omgevingsplan | rekening | te worden | gehouden. | Het | bestuursorgaan | heeft | bij de | toepassing van | deze | instructieregel | beoordelingsvrijheid. | Andere | belangen | dan | het | belang | dat | wordt | gediend | met de | instructieregel | kunnen | de | doorslag | geven. De | ladder | is geen | blauwdruk | voor | een | optimale | ruimtelijke | inpassing | van | alle | nieuwe | ontwikkelingen | , maar | bewerkstelligt | dat | de | wens | om | in een | nieuwe | stedelijke | ontwikkeling | te voorzien | aan | de | hand | van het | toetsingskader | van | dit artikellid | nadrukkelijk | wordt | gemotiveerd | en | afgewogen | met | oog | voor | de ontwikkelingsbehoefte | van | een | gebied | en | met | oog | voor | de | toekomstige | ruimtebehoefte | en | de ontwikkeling | van | de | omgeving | waarin | het | gebied | ligt.

| Deze | bepaling | schrijft | geen | vooraf | bepaald resultaat | voor | , omdat | het | optimale | resultaat | moet | worden | beoordeeld | door | het | bevoegd | gezag | dat | de regionale | en | lokale | omstandigheden | kent | en | de | verantwoordelijkheid | draagt | voor | de | ruimtelijke afweging | met | betrekking | tot die | ontwikkeling | (ABRS | 23 | april | 2014 | , ECLI:NL:RVS:2014:1421 | en | ABRS 28 | september | 2016 | , ECLI:NL:RVS:2016:2579). De | laddertoets | is in ieder | geval | van | toepassing | op | een | stedelijke | ontwikkeling | of uitbreiding | van | o. a. bedrijventerrein | , een | woningbouwlocatie | , kantoren | , een | detailhandelsvoorziening. | De | opsomming | in het eerste | lid is niet | limitatief | , ook | andere | dan | de | genoemde | ontwikkelingen | kunnen | zich | als | een | stedelijke ontwikkeling | kwalificeren. | Voorts | geldt | dat | een | stedelijke | ontwikkeling | voldoende | substantieel | dient | te zijn om | als | nieuwe | stedelijke | ontwikkeling | te worden | aangemerkt. | Of | aan | dit criterium | wordt | voldaan | is in sterke | mate | afhankelijk | van | de | concrete | omstandigheden | van | het | geval.

Situatie | projectgebied Initiatiefnemer | is voornemens | om | langs | de | Frensdorferweg | een | kaas- | en | streekproductenautomaat | te plaatsen | voor | de | verkoop | van | boerenkaas | (welke | van | het | agrarisch | bedrijf | Frensdorferweg | 44 | afkomstig is) en | andere | streekproducten. | De | automaat | wordt | geplaatst | onder | een | houten | overkapping | met | een bouwhoogte | van | 35 , | meter | en | goothoogte | van | 22 , meter. | De | oppervlakte | bedraagt | circa | 16 | m. 2 26 Gelet | op | de | kleinschaligheid | van | de | ontwikkeling | kan | de | ontwikkeling | niet | aangemerkt | worden | als | een nieuwe | stedelijke | ontwikkeling. | Vanwege | de | geringe | oppervlakte | is | de | ontwikkeling | niet | dusdanig substantieel | dat | er | sprake | is van | een | stedelijke | ontwikkeling. | De | Ladder | voor | duurzame | verstedelijking is niet | van | toepassing. Conclusie Er | is | geen | sprake | van | een | nieuwe | stedelijke | ontwikkeling | waardoor | de | Ladder | voor | duurzame verstedelijking | niet | van | toepassing | is. 5. 2 M. | e. r. -beoordeling Afdeling | 16. | 4 van | de | Ow | bevat | de | regelgeving | over | milieueffectrapportage. | De | uitwerking | ervan | staat in hoofdstuk | 11 | van | het | Omgevingsbesluit. | De | regels | voor | de | milieueffectrapportage | (mer) | staan | in afdeling | 16. 4 | van | de | Ow.

| De | uitwerking | ervan | staat | in hoofdstuk | 11 | van | het | Omgevingsbesluit. | Het | gaat hier | om | de | implementatie | van | 2 richtlijnen: • | de | EU-richtlijn | mer | (mer-richtlijn): | richtlijn | over | de | milieueffectbeoordeling | van | bepaalde | openbare en | private | projecten. • | de | EU-richtlijn | voor | strategische | milieubeoordeling | (smb-richtlijn): | richtlijn | over | de | beoordeling | van de | gevolgen | voor | het | milieu | van | bepaalde | plannen | en | programma's. De | regels | schrijven | voor | bepaalde | plannen | , | programma's | en | projecten | een | zogenoemde milieubeoordeling | voor. | Deze | mer-procedure | gaat | vooraf | aan | het | nemen | van | een | besluit | over | het vaststellen | van | het | plan | of het | toestaan | van | een | project. In | een | aantal | situaties | is | het | mogelijk | om | een | plan-mer-beoordeling | te | doen | in | plaats | van | een milieueffectrapportage. | Voor | een | plan-mer-plicht | gelden | de | volgende | eisen: • | De | eerste | eis | is dat | het | moet | gaan | om | een | wettelijk | of | bestuursrechtelijk | voorgeschreven | plan | of programma | (artikel | 16. | 34 | lid 1 | Ow). | In | de | Omgevingswet | is opgenomen | dat | een | omgevingsvisie | , een | programma | , een | omgevingsplan | en | een | voorkeursbeslissing | aan | die | vereisten | voldoen.

• | De | tweede | eis | is | dat | het | plan | of | programma | een | kader | vormt | voor | besluiten | voor | mer- (beoordelings)plichtige | projecten | (artikel | 16. | 36 | Ow) | of | dat | er | een | passende | beoordeling | voor | een plan | of | programma | nodig | is. | In | kolom | 1 | van | bijlage | V | bij | het | Omgevingsbesluit | zijn | de | mer- (beoordelings)plichtige | projecten | opgenomen. De | inhoud | van | een | plan | of project | bepaalt | mede | de | eventuele | mer-plicht. | In een | aantal | gevallen | is het echter | mogelijk | om | eerst | een | plan-mer- | beoordeling | te | doen. | Uit | een | plan-mer-beoordeling | blijkt | of | het plan | of | programma | aanzienlijke | milieueffecten | heeft. | Als | dat | niet | het | geval | is , | kan | een planmilieueffectrapportage | achterwege | blijven. | Een | plan-mer-beoordeling | kan | in | de | volgende | twee situaties | aan | de | orde | zijn: 1. | Het | plan | is | kaderstellend | voor | projecten | die | milieueffecten | kunnen | hebben | , maar | het | gaat | om projecten | die | niet | in bijlage | V bij het | Omgevingsbesluit | staan. | Het | plan | is | niet | direct | plan-merplichtig | , maar | er | moet | wel | een | plan-mer-beoordeling | worden | uitgevoerd.

| De | mer-(beoordelings)plichtige projecten | zijn | opgenomen | in kolom | 1 | van | bijlage | V | bij het | Omgevingsbesluit. 2. | Het | plan | is | kaderstellend | voor | projecten | uit bijlage | V bij | het | Omgevingsbesluit. | Daarnaast | komen | de projecten | waarvoor | het | omgevingsplan | het | kader | vormt | niet | boven | de | drempel | van | kolom | 2 | uit bijlage | V Omgevingsbesluit. | Er | kan | dan | volstaan | worden | met | een | plan-mer-beoordeling | als: a. | het | plan | een | kleine | wijziging | van | een | plan | of programma | is ; b. | het | plan | gaat | over | een | klein | gebied | op | lokaal | niveau | én | als | voor | dat | plan | of | programma | een bestuursorgaan | van | een | gemeente | het | bevoegd | gezag | is. In | een | plan-mer-beoordeling | of | project-mer-beoordeling | (artikel | 16. | 36 | lid | 3 | en | lid 4 | Ow) | toetst | het bevoegd | gezag | of | er | bij | het | plan | of | programma | aanzienlijke | milieueffecten | kunnen | optreden. | Er | zijn twee | mogelijke | resultaten: • | Aanzienlijke | milieueffecten | zijn | niet | uitgesloten: | er | volgt | een | plan-mer | en | er | moet | een milieueffectrapport | (MER) | worden | gemaakt. 27 • | Aanzienlijke | milieueffecten | zijn | uitgesloten: | er | is | geen | plan-mer | nodig | en | er | wordt | geen | MER gemaakt.

Beoordeling | of het | project | mer-plichtig | of mer-beoordelingsplichtig | is De | eerste | vraag | die | beantwoord | moet | worden | is of | het | project | voldoet | aan | de | omschrijving | die | is opgenomen | in | kolom | 1 | van | bijlage | V | bij het | Omgevingsbesluit. | Dit | project | heeft | betrekking | op | het realiseren | van | een | overkapping | ten | behoeve | van | een | kaasautomaat | in het | buitengebied. | Een | dergelijk project | wordt | niet | expliciet | benoemd | in | kolom | 1 | van | bijlage | V | bij het | Omgevingsbesluit | , de | meest logische | aansluiting | kan | worden | gevonden | onder | nummer | J11 | , een | 'stedelijk | ontwikkelingsproject | met inbegrip | van | de | bouw | van | winkelcentra | en | de | aanleg | van | parkeerterreinen'. Het | begrip | 'stedelijk | ontwikkelingsproject' | is niet | gedefinieerd | , wel | zijn | er | een | aantal | voorbeelden | van bouwprojecten | die | als | stedelijk | ontwikkelingsproject | kunnen | worden | aangemerkt. | Dit | betreft | o. a. woningen | , parkeerterreinen | , theaters | , sportcentra | , kantoorgebouwen | en | dergelijke | of | een | combinatie daarvan. | Of | sprake | is van | een | 'stedelijk | ontwikkelingsproject' | hangt | af van | de | concrete | omstandigheden van | het | geval.

| Gelet | op | de | uitspraak | van | de | Raad | van | State | van | 31 | januari | 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) | lijken | de | volgende | aspecten | relevant | voor | de | vraag | of | sprake | is | van | een stedelijk | ontwikkelingsproject: • | de | aard | en | omvang | van | de | ontwikkeling | ; • | de | vormgeving | en | opzet | ; • | de | schaalgrootte | ; • | de | ligging | ; • | de | voorgenomen | functie(wijziging) | , en ; • | de | vraag | of | sprake | is van | een | bestaand | of | van | een | te realiseren | bouwwerk. Wanneer | de | ontwikkeling | van | zodanig | kleinschalige | aard | is kan | het | zo | zijn dat | geen | sprake | is van | een project | in | de | zin | van | m. e. r. onder | het | Ob. | Dit | kan | in sommige | gevallen | gemotiveerd | worden | op | basis van | jurisprudentie. Of | sprake | is van | een | 'stedelijk | ontwikkelingsproject' | hangt | af van | de | concrete | omstandigheden | van | het geval. | Onder | andere | de | aard | en | de | omvang | van | de | voorziene | wijziging | van | de | stedelijke | ontwikkeling spelen | daarbij | een | rol. Of | de | ontwikkeling | per | saldo | aanzienlijke | negatieve | gevolgen | voor | het | milieu | kan hebben | , is | daarbij | niet | relevant | , waarbij | de | bestaande | planologische | mogelijkheden | meegewogen mogen | worden | (ABRS | 18 | juli 2018 | , ECLI:NL:RVS:2018:2414).

De | voorgenomen | ontwikkeling | voorziet | in de | realisatie | van | een | rustpunt | waarbij | een | overkapping | met een | oppervlakte | van | circa | 16 | m 2 wordt | gerealiseerd | , waarin | een | kaas- | en | streekproductenautomaat gerealiseerd | wordt. | Hoewel | de | bebouwde | oppervlakte | gering | toeneemt | past | de | overkapping | qua | aard | , omvang | en | vormgeving | in | het | buitengebied. | De | overkapping | en | het | rustpunt | worden | landschappelijk ingepast | en | de | overkapping | (Saksische | bouwstijl) | sluit | aan | bij de | kenmerken | van | het | buitengebied. Daarnaast | past | de | functie | bij het | buitengebied | (recreatief | medegebruik) | waardoor | geconcludeerd | kan worden | dat | het | project | niet | aangemerkt | kan | worden | als | stedelijk | ontwikkelingsproject. | Een | project-mer- beoordeling | en | het | uitvoeren | van | een | milieueffectrapport | zijn | niet | noodzakelijk. Conclusie Op | basis | van | bovengenoemde | beoordeling | van | kenmerken | en | locatie | van | het | project | en | de | kenmerken van | het | potentiële | effect | van | het | project | is | vastgesteld | dat | er | geen | sprake | is van | een | project | dat aanzienlijke | milieugevolgen | heeft | , zodat | geen | milieueffectrapport | hoeft | te worden | gemaakt | (artikel | 16. 43 jo. artikel | 16. 53 | Ow).

| Er | is geen | sprake | van | een | stedelijk | ontwikkelingsproject | waardoor | eveneens | geen project-mer-beoordeling | uitgevoerd | hoeft | te | worden. 5. 3 Verkeersgeneratie | , -afwikkeling | en | parkeren De | visie | op | verkeer | en | vervoer | is opgenomen | in het | Strategisch | verkeer- | en | vervoerplan | 2019. | De verkeersgeneratie | moet | worden | bepaald | aan | de | hand | van | de | meest | recente | CROW-uitgave | ‘toekomstig parkeren’ | (uitgave | 381). | De | toename | en | de | verkeersveiligheid | wordt | beoordeeld | aan | de | hand | van | de verkeersgeneratie | en | de | wegencategorisering | in het | Strategisch | verkeer- | en | vervoerplan | 2019. | Er | moet 28 worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Situatie projectgebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een rustpunt met overkapping met kaas- en streekproductenautomaat langs een recreatieve route in het buitengebied van Lattrop-Brecklenkamp. Initiatiefnemer wenst met dit project kaas- en streekproducten aan te bieden aan recreanten van de wandel- en fietspaden in het buitengebied.

Hoewel de verwachting is dat de ontwikkeling op zichzelf niet zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van- en naar het projectgebied , kan het zijn dat men gericht een bezoek aan de automaat brengt om één van de aangeboden producten (bijvoorbeeld op het agrarisch bedrijf aan de Frensdorferweg 44 gemaakt kaas) te kopen. Het aantal verkeersbewegingen zal echter gering zijn waardoor dit geen negatieve effecten zal hebben op de verkeerskundige situatie. Situatie projectgebied parkeren De toename van de parkeerbehoefte maakt onderdeel uit van de eisen van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen , de rekensystematiek definities , uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. In de Nota bouwen & Parkeren 2018 van de gemeente Dinkelland zijn geen parkeernormen opgenomen voor een rustpunt met kaas- en streekproductenautomaat. Als gevolg van het project worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Gesteld kan worden dat het project niet leidt tot onevenredige toename van parkeerdruk op de omgeving. Conclusie Het project leidt niet tot onevenredige toename van de parkeerdruk op de omgeving.

Daarnaast kan een eventuele geringe toename van het aantal verkeersbewegingen via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5. 4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden , beschermde soorten , en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5. 4. 1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben , zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan , indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag) , dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid , licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten , dan is een passende beoordeling noodzakelijk.

In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De 2000-gebieden minister aan. gebieden deze wijst instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels ; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. Voor de Natura stelt de minister • • 29 De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten , op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten , de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'.

Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie projectgebied Met de gevraagde vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt geen oordeel gegeven over de vraag of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd is , maar wordt rekening gehouden met (de effecten op) de Natura 2000-gebieden. Het projectgebied ligt op circa 670 meter afstand van het Natura 2000-gebied “Bergvennen & Brecklenkampse Veld”. In figuur 5. 1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven. Figuur 5. 1: Ligging projectgebied t. o. v. Natura 2000-gebieden (bron: Atlas van Overijssel) Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Vanwege de onderlinge afstand van het projectgebied tot aan het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten zoals geluid , licht en optische verstoring niet aan de orde. Ook zullen in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten zoals trillingen waarneembaar zijn.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden als gevolg van de uitvoering van fysieke activiteiten. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied even gevoelig voor verzuring , als gevolg van stikstofdepositie , zijn. Om de overkapping te realiseren vinden geringe 30 bouwwerkzaamheden plaats. De werkzaamheden zijn echter van zodanige kleine aard en omvang dat gesteld wordt dat er geen negatieve effecten zullen optreden. Als gevolg van de gebruiksfase zal het aantal ‘gerichte’ verkeersbewegingen gering toenemen. Het rustpunt met de kaas- en streekproductenautomaat richt zich namelijk op de recreant die gebruikt maakt van de bestaande wandel- en fietsroutes in de omgeving. Het project is daarmee van zodanige aard en omvang dat gesteld wordt dat er ook in de gebruiksfase geen negatieve effecten zullen optreden. Het project wordt ten aanzien van stikstof op voorhand uitvoerbaar geacht. Conclusie Met de gevraagde vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt geen oordeel gegeven over de vraag of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd is , maar wordt rekening gehouden met (de effecten op) de Natura 2000-waarden. Gelet op vorenstaande motivering is het project is ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden uitvoerbaar.

Vanwege de kleinschalige aard en omvang van het project en de onderlinge afstand van het projectgebied tot aan de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten zoals geluid , licht en optische verstoring niet aan de orde. Ook zullen in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten zoals trillingen waarneembaar zijn. Gelet op de vorenstaande motivering staat het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het gevraagde project in de weg. 5. 4. 2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks- , provinciaal , en gemeentelijk niveau vastgesteld , waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte , welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o. a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen , indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee , tenzij'-principe.

Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan , tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet binnen of in de nabijheid van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In figuur 5. 2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. 31 Figuur | 5. 2: Ligging | projectgebied | t. o. v. Natuurnetwerk | Nederland | (bron: | Atlas | van | Overijssel) Omdat | de | bescherming | van | het | Natuurnetwerk | Nederland | geen | externe | werking | kent | , hoeft | het | project niet | verder | getoetst | te | worden | aan | de | regels | voor | de | bescherming | van | het | NNN. Conclusie Het | projectgebied | ligt niet | op | gronden | die | behoren | tot | het | NNN. | De | invloedsfeer | van | het | kleinschalige voornemen | is | lokaal | , waardoor | de | voorgenomen | ontwikkeling | geen | negatief | effect | zal | hebben | op | de kernkwaliteiten | en | omgevingscondities | van | het | NNN. 5. 4.

3 Soortenbescherming In | de | Omgevingswet | (Bal | ; Besluit | activiteit | leefomgeving) | is de | soortenbescherming | in | Nederland geregeld. | In de | wet | zijn | lijsten | opgenomen | met | beschermde | soorten. | In de | Omgevingswet | worden | drie verschillende | beschermingsregimes | gehanteerd | waaraan | verschillende | verbodsbepalingen | zijn gekoppeld: • | Soorten | Vogelrichtlijn | (artikel | 11. 37 | t/m | artikel | 11. 40 | Bal) ; • | Soorten | Habitatrichtlijn | (artikel | 11. 46 | t/m | artikel | 11. | 48 | Bal) | ; • | Andere | soorten | (artikel | 11. 54 | Bal). Tevens | geldt | een | specifieke | zorgplicht | op | grond | van | de | Omgevingswet. | Een | flora- | en | fauna-activiteit kan | nadelig | zijn | voor | bijvoorbeeld | natuurbescherming. | Iemand | die | dat | weet | of | kan | weten | , moet | zich altijd | houden | aan | de | specifieke | zorgplicht | bij het | verrichten | van | de | activiteit | (artikel | 11. 27 | Bal). | De specifieke | zorgplicht | geldt | bij alle | dier- | en | plantensoorten | , dus | bij (inter)nationaal | beschermde | soorten én | bij | andere | soorten. | Of | dier- | en | plantensoorten | nu | wettelijk | beschermd | zijn | of | niet , iedereen | moet voldoende | rekening | houden | met | in | het | wild | levende | dieren | en | planten | en | hun | directe | leefomgeving.

| De wet | erkent | daarmee | de | intrinsieke | waarde | van | in | het | wild | levende | soorten. Situatie | projectgebied De | projectlocatie | bevindt | zich | direct | aan | de | Frensdorferweg | ter hoogte | van | de | inrit | naar | het | perceel Frensdorferweg | 44. | In figuur | 5. 3 is een | aanzicht | van | het | projectgebied | weergegeven. 32 Figuur 5. 3: Aanzicht projectgebied vanaf Frensdorferweg (bron: foto initiatiefnemer) De berm langs de inrit en het projectgebied wordt intensief door initiatiefnemer onderhouden en gemaaid. Door de inrichting en met name het gevoerde beheer (intensief onderhoud) wordt de bouwlocatie van de overkapping en de parkeerplaatsen ongeschikt geacht als groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Hoewel de bouwlocatie van de overkapping als functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren kan fungeren geldt voor een groot aantal zoogdieren een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- of voortplantingsplaats’. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën gedood worden , dienen ze weggevangen te worden alvorens de werkzaamheden plaatsvinden. Aangezien er nagenoeg geen opgaande beplanting ter plaatse van de bouwlocatie aanwezig is , hoeft het terrein op voorhand niet natuurvrij gemaakt te worden.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt , worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën opzettelijk gedood. Op voorhand wordt gesteld dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet aangevraagd hoeft te worden bij het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Ook wanneer zou blijken dat wél een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aangevraagd zou moeten worden , dan geldt dat deze separaat aangevraagd kan worden bij de provincie Overijssel. De eis van ‘onlosmakelijke samenhang’ is onder de Omgevingswet niet teruggekeerd. Dat betekent dat de aanvraag separaat aangevraagd kan worden. Tot slot bevat de omgevingswet een zorgplicht voor dieren en planten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet , iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Op voorhand wordt geconcludeerd dat het aspect ‘soortenbescherming’ geen belemmering vormt voor dit project. Conclusie Op voorhand staat het aspect 'soortenbescherming' niet aan de uitvoerbaarheid van deze omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit in de weg. 5. 5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5. 1. 4. 1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit.

Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor 33 onder | andere | de | in | de | buitenlucht | voorkomende | stikstofdioxide | (NO2) | en | fijnstof | (PM10). | De | overheid toetst | en | monitort | de | luchtkwaliteit | vooral | in zogeheten | aandachtsgebieden | , dit zijn | locaties | met | hogere concentraties | stikstofdioxide | of fijnstof. In | een | aandachtsgebied | moet | de | overheid | de | omgevingswaarden | in | acht | nemen. | Dit | geldt | voor | de besluiten | , als | deze | zorgen | voor | een | verhoging | van | de | concentraties | binnen | een | aandachtsgebied. | Als de | gemeente | activiteiten | toelaat | , | die | leiden | tot | gebruik | van | wegen | , | vaarwegen | of | spoorwegen (verkeersaantrekkende | werking) | of | waarvoor | luchtregels | staan | in | het | Besluit | activiteiten | leefomgeving (Bal) | moet | worden | voldaan | aan | de | omgevingswaarden. | Dit | volgt | uit artikel | 5. 51 | van | het | Bkl. | Hierbij | gaat het | om | activiteiten | binnen | het | aandachtsgebied. | Maar | het | kan | ook | gaan | om | activiteiten | in | de | buurt | van een | aandachtsgebied | , als | deze | activiteiten | zorgen | voor | een | verhoging | van | de | concentraties | binnen | het nabijgelegen | aandachtsgebied.

| Het | gaat | in zulke | gevallen | om | activiteiten | die | relatief | veel | luchtvervuiling veroorzaken | en | over | een | grotere | afstand | effect | hebben | (bijvoorbeeld | verkeer | of bedrijfsemissies). | Een activiteit | is toelaatbaar | als | aan | één | van | de | volgende | voorwaarden | wordt | voldaan: • | er | is geen | sprake | van | een | feitelijke | of dreigende | overschrijding | van | een | grenswaarde | ; • | het | project | leidt | per | saldo | niet | tot | een | verslechtering | van | de | luchtkwaliteit | ; • | het | project | draagt | alleen | niet | in betekenende | mate | bij aan | de | luchtverontreiniging. De | specifieke | beoordelingsregels | voor | luchtkwaliteit | staan | in | artikel | 8. 17 | van | het | Besluit | kwaliteit leefomgeving. | Voor | vergunningplichtige | milieubelastende | activiteiten | heeft | het | rijk | beoordelingsregels over | emissies | naar | de | lucht | en | de | beoordeling | van | de | luchtkwaliteit | opgenomen | in het | Bkl. | De | specifieke beoordelingsregels | voor | lucht | staan | in artikel | 8.17 | , 8. 21 | en | 8. 24 | van | het | Bk). | Deze | gaan | over: • | beoordeling | luchtkwaliteit | en | toetsing | aan | de | rijksomgevingswaarden | ; • | ammoniakemissies | van | veehouderijen | ; • | geologische | opslag | van | CO2. Uit | artikel | 5. 53 | en | 5.

54 | van | het | Bkl | volgt | dat | een | project | niet | in betekende | mate | (NIMB) | bijdraagt | aan | de luchtkwaliteit | als | de | toename | van | de | concentratie | NO2 | en | PM10 | niet | hoger | is dan | 12 , | ug/m³. | Dat | is 3% van | de | omgevingswaarde | voor | de | jaargemiddelde | concentraties. | In | artikel | 5. 54 | staan | standaardgevallen (inrichtingen | , kantoor- | en | woningbouwlocaties) | opgenomen | die | niet | in betekenende | mate | bijdragen | aan de | luchtverontreiniging. | Enkele | voorbeelden | zijn: • | woningen: | 1500 | met | een | enkele | ontsluitingsweg | ; • | woningen: | 3000 | met | twee | ontsluitingswegen | ; • | kantoren: | 100. | 000 | m² | bruto | vloeroppervlak | met | een | enkele | ontsluitingsweg. Als | een | plan | of project | binnen | de | genoemde | categorie | , maar | niet | binnen | de | gestelde | grenzen | valt | , is het | alsnog | mogelijk | om | via | detailberekeningen | aannemelijk | te | maken | dat | de | 3%-grens | niet | wordt overschreden. | Een | andere | manier | om | aannemelijk | te | maken | dat | een | project | de | 3%-grens | niet overschrijdt | is een | kwalitatieve | berekening. | Met | de | NIBM-tool | kan | bekeken | worden | of | een | project | in betekenende | mate | bijdraagt | aan | de | luchtverontreiniging.

| Soms | zijn | detailberekeningen | nodig | als aanvulling | op | de | NIBM-tool. Situatie | projectgebied Het | projectgebied | in de | gemeente | Dinkelland | ligt niet | in een | aandachtsgebied | met | hogere | concentraties stikstofdioxide | (NO2) | en/of | fijnstof | (PM10). | Dit | volgt | uit | artikel | 5. 51 | lid 2 | Bkl. Gelet | op | de | aard | en | omvang | van | de | ontwikkeling | , in verhouding | tot | de | standaardgevallen | NIBM | , kan worden | gesteld | dat | het | project | 'niet | in betekenende | mate | bijdraagt' | aan | de | luchtverontreiniging. | Het realiseren | van | een | overkapping | met | kaas- | en | streekproductenautomaat | blijft namelijk | ruim | onder | de gestelde | standaardgevallen | uit | artikel | 5. 54 | van | het | Bkl. | Een | verdere | toetsing | aan | de rijksomgevingswaarden | voor | stikstofdioxide | en | fijnstof | is niet | nodig. Conclusie Uit | bovenstaande | volgt | dat | de | bijdrage | van | het | extra | verkeer | niet | in betekende | mate | is. Er | is geen | nader onderzoek | nodig. | Uit | de | jaarlijkse | rapportage | van | de | luchtkwaliteit | blijkt | bovendien | dat | er , in | de omgeving | van | het | plangebied | , langs | wegen | geen | overschrijdingen | van | de | grenswaarden | aan | de | orde 34 zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten.

Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 5. 6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid ; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5. 1. 4. 2. 1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit , als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten , zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten.

Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen , maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien , zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld , maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5. 1. 4. 2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen , spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen , spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen ; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal) ; Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen , psychiatrische inrichtingen , medische centra , poliklinieken , medische kleuterdagverblijven , etc.

• • • • • Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg , spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5. 78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: 35 Figuur 5. 4: Standaardwaarden (bron: art. 5. 78T van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning , onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten , wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein , wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid , namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘Buitengebied’. Situatie projectgebied De overkapping ten behoeve van de kaas- en streekproductenautomaat kan niet worden aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw. Wel kan de functie gelijkgesteld worden met een detailhandelsfunctie , waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter in verband met het aspect ‘geluid’.

De afstand tot de dichtstbijzijnde woning (Breemorsweg 19) bedraagt circa 165 meter waardoor geconcludeerd kan worden dit niet zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘geluid’ van zowel wegverkeerslawaai , railverkeerslawaai , industrielawaai en solitaire activiteiten geen belemmering vormt. In het kader van geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Gelet op het vorenstaande leidt het aspect geluid niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd , aangezien er geen sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5. 7 Geur In paragraaf 5. 1. 4. 6. 1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld , namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) ; het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) ; andere agrarische activiteiten. • • • In artikel 5.

92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van 36 toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies , moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie projectgebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een nieuw geurgevoelig gebouw.

Onder een geurgevoelig gebouw wordt in ieder geval verstaan: een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie , een onderwijsfunctie , een gezondheidszorgfunctie met bedgebied of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied , alsmede nevengebruik van deze functies. Daar is met voorliggende ontwikkeling geen sprake van. De voorgenomen ontwikkeling voorziet ook niet in een geurbelastende functie zoals een agrarisch bedrijf , rioolwaterzuiveringsinstallatie of ander niet-agrarisch bedrijf , waardoor het aspect ‘geur’ geen belemmering vormt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Er is ten aanzien van ‘geur’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het project voorziet niet in de realisatie van een nieuw geurgevoelig gebouw of een geurbelastende functie. 5. 8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5. 1. 2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag , productie , gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 van het Bkl.

In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving ; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg , water en spoor) ; Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving ; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. • • • • • De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art.

5. 7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden , afhankelijk van de activiteit , vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet 37 verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a , z. d. ). Aandachtsgebieden zijn er voor brand , explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen , zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied , dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4. 90 tot en met 4. 96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen , zoals scholen , kinderdagopvang , en verzorgingstehuizen , geldt altijd een voorschriftengebied , en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen , bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5. 1. 2. 3 Bkl ; veiligheid rond opslaan , herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5. 1. 2. 4 Bkl ; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5. 1. 2. 5 Bkl) ; veiligheid rond luchthavens (par. 5. 1. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1054/documents/25689