Erve Molenbeek bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Erve Molenbeek
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld 21 januari 2021 NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERFVG01
Erve Molenbeek
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 20
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
25 25 26 27 28
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
30 31 32 33 35 39 40
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Opbouw van de regels 5.3 Bestemmingen
43 43 43 44
Hoofdstuk 6
47
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
49 49 49
Bijlagen bij de toelichting
51
Bijlage 1
Besluit aanmeldnotitie m.e.r.
52
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
63
Bijlage 3
Aanvullend bodemonderzoek
133
Bijlage 4
Watertoets
189
2
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Bijlage 5
Stikstofberekening gemeentewerf Ootmarsum
191
Bijlage 6
Quickscan natuurwaarden
218
Bijlage 7
Archeologische begeleiding
246
Regels
271
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
273 273 279
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Groen Verkeer Wonen
281 281 283 284
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
287 287 288 289 290 291 292
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
293
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
293 294
Bijlage bij de regels
295
Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten
296
Bijlage 2
Landschapsplan
302
bestemmingsplan Erve Molenbeek
3
4
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Toelichting
bestemmingsplan Erve Molenbeek
5
6
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Ten oosten van de historische kern van Ootmarsum heeft de gemeente Dinkelland een plan ontwikkeld voor woningbouw op de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne van Ootmarsum. De totale planvorming kent een lange voorgeschiedenis en omvat naast de voormalige gemeentewerf ook het openluchtmuseum, de woningbouw Commanderiestraat, herinrichting en baggeren van de vijvers Commanderie en de uitbreiding van het parkeerterrein Stadsweide. De voormalige gemeentewerf, nu "Erve Molenbeek" genoemd, maakt stedenbouwkundig onderdeel uit van het plan Commanderie en het openluchtmuseum 'het land van Heeren en Boeren'. Het is een bijzondere plek met veel historie. Echter past de ontwikkeling van woningbouw op de voormalige gemeentewerf niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Daarbij maakt dit bestemmingsplan enkel woningbouw op de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne mogelijk.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied is gelegen ten oosten van de historische kern van Ootmarsum. Het plangebied is gelegen op een deel van het perceel kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie C en perceelnummer 2369. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied "Erve Molenbeek" te zien is. Aan de noord- en oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Van Bevervordestraat en aan de zuid- en westzijde door de al aanwezige bebouwing. In figuur 1.2 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
7
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Atlas van Overijssel)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Ootmarsum, Commanderie', vastgesteld op 3 november 2015. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. Ter plaatse van de fietsstraat langs de sporthal geldt het bestemmingsplan 'Ootmarsum overige gebieden'.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Ootmarsum, Commanderie' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Binnen het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Groen' en 'Gemengd'. De fietsstraat is voorzien van de bestemming 'Sport'. De voor groen aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Net als bij de bestemming Gemengd is ook hier de (bestaande) inrichting van de gronden niet gedetailleerd op de verbeelding vastgelegd. Dit maakt het bijvoorbeeld ook mogelijk om de Molenbeek te verleggen. De vijvers zijn wel apart bestemd en hebben de bestemming 'Water' gekregen. De historische bomenlanen zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van groen - historische bomenlaan". De historische bomenlanen vormen de historische lijnen van Ootmarsum. Ze zijn daarmee ook de stedenbouwkundige en landschappelijk dragende elementen van de ruimtelijke structuur van het gebied. Binnen de bestemming 'Groen' zijn geen gebouwen toegestaan; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het al dan niet bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak, ontspanning en educatie, waaronder musea, toeristische attracties en grootschalige dagrecreatieve activiteiten, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 8
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn enkel gebouwen ten behoeve van de bestemming mogelijk binnen het bouwvlak. De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor sport en recreatie, aan sportvoorzieningen gerelateerde ondergeschikte horeca in de vorm van een sportkantine, wegen en paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen en erven. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de realisatie van zeven woningen mogelijk te maken. Daarnaast wordt de fietstraat langs de sporthal in gebruik genomen voor de ontsluiting van het plan. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk om de woningen mogelijk te maken en de fietstraat te voorzien van de bestemming 'Verkeer'.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Erve Molenbeek' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding, schaal 1:1000 (identificatie NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
9
10
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie Ootmarsum is één van de oudste steden met stadsrechten in Twente. Omstreeks 1400 was het een vestingstadje met twee poorten en een dubbele ring van wallen en grachten. De Commanderie lag ten zuiden van de stad. De ruimtelijke opbouw van het historisch centrum wordt bepaald door zijn concentrische en compacte vorm. Bepalend voor de ruimtelijke structuur is de centraal gelegen kerk met het kerkplein, waarop het merendeel van de straten uitkomt. In de jaren die volgden is Ootmarsum geleidelijk aan uitgebreid. In eerste instantie vonden de uitbreidingen plaats langs de toegangswegen naar de stad. Later, naar mate de vraag naar woningen toenam, zijn ook de gebieden binnen de toegangswegen ingevuld geraakt. Bij deze invullingen is het concentrische patroon van het historische stadje gedeeltelijk doorgezet. Door de groei van Ootmarsum is de Commanderie die eens buiten de stadswallen van Ootmarsum lag, gelegen binnen de bebouwde kom van Ootmarsum komen te liggen. Met de recente herontwikkeling van het Commanderieterrein is de entree van het openluchtmuseum aan het Commanderieplein komen te liggen. Het plangebied betreft de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne. Op deze locatie heeft tot 2015 de gemeentewerf Ootmarsum en de brandweerkazerne gestaan.
In 2012 zijn deze gebouwen gesloopt en in 2014-2015 heeft er een bodemsanering plaatsgevonden waarmee de locatie geschikt is gemaakt voor woningbouw. In totaal was er een verhard oppervlak van 3.460 m2. In onderstaande figuur 2.1 is foto, afkomstig van de gemeente Dinkelland, weergegeven van de voormalige gemeentewerf in 2011.
Figuur 2.1: Gemeentewerf Ootmarsum 2011 (bron: Gemeente Dinkelland) In de huidige situatie betreft het plangebied een grasveld omringd door de historische bomenrij. Aan de noordzijde van het plangebied is de bestaande bebouwing van de kern Ootmarsum gesitueerd. Aan de noordoostzijde ligt een complex voor sportactiviteiten 'De Schalm'. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een vijver die tevens wordt gebruikt als schaatsbaan. Aan de westzijde ligt het openluchtmuseum van Ootmarsum waarin in een parkachtige omgeving door 18 authentieke gebouwen, ieder met zijn eigen inventaris en verhaal, en veel gebruiksvoorwerpen en een beeld wordt gegeven van het leven op het platteland in Twente, zo'n 100 jaar geleden. In figuur 2.2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
11
Figuur 2.2: luchtfoto plangebied en omgeving (bron: Atlas van Overijssel)
2.2 Toekomstige situatie Op het terrein van de voormalige gemeentewerf en de brandweerkazerne heeft de gemeente Dinkelland plannen ontwikkeld voor woningbouw. De planvorming voor het totale gebied kent een lange voorgeschiedenis en omvat naast de voormalige gemeentewerf ook het openluchtmuseum, de woningbouw Commanderiestraat, herinrichting en baggeren van de vijvers Commanderie en uitbreiding van parkeerterrein Stadsweide. De voormalige gemeentewerf, nu 'Erve Molenbeek' genoemd, maakt stedenbouwkundig onderdeel uit van het plan Commanderie en het openluchtmuseum van Ootmarsum. Het plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Uitgangspunt voor de woningbouw op 'Erve Molenbeek', voormalige gemeentewerf, is dat het aansluit bij het gebied van het Openluchtmuseum dat zich kenmerkt door een sterk toevallige bebouwingsstructuur. De identiteit van groen met daarin een toevalligheid van de situering van de bouwplekken (geen strakke rooilijn, maar losse bouwvlakken met een variërende oriëntatie) staat centraal. Het ruimtelijk ontwerp sluit aan op het thema 'Het land van Heeren en Boeren' en sluit aan bij de sfeer van de Commanderie als geheel.
Daarbij geldt het volgende ruimtelijke concept: gestrooide volumes in het landschap; losse setting van gebouwen; structuur borduurt voort op ruimtelijke setting Openluchtmuseum; structuur respecteert historische boomstructuren; Molenbeek met flauw talud en natuurlijke vegatie; Individuele kavels voorzien van haag op grens met openbare ruimte; Ontsluiting langs de Molenbeek met een doorgaande verbinding; Ten behoeve van de verkeersveiligheid wordt het plangebied via de aan te leggen fietsstraat langs de sporthal ontsloten. In onderstaande figuur 2.3 is het stedenbouwkundige ontwerp van het plan weergegeven.
12
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Figuur 2.3: ontwerp 'Erve Molenbeek' (bron: gemeente Dinkelland) Als gevolg van de woningbouw wordt er een oppervlakte van circa 2.500 m2 verhard. Op basis hiervan neemt het verharde oppervlak ten opzichte van de situatie ten tijde van de gemeentewerf en brandweerkazerne af met circa 960 m2. Op basis van de afname van het totale verharde oppervlak zijn er voor de waterhuishouding als gevolg van het plan geen aanvullende maatregelen voor retentie noodzakelijk. De ingrepen als gevolg van de ontwikkeling van de woningbouw van 'Erve Molenbeek' hebben nauwelijks tot geen negatieve effecten voor de waterhuishouding van het plangebied. Met betrekking tot de waterhuishouding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. 1. schoon houden wat schoon is; 2. volledig gescheiden afvoerstelsel voor hemelwater; 3. grondwaterneutraal bouwen; 4. geen afwenteling van het waterbezwaar. In paragraaf 4.8 Water' worden deze vier uitgangspunten verder uitgewerkt. Het plangebied wordt ontsloten aan de Van Bevervordestraat en via de nieuw aan te leggen fietsstraat op de Wildehof (langs de sporthal). In figuur 2.3 zijn de ontsluitingswegen weergegeven.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
13
14
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig): Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6, leden 2 t/m 4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijven voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
15
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van zeven vrijstaande woningen.
Voor woningbouwlocaties geldt dat de realisatie van 11 woningen niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Op basis van deze uitspraak kan geconcludeerd worden dat de realisatie van zeven woningen ook niet aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op onderhavig plan. Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en dat het plan uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015;ECLI:NL:RVS:2015:2921). Onderhavig plan toont aan dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Er wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt middels de toetsing aan de geldende (algemene) wet- en regelgeving, Rijks-, Provinciaal-, en gemeentelijk beleid en alle in het geding zijnde omgevingaspecten.
Gelet op het feit dat in het onderhavige plan sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld.
Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van 16
bestemmingsplan Erve Molenbeek
de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
17
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Voorliggend plan voldoet aan het streven van de provincie Overijssel naar het bouwen binnen bestaand bebouwd gebied en het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3 Omgevingsverordening Overijssel). Daarnaast is voor onderhavig plan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierin is aangegeven dat bestemmingsplannen uitsluitend voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daarin is aangetoond door middel van actueel onderzoek naar woningbouw. Daarbij geldt dat in ieder geval wordt geacht dat de realisatie past binnen de geldende woonafspraken die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. De gemeente Dinkelland heeft in 2016 de Woonvisie 2016+ vastgesteld.
Het woningbouwprogramma dat hierin is opgenomen is afgestemd met de gemeenten uit de subregio Noord-Twente en de Regionale Woonvisie Twente 2015-2025 waarin de 14 Twentse gemeenten gezamenlijk een woonvisie hebben opgesteld. Voor de kern Ootmarsum geldt op basis van de Woonvisie 2016+ voor de periode 2015-2024 een woningbehoefte van 104-156 woningen. Het aantal nieuw te bouwen woningen is nog niet bereikt. Het toevoegen van 6 woningen past daarmee binnen het woningbouwprogramma. Daarnaast ligt het plangebied binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Het ruimtelijke beleid in dit landschap is gericht op het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Het plangebied ligt echter binnen de bebouwde kom van Ootmarsum, waar de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap niet aanwezig zijn. Voorliggend plan heeft dan ook geen negatieve effecten op het Nationaal Landschap Noordoost Twente. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de generieke beleidskeuzes zoals die door de provincie zijn opgesteld. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in 18
bestemmingsplan Erve Molenbeek
ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied is gelegen in het gebied 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Onderhavig plan betreft de transformatie van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum.
De voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne zijn in 2012 gesloopt en in 2014-2015 is de bodem gesaneerd. De gemeente Dinkelland is voornemens om zeven woningen op deze locatie te realiseren. Daarbij wordt qua situering en vormgeving van de woningen aangesloten bij de nabije omgeving van het plangebied. De plannen van de gemeente Dinkelland doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de omgeving. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. In het gebied zijn de kenmerken van de 'Natuurlijke laag' en de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' niet meer aanwezig. Daarom kan toetsing van het plan aan deze gebiedskenmerken achterwege blijven. Binnen de 'Laag van de beleving' heeft het plangebied geen bijzondere eigenschappen. Deze kan daarom buiten beschouwing worden gelaten. Stedelijke laag De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen.
Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grotre infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 'Woonwijken 1955-nu'. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er bestemmingsplan Erve Molenbeek
19
is sprake van een verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van onder andere wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Figuur 3.5: stedelijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Met het realiseren van zeven vrijstaande woningen is rekening gehouden met omliggende functies en bebouwingsstructuren. Uitgangspunt van het ontwerp is dat de bebouwing aansluit bij het gebied van het Openlucht museum, dat zich kenmerkt door een sterk toevallige bebouwingsstructuur. De identiteit van groen met daarin een toevalligheid van de situering van de bouwplekken staat centraal. De invulling van het plangebied met zeven woningen is in overeenstemming met het ter plekke geldende gebiedskenmerk van de 'Stedelijke laag'. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Structuurvisie Dinkelland
De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De gemeente Dinkelland profileert zich als een agrarische en toeristische gemeente. Deze twee componenten zijn dan ook grote dragers van de Dinkellandse economie. Het beleid wordt gericht op het versterken van dit economische profiel. Dinkelland kiest voor een regisserende en faciliterende rol in het borgen en bevorderen van een gezond en maatschappelijk verantwoord economisch leven in de gemeente. Realisering van compenserende werkgelegenheid voor de teruglopende agrarische sector en de bevordering van de economische betekenis van de toeristisch-recreatieve sector zijn hoofdkeuzes van beleid. Kenmerkend voor de gemeente Dinkelland is het unieke landschap dat is aan te merken als een kleinschalig samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. De gemeente heeft een gezonde economie die ten dele drijft op de agrarische en toeristische sector maar waarin ook zeker andere bedrijvigheid, die zowel in de kernen als het buitengebied is gevestigd, een belangrijke rol speelt.
Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van deze unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde weerbare economie. De hoofdkeuzes die de gemeente Dinkelland heeft opgesteld zijn verder uitgewerkt in integrale steefbeelden voor 20
bestemmingsplan Erve Molenbeek
enkele belangrijke thema's. Daarin is een visie voor de vele kernen binnen de gemeente opgesteld. Hierin is onderscheid gemaakt in verzorgingskernen en woonkernen. Ootmarsum is de toeristisch-recreatieve trekker van de gemeente en ligt nabij de noordelijke stuwwal van de gemeente. Vanuit de kern zijn verschillende doorzichten naar het omliggende waardevolle landschap. Ootmarsum heeft een centrum- en verzorgingsfunctie voor de buurtschappen Agelo en Oud Ootmarsum. Daarnaast zijn in de structuurvisie de volgende relevante hoofdlijnen voor Ootmarsum opgesteld: Woningbouw uitbreiding vindt plaats binnen de schil van de Dusinksweg. Voor woningbouw in het plan Brookhuis is circa tien hectare gereserveerd (130 woningen); Voor de kern is het Masterplan Ootmarsum met ontwikkellocaties vastgesteld. Dit masterplan ligt ten grondslag aan de incidentele herstructurerings- en/of ontwikkellocaties binnen de kern Ootmarsum; Gebied ten noorden van de wijk De Vinke tussen begraafplaats, sporthal en De Wildhof wordt herontwikkeld voor de bouw commanderie, woningbouw, museum, horeca en parkeren. Toets Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen op de locatie van de voormalige gemeentewerf. Het plangebied maakt deel uit van het gebied wat in de structuurvisie is aangemerkt voor de herontwikkeling voor de bouw commanderie, woningbouw, museum, horeca en parkeren.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de woningbouw op een inbreidingslocatie. Geconcludeerd kan worden dat het plan in lijn is met de Structuurvisie Dinkelland. 3.3.2
Woonvisie 2016+ gemeente Dinkelland
Op 11 juli 2016 is de Woonvisie 2016+ vastgesteld. De centrale ambitie van de woonvisie is dat het voor alle doelgroepen, jong en oud, het aantrekkelijk wonen blijft in Dinkelland. Hiervoor dient het woningaanbod gevarieerd en comfortabel en toekomstbestendig te zijn, zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Hierbij hoort een passend voorzieningenniveau en betrokkenheid van inwoners tot elkaar, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen wordt versterkt. De visie is vertaald in drie ambities: kwaliteitsslag maken: in stand houden kwaliteit centrumgebied/kernwinkelgebieden, verduurzamen en toekomstbestendig maken van de woningvoorraad, gerichte aanpak in buurten door renovatie van woningen en woonomgeving beschikbaarheid: voor iedere doelgroep een woning. Het nieuwbouwprogramma wordt afgestemd met regiogemeenten, nieuwe plancapaciteit wordt getoetst aan afwegingskader, flexibele woningdifferentiatie in bestemmingsplannen en nieuwbouwaccenten op sociale huur en voor middeninkomens. betaalbaarheid: passende prijs met bijbehorende kwaliteit. Beperkte vermindering van de kernvoorraad sociale huurwoningen is mogelijk, voortzetten starterslening, onderzoek naar blijverslening, in huurprijsbeleid corporatie wordt huurprijs beter afgestemd op inkomen. Dinkelland krijgt de komende jaren te maken met enige bevolkingskrimp.
Tot 2035 blijft het aantal huishoudens nog wel toenemen, waarvoor nog aanvullende nieuwbouw nodig is. De gemeente vindt het belangrijk dat er in alle kernen woningen worden gebouwd om te kunnen voorzien in de lokale woonbehoefte. Consumenten en ontwikkelaars vragen om meer ‘ontwikkel-vrijheid’, meer maatwerk en mogelijkheden om eigen ideeën te kunnen vormgeven. Een nieuwbouwprogramma moet flexibel zijn naar type woning, prijsklassen, eigendomsvormen enwoonconcepten. De gemeente volstaat in de Woonvisie met een prioritering voor welke doelgroepen het bestemmingsplan geschikt is. Voor de kleine kernen wordt de woningdifferentiatie op andere wijze bepaald, omdat het erg moeilijk is om inzicht te krijgen in de woonwensen van verschillende doelgroepen. Daarom worden er bestemmingsplannen gerealiseerd met een flexibele woningdifferentiatie. Verder wordt aan marktpartijen en corporatie gevraagd om concrete bouwplannen te ontwikkelen. Bij het niet voldoende op gang komen van de bouwproductie in een bepaalde kern worden de verschillende doelgroepen die actief zijn op de woningmarkt betrokken en worden concrete woonwensen geinventariseerd. Uitvoeringsnota woningbouw 2018 Op 2 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland de 'Uitvoeringsnota woningbouw 2018' vastgesteld.
In de Woonvisie 2016+ is aangegeven dat de woningbouwprogrammering in een tweejaarlijkse uitvoeringsnota Woningbouw wordt verantwoord en geactualiseerd, inclusief een actueel kwaliteitskader. Voor de leefbaarheid in de kernen is het van belang dat er in alle kernen woningen kunnen worden gebouwd. Conform het Coalitieakkoord 2018-2022 wordt het toekennen van woningen per kern die gebaseerd is op het inwoneraantal losgelaten. Er wordt actief gestuurd op inbreiding, waarbij de mogelijkheid bestaat dat
bestemmingsplan Erve Molenbeek
21
strategische grondposities worden ingenomen indien uitbreidingsmogelijkheden niet aanwezig zijn. Voor de periode 2018 tot en met 2027 is er een mogelijkheid voor toevoeging van 600 woningen. Voor de verzorgingskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo geldt dat er 300 woningen gebouwd mogen worden. Toets Voor de periode 2015-2024 is de woningbehoefte voor de verzorgingskern Ootmarsum 104-156 woningen. De beschikbare bestemmingsplancapaciteit bedraagt 126 woningen, met daarbij nog een nader te bepalen aantal die zullen voortkomen uit woningbouwinitiatieven die de komende periode worden ontwikkeld en ingediend. De gemeente geeft onder meer mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe/extra plancapaciteit indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het invulling geven aan beleidsdoelen uit de Woonvisie en het benutten van inbreidingslocaties (transformatie en herstructurering). Uit de Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 blijkt dat er in de gemeente Dinkelland ruimte is voor de toevoeging van 600 woningen verdeeld over de kernen. Voor de verzoringskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo geldt dat er in de periode van 2018 tot en met 2027 300 woningen gebouwd mogen worden. Onderhavig plan betreft de herstructurering/transformatie van de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne.
Gekeken naar de harde plancapaciteit, de woningbehoefte en de Uitvoeringsnota woningbouw 2018 kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2016+. 3.3.3
Masterplan (toekomstvisie Ootmarsum)
'Ootmarsum Ontwikkelt 2006-2020, Toekomstvisie voor de toeristische hoofdstad van het oosten', is een ambitieuze, dynamische en integrale visie op de toekosmt van Ootmarsum. 'Ootmarsum Ontwikkelt' geeft een integrale toekosmtvisie voor het historisch centrum van Ootmarsum en het omliggende (woongebied). In deze door de gemeenteraad op 3 juli 2007 vastgestelde toekomstvisie is het behoud van de identiteit van Ootmarsum het belangrijkste uitgangspunt. Het komt erop aan die te koesteren en te versterken. Dat betekent dus zorgvuldig en verantwoord omgaan met de keuzemogelijkheden die voor handen zijn. Gestreefd wordt om Ootmarsum in kwalitatief opzicht verder te ontwikkelen als toeristisch centrum van het oosten. Tegelijkertijd dient de leefbaarheid in stand te blijven en waar mogelijk worden verbeterd. Dat is de centrale missie van deze toekomstvisie. De belangrijkste ambities hebben betrekking op economisch/toeristisch, sociaal en ruimtelijk vlak. Met betrekking tot het sociaal vlak is één van de ambities om voldoende woningen en voorzieningen voor jongeren en ouderen te realiseren. Voor het economisch/toeristisch en ruimtelijk vlak zijn er geen relevante ambities voor onderhavig plan. 3.3.4
Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de gemeente Dinkelland. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveau’s van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst.
Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de inititatiefnemer en/of ontwerper. Toets Het plangebied ligt in een gebied wat wordt aangemerkt als primair groen. Het primair groen heeft een historische en/of maatschappelijke betekenis voor Ootmarsum. Daarnaast is het plangebied gelegen in een gebied dat het niveau 'bijzonder omgeving' heeft. Tevens is voor de locatie van het plangebied een 22
bestemmingsplan Erve Molenbeek
beeldkwaliteitsplan opgesteld. Voor het niveau 'bijzonder omgeving' gelden de volgende ambities: behoud en stimulering van (cultuur)historische structuur en bebouwingskarakteristieken; Behoud en stimulering van de verscheidenheid in architectuur en de individuele bebouwingskwaliteit in relatie tot de functies; met extra aandacht voor (winkel)puien, zorgvuldige detaillering, materiaaltoepassing en bijpassende reclame; Behoud en stimulering van de openbare ruimte en structuur van de kern; In groengebieden extra aandacht voor situering, vormgeving en terreininrichting. De gebieden met het niveau bijzondere omgeving hebben een bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke, stedenbouwkundige of architectonische karakteristieken. Nieuwe ingrepen worden met extra aandacht en zorg beoordeeld. Afhankelijk van het soort bouwwerken wordt het beoordeeld door de stadsbouwmeester en het Q-team. Voor het plangebied geldt het beeldkwaliteitsplan "Erve Molenbeek Ootmarsum". Het beeldkwaliteitplan vervangt een klein deel van het bestaande beleid en is daarmee ook onderdeel van de Nota Omgevingskwaliteit 2016. Het kwaliteitsteam (Q-team) heeft een advies uitgebracht om bij de inrichting van het gebied meer aan te sluiten bij de 'gestrooide' setting van gebouwen als in het Openlucht museum waarin groen een belangrijke rol speelt.
Dit advies is meegenomen bij het osptellen van het stedenbouwkundig ontwerp en verwerkt in het beeldkwaliteitsplan. Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Deze worden zorgvuldig ingepast in de omgeving. Uitgangspunt hierin is dat het plangebied "Erve Molenbeek" aansluit bij het gebied van het Openlucht museum, dat zich kenmerkt door een sterk toevallige bebouwingsstructuur. De identiteit van groen met daarin een toevalligheid van de situering van de bouwplekken staat centraal. Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Het plan zal qua uiterlijk en vormgeving aansluiten bij de bijzondere karakteristieken van het Openlucht museum. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen.
Figuur 3.3: Fragment Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016
bestemmingsplan Erve Molenbeek
23
24
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er worden middels dit bestemmingsplan zeven woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is 'groen'. Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.
De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook 'dorpen' hieronder vallen. Wat 'stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.
Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de bouw van zeven woningen in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer en 2000 of meer woningen. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r. Echter, per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn).
Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan dient een aanmeldnotitie opgesteld te
bestemmingsplan Erve Molenbeek
25
worden. Op 15 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening, voor het realiseren van zeven woningen op het terrein van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het besluit is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Het project heeft een belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Het plangebied is gelegen naast een openlucht museum met een gasterij 'Oatmössche'. Op grond van de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' behoort een museum tot milieucategorie 1 waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt in verband met het aspect geluid. Hoewel een openluchtmuseum niet helemaal gelijk te stellen is met een museum omdat in dit geval ook buitenactiviteiten plaatsvinden, is de richtafstand van 10 meter in beginsel een uitgangspunt ten aanzien van geluid. Voor de overige aspecten (geur, stof en gevaar) geldt een richtafstand van 0 meter. De afstand van de dichtsbijzijnde gevel van de woning tot aan de grens van de bestemming 'Gemengd', waarbinnen het openluchtmuseum is toegestaan, bedraagt 6 meter. Ten aanzien van de overige woningen in het plangebied bedraagt de afstand ten minste 15 meter (en oplopend). Binnen het plangebied kunnen in de 26
bestemmingsplan Erve Molenbeek
buitenlucht verschillende activiteiten worden uitgeoefend gericht op spel, vermaak, ontspanning en educatie, waaronder musea. Deze activiteiten zullen voornamelijk in het weekend plaatsvinden. De voornoemde activiteiten kunnen in beperkte mate geluid produceren (met name stemgeluid afkomstig van personen), maar dit zal niet zodanig zijn dat dit tot overlast zal leiden. Daarnaast kan de gasterij tevens worden aangemerkt als een milieubelastend object. Deze kan volgens de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' worden aangemerkt als restaurants, cafateria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. behorend tot milieucategorie 1. Er geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand van de grens van de bestemming 'Gemengd' met functieaanduiding 'horeca' tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 50 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt aan de Wildehof 2 sporthal 'De Schalm'. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een sporthal een richtafstand van 50 meter (milieucategorie 3.1) tot omliggende gevoelige functies in verband met het aspect geluid. Deze geluidsbelasting is afkomstig van de aan- en afvoerbewegingen naar en van de sporthal en het (stem)geluid van de bezoekers en gebruikers van de sporthal.
De geplande woningen liggen binnen een afstand van 50 meter gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming (Sport) en de dichtsbijzijnde gevel van de woning. Concreet betreft de afstand tussen de grens van de bestemming 'Sport' en de het bouwvlak van de nieuw te bouwen woning 32 meter. De sporthal staat met de achterzijde richting het plangebied. Bij een gesloten gebouw/sporthal (met gesloten ramen en deuren) zal geluid vanwege de sporthal doorgaans niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat gelet op het feit dat het geluid binnen de sporthal geproduceerd wordt. Voor wat betreft het verkeer van en naar de sporthal wordt verwacht dat deze niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat. De parkeerplaats en de toegangsweg naar de sporthal zijn gelegen aan de oostzijde van de sporthal terwijl de geplande woningbouw aan de zuidwestzijde is gepland. De afstand van de uiterste situering van de parkeerplaats van de sporthal tot aan de dichtsbijzijnde nieuw te bouwen woning bedraagt ten minste 100 meter. Gelet op dit feit wordt dan ook geconcludeerd dat er in onderhavig plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast ligt naast de sporthal basisschool 'de Meander'. Volgens de VNG-uitgave geldt voor een basisschool een richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid afkomstig van spelende kinderen.
De afstand van de grens van de bestemming van de basisschool tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 55 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter die geldt tussen de milieubelastende bestemming en de dichtsbijzijnde gevel van de woningen in het plangebied. Tot slot is er aan de Smithuisstraat 3 een garagebedrijf 'Van der Aa' gelegen. Dit bedrijf kan op basis van de VNG-uitgave worden aangemerkt als 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' waarop milieucategorie 2 van toepassing is met een richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid. De afstand van de grens van de bestemming van het garagebedrijf tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 110 meter. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 30 meter die noodzakelijk is tussen de milieubelastende bestemming en de dichtsbijzijnde gevel van de woningen in het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er in onderhavig plan sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. bestemmingsplan Erve Molenbeek