Ruimtelijke onderbouwing kaasautomaat Frensdorferweg 44 Lattrop-Breklenkamp
Tekst van het document
6 Bkl). • • • • Situatie projectgebied Aan de hand van de kaart 'omgevingsveiligheid' van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in de omgeving van het projectgebied. Op deze kaart staan onder andere de brand- , explosie- en gifwolkaandachtsgebieden van externe risicobronnen. In figuur 5. 5 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Figuur 5. 5: Uitsnede kaart omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving) 38 De realisatie van de overkapping met kaas- en streekproductenautomaat kan niet aangemerkt worden als zeer kwetsbaar of kwetsbaar gebouw. Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt onder andere gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is en de aanwezigheidsduur van personen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een nieuw zeer kwetsbaar gebouw. Daaronder wordt onder meer verstaan: woonfunctie voor 24-uurs zorg , basisscholen , kinderopvang , gezondheidszorg met bedgebied etc. Tevens voorziet de ontwikkeling niet in de realisatie van een kwetsbaar gebouw. Daaronder worden gebouwen met een woonfunctie , bijeenkomstfunctie , kantoorfunctie , sportfunctie etc. verstaan. Overige gebouwen zijn aangemerkt als beperkt kwetsbaar. Echter , zoals uit figuur 5.
5 blijkt bevindt het projectgebied zich niet binnen een brand- , explosie- of gifwolkaandachtsgebied van een externe veiligheidsbron. Conclusie Als gevolg van het project kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Evenmin ligt het projectgebied in een aandachtsgebied van een risicobron. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5. 9 Trilling In paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten , anders dan wonen , die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5. 79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid , zoals opgenomen in artikel 5. 83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen , maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5. 83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij , anders dan in het eerste lid , om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5. 83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd) ; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. • • • • Situatie plangebied Artikel 5.
80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie , zoals woningen en verzorgingshuizen. Door middel van dit project wordt geen nieuw trillinggevoelig gebouw 39 gerealiseerd. Evenmin kan het worden aangemerkt als trillingbelastende functie. Daarmee vormt het aspect ‘trillingen’ geen belemmering. Conclusie Het aspect ‘trillingen’ is niet relevant voor dit project. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5. 10 Archeologie en Cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5. 130 lid 2 Bkl).
Deze gaan over: Ontsiering , beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten ; Verplaatsing van beschermde monumenten ; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand ; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument ; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. • • • • • Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren , elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5. 130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk.
Deze gaan over: ontsiering , beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten ; verplaatsing van beschermde monumenten ; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand ; aantasting van de omgeving van een beschermend monument ; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen ; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Situatie projectgebied Op grond van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland geldt dat het projectgebied is voorzien van het kenmerk ‘dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek’. In figuur 5. 6 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart weergegeven. 40 Figuur 5. 6: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: RAAP/gemeente Dinkelland) In de ‘dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek’ geldt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. 2 Als gevolg van het project vinden geen ingrepen plaats over een oppervlakte groter dan 2. 500 m en 2 dieper dan 40 cm. De overkapping heeft een oppervlakte van circa 16 m en de parkeerplaatsen (verharding) een oppervlakte van circa 25 m. 2 Daarmee is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
Het projectgebied is niet aangewezen als beschermingswaardige zone zoals een beschermd dorps- of stadsgezicht. Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn eveneens geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig die als gevolg van het realiseren van dit project aangetast kunnen worden. Daarmee doet het project geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden in of in de nabijheid van het projectgebied. Conclusie Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk en het project leidt niet tot verstoring van cultuurhistorische waarden. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5. 11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m. b. t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5. 1. 4. 5. 1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu , in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig 41 gebouw. Uit artikel | 5. 89g | van | het | Bkl | volgt | dat | deze | paragraaf | van | toepassing | is op | o. a. een | bodemgevoelig gebouw | en definieert | het | als | een | gebouw | of een | gedeelte | van | een | gebouw | dat | de | bodem | raakt | en | waar personen | meer | dan | twee | uur | per | dag | aaneengesloten | aanwezig | zullen | zijn. | Deze | paragraaf | is niet | van toepassing | op | bijbehorende | bouwwerken | tot 50 | m². Waarden | voor | de | toelaatbare | kwaliteit | van | de | bodem | voor | het | bouwen | van | een | bodemgevoelig | gebouw op | een | bodemgevoelige | locatie | worden | opgenomen | in het | definitieve | omgevingsplan | (art. | 5. 89i | Bkl). Deze | waarden | kunnen | per | gebied | of per | gebruiksfunctie | verschillen. | Bij | een | overschrijding | van | een vastgestelde | waarde | (zie | art. 5. 89i | Bkl) | is het | bouwen | van | een | bodemgevoelig | gebouw | alleen | toegelaten als de | in het | omgevingsplan | voorgeschreven | sanerende | of andere | beschermende | maatregelen | worden getroffen | (art. | 5. 89k | Bkl , art.
| IIIa onder | 2 Aanvullingsbesluit | Bodem). Situatie | projectgebied Het | project | maakt | geen | nieuw | bodemgevoelig | gebouw | of | bodemgevoelige | functie | mogelijk. | Een bodemgevoelig | gebouw | is een | gebouw | of | een | gedeelte | van | een | gebouw | dat | de | bodem | raakt | en | waar personen | meer | dan | twee | uur | per | dag | aaneengesloten | aanwezig | zijn. | Daar | is geen | sprake | van. | Tevens heeft | het | bouwwerk | (overkapping) | een | oppervlakte | kleiner | dan | 50 | m 2 , waardoor | eveneens | geen bodemonderzoek | noodzakelijk | is ten aanzien | van | de | activiteit | ‘bouwen’. Conclusie Het | aspect | ‘bodem’ | vormt | geen | belemmering | voor | de | uitvoering | van | dit project. 5. 12 | Waterbelang Europees | beleid De | Europese | Kaderrichtlijn | Water | (2000/60/EG) | is op | 22 | december | 2000 | in werking | getreden | en | is bedoeld | om | in alle | Europese | wateren | de | waterkwaliteit | chemisch | en | ecologisch | verder | te verbeteren. De | Kaderrichtlijn | Water | omvat | regelgeving | ter bescherming | van | het | binnenlandse | oppervlaktewater | , overgangswateren | (waaronder | estuaria | worden | verstaan) | , kustwateren | en | grondwater. | Voor | het uitwerken | van | de doelstellingen | worden | er op | (deel)stroomgebied | plannen | opgesteld.
| In | deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen | staan | de | ambities | en | maatregelen | beschreven | voor | de verschillende | (deel)stroomgebieden. | Met | name | de | ecologische | ambities | worden | op | het | niveau | van | de deelstroomgebieden | bepaald. Rijksbeleid Het | Nationaal | Water | Programma | 2022–2027 | (vastgesteld | op | 18 | maart | 2022) | geeft | een | overzicht | van de | ontwikkelingen | binnen | het | waterdomein | en | legt | nieuw | ontwikkeld | beleid | vast. | Het | Rijk | werkt | aan schoon | , veilig | en | voldoende | water | dat | klimaatadaptief | en | toekomstbestendig | is. Ook | is er aandacht voor | de | raakvlakken | van | water | met | andere | sectoren. • | Er | liggen | grote | opgaven | voor | het | waterdomein: • | Nederland | moet | zich | aanpassen | aan | de | gevolgen | van | klimaatverandering | ; • | We | moeten | blijven | werken | aan | een | goede | bescherming | tegen | overstromingen | en klimaatrobuuste | zoetwatervoorziening | tegen | toenemende | droogte | ; Ook | de | zorg | voor | goede | waterkwaliteit | en | duurzame | drinkwatervoorziening | verdient | aandacht. Daarnaast | zijn allerlei | functies | afhankelijk | van | water | , zoals | de | scheepvaart | , de | landbouw | en | de | natuur.
Op | de | Noordzee | moeten | vele | functies | , waaronder | de | opgaven | voor | windenergie | , natuurontwikkeling | , duurzame | visserij | , scheepvaart | en | zandwinning | , in balans | met | elkaar | een | plek | krijgen. | Om | aan | te geven | om | te gaan | met | de | uitdagingen | van | ons | water | , ontwikkelde | de | Rijksoverheid | het | Nationaal Water | Programma | 2022-2027. Provinciaal | beleid | Overijssel In de | Omgevingsvisie | Overijssel | wordt | ruim | aandacht | besteed | aan | de | wateraspecten. | De | ambities zijn , naast | de | uitvoering | van | de | Kaderrichtlijn | Water | , gericht | op | de | verbetering | van | de kwaliteit | van | de kleinere | wateren | , de | veiligheid | , de | grondwaterbescherming | , bestrijding | van | wateroverlast | , de 42 kwantiteit | en | kwaliteit | van | grond- | en | oppervlakte | water | en | waterbeleving | zowel | in de | groene | ruimte | als stedelijk | gebied. Beleid | Waterschap | Vechtstromen Het | Waterschap | Vechtstromen | heeft | de | beleidskaders | van | rijk en | provincie | nader | uitgewerkt | in de watervisie | 2050 | en | het | Waterbeheerplan | 2022-2027. | De | belangrijkste | ruimtelijk | relevante | thema's | zijn waterveiligheid | , klimaatbestendigheid | omgeving | en | ruimte | voor | waterberging.
| Daarnaast | zijn de waterschapsverordening | en | legger | van | Waterschap | Vechtstromen | belangrijk | regelstellende instrumenten | waarmee | in ruimtelijke | plannen | rekening | moet | worden | gehouden. | Op | gemeentelijk niveau | zijn | het | in overleg | met | Waterschap | Vechtstromen | opgestelde | gemeentelijk | Waterplan | en | het gemeentelijk | Rioleringsprogramma/-plan | van | belang | bij het | afwegen | van | waterbelangen | in ruimtelijke plannen. Het | Waterschap | heeft | de | Watervisie | 2050 | vastgesteld. | In deze | Watervisie | staan | de | drie | belangrijkste opgaven | waaraan | Vechtstromen | volgens | zeven | hoofdlijnen | wil | werken | met | partners | en | inwoners. De | drie | belangrijkste | opgaves | zijn: • | de | toenemende | droogte | en | wateroverlast | als | gevolg | van | klimaatverandering | ; • | de | waterkwaliteit | die | onder | druk | staat | ; • | de | transitie | naar | een | duurzame | ontwikkeling. Weging | van | het | waterbelang Artikel | 5. 37 | van | het | Bkl | stelt | dat | in een | omgevingsplan | rekening | wordt | gehouden | met | de | gevolgen | voor het | beheer | van | watersystemen. | Naast | de | specifieke | regels | als | gesteld | in | paragraaf | 5. 1.
3 | Bkl | over onderdelen | van | het | watersysteem | in het | omgevingsplan | , worden | voor | een | duiding | van | de | gevolgen | voor het | beheer | van | het | watersysteem | , de | opvattingen | van | het | bestuursorgaan | dat | is belast | met | het | beheer van | die | watersystemen | betrokken. Denk | bijvoorbeeld | aan | (instructie)regels | (al | dan | niet | ter | nastreving | van | omgevingswaarden*) | uit | de provinciale | omgevingsverordening | en | de | waterschapsverordening. | Daarnaast | bevatten | de | artikelen 5. 38 | t/m | 5. 49 | Bkl | rijksregels | met | betrekking | tot: 1. | het | voorkomen | van | belemmeringen | voor | primaire | waterkeringen | ; 2. | het | bouwen | binnen | kustfundamenten | buiten | stedelijk | gebied | ; en 3. | het | ontplooien | van | activiteiten | in en | nabij | grote | rivieren | en | het | IJsselmeergebied. Het | is aan | het | bevoegd | gezag | om | te bepalen | hoe | andere | bestuursorganen | bij de | besluitvorming | worden betrokken | bij de | weging | van | het | waterbelang. | Zodoende | is de | oorspronkelijke | watertoets | niet | langer voorgeschreven | en | is de | gemeente | vrij om | hier | zelf | invulling | aan | te geven. Ten | slotte | zijn | de | regels | van | art. | 5. 165 | Bkl | en | paragraaf | 22. 3.
8 uit | de | bruidsschat | van | belang | met betrekking | tot | het | lozen | van | (industrieel) | afvalwater | in | het | openbaar | vuilwaterriool. | Artikel | 5. 165 | Bkl schrijft | voor | in | welke | gevallen | het | omgevingsplan | lozingen | van | industrieel | afvalwater | mag | toestaan. Gemeenten | kunnen | voor | sommige | lozingen | specifieke | regels | stellen. | In het | algemeen | is de | specifieke zorgplicht | voor | milieubelastende | activiteiten | die | in de | bruidsschat | zijn. Situatie | projectgebied Op | 21 | juli 2026 | is het | project | in het | kader | van | 'Het | Wateradvies' | voorgelegd | aan | het | waterschap. | Op grond | van | de | beantwoording | volgt | de | normale | procedure. | De | watertoets | (weging | van | het | waterbelang) is als | bijlage | 2 bij deze | ruimtelijke | onderbouwing | bijgevoegd. Op | 5 | augustus | 2026 | heeft | het | waterschap | per | mail | kenbaar | gemaakt | dat | de | invloed | van | het | plan dermate | klein | is waardoor | het | waterschap | op | voorhand | geen | bezwaar | heeft | tegen | dit | project. Op | grond | van | het | 'Water- | en | Rioleringsprogramma | 2025-2030' | van | de | gemeente | Dinkelland | geldt | een bergingseis | van | 40 | mm | per | verhard | oppervlakte | (daken | en | alle | verhardingen) | voor | hemelwater.
43 2 Als gevolg van de ontwikkeling neemt de bebouwde oppervlakte toe met circa 16 m (overkapping). Er worden daarnaast twee parkeerplaatsen gerealiseerd , welke voorzien worden van waterdoorlatende verharding. Aangezien het project landschappelijk wordt ingepast en de toename van de verharde oppervlakte (bebouwing en verharding) zeer gering is , vormt het aspect ‘water’ geen belemmering. Aangezien het projectgebied groen wordt ingepast kan het hemelwater enerzijds in de bodem infiltreren. Anderzijds kan het hemelwater afstromen naar de naastgelegen greppel/sloot , waardoor het hemelwater geen belemmering vormt voor dit project. Conclusie In het kader van het aspect ‘water’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 44 6. Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen , dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving , zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het nadeelcompensatie verhaal van nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. geregeld. Mogelijke claims voor Voor over gesloten overeenkomst een initiatiefnemer met is ontwikkeling onderhavige nadeelcompensatie. Tevens is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing , welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar. 45 7. Voorwaarden omgevingsvergunning Erfinrichtingsplan De basis voor deze voorschriften is het landschappelijke inpassingsplan wat ingediend is door aanvrager zoals opgenomen in bijlage 1. - - Ten behoeve van een duurzame landschappelijke inpassing van de bebouwing dienen de maatregelen die zijn opgenomen in het plan te worden uitgevoerd en in stand gehouden te worden.
- De aanplant volgens plan dient plaats te vinden uiterlijk binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning. - Tijdens de bouwwerkzaamheden ter plekke dient aanwezige beplanting , zowel bestaande als nieuwe aanplant , voldoende beschermd te zijn tegen beschadigingen en bodemverdichting. Zie voor “voldoende” bescherming van bestaande bomen bijlage 3. - De te planten bomen en struiken moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: o Sortiment , plantafstrand en aantallen zoals opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan ; Minimale plantmaten zoals opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan. De genoemde maten van de beplanting zijn standaard handelsmaten in centimeters ; De beplanting moet voorzien zijn van een Naktuinbouw standaard certificeringslabel ‘EG-kwaliteit’ Leveringsdocument dient aanvrager te bewaren ; De genoemde certificeringslabels , leveringsdocumenten en afleverbonnen moet op verzoek getoond worden aan het bevoegd gezag. o o o - De nieuw aangeplante beplanting dient beschermd te zijn door een deugdelijke afscheiding beschadigingen tegen bodemverdichting etc. door machines , grondbewerking , weidend vee , wildvraat , - Jaarlijks dient niet geslaagde aanplant te worden vervangen. Dit geldt gedurende drie jaar na de eerste aanplant en ook gedurende drie jaar na vervanging van niet geslaagde aanplant.
- Indien aanvrager het college van B&W verzoekt om intrekking van (een deel van) deze vergunning , zal de instandhoudingsverplichting voor de maatregelen uit het landschappelijke inpassingsplan van kracht blijven onder de geldende regelgeving (o. a. Wet Natuurbescherming , Kapverordening). 46 Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan 47 Bijlage 2 Weging van het waterbelang 48