CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Lemselermaten_Toelichting.pdf

Commissie Omgeving & Economie 10 januari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Lemselermaten (incl. een presentatie)25.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De uitvoering van deze maatregelen vindt de komende jaren plaats, onder de voorwaarden dat: het provinciale beheerplan voor het betreffende gebied definitief is vastgesteld; er geen obstakels zijn in de grondverwerving en ruimtelijke procedures; er afspraken zijn tussen provincie en het waterschap over de financiering van de maatregelen.

2.5.3 Keur

Waterschappen stellen een Keur vast. Dit is een verordening met regels voor waterkeringen, watergangen en waterstaatswerken. Voor (bouw)werkzaamheden in de nabijheid van een oppervlaktewater of een dijk is een keurvergunning of keurontheffing van het waterschap nodig. Het waterschap onderzoekt hoe en wat de nadelige gevolgen zijn voor het water of voor de dijken. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning of ontheffing afgegeven. Voor sommige werkzaamheden zijn algemene regels beschikbaar. Als aan deze regels wordt voldaan, is er geen vergunning of ontheffing nodig, waarbij de werkzaamheden wel bij het waterschap moeten worden gemeld. In het gebied waar de waterbeheerder de (bestaande) natuurdoelen ondersteunt ligt de

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

23

verantwoordelijkheid van het watersysteem bij het waterschap en is vastgelegd in de Keur.

2.5.4 Conclusie

Bij het opstellen van dit inpassingsplan is rekening gehouden met het waterschapsbeleid. Het waterschap is als SWB-partner nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van oppervlaktewatermodel grondwatermodel en de berekening van de effecten.

2.6

Gemeentelijk beleid

In het gemeentelijk ruimtelijk beleid zijn met name structuurvisies, beheersverordeningen en bestemmingsplannen belangrijke instrumenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van hun bestemmingsplannen en structuurvisies met de geldende wetgeving en beleid. Het Natura 2000-gebied “Lemselermaten " ligt binnen de gemeente Dinkelland. Daarom is in deze paragraaf met name het beleid van de gemeente Dinkelland kort toegelicht. Daarnaast is het ruimtelijke beleid ook via het bestemmingsplan vastgelegd. De geldende bestemmingsplannen komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.

2.6.1 Gebiedsvisie Noordoost-Twente

Deze Gebiedsvisie 2012-2020 is een document van de provinciale en gemeentelijke overheid en het waterschap en is een richtinggevend basisdocument voor het ruimtelijke-fysiek domein op strategisch niveau. De visie bevat bouwstenen die richtinggevend zijn voor toekomstige beleidskeuzes. Deze gebiedsvisie heeft weliswaar geen formeel juridische status in het kader van de Wet ruimtelijke ordening, maar geeft, zoals aangegeven, mede richting aan de invulling van de natuurdoelstellingen in het landelijke gebied. Het landschap in Noordoost-Twente is een unieke combinatie van de geologische basis en ”mensenwerk”. De overheid heeft volop in het gebied geïnvesteerd om deze unieke kwaliteiten te bewaren. Het gaat daarbij niet alleen om het bijzondere en kleinschalige landschap met beken en bronnen, maar ook om de belangrijke cultuurhistorische elementen, zoals boerenerven, watermolens en natuurwaarden. De bijzondere waarde van het gebied is ook Europees erkend door de aanwijzing als Natura 2000-gebied. In het verlengde hiervan ligt er voor dit gebied een bijzondere opgave namelijk: het duurzaam verbinden van economie, water, landschap en natuur (in brede zin). Dit is een van de hoofduitdagingen voor de gebiedsontwikkeling. In de afgelopen decennia is er echter spanning ontstaan tussen economische ontwikkeling en natuur en landschap. Vooral de stikstofproblematiek speelt hierbij een rol.

Het gebied kent een relatief groot aantal Natura 2000- gebieden die zeker voor wat betreft stikstofdepositie binnen elkaars beïnvloedingsgebied liggen. Dat maakt de problematiek in dit gebied extra complex. Het duurzaam verbinden van economie, bewoners, landschap en natuur (in brede zin) is een van de hoofduitdagingen voor Noordoost-Twente.

P I P Lemselermaten

24

2.6.2 Casco-benadering in Noordoost-Twente

De beleidsnota Casco-benadering in Noordoost-Twente is in samenwerking tussen de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Dinkelland, Losser en Oldenzaal opgesteld en bestaat uit een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Voor de gemeenten is de casco-benadering een duidelijk instrument om vooraf duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers in plaats van bij elke aanvraag maatwerk te verrichten met een onzekere uitkomst. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in Noordoost Twente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven. Voor elk landschapstype worden in de casco-benadering spelregels gehanteerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen.

2.6.3 Kapverordening Dinkelland 2021

In 2021 heeft de gemeente Dinkelland een nieuwe kapverordening vastgesteld. Volgens de verordening is het, zonder omgevingsvergunning van de gemeente, verboden om bepaalde bomen binnen én buiten de bebouwde kom te vellen. Buiten de bebouwde kom is ook een vergunning nodig voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een landschapselement. De verordening bevat ook beoordelingscriteria voor het beoordelen van een aanvraag om een kapvergunning. Aan de vergunning kunnen voorwaarden, zoals compensatie of herplantplicht worden verbonden. Bepaalde activiteiten zijn uitgesloten van de vergunningplicht, zoals het periodiek afzetten van hakhout en het kappen bij wijze van dunning. Ook het vellen of doen vellen van houtopstanden binnen de vastgestelde Natura2000 en/of Natuur Netwerk Nederland begrenzing, indien het vellen van deze houtopstanden benodigd is voor realisatie van provinciaal, landelijk of Europees vastgestelde natuurdoelstellingen, is uitgezonderd. Met name dit laatste is van belang voor het plangebied.

2.6.4 Omgevingsvisie gemeente Dinkelland

De Omgevingsvisie gemeente Dinkelland is op 30 maart 2021 vastgesteld. Naar verwachting wordt op 1 januari 2023 de nieuwe Omgevingswet ingevoerd. De Omgevingswet betreft 1 wet voor de fysieke leefomgeving. Ter voorbereiding daarop heeft de gemeente Dinkelland 'MijnOmgevingsvisie' vastgesteld. MijnOmgevingsvisie is ontwikkeld in samenspraak met de betrokkenen zoals inwoners, ondernemers, organisaties en ketenpartners. In MijnOmgevingsvisie is uitgewerkt wat 'wij als samenleving' en gemeente belangrijk vinden en waar zij gezamenlijk naartoe willen in de komende jaren. Het gaat hierbij dus over de koers voor de lange termijn met de fysieke leefomgeving. Deze koers is onmisbaar bij het verder uitwerken van een meer integrale benadering en het samenlevingsgericht werken in de gemeente. In MijnOmgevingsvisie staan 4 kernprincipes centraal: we doen het samen; we geven het goede voorbeeld; we wentelen niet af op volgende generaties; we combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

Ten aanzien van onderhavig plangebied wordt gesteld dat het grotendeels gaat om waardevolle landschappen die door te tijd heen in stand zijn gebleven en waar gestuurd wordt op het behouden en versterken van die waarden in combinatie met Natura 2000 gebieden. Bij een combinatie met een lage dynamiek is het landschap nog zeer herkenbaar ten opzichte van 100 jaar geleden. De doelstellingen waar in deze gebieden op ingespeeld moeten worden, zijn: de oorspronkelijke schaal van het landschap;

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

25

het versterken van natuurwaarden; behoud van cultuurhistorie en erfkarakteristieken; het vasthouden van water; het verbeteren van biodiversiteit; natuurinclusieve bouwwijze; inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op natuur en cultuurhistorie.

2.6.5 Erfgoedverordening

In mei 2008 heeft de gemeenteraad de nota Archeologiebeleid gemeente Dinkelland vastgesteld. Dit beleid bestaat onder meer uit een archeologische verwachtings- en advieskaart en geeft voor het grondgebied van de gemeente de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan die waarden zijn vervolgens weer beleidsadviezen gekoppeld. De kaart is gebaseerd op de opbouw van het landschap en bevat de landschappelijke eenheden met een archeologische betekenis. De archeologische verwachtings- en advieskaart is vervolgens opgenomen in de gemeentelijke erfgoedverordening die op 24 februari 2012 in werking is gereden. Op grond van deze verordening is het, onder meer en in zijn algemeenheid verboden, zonder vergunning van het college in een gebied met archeologische waarde en in een archeologisch verwachtingsgebied, als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m2 te verstoren (artikel 17 Erfgoedverordening). Er zijn ook uitzonderingen op deze hoofdregel geformuleerd.

2.6.6 Conclusie

Met het opstellen van dit inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied “Lemselermaten" wordt invulling gegeven aan onder meer het gemeentelijke natuur- en landschapsbeleid. De te treffen maatregelen zoals concreet weergegeven in het Inrichtingsplan zijn in overeenstemming met de erfgoedverordening.

P I P Lemselermaten

26

Hoofdstuk 3 Gebied en planbeschrijving

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt in eerste instantie ingegaan op het ontstaan en de huidige (planologische) situatie van het plangebied. Vervolgens wordt op basis van geldende wetgeving en beleid de opgave voor het plangebied "Lemselermaten" bepaald. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe deze opgave verder is uitgewerkt en welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied te behalen.

3.2

Ontstaan en huidige situatie van het plangebied

Korte omschrijving

van het plangebied

Het Natura 2000-gebied Lemselermaten ligt ten zuidoosten van Weerselo, tussen de Weerselerbeek aan de noordkant en de Dollanddijk in het zuiden. De Dollandbeek stroomt door het zuidelijk deel van het Natura 2000-gebied. Aan de noordwestrand van het gebied komt deze samen met de Weerselerbeek. De Glipsdijk vormt de noordoostgrens en de Rutermedenweg de westgrens van het gebied. Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van 56 ha en is daarmee ten opzichte van andere Natura 2000-gebieden in Overijssel een relatief klein gebied. In het beheerplan zijn ook maatregelen opgenomen die buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied genomen moeten worden of een zodanige externe werking hebben dat zij van invloed zijn op het gebruik van gronden buiten de begrenzing. Maatregelen in de bestaande natuur binnen deze begrenzing zijn de interne maatregelen. Het plangebied omvat ook gronden binnen en buiten het Natura 2000-gebied, die nog geen natuur zijn en waar maatregelen zijn voorzien of waar als gevolg van maatregelen effecten worden verwacht. Dit zijn de externe maatregelen. Karakteristiek Lemselermaten is onderdeel van het gradiëntrijke beekdallandschap met kenmerkende hoogteverschillen tussen beekdalen en dekzandruggen. Het gebied is vooral bekend om zijn bijzondere, oude hooilandjes ('maatjes').

Centraal in het gebied, tussen de beekdalen van de Weerselerbeek en de Dollandbeek, ligt een dekzandrug met enkele landbouwpercelen en heide, die geleidelijk over gaat in de lage gronden van de beekdalen. In de beekdalen komt met name elzenbroekbos voor. In het beekdal van de Weerselerbeek liggen de zogenaamde 'maatjes' die als hooilanden worden beheerd. Hier is een combinatie van blauwgrasland en kalkmoeras aanwezig. De beekdalen in Lemselermaten worden gevoed door kwel van basenrijk grondwater uit het onderliggende watervoerende pakket en lokaal aangestuurd door de centrale dekzandrug. Landschappelijke

kenmerken

De Lemselermaten maakt deel uit van het heidelandbouwsysteem dat tot aan het eind van de 19de eeuw kenmerkend was voor Twente. Het resultaat was een kleinschalige afwisseling van akkers, graslanden en heide. Door het uittreden van grondwater (kwel) in de lage delen is het van oorsprong een nat gebied. De natuur die zich hier heeft ontwikkeld is een gevolg van deze natte omstandigheden en het gebruik door de mens. Hierdoor is een aaneengesloten vochtig alluviaal bosgebied ontstaan, afgewisseld met kleinschalige open gebieden met natte graslanden en vochtige heide.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

27

Het Natura 2000-gebied Lemselermaten valt binnen het stroomgebied van de Dollandbeek en Weerselerbeek, op de grens met het stroomgebied van de Boschbeek en de Lemseleresbeek. De Holtwijkerbeek komt uit zuidelijke richting en komt met de Weerselerbeek en Dollandbeek samen in de Weerseloschebeek, die in noordelijke richting door Weerselo stroomt. Overige functies Landbouw Het natuurgebied Lemselermaten wordt aan alle zijden omgeven door landbouwgronden, veelal bestaande uit grasland. De agrarische bedrijven in de omgeving zijn melk- en vleesveehouderijen en een schapenhouderij. Wonen Er zijn geen woningen binnen de Natura-begrenzing aanwezig. Aan de Haarstraat, Glipsdijk, Lemseloseschoolweg en Lemselosestraat liggen wel verspreid agrarische bedrijven en (bedrijfs-) woningen. Wegen De belangrijkste doorgaande wegen liggen op enige afstand van het natuurgebied (de Haarstraat en de provinciale N343). Direct ten noordwesten van Lemselermaten zal de komende jaren een provinciale rondweg aangelegd worden. De Dollanddijk en Rutermedenweg zijn zandwegen. Ze vormen samen met de Glipsdijk de begrenzing van het Natura 2000-gebied. De wegen zijn smal en hebben een functie als ontsluiting van aanliggende erven of landbouwgronden en een recreatieve functie (fietsen en wandelen). De Dollanddijk wordt gebruikt als klootschietbaan.

De Reservaatweg is de enige weg binnen de begrenzing en dient ter ontsluiting van aangrenzende percelen. Dit is tevens een belangrijke ontsluitingsroute voor beheer van het gebied. Recreatie Er zijn geen - gemarkeerde - wandel- of fietspaden aanwezig binnen de Lemselermaten. De Reservaatweg in het natuurgebied loopt dood. De Dollanddijk wordt gebruikt door de Lemselose Klootschietvereniging (vereniging 'Nijstad'). Ook ligt hier in een bosje een voormalige landlopersbegraafplaats die een toegang heeft aan de Dollanddijk. De gemeente, Landschap Overijssel en Stichting Monumentenwacht Overijssel werken aan herstel en herkenbaarheid van dit historische relict. Drinkwaterwinning Ten zuiden van Lemselermaten ligt de drinkwaterwinning Weerselo van Vitens. In de provinciale Omgevingsverordening zijn hiervoor beschermende bepalingen opgenomen: waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en intrekgebied. Het intrekgebied grenst aan de zuidkant aan de Lemselermaten, het grondwaterbeschermingsgebied valt deels samen met het natuurgebied (zuidelijk deel). Voor de grondwaterbeschermings- en intrekgebieden geldt dat de functies hier niet mogen conflicteren met de functie drinkwatervoorziening.

3.3

Planologische situatie

Het Natura 2000-gebied "Lemselermaten", ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 vastgesteld.

P I P Lemselermaten

28

Figuur 3-1 Uitnsede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied 2010', gemeente Dinkelland. Voor het plangebied gelden op basis van het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen: Agrarisch - 1 (enkelbestemming) Gronden met de bestemming Agrarisch - 1 hebben de hoofdfunctie agrarisch en het gebruik is gericht op het bieden van mogelijkheden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. Onderdeel van de bestemmingsbeschrijving is ook het behoud, herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden, Voor een aantal werken en werkzaamheden is een vergunningstelsel opgenomen om bepaalde ingrepen in het landschap, die in beginsel binnen de bestemming passen, nader af te kunnen wegen. Agrarisch - 2 (enkelbestemming) Gronden met deze bestemming hebben nagenoeg dezelfde doeleinden als die van Agrarisch - 1, met dien verstande dat aan deze bestemmingsbeschrijving ook 'doeleinden van agrarisch natuurbeheer' is toegevoegd. Bos en natuur (enkelbestemming) Gronden met de bestemming ‘Bos en natuur’ zijn aangewezen voor natuur, bosbouw en houtproductie en het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden. Binnen deze bestemming ligt het grootste deel van het aangewezen Natura 2000-gebied. Dit is ook nader gespecificeerd door de functie-aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natura 2000'.

Verkeer (enkelbestemming) Deze enkelbestemming is bedoeld voor de (ontsluitings-) wegen, paden, bruggen, enz. in het plangebied, met de daarbij horende voorzieningen. Water - 2 (enkelbestemming) Gronden met deze bestemming, langs de noordgrens van het Natura 2000-gebied zijn bedoeld voor beken, sloten enz. met bijbehorende voorzieningen als sluizen,bruggen en paden. Waarde Ecologie (dubbelbestemming) Het grootste deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming Waarde - Ecologie, waarmee is aangegeven dat de gronden mede bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (nu: NatuurNetwerk Nederland). Waarde Landschap (dubbelbestemming) Deze dubbelbestemming komt op één locatie voor en is bedoeld voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

29

3.3.1 Rondweg Weerselo in relatie tot plangebied

De Provincie Overijssel is bezig met een planvormingstraject om een rondweg rondom Weerselo aan te leggen. Dit nieuwe tracé 'schampt' het projectgebied en heeft een direct raakvlak ter hoogte van de kruising met de Weerselerbeek en de toekomstige rondweg (ten westen van de Rutermedenweg). Vanuit het Natura 2000-project wordt het traject met de huidige stuw vispasseerbaar gemaakt door middel van een vistrap, die is ingepast in het ontwerp van de weg. Hydrologisch, qua grondwater, hebben beide projecten nagenoeg geen relatie met elkaar, aangezien de rondweg in de toekomst op een kade wordt aangelegd. Ten aanzien van het uitvoeren van Natura 2000-maatregelen wordt, behoudens de vispassage, verder geen rekening gehouden met de aanleg van de rondweg.

3.4

Gebiedsopgave

3.4.1 Kernopgaven

De kernopgaven die vastgelegd zijn voor Lemselermaten zijn in het beheerplan als volgt weergegeven: herstel kwaliteit en uitbreiding areaal van kalkmoerassen H7230. Voor deze opgave geldt een 'sense of urgency'-opgave (opgave 5.03); ontwikkelen van kleinschalige mozaïeken van heischrale graslanden *H6230 en blauwgraslanden H6410 met andere beekdalgraslanden en met vochtige heiden (hogere zandgronden) H4010A op de beekdalflank ten behoeve van herpetofauna en insecten (opgave 5.06); herstel kwaliteit en vergroting areaal vochtige alluviale bossen en (beekbegeleidende bossen) *H91E0C en behoud leefgebied zeggekorfslak H1016. In Lemselermaten is sprake van een 'sense of urgency' voor het habitattype kalkmoerassen. Dit betekent dat voor de korte termijn achteruitgang van de doelen is voorzien en daarvoor aanvullende maatregelen nodig zijn ten aanzien van de watercondities (kwantitatief en kwalitatief). Naast een 'sense of urgency' geldt voor alle genoemde kernopgaven een wateropgave. Een wateropgave is toebedeeld wanneer de watercondities in meer of mindere mate niet op orde zijn. Ten behoeve van het behoud van oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen vochtige heide, kalkmoerassen en beekbegeleidende bossen is een verbetering van de watercondities noodzakelijk.

3.4.2 Instandhoudingsdoelstellingen

Op basis van vegetatiekarteringen zijn de te beschermen habitattypen binnen het gebied bepaald. In onderstaandetabel is aangegeven voor welke habitattypen en habitatrichtlijnsoorten het gebied is aangewezen. De habitattypen uit het aanwijzingsbesluit zijn leidend. Het habitattype Droge heiden (H4030) is bij het wijzigingsbesluit uit 2016 toegevoegd en staat op de kaart in mozaïek met Vochtige heiden (H4010A). Habitattypen

Doelstelling oppervlak

Doelstelling kwaliteit

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

>

>

H4030

Droge heiden

=

=

H6230

Heischrale graslanden*

=

=

H6410

Blauwgraslanden

=

=

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

=

=

P I P Lemselermaten

30

H7230

Kalkmoerassen

>

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)*

=

> >

HABITATrichtlijnSOORTEN

Doelstelling oppervlak

Doelstelling kwaliteit

populatie grootte

H2320

=

>

=

Zeggekorfslak *

prioritair habitattype

=

behoudsdoelstelling

>

uitbreiding- of verbeterdoelstelling

Voor alle habitattypen geldt een instandhoudingsdoelstelling. Voor vochtige heiden en kalkmoerassen geldt een uitbreidingsdoelstelling, zowel in kwaliteit als oppervlakte. Voor de zeggekorfslak moet het leefgebied worden verbeterd, maar dit hangt samen met de kwaliteitsverbetering van vochtig alluviaal bos, aangezien dit het leefgebied vormt van deze soort.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

31

Figuur 3-2 : habitattypenkaart (bron: Atlas van Overijssel.nl), het habitattype 'droge heide' is nog niet op de kaart aangegeven, dit gebeurt bij het actualiseren van het beheerplan. De vegetatie in het gebied vertoont volgens een Systeemanalyse (Versluijs et al, 2 juni 2017) kenmerken van verdroging, verzuring en eutrofiëring met als gevolg een afname in kensoorten en een toename van verruiging.

3.4.3 Beheerplan

Het beheerplan voor het gebied is vastgesteld in 2016 en de looptijd is in maart 2022 verlengd met maximaal 6 jaar.

Figuur 3-3. Kaart met inrichtingsmaatregelen uit het beheerplan De maatregelenkaart uit het Beheerplan is voor de realisatie niet actueel. Aan de hand van alle onderzoeken zijn de maatregelen uit het Beheerplan in het inrichtingsplan vertaald naar een

P I P Lemselermaten

32

definitief maatregelenpakket. Hierbij zijn oorspronkelijke maatregelen soms gewijzigd, verder uitgewerkt of zelfs vervallen.

3.4.4 KRW

In het Inrichtingsplan zijn KRW-doelen voor de Weerselerbeek meegenomen, omdat deze vrijwel overeenkomen met de gewenste natuurherstelmaatregelen. Er ligt een KRW opgave voor herstel van het oorspronkelijk watersysteem, namelijk het herverbinden van de Boschbeek met de Weerselerbeek. De reden om beide beken met elkaar te verbinden is om de Weerselerbeek jaarrond van meer water te kunnen voorzien (Inrichtingsvisie Weerselerbeek 2012). Dit zorgt ook voor een betere doorstroming van de beek in de kern Weerselo, wat de waterkwaliteit ten goede komt. Verder moet de beek grotendeels beschaduwd zijn en obstakelvrij voor vis- en overige faunamigratie. Bij het vormgeven van het maatregelpakket is gekeken in hoeverre het realiseren van KRW-maatregelen samengaat met het behalen van de Natura 2000-doelstellingen. In de volgende paragraaf zijn deze maatregelen verder uitgewerkt.

3.5

Omschrijving Inrichtingsplan

De maatregelen in (of maatregelen daarbuiten met invloed op) het Natura 2000-deelgebied "Lemselermaten" zijn verwerkt in een Inrichtingsplan (bijlage 1 tot en met 12 bij deze toelichting). Doel van het inrichtingsplan is om alle wettelijke opgaven voor het gebied, voortvloeiend uit Natura 2000 uit te werken tot maatregelen en een definitief ontwerp. Het Inrichtingsplan is de basis voor: het ruimtelijk plan en de invulling en onderbouwing van het ruimtelijk ordeningsproces; overleg met de grondeigenaren over afspraken over grondverwerving of over beperkende voorwaarden op landbouwpercelen; verdere detaillering naar een technisch ontwerp om te komen tot uitvoering en realisatie van de maatregelen; het beheer- en onderhoudsplan; = het monitoringsplan; de vergunningencheck; de aanbesteding.

3.5.1 Inrichtingsplan

Als gevolg van voortschrijdend inzicht en uitgevoerd onderzoek zijn de maatregelen in het Inrichtingsplan ten opzichte van die in het beheerplan gewijzigd. Hieronder worden de maatregelen op hoofdlijnen beschreven. Voor een gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar het Inrichtingsplan. Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem (externe maatregelen), ter verbetering van de grondwatersituatie De Weerselerbeek wordt verondiept tot 30 cm onder maaiveld. Begroeiing langs de beek is wenselijk, zowel vanuit KRW-doelen (beschaduwing) als het oogpunt van beheer en onderhoud (hoe meer schaduw, hoe minder begroeiing in de beek). Het profiel wordt verbreed om de basisafvoer te kunnen verwerken en inundatie van landbouwgrond en natuurgrond (habitattypen Kalkmoeras en Blauwgrasland) zo veel mogelijk te voorkomen. Er komen flauwe en steile taluds om een gradiëntrijke oeverzone te creëren. De Weerselerbeek wordt verbonden met de Boschbeek. Doel is het oorspronkelijke natuurlijke beeksysteem te herstellen waardoor de Bosch en Weerselerbeek een stromende en fauna passerbare verbinding verkrijgt met de Middensloot. Er wordt een nieuwe verbinding gegraven tussen de Weerselerbeek en de hoek van de Boschbeek met de Middensloot. Hier wordt een robuust verdeelwerk aangebracht dat ervoor zorgt dat de basisafvoer naar de Weerselerbeek gaat, maar piekafvoeren via de Middensloot afgevoerd worden.

Hierdoor wordt voorkomen dat

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

33

de verondiepte Weerselerbeek te veel erodeert/uitspoelt en benedenstrooms, bij de toekomstige rondweg en de kern Weerselo, wateroverlast optreedt. De Dollandbeek wordt binnen het natuurgebied volledig gedempt. Er blijft een natuurlijke meestromende laagte achter die geschikt blijft voor macrofauna (o.a. kokerjuffers). Er wordt een alternatieve afwateringssloot voor agrarisch water gerealiseerd ten zuiden van de Dollanddijk met de naam de Nieuwe Dollandbeek. De Dollanddijk is een zandweg met een laanbeplanting van eiken. De greppel aan de noordzijde van de dijk wordt gedempt en die aan de zuidzijde verondiept tot 20 cm onder maaiveld om oppervlakkig afstromend water te kunnen afvoeren. De zandweg moet waarschijnlijk plaatselijk worden opgehoogd om bij hoge grondwaterstanden voldoende drooglegging te houden. Maatregelen aan en rondom het natuurgebied (externe maatregelen) Ten noorden van de Glipsdijk/Weerselerbeek worden verschillende watergangen en greppels gedempt/verondiept en bestaande drainage verwijderd of onklaar gemaakt, zodat de kweldruk binnen het gebied wordt verhoogd en/of de wegzijging en afvoer van grondwater wordt verminderd. In dit kader worden verschillende andere maatregelen genomen, zoals het (ver)plaatsen van duikers en het aanleggen van een kade om overstroming te voorkomen.

Ten oosten van het gebied worden verschillende watergangen en greppels gedempt/verondiept en bestaande drainage verwijderd of onklaar gemaakt. Doel is het verbeteren van de hydrologische situatie ín het natuurgebied en het mitigeren/compenseren van eventuele natschade voor de landbouw. Ook wordt een nieuwe greppel aangelegd om water van landbouwpercelen te kunnen afvoeren. Verder vinden aanpassingen aan bestaande drainage en verduikering plaats. Ten westen van het natuurgebied bestaan de maatregelen uit het dempen van beide bermsloten van de Rutermedenweg ter hoogte van de Lemselermaten en het dempen van alle watergangen tussen de Holtwijkerbeek en de Rutermedenweg Maatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing (interne maatregelen) Om de gewenste hydrologie te herstellen moet de detailontwatering worden aangepast,waarbij voldoende afvoercapaciteit behouden blijft om stagnatie van water te voorkomen. De maatregelen bestaan uit het dempen/verondiepen van alle watergangen en greppels, het verwijderen van drainaige, het realiseren van enkele openingen in bestaande grondwallen, en het afschrapen van de strooisellaag op een bepaald perceel. Om de kwaliteit van de kalkmoerassen te behouden is zowel behoud als uitbreiding noodzakelijk. Het huidige restant van het kalkmoeras is te klein (te kwetsbaar) om te kunnen overleven.

De locatie vlakbij het huidige Westelijke en Oude Maatje is het meest geschikt voor de uitbreiding. Hiervoor wordt ca. 2,6 bos gekapt en wordt de strooisellaag verwijderd. Voormalige landbouwpercelen worden omgevormd naar natuur door het afschrapen van de strooisellaag en/of het verwijderen van drainage en het dempen van sloten/greppels, eventueel in combinatie met deels uitmijnen van percelen. Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat Op basis van risico's van stikstof en fosfaat zijn met de provinciale bemestingsmaatregelenwijzer per (huidig) agrarisch perceel of perceelgedeelte (binnen het invloedsgebied) de risico's bepaald op uitspoeling van meststoffen. Vervolgens zijn maatregelen bepaald om deze risico's weg te nemen. De maatregelen bestaan uit: - een beperking in het agrarisch gebruik (blijvend grasland); - een volledig verbod op bemesting en dus het omvormen van percelen naar natuur (evt. in combinatie met uitmijnen); dan wel - 'evenwichtsbemesting' waardoor regulier agrarisch gebruik zo veel mogelijk in stand kan blijven (eigenaren moeten hiermee instemmen). De wijze en aanpak van de evenwichtsbemesting wordt nader uitgewerkt door LTO. Meekoppelkansen De doelen in het kader van de KRW zijn meegenomen, omdat deze grotendeels samenvallen met de gewenste natuurherstelmaatregelen (Weerselerbeek).

P I P Lemselermaten

34

Figuur 3-4 Maatregelenkaart inrichtingsplan (versie d.d. 29 maart 2022)

3.5.2 Effecten Inrichtingsplan

Effecten op de natuur De hydrologische condities verbeteren sterk door de maatregelen, waardoor de hydrologische

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

35

randvoorwaarden van de ecologische vereisten kunnen worden gerealiseerd. Door het kleinschalig afschrapen van de organische laag ontstaan kansen voor terugkeer van kenmerkende vegetatie. De kleinschalige boskap leidt tot meer ruimte voor korte vegetatie, meer licht en minder verdamping, wat gunstig is voor de kwaliteitsverbetering en uitbreiding van de habitatypen kalkmoeras en vochtige heide. De bemestingsmaatregelen zorgen er voor dat op termijn geen nutriënten meer af- of uitspoelen, waardoor de groeiomstandigheden voor de habitattypen verbeteren. Effecten op landbouw De toename van de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) en de GVG (de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand) hebben effect op de omliggende landbouwpercelen. Tot ver buiten het Natura 2000 gebied kunnen waterstanden in de winter toenemen met 5 tot 15 cm. De effecten zijn vooral groot ten noorden van Lemselermaten (en ten noorden van de Weerselerbeek). De GHG kan hier als gevolg van het verwijderen van de drainage, het dempen van watergangen en het sterk verondiepen van de Weerselerbeek met 40 tot 60 cm toenemen. De gronden worden minder en soms zelfs ongeschikt voor akkerbouw en grasland/weidebouw. Effecten op wegen en erven Als gevolg van de maatregelen is de drooglegging op vrijwel alle wegen in en rond het gebied minder dan de gemeentelijke eis van 80 cm.

Mogelijk dat het fietspad Rutermedenweg komt te vervallen. Dit kan zonder de natuurherstelmaatregelen ook een gevolg zijn van de toekomstige rondweg. Er zijn voldoende alternatieve routes in de directe omgeving, waardoor dit niet als knelpunt wordt gezien. Ook bij een aantal erven in de omgeving van Lemselermaten nemen de grondwaterstanden toe. Waar dit leidt tot onacceptabele grondwaterpieken worden mitigerende maatregelen getroffen die wel de te hoge grondwaterpieken voorkomen, maar geen invloed hebben op de wenselijke verhoging van de GHG, GvG en GLG. Ruimtelijke kwaliteit Verhoging van de grondwaterstanden en of benodigde ophoging van wegen kan wel leiden tot schade aan of verdwijnen van laanbeplantingen.

3.5.3 Mitigerende maatregelen

Mitigerende maatregelen moeten negatieve effecten van maatregelen voor de natuur op andere functies, zoals erven en wegen, voorkomen of beperken. De vernatting van landbouwgronden is niet te mitigeren. Voor compensatiemogelijkheden enz. wordt verwezen naar paragraaf 1.4.3. Op basis van de berekende toekomstige grondwaterstanden zijn bouwkundige onderzoeken uitgevoerd om te beoordelen of schade kan ontstaan op de bestaande bebouwing binnen de invloedsfeer van de Lemselermaten. Op basis van het uitgevoerde bebouwingsonderzoek kan in sommige gevallen schade niet met zekerheid worden uitgesloten. In die gevallen zijn mitigerende maatregelen voorgesteld, zoals het aanleggen van een ringdrainage rondom het erf zodat er een voldoende diepe drooglegging gehandhaafd kan worden. Dit wordt technisch uitgewerkt in de realisatiefase. De specifieke bebouwingsonderzoeken zijn/worden besproken met de betreffende bewoners. Om voldoende drooglegging van de wegen rond Lemselermaten te behouden, zonder een negatief effect te genereren op de habitattypen, zou een aantal wegen opgehoogd moeten worden. Bij het ophogen van de wegen wordt onder andere rekening gehouden met het gebruik van de weg, doelmatigheid van ophogen en behoud van laanbeplantingen. De technische uitwerking van de maatregelen wordt in de realisatiefase opgepakt.

Ook ophoging van de Rutermedenweg wordt in de realisatiefase technisch uitgewerkt, waarbij tevens wordt uitgezocht of minder drooglegging mogelijk is en of verhoging van de weg niet leidt tot ongewenste stagnatie van water in het natuurgebied. Mogelijk dat (een gedeelte van) de weg als gevolg van de komst van de eventuele rondweg Weerselo opgeheven wordt, waarmee de maatregel (deels) komt te vervallen. De nieuwe Dollandbeek loopt langs de historische landlopersbegraafplaats aan de Dollanddijk. Bij de aanleg van de beek (het herprofileren van de bestaande bermsloot) wordt het bruggetje vanaf de Dollanddijk naar de begraafplaats vervangen omdat de overspanning veranderd. Vervanging van de brug was opgenomen als meekoppelkans, maar moet worden gezien als mitigerende maatregel omdat de huidige brug de toekomstige beek niet meer kan overspannen.

P I P Lemselermaten

36

Hoofdstuk 4 Overige beleid- en onderzoeksaspecten

4.1

Inleiding

Bij de voorbereiding van een inpassingsplan moet worden nagegaan of dat plan uitvoerbaar is, onder andere gelet op omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie en landschap en explosieven. Voor deze onderwerpen is specifiek beleid en regelgeving vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt het beschreven plan uit het vorige hoofdstuk getoetst aan deze aspecten. Ten behoeve van de inrichtingsmaatregelen zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn als bijlagen bij dit inpassingsplan gevoegd. Bij dat alles passen de volgende kanttekeningen: Zoals eerder in deze toelichting omschreven, heeft het voorliggende inpassingsplan betrekking op het vertalen van de maatregelen uit het inrichtingsplan. Deze maatregelen hebben alle betrekking op het realiseren van specifieke natuurdoelstellingen. Daarmee worden geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd. De onderzoeken zijn uitgevoerd op basis van een vorige versie van het Inrichtingsplan in de periode tot en met 2020. In het Inrichtingsplan dat aan dit Inpassingsplan ten grondslag ligt is het maatregelenpakket ten opzichte van die vorige versie deels gewijzigd, in die zin dat de maatregelen een groter ruimtebeslag omvatten, bijvoorbeeld in het zuidelijk deel van het plangebied.

In dit gebied vindt echter alleen functiewijziging plaats, van agrarisch naar agrarisch met beperkingen in bemesting en/of natuur, zonder verdere fysieke ingrepen. De onderbouwing hiervoor is in het Inrichtingsplan opgenomen. Daarbij worden de onderzoeken, voor zo ver nodig en mogelijk, nog geactualiseerd.

4.2

Milieu

4.2.1 MER

Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten significante negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Wettelijk kader In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten zijn opgenomen in bijlagen C en D van het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderstaande afbeelding geeft dit weer.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

37

Figuur 4-1 Overzicht om te komen tot een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bron: www.infomil.nl) Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.-procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt ook duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Op grond van artikel 7.6 Wm kunnen in een provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen worden die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn. Dit is niet gebeurd in de provinciale milieuverordening (onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening). Om deze reden wordt hier niet verder op ingegaan in deze paragraaf. M.e.r.

en de Ontwikkelopgave Natura 2000 In sommige gebieden van de Ontwikkelopgave Natura 2000 worden, naast Natura 2000-maatregelen ook meekoppelkansen meegenomen, die verwerkt worden in de provinciale inpassingsplannen. Als dit het geval is, moet een passende beoordeling worden opgesteld en op grond van artikel 7.2a Wm ook een planMER worden opgesteld. Deze toetsing vindt per gebied plaats. In de bijlagen C en D van de Wm staat een aantal activiteiten genoemd die onderdeel kunnen zijn van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten: (C16.1) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld in categorie 16.2 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage met een oppervlakte van meer dan 25 ha; (D9) Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, waarbij het een functiewijziging betreft met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; (D16) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D16.2 met een oppervlakte van meer dan 12,5 ha; (D27) De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding

daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond op gronden met de agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 ha of meer, of op gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 ha of meer. Als de activiteiten voldoen aan de genoemde drempelwaarde waarden geldt een m.e.r.(beoordelings)plicht. Als de drempelwaarden niet worden overschreden, is volgens het Besluit m.e.r. nog wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. M.e.r en het PIP 'Lemselermaten':

toetsing

Artikel 7.2a Wet milieubeheer en artikel 2.7 Wet natuurbescherming De maatregelen die in dit PIP mogelijk worden gemaakt, houden verband met of zijn nodig voor het beheer van het Natura 2000-gebied. Hiervoor is geen passende beoordeling nodig. KRW maatregelen worden als meekoppelkans meegenomen. Besluit milieueffectrapportage: ontgrondingen en functiewijziging gronden

P I P Lemselermaten

38

Een aantal van de maatregelen vereisen een ontgronding in de zin van de Ontgrondingenwet. Het gaat daarbij om maatregelen als het graven en verondiepen van watergangen, enz. De oppervlakte van de ontgronding bedraagt ca. 0,6 ha en overschrijdt niet de drempelwaarde van 12,5 ha van categorie D16 uit het Besluit m.e.r.. Ditzelfde geldt voor de functiewijziging van gronden. Enkele percelen veranderen van functie, van agrarisch naar natuur, maar ook deze oppervlakte overschrijdt niet de drempelwaarde van 125 ha van categorie D9 uit het Besluit m.e.r.. Verder worden er bomen gekapt, maar ook hier wordt geen drempelwaarde overschreden. Voor het PIP, dat deze maatregelen mogelijk maakt, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. In dat kader is een document opgesteld en toegevoegd in bijlage 19. Uit de beoordeling volgt dat de maatregelen in het PIP niet leiden tot zodanige nadelige milieugevolgen dat het doorlopen van een volledige milieueffectrapportage aan de orde is. De Provincie Overijssel, bevoegd gezag voor het vaststellen van het PIP en het besluit over de m.e.r.-beoordeling, heeft hiertoe besloten. Conclusie Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen of zeer beperkte milieugevolgen zijn. Mogelijke negatieve effecten worden voorkomen. Verder wordt de aannemer verplicht tijdens de uitvoering (aanlegfase) te werken volgens een ecologisch werkprotocol.

Het doorlopen van een milieueffectrapportage is niet nodig (besluit van GS).

4.2.2 Bodemkwaliteit

Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader. Beleidskader Binnen de Regio Twente hebben de gemeente Dinkelland, Tubbergen en Losser gezamenlijk de kwaliteit van hun bodem in kaart gebracht. Deze samenwerking heeft geleid tot een op elkaar afgestemd grondverzetbeleid onder de naam “Twents beleid veur oale groond 2.0”. Dit uit zich onder andere in één gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en regionale dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De belangrijkste redenen hiervan zijn het behoud van de goede bodemkwaliteit en maximaal grondverzet tegen zo laag mogelijke kosten binnen en tussen de gemeenten. De deelnemende gemeenten gebruiken op elkaar afgestemde lokale maximale waarden. Deze lokale maximale waarden geven de kwaliteit van de bodem in een gebied van de gemeente aan. Ze zijn onderverdeeld in de klassen ‘AW2000’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Grond uit de gebieden met klasse ‘AW2000’ is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de overige twee klassen geldt dat de kwaliteit van de bodem van deze klassen minder is dan die van de klasse ‘AW2000’ maar dat enkele licht verhoogde of matige verhoogde gehalten te verwachten en toegestaan zijn.

De gemeenten hebben het beleid voor grondverzet en de toepassing van grond aangepast. Bodemkwaliteit en het PIP 'Lemselermaten' Bij de voorbereiding van het Inrichtingsplan is een onderzoek (zie bijlage 13) uitgevoerd naar bodem, grondwater en bodemgeschiktheid landbouwgebied en een historische bodemonderzoek. Hieruit blijkt dat er geen risico's op bodemverontreiniging worden verwacht, met mogelijk een uitzondering voor de locatie Glipsdijk 5. Hier is sprake is van een asbestverontreiniging in de bodem. Voor zover bekend is deze verontreiniging niet gesaneerd. Op deze locatie is zich verder een ondergrondse tank aanwezig, die bodemverontreiniging kan hebben veroorzaakt. Op deze locatie worden geen natuurherstelmaatregelen uitgevoerd. Geadviseerd wordt om bij toekomstig grondverzet zoveel mogelijk te werken met een gesloten grondbalans. Op basis van de bodemkwaliteitskaart mag vrijkomende grond uit het gebied in principe binnen ditzelfde gebied vrij worden toegepast. Hierbij gelden twee kanttekeningen: Er moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de Japanse Duizendknoop; Er moet inzicht bestaan in de eventuele aanwezigheid van de stoffengroep PFAS. Op dit moment maakt PFAS nog geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart.

Zolang de bodemkwaliteitskaart niet is aangepast, kan vrijkomende grond worden opgebulkt en voorafgaand aan herschikking met een partijkeuring op minimaal de stoffengroep PFAS worden onderzocht. Op basis van de resultaten van dat onderzoek en/of op basis van de bodemkwaliteitskaart kan bepaald worden of en waar de grond herschikt kan worden en of ook de kwaliteit van de ontvangende bodem op deze stoffen moet worden onderzocht. Wanneer grondverzet actueel wordt, wordt geadviseerd na te gaan of PFAS op dat moment onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Op basis hiervan kunnen eventuele

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

39

hergebruiksmogelijkheden worden bepaald. Dit kan tot gevolg hebben dat geen onderzoek naar PFAS noodzakelijk is. Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de maatregelen voor wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar zijn. In beginsel is op dit moment geen verder onderzoek nodig om het PIP te kunnen vaststellen.

4.2.3 Geluid

Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchthavens. Binnen het plangebied komen geen vliegvelden voor. Geluid en het PIP 'Lemselermaten' In dit inpassingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe geluid producerende bestemmingen zoals bedrijven en hoofdinfrastructuur mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan.

4.2.4 Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De wetgeving over ‘externe veiligheid’ zorgt ervoor dat de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot wordt gesteld. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De normen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. De grenswaarde is 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Binnen de zogenaamde PR 10-6-contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde.

Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. De verantwoording bevat de volgende elementen: de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van calamiteiten moet de veiligheidsregio om advies worden

P I P Lemselermaten

40

gevraagd. Externe veiligheid het PIP 'Lemselermaten'

Figuur 4-2 Risicokaart van het PIP 'Lemselermaten' Bron: www.risicokaart.nl). Risicovolle inrichtingen Het voorliggende plan voorziet niet in de realisatie van kwetsbare objecten. Ook ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van risicovolle inrichtingen waardoor geen beperkingen aanwezig zijn voor de realisatie van het plan. Transport gevaarlijke stoffen Het Basisnet bestaat uit drie kaarten: vervoer over de weg, de binnenwateren en het spoor. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Buisleidingen In het plangebied liggen geen relevante buisleidingen van nationaal of regionaal belang. Hoogspanningsleidingen Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een kaart gemaakt van de in Nederland voorkomende hoogspanningsleidingen. Hoogspanningsleidingen liggen op grote afstand zuidelijk (ter hoogte van Oldenzaal)van het plangebied.

Figuur 4-3 uitsnede netkaart van RIVM Binnen het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beïnvloed door hoogspanningsleidingen. Conclusie

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

41

Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid.

4.2.5 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Voor het aspect luchtkwaliteit geldt hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staan de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) belang. Projecten die in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m²; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 ìg/m³. Luchtkwaliteit en het PIP 'Lemselermaten' De in het inpassingsplan mogelijk gemaakte maatregelen zijn perceelsgebonden en zullen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toevoegen, dat daardoor grenswaarden worden overschreden. Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie, kan opgemerkt worden dat de in het inpassingsplan voorgestane maatregelen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden.

Het besluit en de regeling 'niet in betekende mate' is op dit inpassingsplan zodoende van toepassing. Ook kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied, met het oog op het aspect luchtkwaliteit, en voor zo ver relevant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. Er hoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd.

4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij

Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen. Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Wav en het PIP 'Lemselermaten' Onderstaande afbeelding geeft de zeer kwetsbare gebieden weer in en rondom het Natura 2000-gebied “Lemselermaten". De kwetsbare gebieden zijn op onderstaande afbeelding in groen weergegeven.

P I P Lemselermaten

42

Figuur 4-4 Wav gebieden, in groen, in en in de omgeving van het plangebied van het PIP 'Lemselermaten' (Bron: www.atlasvanoverijssel.nl) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen.

4.2.7 Overige aspecten

In het plangebied kunnen functies voorkomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals laagvliegroutes, radarposten, zandwinning en kabels en leidingen. In deze subparagraaf wordt kort op deze functies ingegaan. Militaire laagvliegroutes Militaire laagvliegroutes zijn ongeveer 4 kilometer breed en worden gebruikt om te oefenen in het laag boven de grond vliegen. Laagvliegen kan hinder veroorzaken voor mensen die onder of in de buurt van de routes wonen. Militaire laagvliegroutes en het PIP 'Lemselermaten' Het Natura 2000-gebied ligt op zeer ruime afstand ten oosten van de militaire laagvliegroute 10. Route 10 komt in de buurt van Eibergen Nederland binnen en gaat noordelijk via Almelo richting Slagharen, om daarna af te buigen naar rechts, richting Musselkanaal. Vanaf daar loopt de route naar Duitsland. Conclusie De maatregelen in dit plan voor het Natura 2000-gebied “Lemselermaten" richten zich op het behoud en het versterken van natuurdoelstellingen. Het gebied is, mede gelet op de afstand tot de laagvliegroute, niet gevoelig voor effecten van de laagvliegroute. De maatregelen zelf hebben ook geen invloed op de militaire laagvliegroute. Luchthavenbesluit

Twente Airport

In maart 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel een luchthavenbesluit voor de luchthaven Twente Airport vastgesteld. Het luchthavenbesluit is een onderdeel van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. In het besluit zijn verschillende beperkingengebieden aangewezen: voor externe veiligheid, geluidbelasting, veiligheid, vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik, laserstralen, hoogtebeperkingen, enz. Op kaarten bij het besluit is aangegeven welke beperkingen waar gelden, zoals bijvoorbeeld een maximale bouwhoogte voor obstakels.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

43

Figuur 4-5 Kaart behorend bij Luchtvaartbesluit Twente Airport Het plangebied ligt binnen het 'gebied met hoogtebeperkingen, in verband met de vliegveiligheid' (zie bovenstaande figuur). Er gelden in dat gebied dus beperkingen aan de hoogte van bouwwerken. In het inpassingsplan wordt de bouw van bouwwwerken slechts beperkt (naar aard én omvang) toegelaten, vanwege de aard van het gebied. De beoogde ontwikkeling vormt daarom geen belemmering in de zin van het Luchthavenbesluit. Conclusie Het voorliggende plan is niet in strijd met de regels van de beperkingengebieden, zoals vastgelegd in het Luchthavenbesluit Twente Airport. No-fly zones De regels die van toepassing zijn staan in de Wet luchtvaart (artikel 5.3) en Regeling modelvliegen. Enkele voorbeelden uit de regeling zijn: alleen bij daglicht en tot een maximale hoogte van 120 meter; niet boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, wegen, spoorlijnen, industrie- en havengebieden; drones verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen, vrije ballonnen en luchtschepen; binnen laagvlieggebieden moet er iemand meekijken om u te waarschuwen voor luchtvaartuigen. In het algemeen geldt dat het verboden is op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar (kunnen) worden gebracht.

Er kan altijd sprake zijn van tijdelijke verboden/beperkte gebieden in verband met bijvoorbeeld een evenement (zie "Temporary Airspace Restriction" op www.lvnl-ohd.nl). Voor ongecontroleerde luchthavens geldt dat vluchten binnen een afstand van 3 km zijn toegestaan, mits geen bezwaar bestaat bij de exploitant van de luchthaven. Ook kan sprake zijn van gebieden die tijdelijk en uitzonderlijk worden gebruikt voor de start en landing van luchtvaartuigen; vliegen binnen een afstand van 3 km is toegestaan mits er geen bezwaar is bij de exploitant van dat terrein. In Natura 2000-gebieden kunnen beperkingen gelden voor het vliegen met drones. Deze beperkingen kunnen per gebied verschillend zijn en worden opgenomen in een beheerplan en/of toegangsbeperkend besluit dat doorgaans door de provincie waar het gebied in ligt wordt vastgesteld.

P I P Lemselermaten

44

Figuur 4-6: No-fly zones In het plangebied zelf geldt geen directe beperking, omdat de zones niet over het plangebied liggen. In het provinciaal beleid is geregeld dat voor het landen en opstijgen in een Natura 2000-gebied (en de NNN) geen ontheffing wordt verleend. Overige infrastructuur Transport van informatie, energie en water vindt plaats met kabels en leidingen. De infrastructuur hiervoor is zowel bovengronds (hoogspanningsleidingen) als ondergronds (bijvoorbeeld gasleidingen) aanwezig. Om te voorkomen dat er activiteiten gebeuren die strijdig zijn met deze vorm van infrastructuur, dient doorgaans een minimale afstand of maximale hoogte in acht te worden genomen. Overige infrastructuur en het PIP 'Lemselermaten' Om de kabels en leidingen in de ondergrond in kaart te brengen, is een KLIC- melding gedaan binnen de grenzen van het interessegebied. Aan de hand van de verkregen data is er, specifiek in de gebieden waar inrichtingsmaatregelen worden getroffen, geïnventariseerd of kabels en leidingen de percelen doorkruisen op de locatie van de inrichtingsmaatregelen. Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen.

4.2.8 Conclusie

Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de diverse aspecten op het gebied van het milieu.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

45

4.3

Water

4.3.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een inpassingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruit gaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Deze waterparagraaf is de watertoets voor onderhavig inpassingsplan. Het relevante waterbeleid is beschreven in hoofdstuk 2 en wordt daarom hieronder niet herhaald.

4.3.2 Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. De maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 3 van dit inpassingsplan. Dit inpassingsplan zal tijdens ter inzage legging ter beoordeling worden voorgelegd aan het waterschap. De reacties van het waterschap zullen in deze paragraaf worden verwerkt. Het waterschap is betrokken bij het opstellen van het Inrichtingsplan, dat de basis vormt voor het inpassingsplan. Volgens het Inrichtingsplan worden met de voorgestelde maatregelen doelen behaald voor N2000 als de KRW. Het waterschap heeft aangegeven dat de doelen en de bijbehorende maatregelen in hoofdlijnen beschreven moeten zijn in de waterparagraaf.

4.3.3 Water en het PIP 'Lemselermaten'

In deze waterparagraaf zijn de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. Binnen het inpassingsplan wordt geen nieuwe verharding gerealiseerd. Er is geen sprake van toename van het verharde oppervlak. Om de effecten van de maatregelen op de habitattypen in het Natura 2000-gebied en andere functies in het gebied te bepalen, zijn hydrologische berekeningen uitgevoerd. Met behulp van een grondwatermodel, de input vanuit de systeemanalyse en gebiedskennis van experts, zijn verschillende maatregelenscenario’s in verschillende iteratieve stappen doorgerekend. Het doel van dit iteratieve proces was te komen tot een breed gedragen eindscenario dat voorziet in het stoppen van de achteruitgang van de kwaliteit van de habitattypen met zo min mogelijk negatieve effecten op andere functies dan natuur in het gebied (wonen, werken). Om de effectiviteit van de maatregelen op de habitattypen te kunnen beoordelen, is gekeken naar vier sturende factoren voor grondwaterkwaliteit en –kwantiteit. Van hoogste naar laagste prioriteit zijn dat kwel/wegzijging, duurlijnen (hoe lang per jaar een bepaalde waterstand voorkomt), gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Uit het proces blijkt dat de definitieve maatregelen een positief effect op de habitattypen hebben en een beperkt effect op de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/691/documents/18905