CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Erve Molenbeek bestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan Erve Molenbeek Ootmarsum29.605 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

27

Toets Het plangebied is gelegen in nabij het centrum van de kern van Ootmarsum. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich dan ook geen geurbelastende objecten op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (Kruse Milieu, projectcode 18039010, d.d. 3 oktober 2018) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Zie voor het onderzoek Bijlage 2 bij de toelichting.

De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van woningen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. Aangezien de bovengrond is gezeefd en er mogelijk nog puin in de grond aanwezig is, wordt de bovengrond als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Resultaten veldwerk De bovengrond van het terrein is vanwege de aanwezigheid van puin beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Voor de chemische analyses is het terrein beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 21 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop). De inspectiegaten zijn doorgeboord tot de ongeroerde bodem. Twee boringen zijn afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn, zwak siltig en zwak tot matig humeus zand. Tot een diepte van gemiddeld 1.0 meter is de bodem puinhoudend. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. In het puinpad, dat buiten de scope van het onderzoek valt, is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 en 2 aangetroffen op 1.30 en 1.87 meter min maaiveld.

Resultaten analyses Uit de chemische analyses blijkt dat de bovengrond op diverse plekken zeer licht is verontreinigd met kwik, lood, zink, minerale olie PCB en PAK. De ondergrond is zeer licht verontreinigd met minerale olie en het grondwater met barium. Uit de asbestanalyse blijkt dat de ondergrond op sommige plekken asbest bevat maar dat het gehalte ruim lager is dan de toetsingswaarde voor een nader onderzoek. Voor de volledige analyse wordt verwezen naar Bijlage 2.

28

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” wordt gehandhaafd, aangezien er asbest is aangetoond. Conclusie en aanbevelingen verkennend bodemonderzoek In de bovengrond en ondergrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoek (zie Bijlage 2). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In 2 van de 4 mengmonsters van de fijne fractie is asbest aangetroffen. Aangezien de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek niet worden overschreden, is er geen reden voor een nader asbestonderzoek. Aanvullend bodemonderzoek Echter, in het verkennend bodemonderzoek is de bodem niet onderzocht op PFAS en is de puinhoudende ondergrond niet onderzocht op asbest. Naar aanleiding hiervan is door Kruse Milieu een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 19070730, d.d. 29 april 2020). Het aanvullend bodemonderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en grotendeels onverhard.

Binnen de onderzoekslocatie is een puinweg gelegen van de Van Bevervordestraat naar het Commanderieplein. Aan de westzijde van de puinweg is een puindepot aanwezig. De puinweg en het puindepot vallen buiten de scope van het bodemonderzoek. De puinhoudende ondergrond wordt als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Door de aanwezigheid van de voormalige brandweerkazerne wordt de locatie als verdacht beschouwd voor PFAS. Bij de grondsanering ter plaatse van de voormalige retentievijver was de meest oostelijke wand sterk puinhoudend. De exacte locatie is niet bekend, waardoor ook niet bekend is of deze binnen de onderzoekslocatie valt. Resultaten veldwerk Er zijn in totaal 19 boringen verricht tot de ongeroerde bodem en zijn er 3 inspectiesleuven gegraven. Gebleken is dat de bodem tot een diepte van circa 1.5 tot 2.0 meter uit matig fijn, zwak siltig en matig humeus zand bestaat. Deze laag is tevens zwak puinhoudend. De ongeroerde ondergrond hieronder bestaat voornamelijk uit sterk siltige klei. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem. Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie is de bodem tot een diepte van circa 2.0 meter sterk puinhoudend. Ter plaatse van sleuf S2 is het kokosdoek dat als scheidingslaag nog aanwezig. In de overige sleuven is dit doek niet (meer) aanwezig.

De bodem onder het fietspad is mogelijk ook nog sterk puinhoudend. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd met PFAS; de ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd met PFAS. Resultaten asbestanalyses Op basis van de resultaten van de asbestanalyses kan het volgende worden geconcludeerd: MM FF - 10 bevat asbest (0.4 mg/kg d.s.); MM FF - 11, MM FF - 12 en MM FF - 13 bevatten geen asbest. Conclusies en aanbevelingen aanvullend bodemonderzoek De bovengrond en de ondergrond zijn niet verontreinigd met PFAS. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezigheid van de voormalige brandweerkazerne geen (negatieve) invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit met betrekking tot PFAS. De resultaten van het asbestonderzoek van de puinhoudende ondergrond komen overeen met die van het verkennend asbestbodemonderzoek van de bovengrond in 2018. Heterogeen in de zwak puinhoudende grond komt asbest voor in gehalten ruim lager dan de interventiewaarde. Zodoende is er geen sprake van een asbestverontreiniging in de grond.

Aan de oostzijde van onderzoekslocatie is sprake van sterk puinhoudende grond die bij de zeefwerkzaamheden op het terrein niet is gezeefd en dit betreft een restverontreiniging van de bodemsanering die ter plaatse van de voormalige retentievijver is uitgevoerd in 2013. Op basis van de saneringsevaluatie wordt aangenomen dat de bestemmingsplan Erve Molenbeek

29

sterk puinhoudende grond licht tot matig verontreinigd is. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van 6 woningen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied wordt ontsloten door wegen die behoren tot een zone waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder geldt de zonering langs wegen niet voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. In het Gebiedsgericht Geluidbeleid van de gemeente Dinkelland wordt aangegeven dat bij een bestemmingsplanontwikkeling, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, aandacht besteed dient te worden aan geluidssituatie van 30 km/uur wegen. De kern Ootmarsum heeft in het Gebiedsgericht geluidbeleid het gebiedstype Centrum. De relatief hoge dichtheid en de diverse functiemeningen zorgen ervoor dat het geluidsniveau in het gebiedstype Centrum hoger is dan bijvoorbeeld in het Woongebied.

Voor het gebiedstype centrum geldt een ambitieklasse 'redelijk rustig 48 dB' en een bovengrens 'onrustig van 53 dB'. Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Het plangebied wordt voor motorvoertuigen ontsloten via de Van Bevervordestraat. De nieuwe woningen zullen op ten minste 20 meter afstand van de Van Bevervordestraat worden gerealiseerd. Tussen de nieuwe woningen en de Van Bevervordestraat ligt een groenstrook met opgaande beplanting. Dit zorgt voor een natuurlijke afscherming tussen de bestaande weg en de nieuwe woning. Verder zal het gemotoriseerd verkeer in het plangebied voornamelijk uit bestemmingsverkeer van- en naar de woningen bestaan. Op basis van het voorgaande wordt verwacht dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Industrielawaai Zoals in paragraaf 4.2 is beschreven bevindt zich in de nabijheid van het plangebied aan de Wildehof een 30

bestemmingsplan Erve Molenbeek

sporthal. Voor een sporthal geldt op basis van het aspect geluid een richtafstand van 50 meter. Deze geluidsbelasting is afkomstig van de aan- en afvoerbewegingen naar en van de sporthal en het (stem)geluid van de bezoekers en gebruikers van de sporthal. De geplande woningen liggen binnen een afstand van 50 meter gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming (Sport) en de dichtsbijzijnde gevel van de woning. Bij een gesloten gebouw/sporthal (met gesloten ramen en deuren) zal geluid vanwege de sporthal doorgaans niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat gelet op het feit dat het geluid binnen de sporthal geproduceerd wordt. Voor wat betreft het verkeer van en naar de sporthal wordt verwacht dat deze niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat. De parkeerplaats en de toegangsweg naar de sporthal zijn gelegen aan de oostzijde van de sporthal terwijl de geplande woningbouw aan de zuidwestzijde is gepland. De afstand van de uiterste situering van de parkeerplaats van de sporthal tot aan de dichtsbijzijnde nieuw te bouwen woning bedraagt ten minste 100 meter. Gelet op dit feit wordt dan ook geconcludeerd dat er in onderhavig plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast ligt naast de sporthal basisschool 'de Meander'.

Volgens de VNG-uitgave geldt voor een basisschool een richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid afkomstig van spelende kinderen. De afstand van de grens van de bestemming van de basisschool tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 55 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 500 per dag worden gesteld.

Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer in het plangebied, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. in figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven waarbij wordt uitgegaan van 500 extra voertuigbewegingen.

bestemmingsplan Erve Molenbeek

31

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart

32

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. bestemmingsplan Erve Molenbeek

33

Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 30 mei 2018 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage Bijlage 4. Op basis van de Watertoets geldt de normale procedure. Hieronder worden de wateraspecten voor het plangebied beschreven. Daarin worden de uitgangspunten voor de waterhuishouding als gevolg van onderhavig plan beschreven. Wateraspecten plangebied Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven woningen op de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne in Ootmarsum. Door de geplande woningbouw wordt er een oppervlak van 2.250 m2 verhard. Op basis van het verharde oppervlak is er sprake van een afname van het verharde oppervlak ten opzichte van de situatie in 2012. Voor de sloop van de voormalige bebouwing in 2012 was er sprake van een verhard oppervlak van 3.460 m2. In de toekomstige situatie bedraagt het oppervlak 2.250 m2 waardoor het verharde oppervlak afneemt met 960 m2.

Als gevolg van de woningbouw wordt er een oppervlakte van circa 2.500 m2 verhard. Op basis hiervan neemt het verharde oppervlak ten opzichte van de situatie ten tijde van de gemeentewerf en brandweerkazerne af met circa 960 m2. Op basis hiervan zijn er geen maatregelen voor retentie noodzakelijk. Uitgangspunten waterhuishouding De ingrepen als gevolg van de ontwikkeling van de woningbouw van 'Erve Molenbeek' leiden tot geen of beperkte effecten op de waterhuishouding. Met betrekking tot de waterhuishouding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. 2. 3. 4.

schoon houden wat schoon is; volledig gescheiden afvoerstelsel voor hemelwater; grondwaterneutraal bouwen; geen afwenteling van het waterbezwaar.

1. Schoon houden wat schoon is Om dit risico van vervuild afstromend regenwater naar het oppervlaktewater te beperken, is voorzien in een hemelwatersysteem met overstortdrempels en met leidingen met ruime diameters. Door het stelsel uit te voeren met IT-leidingen loopt het stelsel na afloop van een regenbui leeg door infiltratie van het geborgen water in de bodem. Bij grote neerslaghoeveelheden stort het regenwater via de overloop in de IT-leidingen over op de grote vijver van de Commanderie waar voldoende bergingscapaciteit in beschikbaar is. Het eerste straatvuil wordt afgevangen in de IT-riolering en wordt via een bodempassage geïnfiltreerd in de bodem. Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “schoon houden wat schoon is” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan. 2. Volledig gescheiden afvoerstelsel voor regenwater 34

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Het hemelwater dat op het nieuwe verharde oppervlak van de woningbouw Erve Molenbeek valt, wordt afgevoerd via een eigen ondergronds leidingensysteem (IT- riolering), zodat het niet vermengd wordt met afvalwater. Via dit IT-stelsel, dat reeds in bepaalde mate berging oplevert, wordt het overschot aan regenwater afgevoerd naar de bergingsvoorziening (wadi) ter hoogte van de vijvers Commanderie. Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “volledig gescheiden afvoerstelsel voor regenwater” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan. 3. Grondwaterneutraal bouwen Uitgangspunt is dat de voorgenomen activiteiten geen invloed hebben op de grondwaterstanden in het gebied. Dit wordt gerealiseerd door de toekomstige straatpeilen af te stemmen op de huidige grondwaterstanden. Daar waar niet aan de ontwateringsdiepte wordt voldaan worden de straatpeilen aangepast. Het uitgangspunt voor stedelijk gebied is dat voldoende ontwateringsdiepte wordt gerealiseerd voor de gewenste functie: voor woningen met kruipruimte is dit 0,7 meter -/- maaiveld. De droogleggingseisen dienen te worden afgezet tegen de lokale (fluctuaties van ) grondwaterstanden. De straatpeilen dienen niet alleen op het grondwaterpeil, maar eveneens afgestemd te worden op de hoogtes van de omgeving.

Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “Grondwaterneutraal bouwen” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan. 4. Geen afwenteling van het waterbezwaar In het kader van het landelijk beleid voor het waterbeheer in de 21e eeuw wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk vasthouden van water in het plangebied en het water geleidelijk af te voeren naar het benedenstrooms gebied. Zodat bij grote neerslaghoeveelheden ook gebieden, die stroomafwaarts liggen, beschermd zijn tegen overstromingen. Volgens regulier beleid van de gemeente en het waterschap wordt voor inbreidingslocaties een retentie eis van 20 mm van de toename van het verhard oppervlak gehanteerd, welke binnen het plangebied vastgehouden moet worden. Er is hier echter geen sprake van een toename maar van een afname van het verhard oppervlak. De afname van het verharde oppervlak (rijbaan) bedraagt ca. 960 m2. Aanvullende maatregelen voor de retentie binnen het plangebied zijn daarmee in principe niet noodzakelijk. Waterberging binnen plangebied. De gemeente gaat het verhard oppervlak van 2.500 m2 binnen het plangebied opvangen middels IT riolering. Wanneer we de retentie eis voor inbreidingslocaties hanteren , dan dient er 20 mm te worden gerealiseerd.

Het verharde oppervlak zorgt voor een bergingsopgave van ca. 38 m3 ( 20-3 mm= 17 mm berging over 2.500 m2). Binnen de IT-riolering die wordt aangelegd ( 220 meter PVC 400 mm) zit een berging van 70 m3. Daarmee wordt er ruimschoots aan de retentie eis van een inbreidingslocatie voldaan. Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “geen afwenteling van het waterbezwaar” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 380 meter afstand van het plangebied. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 1,8 kilometer afstand van het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek'. In onderstaande figuur 4.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden weergegeven.

bestemmingsplan Erve Molenbeek

35

36

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Figuur 4.4: Ligging plangebied ten opzichte van NNN en Natura 2000 (bron: Atlas van Overijssel) Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt stikstof en mogelijk ammoniak uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstoffen, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Door Natuurbank Overijssel is een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten van deze emissie op kwetsbare natuur in Natura 2000-gebied te onderzoeken (projectnummer 1999, versie 1.0, d.d. 15 april 2020). De stikstofberekening is opgenomen in Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Om de stikstofdepositie als gevolg van het plan te bepalen dient de ontwikkelfase en gebruiksfase in beeld gebracht te worden. De ontwikkelingfase kan worden onderscheiden in drie fasen: een voorbereidende fase, een uitvoerende fase en een afwerkingsfase. Alle drie fasen genereren verkeer van en naar het plangebied. Daarnaast draagt de inzet van materieel bij aan de emissie van stikstof. In onderstaande tabel worden weergegeven.

De nieuw te bouwen woningen worden gasvrij. Er vindt dan ook geen verbruik van aardgas plaats tijdens de gebruiksfase. Door het toevoegen van 7 nieuwe woningen aan de woonkern neemt het aantal verkeersbewegingen toe. Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' geldt de volgende gemiddelde verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van het bewonen van de woningen:Koop, huis, vrijstaand: 8,2 verkeersbewegingen per dag (7 stuks, totaal 57,4 bewegingen). In het model is rekening gehouden met verkeersbewegingen per woning per etmaal (totaal 57,4 verkeersbewegingen per etmaal, gedurende 365 dagen van het jaar). Deze verkeersbewegingen vinden plaats met de auto. De precieze route van het verkeer is onbekend. Aangenomen wordt dat, zodra het verkeer het erf heeft verlaten en zich op de van Bevervordestraat bevindt, het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Als rijroute wordt de verkeersroute in het plangebied aangehouden, tot aan de van Bevervordestraat. Als gevolg van de toename van verkeersbewegingen, als gevolg van het bewonen van de 7 woningen, vindt er jaarlijks een NOx-emissie plaats van 4,9 kg/jaar. Uit de Aeriusberekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op het nabij gelegen Natura 2000-gebied.

Er is geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebied. De onderdelen en resultaten van de Aeriusberekening zijn in bijlage 1 uit Bijlage 5 van deze toelichting bijgevoegd.

Uit de Aeriusberekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De onderdelen en resultaten van de Aeriusberekening zijn in bijlage 2 uit Bijlage 5 van deze toelichting bijgevoegd.

bestemmingsplan Erve Molenbeek

37

Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000 gebied. Er is daarbij geen sprake van een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Soortenbescherming In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland. Het voornemen is om het plangebied te ontwikkelen als woningbouwlocatie en de realisatie van zeven vrijstaande woningen mogelijk te maken. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten niet uit te sluiten zijn, is het verplicht om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten te onderzoeken. Het plangebied is op 25 juli 2018 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies en zijn verwerkt in de rapportage Quickscan Natuurwaarden (projectnummer 1572, versie 1.1) welke als Bijlage 6 is bijgevoegd. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten.

Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezeten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om rekening te houden met de ecologische waarde van deze soorten en geen amfibieën in winterrust te storen en geen nesten met jonge grondgebonden zoogdiersoorten te beschadigen/vernielen. De voorgenomen activiteiten worden gezien als een 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening gehouden worden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Voor wat betreft vleermuizen moet worden opgemerkt dat vleermuizen geen verblijfplaats in het plangebied bezetten omdat er geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Wel moet worden opgemerkt dat het aannemelijk is dat het plangebied gelet op de inrichting en het gevoerde beheer behoort tot foerageergebied voor verschillende vleermuizen. Vleermuizen foerageren boven het grasland en de opgaande beplanting en vliegen over het plangebied tijdens het foerageren rond de randen en kronen van de bomen langs de rand van het plangebied. Door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie en betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet aangetast.

Gelet op de vliegroutes van de vleermuizen is het mogelijk dat deze de laanbomen ten westen, ten noorden en oosten van het plangebied benutten als vliegroute van en naar verblijfplaatsen. Door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis en functie van deze mogelijke vliegroutes niet aangetast. De laanstructuren zijn dusdanig robuust dat enige lichtverstoring aan één zijde van deze structuren, de structuren niet ongeschikt maken als vliegroute voor vleermuizen. Overigens zijn de in het gebied voorkomende soorten niet- tot nauwelijks gevoelig voor lichtverstoring, anders zouden ze niet kunnen leven in de bebouwde omgeving van een dorp. 38

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Gelet op de toelichting en het bijbehorende flora- en faunaonderzoek van het bestemmingsplan 'Ootmarsum, Commanderie' (vastgesteld op 3 november 2015) moet worden opgemerkt dat de laanbomen aan de rand van de oostzijde van het plangebied een belangrijke vaste vliegroute is voor de gewone dwergvleermuis en mogelijk ook de watervleermuis. Er mag daarom geen verlichting op deze bomen worden gericht. Met name de watervleermuis is bekend dat deze zich door licht op de vliegroute laat verstoren. De bomenrij is ten opzichte van het bestemmingsplan Ootmarsum, Commanderie niet gewijzigd. Voor de bomenrij blijft de bestemming 'Groen' met aanduiding historische bomenlaan gelden. Naast dat deze gronden bestemd zijn voor groenvoorzieningen zijn ze door middel van de aanduiding tevens bestemd voor de behoud en bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Aangezien in deze bomenrij geen ingrepen gaan plaatsvinden en de bomenrij gehandhaafd wordt, worden de natuurwaarden ook behouden. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 en vanwege de lokale invloedssfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Er heeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en -gebieden. In het kader van de zorgplicht dienen de werkzaamheden afgestemd te worden op de ecologie van grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft voor haar grondgebied een archeologische verwachtings- en advieskaart laten opstellen. Het rapport is door RAAP opgesteld en geeft voor het grondgebied de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In onderstaande figuur is een uitsnede van de archeologische verwachtingenkaart weergegeven.

Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland)

bestemmingsplan Erve Molenbeek

39

Toets Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat wordt aangemerkt als 'historische kern'. De archeologische verwachting is hoog voor resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd, die in verband staan met bewoning in een historische kern. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 100 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm. In opdracht van de gemeente Dinkelland heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in het kader van de herontwikkeling van het Commanderiegebied in Ootmarsum een archeologische begeleiding van de bodemsanering uitgevoerd op het terrein van de voormalige gemeentewerf. De archeologische begeleiding, conform protocol opgraven, diende te worden uitgevoerd, omdat de uit te voeren bodemsanering zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het betreft een vervolgonderzoek van een in 2005 uitgevoerd bureau en inventariserend veldonderzoek (karterende boringen). De bodem van het onderzoeksgebied bevat mogelijk resten van het tuinencomplex van het voormalige Huis Ootmarsum. In Bijlage 7 is het rapport van de archeologische begeleiding bijgevoegd. Binnen het onderzoeksgebied is een aantal locaties ten behoeve van de sanering ontgraven. Het gaat onder meer om de voormalige retentievijver, het bezinkbassin, smeerkuil en olieopslag. De geplande ontgravingsdiepte bevond zich tussen 2 en 2,5 m -Mv.

De daadwerkelijke ontgravingsdiepte lag tussen 1 en 1,8 m -Mv. Dit komt min of meer overeen met de top van het ongeroerde dekzand. In het centrale en zuidelijke deel van het onderzoeksgebied heeft een meer oppervlakkige ontgraving van de puinhoudende bovenlaag plaatsgevonden. Hier is de natuurlijke ondergrond niet bereikt. Ondanks de verwachting dat zich resten van de tuinaanleg van het Huis Ootmarsum in de ondergrond kunnen bevinden, zijn deze niet aangetroffen. De bodem bleek in alle onderzochte deelgebieden verstoord te zijn tot in de natuurlijke ondergrond. Op basis van de conclusies van het archeologisch onderzoek is door de regio-archeoloog het terrein van de voormalige gemeentewerf vrijgegeven. Dat houdt in dat er geen dubbelbestemming vanwege archeologische waarden hoeft te worden opgenomen in dit gebied. Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied geen Rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig zijn.

4.11

Verkeer / parkeren

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" vastgesteld. Het beleid heeft toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de gemeente Dinkelland. In de beleidsnotitie is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (parkeernorm, als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd). Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen in de beleidsnotitie vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit de publicatie 317 van CROW. Het plangebied 'Erve Molenbeek' wordt ontsloten via de Van Bevervordestraat. Dit betreft een 30 km/uur weg. Ter bevordering van de verkeersveiligheid zal een fietsstraat worden aangelegd naast de sporthal. Autoverkeer is te gast op de fietsstraat. Op deze wijze kunnen de vele fietsers in het gebied op een veilige manier gebruik blijven maken van de bestaande fietspaden. Voor het bepalen van de toekomstige verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 317. Op basis van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' kan een inzicht worden gegeven in de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van dit plan. Op basis van de CROW-publicatie kan de kern Ootmarsum worden aangemerkt als landelijk woonmilieu aangezien de woonplaats minder dan 10.000 huishoudens heeft.

Omdat het groen oppervlak binnen de kern Ootmarsum minder dan 75% van het grondgebied bevat, kan het plangebied worden aangemerkt als 'landelijk - centrum dorps'. Het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal bedraagt voor het woonmilieutype 'landelijk centrum-dorps' 6,3 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. 40

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Op basis van de CROW-publicatie zorgt onderhavig plan voor een verkeersgeneratie van 45 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Een beperkte toename van verkeersbewegingen als gevolg van onderhavig plan kan eenvoudig via de huidige weg en de nieuw aan te leggen fietsstraat worden afgewikkeld. In onderstaande figuur 4.6 zijn de ontsluitingsweg en de fietsstraat weergegeven. In figuur 4.7 is tevens een bestektekening van de nieuwe fietsstraat weergegeven. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Figuur 4.6: Stedenbouwkundig ontwerp 'Erve Molenbeek' (bron: gemeente Dinkelland)

Figuur 4.7: Bestektekening fietsstraat (bron: gemeente Dinkelland) Op grond van de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" wordt het plangebied aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Voor vrijstaande woningen in het gebiedstype 'rest bebouwde kom' geldt een parkeernorm van 2,30 parkeerplaatsen per woning. In onderhavig plan betekent dit dat er als gevolg van zeven woningen tenminste 17 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. In onderhavig plan kan het parkeren plaatsvinden op eigen terrein bij de woning. De vrijstaande woningen hebben voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte en de benodigde parkeerplaatsen. Daarnaast hebben de wegen in het plangebied een breedte van 6 meter. Als algemeen uitgangspunt in de beleidsnotitie

bestemmingsplan Erve Molenbeek

41

"Bouwen & parkeren 2018" is opgenomen dat op wegen met een breedte van 6,00 meter of breder altijd op de rijbaan geparkeerd kan worden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmeringen oplevert voor dit plan.

42

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaat uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verlicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikt begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van de lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen bestemmingsplan Erve Molenbeek

43

en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van parkeren, welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing te stellen; Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels.

De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van grond en opstallen, dat afwijking van de regels op het moment van inwerkingtreding vna het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen Hierna worden de verschillende bestemmingen kort toegelicht. Enkelbestemmingen Artikel 3 (Groen) De groenvoorzieningen in het plangebied zijn bestemd tot 'Groen'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische bomenlaan' geldt dat de gronden tevens bestemd zijn voor het behoud en bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden. In deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte. De hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zoals kunstobjecten en speeltoestellen) mag maximaal 8 meter bedragen. Via een afwijkingsbevoegdheid kan deze maat vergroot worden tot 12 meter. Artikel 4 (Verkeer) De voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreffen alle openbare straten met in hoofdzaak een functie voor bestemmingsverkeer. De plaatsing van kunstwerken en kunstobjecten is binnen deze bestemming toegestaan. Het spreekt voor zich dat deze gronden niet bebouwd mogen worden en toegankelijk blijven. Artikel 5 (Wonen) Aan de woningbouwkavels is de bestemming 'Wonen' toegekend. Gebruik Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor onder andere woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen.

Het wonen mag gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep. Daarnaast zijn ondergeschikt aan het hiervoor genoemde gebruik onder meer wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen, erven en terreinen toegestaan. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn diverse vormen van gebruik bij recht aangemerkt als strijdig gebruik. Het 44

bestemmingsplan Erve Molenbeek

betreft hier een niet-limitatieve opsomming. Aanvullend wordt opgemerkt dat onder gebruik ook het laten gebruiken wordt verstaan. Naast strijdig gebruik zijn er ook vormen van gebruik die kunnen worden toegestaan op basis van een in de regels opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Het betreft hier het exploiteren van een bed & breakfast en inwoning. Medewerking aan de hiervoor genoemde vormen is gebonden aan de in de afwijkingsbevoegdheid genoemde voorwaarden. Bouwen Qua bouwregels is onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor hoofdgebouwen is onder meer bepaald dat als hoofdgebouwen uitsluitend woningen mogen worden gebouwd en dat een hoofdgebouw binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Qua type woning zijn vrijstaande woningen toegestaan. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen bedragen 4,5 en 10 meter. Bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden en maken visueel onderdeel uit van het hoofdgebouw, waarbij aangesloten wordt op de afmetingen van het hoofdgebouw ter plaatse. Tevens zijn binnen deze bestemming nog bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen erf- en terreinafscheidingen, kunstobjecten en speeltoestellen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Alle bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn gebonden aan een maximale bouwhoogte. Tot slot zijn er nog mogelijkheden om af te wijken van de bouwregels voor wat betreft de aan te houden afstanden tot de zijdelingse perceelsgrens en de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Deze afwijkingsmogelijkheden betreffen bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders, de criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

bestemmingsplan Erve Molenbeek

45

46

bestemmingsplan Erve Molenbeek

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeente Dinkelland is de initiatiefnemer van onderhavig plan. De gemeentelijke kosten en planschadekosten komen voor rekening van de gemeente Dinkelland. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/469/documents/15032