CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Lemselermaten_Toelichting.pdf

Commissie Omgeving & Economie 10 januari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Lemselermaten (incl. een presentatie)25.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De kwel, als belangrijkste criterium voor de habitattypen, neemt toe. De duur van de hoge waterstanden neemt eveneens toe als tweede belangrijke criterium. Ook de GVG en GLG stijgen, met als gevolg dat het doelgat dat er eerder was voor de GLG, wordt gedicht. Verschillende agrarische percelen krijgen met vernatting te maken, vooral ten noorden van het plangebied en ten noorden van de Weerselerbeek. Als de percelen door de maatregelen niet meer agrarisch kunnen worden gebruikt, hebben deze een andere bestemming gekregen (Natuur). De agrariers die dit aangaat worden gecompenseerd. Om natschade aan gebouwen te voorkomen zijn in enkele gevallen mitigerende maatregelen op de agrarische erven noodzakelijk. Als dit aan de orde is, is dit planologisch mogelijk op grond van de vigerende bestemmingen.

P I P Lemselermaten

46

Ten aanzien van de watertoets is het met name van belang dat de waterbelangen op een juiste manier meegenomen zijn in de besluitvorming. Uit de digitale watertoets blijkt dat het vooral van belang is hoe omgegaan wordt met een eventuele toename van het verharde oppervlak en of bestaande waterbelangen (oppervlaktewater, grondwater) niet worden geschaad. Dit inpassingsplan stelt geen toename van het verharde oppervlak voor en zorgt er door middel van maatregelen voor dat de hydrologische omstandigheden in het gebied worden verbeterd.

4.3.4 Conclusie

Ten aanzien van het aspect water wordt geconcludeerd dat met het voorliggende plan en de daarin opgenomen maatregelen voor de realisatie van de natuurdoelstellingen én eventuele mitigerende maatregelen, zoals in dit plan beschreven, geen nadelige effecten ontstaan op de waterhuishouding. Het Inrichtingsplan stelt maatregelen voor om het watersysteem beter te laten functioneren en bevat ook de noodzakelijke mitigerende maatregelen omwaar mogelijk nadelige gevolgen te voorkomen. Zie ook paragraaf 3.5.2.

4.4

Ecologie

4.4.1 Wettelijk en beleidskader

Dit inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen in het kader van de ambities en verplichtingen in het natuurbeleid mogelijk te maken. Ecologie is daarmee een zeer zwaar meewegend omgevingsaspect en moet goed onderzocht worden. Voor de geldende wet- en regelgeving omtrent het aspect natuur wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan.

4.4.2 Ecologie en het PIP 'Lemselermaten'

Ten behoeve van de opgave voor dit Natura 2000-gebied is onderzoek uitgevoerd naar de maatregelen in relatie tot de Wet natuurbescherming. De rapportages zijn bijgevoegd in bijlage 15 en bijlage 16 bij de toelichting. In het rapport zijn de geplande maatregelen getoetst aan de instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied "Lemselermaten". Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage. Er zijn concrete plannen voor herstel en versterking van de natuur- en landschappelijke waarden van het Natura 2000-gebied. Deze maatregelen zijn gericht op duurzaam behoud en/of versterking van Habitattypen en Habitatsoorten waarvoor een instandhoudingdoelstelling is vastgesteld. Er worden maatregelen voorgesteld die tot doel hebben negatieve effecten uit het verleden weg te nemen (verdroging, verzuring, vermesting), bepaalde Habitattypen in omvang toe te laten nemen (zoals rooien van bos) en om het gebied robuuster te maken (zoals maatregelen t.b.v. waterhuishouding en uitbreiding areaal natuur). Als gevolg van de uitvoering van de maatregelen worden waarschijnlijk beschermde dier- en plantensoorten negatief beïnvloed.

Als beschermde dier- of plantensoorten, als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen, zoals verwoord in de Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden in het kader van een herstelplan. Als gevolg van de spoedwet Aanpak stikstof, hoeft geen 'Natura2000-vergunning' aangevraagd te worden voor voorgenomen activiteiten. Wel geldt de zorgplicht. Om invulling te geven aan de zorgplicht, moeten de voorgestelde maatregelen in detail beoordeeld worden op een mogelijk negatief effect op planten en dieren (ongeacht of ze beschermd zijn). Er is geen vergunningplicht voor het uitvoeren van inrichting- en herstelmaatregelen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het Natura2000-gebied "Lemselermaten". Er zijn geen voorwaarden gesteld aan het gebruik van deze generieke vrijstelling. Ook is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist voor activiteiten die een negatief effect hebben op beschermde soorten. Verder geldt een vrijstelling voor de herplantplicht van bos dat verdwijnt en geldt een vrijstelling

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

47

van de verbodsbepalingen voor beschermde dier- en plantensoorten omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een herstelplan voor het Natura2000-gebied. Ondanks de vrijstelling in het kader van de spoedwet Aanpak Stikstof, geldt de zorgplicht. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld wanneer alle te nemen maatregelen tot in detail bekend zijn; hierin worden ook de mitigerende maatregelen uit de Gedragscodes Natuurbeheer en Bosbeheer opgenomen.

4.4.3 Conclusie

De maatregelen, uitgewerkt in het Inrichtingsplan, dragen in belangrijke mate bij aan het realiseren van de Natura 2000-opgaven ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen. Bovendien draagt het bij aan het behoud van standplaatsen en leefgebied van gebiedskarakteristieke beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook draagt het bij aan de bescherming van soorten van de Rode lijst, waarvoor de zorgplicht geldt. Het plan draagt bij aan het realiseren van de beleidsdoelen in het kader van Natuur Netwerk Nederland (NNN). Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin voor alle beschermde en/of rode lijst soorten en voor beschermde gebieden is aangegeven wat de juiste manier en beste periode van werken is om negatieve effecten te voorkomen.

4.5

Archeologie

4.5.1 Wettelijk kader

In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Concreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen en/of inpassingsplannen) meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in het ruimtelijke plan een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed, namelijk Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat beschreven hoe er met ons erfgoed omgegaan moet worden, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op gehouden moet worden. Voor archeologie geldt dat gestreefd moet worden naar behoud 'in situ' (in de bodem) van de archeologische waarden.

In het geval het behoud niet mogelijk is, moet de historische (= archeologische) informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek de in de bodem aanwezige waarden worden veiliggesteld. Tevens is er een certificeringsstelsel ingevoerd. Dat moet garanderen dat opgravingen volgens de wettelijke norm op professionele wijze worden uitgevoerd.

4.5.2 Beleidskader

Provinciaal beleid

P I P Lemselermaten

48

In de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel staat de ambitie op het gebied van archeologie verwoord: “Behouden van intrinsieke bodemeigenschappen en aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk beschermen.” De hoofdlijn van het beleid bestaat uit: het beschermen van de kenmerken, kwaliteiten en waarden van de ondergrond; waar mogelijk kwaliteiten verbinden om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van gebieden te versterken; het behouden en beleven van aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden. Bij planvorming moeten aardkundige en archeologische waarden onderdeel zijn van integrale gebiedsontwikkeling. Overijssel kent grote regionale variatie aan karakteristieke aardkundige waarden. Door dit te behouden en te benutten in de ruimtelijke planvorming wordt de verscheidenheid en het contrast tussen de verschillende delen van Overijssel versterkt. Archeologisch erfgoed wordt zoveel mogelijk ter plekke bewaard (in situ). Als het niet mogelijk is om vondsten ter plaatse te behouden, moet het materiaal van een archeologische vindplaats door opgraving veiliggesteld worden. Gemeentelijk

beleid, gemeente Dinkelland

De gemeente Dinkelland beschikt over een Erfgoedverordening met regels ten aanzien van bebouwing en archeologie (24 februari 2012). In hoofdstuk 6 van de verordening is het onderdeel 'instandhouding van archeologische terreinen' geregeld. De erfgoedverordening is een uitwerking is van de verplichting om, bij het vaststellen van ruimtelijke plannen, rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen. De erfgoedverordening is op dit punt van kracht tot in het bestemmingsplan een regeling is opgenomen die in overeenstemming is met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) of Erfgoedwet. De Erfgoedverordening is vastgesteld na het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, waarin al dubbelbestemmingen voor het beschermen van mogelijk voorkomende archeologische waarden zijn opgenomen.

4.5.3 Archeologie en het PIP 'Lemselermaten''

Er is een Archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in en rond het Natura 2000-gebied, zie bijlage 14 bij de toelichting. De impact die geplande werkzaamheden hebben op mogelijk aanwezige archeologische resten is gerelateerd aan de diepte en de omvang van de met de ingreep gepaarde bodemverstoring. In het plangebied worden met name resten uit het mesolithicum en de periode neolithicum – ijzertijd verwacht. Voor wat betreft resten uit het mesolithicum worden deze met name op kleine dekzandopduikingen in het beekdal verwacht. Op de zandopduikingen elders in het plangebied worden resten uit de periode neolithicum–ijzertijd verwacht (hoge verwachting). Resten uit latere perioden (Romeinse tijd –late middeleeuwen kunnen niet uitgesloten worden (middelhoge verwachting). Op oude kaarten zijn amper aanwijzingen voor bewoning. Resten uit de nieuwe tijd worden dan ook niet verwacht. Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Dinkelland geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek als de bodemverstorende werkzaamheden niet dieper dan 40 cm –mv reiken en een oppervlakte van maximaal 2.500 m 2 (in gebieden met een hoge verwachtingswaarde), of 5.000 m 2 (in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde) niet overschrijden.

Het advies is daarom om vervolgonderzoek uit te voeren op de locaties waar bodemverstorende ingrepen zijn voorzien en waar sprake is van een hoge of middelhoge archeologische verwachting èn waarbij de geplande ingrepen dieper reiken dan 40 cm -mv. Eventuele archeologische resten in natuurgebieden bevinden zich vaak vlak onder de oppervlakte, waardoor ook bij minder diepe ingrepen dan 40 cm -mv archeologische resten kunnen worden verstoord. Daarom wordt geadviseerd om in de gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde ook vervolgonderzoek uit te voeren op locaties waar ingrepen minder diep dan 40 cm - mv reiken. Mochten bij graafwerkzaamheden buiten de te onderzoeken gebieden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het advies is overgenomen door de Provincie Overijssel in de persoon van de regioarcheoloog. Gezien de verwachtingwaarden wordt een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen op de verbeelding bij het inpassingsplan. Conclusie

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

49

Er wordt nader onderzoek gedaan naar archeologische waarden vóór uitvoering van de maatregelen. Eventuele archeologische resten worden beschermd.

4.6

Cultuurhistorie en landschap

4.6.1 Wettelijk kader

Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een beschrijving hoort van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Cultuurhistorische waarden zijn alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het landschap is een belangrijke drager van de cultuurhistorie. Aan veel landschapselementen (essen, reliëf, houtwallen, bosjes) en de verkaveling en de wegen- en waterlopenstructuur is de ontstaans- en ontginningsgeschiedenis nog af te lezen.

4.6.2 Beleidskader

Provinciaal beleid De Omgevingsvisie bevat drie leidende principes of 'rode draden'. Eén daarvan is ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald op basis van vier lagen: de natuurlijke laag, de laag van de agrarische cultuurlandschappen, een stedelijke laag en een laag van de beleving. Nieuwe ruimtelijke opgaven dienen verbonden te worden met bestaande gebiedskenmerken. Die spelen namelijk een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Gebiedskenmerken zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Terugkerende elementen zijn beleefbaarheid, toegankelijkheid, zichtbaarheid, bruikbaarheid, en cultuurhistorische waarden van landschap en bebouwing (structuren). Een catalogus met gebiedskenmerken is als onderdeel bij de Omgevingsverordening opgenomen. De aanwezige gebiedskenmerken in zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving zijn onderscheiden in vier lagen: Natuurlijke laag (in en op de bodem); Laag van het agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem); oude hoevenlandschap; Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur); Laag van de beleving (beleving, toerisme, cultuurhistorie en landgoederen). Per laag onderscheidt de Catalogus verschillende gebiedstypen.

De gebiedskenmerken zijn sturend voor de vraag hoe een ontwikkeling invulling krijgt. In nieuwe ruimtelijke plannen moet onderbouwd worden dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Gemeentelijk

beleid

De vele cultuurhistorische waarden geven in het buitengebied van Dinkelland de identiteit en het karakter van het gebied aan. Zie ook het beschreven beleid in paragraaf 2.6 van deze toelichting. De waarden zijn vertaald in het bestemmingsplan ”Buitengebied” van de gemeente Dinkelland.

4.6.3 Cultuurhistorie en het PIP 'Lemselermaten'

Door de waterhuishoudkundige maatregelen wordt het gebied natter. Door beperkte kleinschalige boskap wordt het gebied plaatselijk iets opener. Er zijn geen bijzondere landschapselementen in het gebied die door de maatregelen beïnvloed worden. Er liggen geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten in het plangebied die door de maatregelen beïnvloed worden. Afgezien van de verkavelingssporen zijn er geen cultuurhistorische relicten aanwezig.

P I P Lemselermaten

50

4.6.4 Landschap en het PIP 'Lemselermaten'

Gebiedsscan

Lemselermaten

De provincie Overijssel heeft een 'Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit ' opgesteld die randvoorwaarden en inspiratie geeft voor de ontwikkelopgave in het Natura 2000-gebied "Lemselermaten" (2015), zie bijlage 18 bij de toelichting. De gebiedsscan vormt geen nieuw beleid, maar kan gezien worden als een samenvatting van de Catalogus Gebiedskenmerken. Het maakt inzichtelijk wat de ruimtelijke kwaliteit van een gebied is en hoe dit behouden dan wel versterkt kan worden. Het geeft bovendien aan wat de (on)mogelijkheden, opgaven en kansen zijn. De Gebiedsscan beschrijft de belangrijkste landschappelijke waarden, de kwaliteitsambities en de sturing daarop. De aanbevelingen uit de gebiedsscan zijn - kort weergegeven - de volgende; De leesbaarheid van het landschap vergroten door: 1. de kenmerkende rafelranden te respecteren en/of opnieuw vormen, zodanig dat ‘woeste grond’ en jong ontginningslandschap in elkaar grijpen; 2. het respecteren van de (onverharde) wegen en paden; 3. bij het dempen van de sloten de kavelgrenzen zichtbaar houden bijvoorbeeld door middel van greppels of beplanting.

Het respecteren en accentueren van de natuurlijke hoogteverschillen; versterk het natuurlijke beeksysteem, verbeter de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid; Vergroot de toegankelijkheid door aanleg van nieuwe paden in een logische aansluiting op de landschappelijke structuren en het bestaande routenetwerk; geef bijzondere aandacht aan de landschappelijke inpassing van de toekomstige rondweg rond Weerselo, die de Weerselerbeek kruist. Bij het maken van het Inrichtingsplan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de aanbevelingen uit de gebiedsscan. Verder wordt verwezen naar het cascobeleid van de gemeente (zie paragraaf 2.6.2), waarin voor elk landschapstype spelregels gelden die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen. Dit PIP maakt de uitvoering van het Inrichtingsplan planologisch mogelijk.

4.6.5 Conclusie

Bij de inrichting van het gebied is en wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit in de zin van landschap en cultuurhistorie. Er wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de bestaande landschappelijke kwaliteit wordt gehandhaafd en daar waar mogelijk versterkt. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect cultuurhistorie en landschap.

4.7

Explosieven

4.7.1 Beleidskader

Op meerdere plaatsen in Nederland liggen nog bommen en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog in de grond. Blindgangers en achtergebleven explosieven vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen weersomstandigheden en grondwater van invloed zijn op de toestand waarin de explosieven zich bevinden. In geval van grondverzet of vergelijkbare ontwikkelingen kan dat risico's voor werknemers of omwonenden met zich meebrengen. Daarnaast vormen deze vondsten een zware belasting voor het milieu. Als een gebied verdacht is voor niet-gesprongen explosieven, zal het nader onderzocht moeten worden.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

51

4.7.2 Explosieven en het PIP 'Lemselermaten'

Vanwege de voorgenomen werkzaamheden heeft Staatsbosbeheer een Historisch VooronderzoekNiet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) laten uitvoeren. Het rapport is toegevoegd in bijlage 17 en beslaat meerdere Natura 2000-gebieden, waaronder Lemselermaten. Uit de inventarisatie van het bronnenmateriaal blijkt dat er in 1944 een Amerikaans jachtvliegtuig is neergestort aan de Kemperdijk, ten oosten van het plangebied. Het is waarschijnlijk een noodlanding geweest, zodat er geen risico is dat zich destijds explosieven hebben verspreid. In beginsel kunnen grondroerende werkzaamheden in het gebied zonder vervolgonderzoek plaatsvinden. Als tijdens de werkzaamheden spontaan NGE worden aangetroffen, dan zijn enkele specifieke acties noodzakelijk, zoals het stilleggen van de werkzaamheden, het afzetten van de locatie en het informeren van politie en Explosieven Opruimingsdienst.

4.7.3 Conclusie

Op grond van het vooronderzoek is er vooralsnog geen aanleiding om nader onderzoek uit te voeren, voordat graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Als tijdens de werkzaamheden explosieven worden aangetroffen, moeten specifieke acties worden ondernomen.

4.8

Sociaal economische effecten

4.8.1 Wettelijk kader en beleidskader

De Wet natuurbescherming schrijft voor dat bij de plannen voor Natura 2000 gebieden ook aandacht geschonken moet worden aan de sociaal economische aspecten. In 2013 heeft het Ministerie van Sociale en Economische Zaken aan LEI Wageningen UR de opdracht gegeven om een studie uit te voeren naar de sociaal economische aspecten van de toenmalige PAS opgave. Aanvullend hierop heeft de provincie Overijssel de sociaal economische consequenties van de PAS voor Overijssel in beeld gebracht. Ondanks dat de PAS niet meer bestaat, zijn deze studies nog steeds relevant. De Provincie heeft naast de Ontwikkelopgave Natura 2000 meerdere programma's en projecten die hier aandacht aan besteden. Denk aan het Programma Leefbaar Platteland, Gebiedsgerichte Aanpak (stikstof), Agro&Food, Sociale kwaliteit, etc. Daarnaast is de Provincie bezig met het opstellen van een nieuwe Omgevingsvisie waarin hier ook aandacht wordt besteed.

4.8.2 Sociaal economische aspecten en het platteland

De in het inpassingsplan mogelijk gemaakte maatregelen hebben effect op de sociaal economische aspecten in een gebied. Hier mee wordt met name de leefbaarheid van een gebied bedoeld. Onder het thema leefbaarheid vallen diverse onderwerpen zoals werkgelegenheid, toegankelijkheid, woonklimaat (incl. voorzieningen) en recreatie. Leefbaarheid is onderhevig aan verschillende ontwikkelingen in Nederland, zoals klimaatopgaven, de stikstofopgave, schaalvergrotingen in het buitengebied, maar ook demografische ontwikkelingen zoals bevolkingskrimp in bepaalde gebieden. De grootste effecten op de leefbaarheid ontstaat door dat laatste. Keuzes voor het wel of niet open houden van voorzieningen, het voortbestaan van bijvoorbeeld sportclubs, en ook woningbouw zijn hiervan afhankelijk. Veranderende milieuwet- en regelgeving hebben ook een effect op de leefbaarheid. De keuzes van ondernemers om hun bedrijven voort te zetten en/of uit te breiden hangen hier vaak mee samen. De Natura 2000-herstelmaatregelen kunnen ook wel een effect hebben op de veranderingen van de leefbaarheid, maar die is gering. Deze zijn hieronder beschreven: Werkgelegenheid

P I P Lemselermaten

52

Door de uitvoering van de Natura 2000-maatregelen in dit gebied, is de natuur beter bestand tegen de uitstoot van stikstof. Naast het verlagen van de stikstofuitstoot door bronmaatregelen door het Rijk leidt dit op termijn tot meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven en woningbouw. Op zeer lokaal niveau kunnen de maatregelen wel negatieve effecten hebben op de werkgelegenheid. De effecten kunnen nadelige gevolgen hebben voor de huidige bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Hiervoor is in het gebiedsproces continue aandacht. Een gevolg kan zijn dat bedrijven stoppen of verplaatsen. De maatregelen kunnen ook leiden tot omvorming van de bedrijfsvoering die gericht is op de (veranderende) milieuwetgeving, waardoor er een duurzamere en toekomstbestendige bedrijfsvoering ontstaat. Sommige maatregelen kunnen ook leiden tot verbetering, bijvoorbeeld doordat droge gronden natter worden. Waar het wel leidt tot negatieve gevolgen wordt in het gebiedsproces gezocht naar oplossingen die leiden tot het behalen van de Natura 2000-doelen en met zo min mogelijk negatieve effecten op de omliggende bedrijven. Eigenaren van gronden die niet meer geschikt zijn voor agrarisch gebruik hebben de mogelijkheid om gronden tegen marktconforme prijs te verkopen.

Daarnaast wordt er gezocht naar ruilgronden of gekeken of de gronden op een andere wijze in de bedrijfsvoering kunnen worden opgenomen (bijvoorbeeld natuurbeheer). Agrariërs die, ondanks mitigerende maatregelen, toch schade aan productiepercelen of erven en gebouwen ondervinden door hydrologische maatregelen komen in aanmerking voor een schaderegeling. Een uitgebreidere beschrijving van dit proces is opgenomen in hoofdstuk 1. Als tijdelijk effect op de werkgelegenheid is dat er lokale aannemers worden ingeschakeld bij de uitvoering van de maatregelen. Toegankelijkheid De maatregelen kunnen ook effecten hebben op wegen, bijvoorbeeld door vernatting of schade tijdens de uitvoering. Waar mogelijk worden er mitigerende maatregelen getroffen om de effecten te voorkomen of zo klein mogelijk te laten zijn. Schade tijdens de uitvoering wordt gerepareerd. Het plan leidt niet tot het verdwijnen van wegen, waardoor de toegankelijkheid van het gebied niet veranderd. Waar mogelijk en/of gewenst wordt ook in de plannen bekeken of de toegankelijkheid van de natuurgebieden verbeterd kan worden, zodat mensen ook beter kunnen genieten van de natuur. Recreatie Mooiere en robuustere natuurgebieden kunnen in theorie leiden tot vergroting van de recreatieve sector van het gebied. Dit kan kansen bieden voor de leefbaarheid van een gebied.

Tijdens de uitvoeringsfase kunnen er negatieve effecten optreden voor de recreatie, maar deze zijn van tijdelijke aard. Het gaat hierbij om actieve machines in het gebied, tijdelijke opslag van bouwmaterialen (duikers, ed.) en tijdelijke opslag van grond of organisch materiaal. Tijdens de uitvoering wordt er gecommuniceerd over het eventueel afsluiten of omleggen van recreatieve routes.

4.8.3 Conclusie

De sociaal economische aspecten in een gebied (met name de leefbaarheid) is met name afhankelijk van demografische ontwikkelingen. Negatieve effecten hierop door de natuurmaatregelen is beperkt. Waar negatieve effecten ontstaan is bekeken of deze gemitigeerd of gecompenseerd kunnen worden. Daarnaast wordt er bij het beschikbaar krijgen van de gronden ook gezocht naar een passende oplossing in de vorm van aankoop, ruiling, omvorming of schadevergoeding. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft de sociaal economische aspecten.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

53

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planopzet

Plansystematiek inpassingsplan algemeen

In het inpassingsplan wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de vigerende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als een bestemmingswijziging nodig is, om maatregelen mogelijk te maken of te borgen, worden overige (nog relevante) vigerende dubbelbestemmingen en aanduidingen uit de gemeentelijke plannen overgenomen. Op deze manier geldt voor een perceel slechts één plansystematiek, wat de gebruiksvriendelijkheid bevordert. In alle bestemmingsbeschrijvingen in het inpassingsplan is bepaald dat de bestemmingen mede dienen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Daarom is in iedere regel een koppeling gelegd met de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Lemselermaten" en met (de maatregelenkaart bij) het Inrichtingsplan. Op deze manier wordt gewaarborgd dat alle ontwikkelingen die zich binnen het plangebied voordoen, geen belemmeringen met zich meebrengen voor de natuurdoelstellingen.

5.2

Standaarden en opbouw

Het inpassingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Aan alle gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Aan deze bestemmingen worden regels gekoppeld omtrent het gebruik van de gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de (enkel)bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. De eventuele (dubbel)bestemmingen en de aanduidingen staan ook op de verbeelding. SVBP 2012 Het inpassingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan en voldoet aan de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). In deze standaard staan normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding. Het Besluit ruimtelijke ordening stelt de SVBP verplicht als standaard systematiek. Op deze manier is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen gewaarborgd. De SVBP heeft geen betrekking op de toelichting van het plan en ook niet op de inhoud. Naast een digitale versie kan er ook een papieren versie van het inpassingsplan gebruikt worden.

Als er verschillen zijn tussen de digitale en analoge versie is de digitale versie leidend. Opbouw regels De regels kennen een vaste volgorde en indeling. Hoofdstuk 1 Inleidende regels - Begrippen - Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels - Bestemmingen - Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3 Algemene regels - Anti-dubbeltelregel - Algemene gebruiksregels - Algemene aanduidingsregels

P I P Lemselermaten

54

- Algemene afwijkingsregels - Algemene wijzigingsregels - Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels - Overgangsrecht - Slotregel Vervolgens kennen de bestemmingsregels ook een vaste opbouw: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid. In verband met de Omgevingswet die in de nabije toekomst in werking treedt, zijn er geen wijzigingsbevoegdheden meer in dit PIP opgenomen. Onder de Omgevingswet bestaat dit instrument niet meer en er is niet voorzien in overgangsrecht. Het wijzigen van de bestemming van gronden wordt onder de Omgevingswet op een andere manier geregeld. Het schrappen van de wijzigingsbevoegdheden betekent dus niet dat een eventuele wijziging in de toekomst niet mogelijk zal zijn.

5.3

Parapluplan-deel Inpassingsplan

Het Inpassingsplan krijgt deels de vorm van een 'parapluplan'. In een zone rondom het Natura 2000-gebied gaat de gebiedsbescherming 'Aandachtszone - hydrologie' gelden. De gebiedsaanduiding heeft een aanvullende werking op de onderliggende vigerende bestemmingsplannen, die verder geheel in werking blijven. Dit wordt in de planregels verwoord. Ingrepen binnen deze zone kunnen hydrologische gevolgen hebben voor het waterhuishoudkundige systeem ín het natuurgebied. Voor dergelijke ingrepen is, mogelijk, een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In een bestemmingsplan mogen geen onderwerpen worden opgenomen die al uitputtend in de Wnb zijn geregeld. De planregels die gelden binnen deze aandachtszone bevatten dan ook geen ge- of verboden, maar dienen als een extra planologische stok achter de deur.

5.4

Toelichting op de artikelen

De regels van het inpassingsplan 'Lemselermaten' zijn hieronder kort toegelicht. Artikel 1 begrippen en artikel 2 wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012 en grotendeels overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Dinkelland. Deze begrippen zijn aangevuld met voor het inpassingsplan relevante begrippen, in afstemming met het provinciale beleid. Artikel 3 Agrarisch - 3 Deze bestemming is opgenomen voor gronden die, ondanks dat daar bepaalde maatregelen worden genomen, nog agrarisch kunnen worden gebruikt. Omdat de bestaande agrarische bestemmingen van Losser en Dinkelland, te weten Agrarisch - 1 en Agrarisch - 2, te ruim zijn, of de maatregelen niet mogelijk maken, is voor een nieuwe agrarische bestemming gekozen. In aansluiting op de gemeentelijke systematiek is dit Agrarisch - 3 geworden. De maatregelen die op gronden met deze bestemming nodig zijn, zien voornamelijk toe op de waterhuishouding, zoals een verbod op het ontwateren van gronden, tenzij dat expliciet is toegestaan via een specifieke aanduiding. Op bepaalde percelen is met een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch evenwichtsbemesting' (sa-eb) een beperking voor bemesting opgenomen. De minerale uitspoeling

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

55

moet zodanig zijn (tussen de 15 en 20 mg nitraat per liter) dat dit geen negatief effect heeft op het N2000-gebied. Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen, waarop een uitzondering geldt voor de maatregelen die in het inrichtingsplan zijn opgenomen. Op deze manier hoeven deze maatregelen niet nog eens te worden afgewogen in een besluit. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. Artikel 4 Natuur Deze bestemming is toegekend aan gronden, waarop natuurontwikkeling zal plaatsvinden en die dus aan het agrarisch gebruik worden onttrokken dan wel waar de bestaande natuurbestemming aangepast moet worden. Bemesting/beweiding is uitsluitend toegestaan behorend bij het natuurpakket voor een specifiek perceel dan wel behorende bij het natuurtype dat zich op het betreffende perceel kan ontwikkelen. Verder is ontwatering verboden. In het plangebied zijn met name hydrologische maatregelen aan de orde. Ten aanzien van het uitvoeren van werken en werkzaamheden is een regeling opgenomen in de vorm van een omgevingsvergunningstelsel. Artikel 5 Verkeer - 1 Deze bestemming geldt voor de bestaande - openbare - wegen in het plangebied, die gehandhaafd blijven. Op en/of langs de meeste wegen in het plangebied zijn maatregelen voorzien, zodat deze in het plangebied zijn meegenomen.

Artikel 6 Water - 2 Deze bestemming geldt voor de A-watergangen in het plangebied. De overige kleine watergangen en sloten zijn mogelijk gemaakt in de bestemmingsbeschrijving van de verschillende van toepassing zijnde bestemmingen. Artikel 7 Waarde - Archeologie Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de gebieden, waarin volgens het archeologisch onderzoek mogelijk archeologische waarden voorkomen. Op grond van deze dubbelbestemming geldt een beschermingsregime voor mogelijke aanwezige archeologische waarden. Artikel8 Waterstaat - Beschermingszone

watergang

Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de keurpaden langs de Nieuwe Dollandbeek. Deze keurpaden moeten toegankelijk zijn en blijven voor de waterbeheerder. Artikel 9 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening staat een standaardbepaling die verplicht is voor alle inpassingsplannen. Het doel van de anti-dubbeltelbepaling is te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling van met name gebouwen, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het inpassingsplan. Door het 'overhevelen' van gronden tussen percelen, via al of niet tijdelijke huurcontracten of eigendomsoverdrachten, zou op een van de percelen of op alle betrokken percelen uiteindelijk een bebouwde oppervlakte kunnen ontstaan, die groter is dan het bestemmingsplan blijkens de regels beoogt toe te staan. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Vanwege de mogelijkheid dat maatregelen achteraf niet blijken te werken (bijvoorbeeld door veranderde natuurlijke omstandigheden) of de natuurdoelstellingen ook met andere maatregelen kunnen worden bereikt, wordt een algemene afwijkingsregel opgenomen.

Hierdoor wordt het mogelijk om, na zorgvuldige afweging op basis van een deskundigenrapport, (achteraf gezien) overbodige beperkingen ongedaan te maken en ook alternatieve maatregelen mogelijk te maken. Voorwaarde is wel dat het verzoek tot toepassen van de afwijking vergezeld moet gaan met een aanmeldnotitie (art. 7.16 Wm) waaruit blijkt dat de gevraagde activiteit/maatregel geen of geen andere nadelige milieueffecten heeft waardoor de voor dit plan uitgevoerd vormvrije m.e.r.-beoordeling niet meer van toepassing zou zijn.

P I P Lemselermaten

56

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn algemene aanduidingsregels opgenomen, te weten de gebiedsaanduiding Aandachtszone - hydrologie. Deze omvat de percelen binnen de hydrologische invloed van het natuurgebied. Het uitvoeren van activiteiten op die percelen kan hydrologische invloed hebben op het natuurgebied en de maatregelen uit het Inrichtingsplan. De onderliggende vigerende bestemmingsplannen blijven van kracht, en dit wordt in de regels opgenomen. Artikel 12 Algemene bouwregels In dit artikel is een verbod op ondergronds bouwen opgenomen. Artikel 13 Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het inpassingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit inpassingsplan moet worden aangemerkt. Artikel 14 Overige regels In dit artikel is geregeld dat, als de werkzaamheden uit het Inrichtingsplan volgens een ecologisch werkprotocol moeten worden uitgevoerd, dit ook nodig is. Er is een verwijzing naar de natuurtoets toegevoegd. Het is een algemeen artikel, omdat de werkzaamheden binnen verschillende bestemmingen kunnen plaatsvinden.

In dit artikel is ook geregeld wanneer en onder welke voorwaarden de gemeenteraad van Dinkelland bevoegd is bestemmingsplannen voor de gronden in het inpassingsplan vast te stellen. Artikel 15 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels voor overgangsrecht opgenomen. Deze zijn in dit PIP overgenomen. Het doel van het overgangsrecht is dat bestaande bouwwerken of bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging van gebruik wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan gedoogd totdat in de loop van de planperiode de sloop respectievelijk de beëindiging van het gebruik plaatsvindt. Bouwwerken en gebruiksvormen die al strijd zijn met het vorige ruimtelijk plan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee.

Het Besluit ruimtelijke ordening bevat in de regels voor het overgangsrecht de volgende bepaling: Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van het ten tijde van de inwerkingtreding van een inpassingsplan bestaand gebruik. Bovenstaande houdt in dat de standaardbepalingen voor het overgangsrecht niet onverkort kunnen worden toegepast, als uit de Wet natuurbescherming gebruiksbeperkingen voortvloeien. In dat geval gaat de 'hogere regelgeving' boven het overgangsrecht. Dit PIP is opgesteld ten behoeve van de uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. De maatregelen en beperkingen die in dit plan geregeld zijn, hebben als doel negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te stoppen en de beschermde habitats en soorten te beschermen. Om die reden is het gebruikelijke overgangsrecht, volgens bovenstaande bepaling uit het Bro, niet toegestaan. Dit geldt alleen voor strijdig gebruik en is niet van toepassing op bouwwerken. De Provincie Overijssel heeft daarom besloten om de overgangstermijn te beperken. Het overgangsrecht komt te vervallen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit PIP.

In die periode van twee jaar kan de grondeigenaar het strijdige gebruik beëindigen of kan de Provincie Overijssel passende maatregelen en/of passende oplossingen treffen. De wijze waarop dit plaatsvindt is opgenomen in het grondbeleid van de provincie Overijssel (zie ook paragraaf 6.3 Economische uitvoerbaarheid en de inleiding van dit PIP). Kort weergegeven houdt dit beleid in dat de Provincie Overijssel in eerste instantie probeert overeenstemming over het beëindigen van het strijdige gebruik te krijgen. Dit kan door middel van zelfrealisatie, schadevergoeding, het leveren van ruilgrond (indien dat beschikbaar is) of zelfs het aankopen van de gronden en/of het bedrijf. Dit is afhankelijk van de specifieke situatie en betreft maatwerk. Biedingen hiervoor worden

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

57

gedaan voor de vaststelling van het PIP. De Provincie Overijssel erkent dat dit gevolgen kan hebben voor de grondeigenaren. Echter, het uitvoeren van de beoogde maatregelen en het opleggen van de beperkingen is noodzakelijk om de beschermde habitats en soorten in het Natura 2000 gebied te beschermen. Dit is een wettelijke opgave die voortvloeit uit de Wet natuurbescherming, en moet daarom uitgevoerd worden. In alle gevallen wordt er, in afstemming met de grondeigenaren, gezocht naar een goede oplossing. Als er geen overeenstemming bereikt wordt, kan de Provincie Overijssel dwingend instrumentarium inzetten zoals de gedoogplicht op grond van de Wet natuurbescherming of onteigening om ervoor te zorgen dat het strijdige gebruik binnen de overgangstermijn is beëindigd en daarmee de wettelijk verplichte doelstellingen worden gehaald. Eveneens kan er handhavend opgetreden worden tegen strijdig gebruik. Artikel 16 Slotregel Bij deze regel is vermeld hoe het plan kan worden aangehaald.

P I P Lemselermaten

58

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Juridische uitvoerbaarheid

6.1.1 Provinciale coördinatieverordening

Voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 moeten per gebied diverse besluiten worden genomen door verschillende bevoegde gezagen. Ten behoeve van het vergunningentraject heeft de provincie Overijssel een coördinatieverordening vastgesteld d.d. 9 november 2016. Alle benodigde besluiten voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 zullen per gebied zoveel mogelijk gelijktijdig of geclusterd voorbereid worden. De gecoördineerde besluiten doorlopen dezelfde voorbereidingsprocedure en liggen tegelijk ter inzage bij één loket. Desgewenst kan met één zienswijze gereageerd worden op diverse ontwerpbesluiten. Hierdoor hoeft niet voor elk besluit een aparte procedure en rechtsgang doorlopen te worden. Dit zorgt voor meer overzichtelijkheid van de procedures. Benodigde vergunningen voor de uitvoering volgen een aparte procedure.

6.1.2 Wijziging begrenzing provinciale Omgevingsverordening en -visie

Wanneer bepaalde percelen niet ingezet hoeven te worden voor het bereiken van de Natura 2000-doelen, dan wordt de begrenzing van het uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 in het voorkomende geval aangepast conform Hoofdstuk 10.3 van de Omgevingsvisie. Percelen waar geen maatregelen getroffen worden of waar na uitvoering van de maatregelen de functie landbouw gehandhaafd kan blijven, worden uit het NNN gehaald. Dit zal na inwerkingtreding van dit inpassingsplan worden aangepast in de verordening.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Provinciale sturingsfilosofie

De provincie Overijssel past voor haar rol in het ruimtelijk domein een bestuursfilosofie toe die er naar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. De sturingsfilosofie van de provincie Overijssel is kort samen te vatten als ‘resultaat door partnerschap’. De provincie vormt vitale coalities met de partners en netwerken waarin verschillende partners gezamenlijk in actie komen om maatschappelijk resultaat te boeken. Hoofdlijnen van deze sturingsfilosofie zijn: Complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aanpakken; Ruimte voor bestuurlijke partners om op het meest geëigende schaalniveau op eigen gezag te handelen; Eenvoudige en heldere regels. Gebiedsprocessen In het kader van deze sturingsfilosofie is Samen Werkt Beter in het leven geroepen. In hoofdstuk 1

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

59

is ingegaan op Samen Werkt Beter en het bijbehorende proces. Tevens is in hoofdstuk 1 het gebiedsproces beschreven van het Natura 2000-gebied "Lemselermaten". Keuze ruimtelijk instrument In de provinciale sturingsfilosofie is ook beschreven op welke momenten de provincie Overijssel (selectief) gebruik maakt van het ruimtelijke instrument ‘inpassingsplan’. Dit instrument kan de provincie Overijssel in de volgende situaties inzetten: Als er sprake is van provinciaal belang, en; Als er uit overleg blijkt dat de gemeente niet bereid is om een bestemmingsplan vast te stellen of hiertoe niet (tijdig) overgaat, of; Als de gemeente aan de provincie vraagt om een inpassingsplan vast te stellen. De te nemen maatregelen in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 passen in veel gevallen niet binnen de nu geldende bestemmingsplannen. Dit zorgt ervoor dat een groot aantal ruimtelijke procedures noodzakelijk is om deze maatregelen mogelijk te maken. Vanwege de benodigde proceduretijd ligt de ruimtelijke planvorming op het kritieke tijdpad van de planning van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het is daarom van groot belang om de ruimtelijke planvorming zo efficiënt mogelijk in te richten. Essentieel onderdeel hierbij is de vraag of een bestemmingsplan of een inpassingsplan opgesteld gaat worden om de benodigde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken.

Eén van de grote voordelen van een provinciaal inpassingsplan is dat de beroepstermijn aanzienlijk (circa 1 jaar) korter is dan bij een bestemmingsplan. Een provinciaal inpassingsplan valt namelijk onder de Crisis- en herstelwet waardoor de Raad van State binnen een half jaar een uitspraak moet doen op ingestelde beroepen. Deze verplichting geldt niet bij beroep tegen een bestemmingsplan. Daardoor is de doorlooptijd van een bestemmingsplan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State circa een jaar langer. Om bovenstaande redenen heeft de provincie Overijssel de betrokken gemeenten door middel van een brief (maart 2016) gevraagd om een voorkeur uit te spreken over de inzet van het ruimtelijk instrument: een bestemmingsplan of een inpassingsplan. De gemeente Dinkelland heeft de provincie te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het opstellen van een provinciaal inpassingsplan. Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben hierom besloten om voor het Natura 2000-gebied "Lemselermaten" een inpassingsplan voor te gaan bereiden.

6.2.2 Procedure inpassingsplan

In dit geval is er voor gekozen om geen voorontwerp PIP ter inzage te leggen. Dit is wel gebeurd bij sommige andere inpassingsplannen, maar alleen als bij deze plannen een milieueffectrapportage aan de orde was. Bij het PIP voor Lemselermaten is geen milieueffectrapportage vereist.

6.2.3 Ontwerpfase

Het ontwerp-inpassingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder. Ook wordt de gemeenteraad van Dinkelland gehoord en worden de overlegpartners (artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) om advies gevraagd. De ontvangen zienswijzen, de adviezen en de reactie van de gemeenteraad worden beantwoord in een zienswijzennota en verwerkt in een definitief inpassingsplan.

6.2.4 Vervolgprocedure

Het definitieve inpassingsplan zal ter vaststelling worden aangeboden aan de Provinciale Staten. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld en krijgen voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan de mogelijkheid om te reageren op de beantwoording van hun zienswijze. Na vaststelling van het definitieve inpassingsplan zal het plan voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kan beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ingediend worden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening.

P I P Lemselermaten

60

6.3

Economische uitvoerbaarheid

6.3.1 Grondexploitatie

De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 6.12 dat samen met het inpassingsplan ook een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Dat hoeft niet als er geen sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. In dit inpassingsplan is geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Een exploitatieplan is derhalve niet vereist.

6.3.2 Grondverwerving

De Natura 2000-beheerplannen hebben grote invloed op het provinciale grondbeleid. Het maatregelenpakket om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden te realiseren kan tot gevolg hebben dat de functie van de gronden verandert. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een grondstrategie, die voor de provincie is vastgelegd in de Nota Grondbeleid 2019. In een grondstrategie wordt beschreven hoe het gewijzigd gebruik van gronden te realiseren, onderscheiden in actieve en passieve verkrijging, beheer en vervreemding of eventuele andere mogelijkheden. Dat wordt geconcretiseerd naar de inzet van instrumenten, werkwijze en grondstrategie. De Interventieladder voor de ontwikkelopgave NNN / Natura 2000 is een voorbeeld van een verkrijgingsstrategie op programmaniveau. Kort samengevat gaat de Interventieladder uit van zelfrealisatie door grondeigenaren tot inzet van ruilgronden of aankoop van gronden en als laatste stap onteigening. Voor het Natura 2000-gebied "Lemselermaten" wordt de interventieladder doorlopen om de maatregelen uit te kunnen voeren. Een uitgebreidere toelichting van dit proces is beschreven in hoofdstuk 1.

6.3.3 Schade

Mocht sprake zijn van eventuele schade dan zal deze eventuele schade vergoed worden door de provincie conform de provinciale Regeling Nadeelcompensatie Ontwikkelopgave Natura 2000 Overijssel 2017 of conform artikel 6.1 Wro en de planschadeverordening Overijssel. Hiervoor is een schadeloket bij de provincie ingesteld.

6.3.4 Financiering

Provinciale Staten van Overijssel hebben 23 april 2014 (nr. PS/2014/62) budget ter hoogte van €785 miljoen beschikbaar gesteld voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. De financiële haalbaarheid is onderbouwd in het statenvoorstel. Uit deze onderbouwing blijkt dat de opgaven haalbaar zijn met de begrote budgetten. In de programma-administratie zal per gebied en per deelgebied het begrote budget worden aangegeven. Daarnaast zijn in het statenvoorstel spelregels opgenomen om een verantwoorde besteding van het geld te garanderen. Tevens kunnen Gedeputeerde Staten flexibel omgaan met budgetten - zoals het verevenen van de gebieden - zo lang zij binnen het totale budget blijven.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

61

6.3.5 Monitoring, toezicht en handhaving

Dit inpassingsplan richt zich op het herstel, behoud en ontwikkeling van het Natura 2000-gebied en de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Echter, de ontwikkeling van natuur is grillig en afhankelijk van (veranderende) situaties ter plaatse. Met monitoring wordt gevolgd of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste resultaat opleveren en of veranderingen in het gebied of het gebruik in en om het gebied effect hebben op het realiseren van de doelen. Monitoring Er zijn verschillende meetnetten die de benodigde informatie leveren. Voor de KRW en (beleids)doelen van de Waterschappen worden de waterkwaliteit en -kwantiteit gemonitord. De grondwaterkwaliteit en -kwantiteit worden gemonitord onder regie van de provincie (het Meetnet Verdroging). Daarnaast zijn er nog twee voor Natura 2000 belangrijke meetnetten over natuurkwaliteit: het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en de monitoring in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De meetnetten zijn zo vormgegeven dat deze informatie opleveren die gebruikt kan worden voor het beantwoorden van verschillende vragen en ten behoeve van verschillende monitoringsvereisten. De uit de monitoring volgende informatie wordt gebruikt bij het opstellen van het Natura 2000-beheerplan voor de daaropvolgende beheerplanperiode en voor de door het rijk aan de Europese Commissie te leveren natuurrapportage.

De informatie is ook van belang voor vergunningverlening, handhaving en beheer van het Natura 2000-gebied. De provincie Overijssel is verantwoordelijk voor de monitoring van de natuur binnen de Natura 2000-gebieden. De provincie maakt hiervoor afspraken met betrokken partijen over de uitvoering van de monitoring. De provincie maakt met betrokken partijen afspraken over de uitvoering van de monitoring. De uitvoering van de aspecten vegetatie, typische soorten en structuur zal veelal uitgevoerd worden door de terreinbeheerders. Waterschappen voeren veelal de monitoring van de waterkwaliteit en -kwantiteit uit. De provincie bewaakt de uitvoering van de afspraken. De uitkomsten van de verschillende monitoring zullen met de betrokken partijen gedeeld worden. SNL-monitoring Over de manier waarop de monitoring wordt uitgevoerd zijn landelijke afspraken gemaakt. De belangrijkste is dat de Natura 2000-monitoring integraal is opgenomen in de 'Werkwijze Natuurmonitoring en -beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS' (hierna: werkwijze SNL-monitoring). In deze werkwijze wordt gedetailleerd beschreven hoe de kwaliteit van natuur moet worden gemonitord. De beschreven monitoringsmethodiek is onafhankelijk van het Natura 2000-gebied: eenzelfde habitattype wordt overal op dezelfde manier gemonitord. Deze werkwijze is te vinden op het portaal Natuur en Landschap.

Aanvullend op deze werkwijze dienen nog enkele zaken te worden meegenomen: Natuurmonitoring specifiek voor stikstof Per gebied wordt jaarlijks een gebiedsrapportage opgesteld met als doel de ontwikkeling van de stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en de voortgang van de uitvoering van de herstelmaatregelen in beeld te brengen. De gebiedsrapportage bevat een presentatie van de stand van zaken van de natuurontwikkeling en de uitvoering van de herstelmaatregelen op gebiedsniveau, inclusief o.a.: Geactualiseerde informatie over omvang en kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten; Verslagen van de jaarlijkse veldbezoeken (toets of de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten zich ontwikkelen volgens verwachting); Proces(meet)indicatoren en de informatie die hieruit voorkomt. Procesindicatoren worden gebruikt om de voortgang van het herstelproces als gevolg van het uitvoeren van bepaalde herstelmaatregelen te volgen. Ondanks de uitspraak van de Raad van State over het PAS, wordt deze monitoring wel uitgevoerd. Gebiedsspecifieke natuurmonitoring De monitoring t.b.v. het PAS of de SNL zal zich, naar verwachting, beperken tot periodieke herhaalde vegetatiekarteringen, de monitoring van de populaties van de VHR-soorten (Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten) en de monitoring van stikstofemissie.

Dit houdt in dat voor gebiedsspecifieke monitoring een aparte monitoring geregeld moet worden. Voor het Natura 2000-gebied "Lemselermaten" staat dit beschreven in hoofdstuk 8.3 van het beheerplan. Toezicht en handhaving De Wet natuurbescherming biedt het kader voor toezicht en handhaving in relatie tot de Natura

P I P Lemselermaten

62

2000-beheerplannen (gebiedscontrole, naleving vergunningen etc.). Adequaat toezicht en handhaving zijn nodig voor een goede naleving en dus voor een goede uitvoering van de Wet natuurbescherming. Toezicht en handhaving zien toe op de controle op de naleving van vergunningen en op het opsporen van en optreden (in het veld) tegen overtredingen van een aantal artikelen van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming biedt het bevoegd gezag ook de mogelijkheid maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Zo kan het bevoegd gezag verleende vergunningen intrekken of wijzigen als de situatie daartoe noopt. Het bevoegd gezag kan als dat nodig is ook besluiten de toegang tot een beschermd gebied te beperken. Op basis van de landelijk ontwikkelde en vastgestelde 'Handreiking handhavingsplan Natura 2000' (IPO, 2013xiv) worden toezicht en handhaving nader uitgewerkt in toezichts- en handhavingsplannen voor de Natura 2000-beheerplannen en handhavingsuitvoeringsprogramma's. Bij het opstellen van het handhavingsplan wordt samengewerkt met de partijen die een taak hebben op dit gebied (zoals de terreinbeherende organisaties). Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat met behulp van monitoring, toezicht en handhaving de natuurdoelen van het Natura 2000-gebied "Lemselermaten" zullen worden gehaald.

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

63

NL.IMRO.9923.ipLemselermaten-on01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/691/documents/18905