Erve Molenbeek bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Erve Molenbeek
47
48
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie Overijssel is akkoord met het bestemmingsplan. Waterschap Vechtstromen Op 30 mei 2018 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 3 juli 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn twee zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn naar aanleiding van de aanpassingen in het bestemmingsplan ingetrokken.
bestemmingsplan Erve Molenbeek
49
50
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Erve Molenbeek
51
Bijlage 1 m.e.r.
52
bestemmingsplan Erve Molenbeek
Besluit aanmeldnotitie
Gemeente Dinkelland T.a.v. mevrouw T. Snoeijink Postbus 11 7590 AA DENEKAMP Brief per email: adviesodt@noaberkracht.nl en t.snoeijink@noaberkracht.nl Almelo, 15 mei 2020 Betreft: Besluit mer-beoordeling Referentie: Z2019-ODT-0001452 Geachte mevrouw Snoeijink, Op 16 oktober 2019, hebben wij van de heer T. Boswerger van Ad-fontem als gemachtigde namens u, een aanmeldingsnotitie ontvangen voor het realiseren van zeven woningen op het terrein van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum. Uw aanmeldingsnotitie is geregistreerd onder het zaaknummer Z2019-ODT-001452. Over de voortgang van de behandeling van uw aanmeldingsnotitie delen wij u het volgende mede. Besluit Wij hebben besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor het realiseren van zeven woningen op het terrein van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Voor de overwegingen verwijzen wij u kortheidshalve naar het besluit in de bijgevoegde bijlage.
OD Twente Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo Postbus 499 7600 AL Almelo KVK 71101241 BTW NL858579509B01 IBAN NL48 BNGH 028 5175 416 BIC BNGHNL2G
Vragen? Neem dan contact op met mevrouw A. Jacobs van de Omgevingsdienst Twente. U kunt haar bereiken via 0546-749 500 of per e-mail info@odtwente.nl. U dient het referentienummer te vermelden als u reageert. Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van gemeente Dinkelland,
Ir. Jan Willem Strebus Directeur Omgevingsdienst Twente
Afschrift naar : t.boswergerl@ad-fontem.nl Bijlage
: Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 2 van 10
B
B
G
Project: Realisatie woningen voormalig gemeentewerf Ootmarsum Adres locatie: voormalig gemeentewerf Ootmarsum Datum besluit: 15 mei 2020 Kenmerk: Z2019-ODT-0001452
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 3 van 10
Inhoud 1
2
3
BESLUIT .................................................................................................................... 5 1.1
ONDERWERP ....................................................................................................... 5
1.2
PROCEDURE ........................................................................................................ 5
1.3
BESLUIT............................................................................................................... 5
1.4
RECHTSMIDDELEN ............................................................................................... 5
1.5
ONDERTEKENING EN VERZENDING ....................................................................... 6
PROCEDURELE OVERWEGINGEN ........................................................................ 7 2.1
BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ................................................................... 7
2.2
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .............................................................................. 8
2.3
PROCEDURE ........................................................................................................ 8
2.4
BEVOEGD GEZAG ................................................................................................. 8
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN ........................................................................ 9 3.1
TOETSINGSKADER ............................................................................................... 9
3.2
DE KENMERKEN VAN HET PROJECT ...................................................................... 9
3.3
DE LOCATIE VAN HET PROJECT............................................................................. 9
3.4
DE SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT ................................... 10
3.5
CONCLUSIE........................................................................................................ 10
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 4 van 10
1 BESLUIT 1.1
Onderwerp
Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland hebben het voornemen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen ten behoeve van de realisatie van zeven vrijstaande woningen op het terrein van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum. In dit plan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die mogelijk nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan dient een vormvrije m.e.r-beoordeling te worden uitgevoerd. In dit besluit wordt beoordeeld of voor het plan, vanwege het mogelijk maken van activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
1.2
Procedure
De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.19 Wet milieubeheer juncto artikel 2, lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage van de Wet milieubeheer.
1.3
Besluit
Burgemeesters en wethouders van de gemeente Dinkelland besluiten:
1.4
Dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor het realiseren van zeven vrijstaande woningen op het terrein van de voormalige gemeentewerf en de brandweerkazerne in Ootmarsum, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Dat de volgende documenten deel uitmaken van dit besluit: o Aanmeldnotitie m.e.r. voormalig gemeentewerf Ootmarsum, 16 oktober 2019 o Stikstofberekening voormalig gemeentewerf Ootmarsum, 15 april 2020
Rechtsmiddelen
Dit besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht en is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te breiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Wel kan eenieder te zijner tijd gebruik maken van het rechtsmiddel dat geboden wordt in het kader van de procedure voor het vaststellen van het plan ingevolge de Wet ruimtelijke ordening. Dit besluit wordt niet gepubliceerd.
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 5 van 10
1.5
Ondertekening en verzending
Almelo, 15 mei 2020 namens burgemeester en wethouders van gemeente Dinkelland,
Ir. J.W. Strebus Directeur Omgevingsdienst Twente
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 6 van 10
2 PROCEDURELE OVERWEGINGEN 2.1
Besluit milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 7.2 zijn bij algemene maatregel van bestuur activiteiten aangewezen die belangrijke gevolgen voor het milieu hebben (m.e.r.plichtige activiteiten) en activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten). M.e.r.-plichtige activiteiten zijn met bijbehorende drempelwaarden opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). M.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten en bijbehorende drempelwaarden zijn benoemd in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan op drie manieren in aanmerking komen voor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling danwel directe m.e.r.-plicht: Er ontstaat een m.e.r.-plicht indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming nodig is; er ontstaat een m.e.r.-plicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan is genoemd in kolom 3 (plannen) van deze bijlage én er voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2.
Wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2 van onderdeel D van het besluit geldt een m.e.r.beoordelingsplicht; Er ontstaat een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten) van deze bijlage. Deze beoordelingsplicht geldt ongeacht of er voldaan is aan de voorwaarden genoemd in kolom 2 van de bijlage. Wanneer een bestemmingsplan genoemd wordt in kolom 3 én kolom 4 in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r., moet worden bepaald of er na vaststelling van het plan nog een besluit nodig is om de activiteiten te kunnen realiseren. Wanneer dit wel het geval is, is sprake van een kaderstellend plan en dus een plan in de zin van kolom 3 van de bijlage van het Besluit mer. Wanneer dit niet het geval is, dan is er sprake van een besluit in de zin vaan kolom 4 van de bijlage van het Besluit m.e.r.
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 7 van 10
2.2
Voorgenomen activiteiten
Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van a a ’ De in kolom 2 genoemde drempelwaarden worden niet overschreden. Het bestemmingsplan wordt genoemd in zowel kolom 3 als kolom 4 van onderdeel D, categorie 11.2.
2.3
Procedure
Ingevolge artikel 7.19, eerste lid, van de Wm moet het bevoegd gezag, wanneer het zelf initiatiefnemer is van activiteiten waarvan op grond van artikel 7.2 lid 2 onder b van die wet moet worden beoordeeld of deze activiteiten nadelige gevolgen hebben voor het milieu, in een zo vroeg mogelijk stadium te besluiten of voor de activiteit, gelet op de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Met de wijziging van het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 is de procedure voor de formele m.e.r.-beoordeling en de vormvrije m.e.r.-beoordeling grotendeels gelijkgetrokken. Van het besluit met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft echter geen kennisgeving gedaan te worden.
2.4
Bevoegd gezag
Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland zijn bevoegd om te beslissen op dit verzoek. Zij hebben de bevoegdheid om besluiten op grond van de Wet milieubeheer te nemen overgedragen aan Omgevingsdienst Twente. Hieraan ligt het Mandaatbesluit Omgevingsdienst Twente d.d. 20 december 2018 ten grondslag.
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 8 van 10
3 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN 3.1
Toetsingskader
Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.19, lid 1 jo. 7.17 lid 2 t/m 4 van de Wm uitgevoerd op grond van de in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. De toetsing is hieronder uitgewerkt.
3.2
De kenmerken van het project
Bij de kenmerken van het project zijn de volgende criteria in ogenschouw genomen: de omvang en het ontwerp van het gehele project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder; het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; ’ z Overwegingen De hierboven genoemde onderdelen zijn voldoende beschreven in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling voormalige gemeentewerf in Ootmarsum van 16 oktober 2019 en bijbehorende bijlagen. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de kenmerken van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.3
De locatie van het project
Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met speciale aandacht voor de typen aangewezen in de m.e.r.-richtlijn.
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 9 van 10
Overwegingen De hierboven genoemde onderdelen zijn voldoende beschreven in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling voormalige gemeentewerf in Ootmarsum van 16 oktober 2019 en bijbehorende bijlagen Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de locatie van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.4
De soort en kenmerken van het potentiële effect
Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet in aanmerking worden genomen, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria en met inachtneming van: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; - de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Overwegingen De hierboven genoemde onderdelen zijn voldoende beschreven in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling voormalige gemeentewerf in Ootmarsum van 16 oktober 2019 en bijbehorende bijlagen Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de soort en kenmerken van het potentiele effect geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.5
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet nodig.
Z2019-ODT-001452
Omgevingsdienst Twente
Pagina 10 van 10
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan Erve Molenbeek
63
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Van Bevervordestraat - Ootmarsum
Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Voormalige gemeentewerf Van Bevervordestraat Ootmarsum Oktober 2018
Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Tel: 0546 - 63 96 63
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Van Bevervordestraat - Ootmarsum
Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Voormalige gemeentewerf Van Bevervordestraat Ootmarsum Projectcode: 18039010 Rapportagedatum: 3 oktober 2018 Auteur: ing. J. Lammers Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 4
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 6 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
9 9 9 11 12 13 13
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
14
6
Literatuur en bronvermelding
16
2
3
4
Bijlagen I
II III IV V
Regionale ligging locatie Schetsontwerp toekomstige situatie Verontreinigingssituatie voor sanering, Geofox-Lexmond BV (2012) Ontgravingstekeningen sanering, Geofox-Lexmond BV (2013) Situatieschets met boorlocaties, Kruse Milieu BV (2018) Boorstaten Legenda boorstaten Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses Resultaten asbestanalyses Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terrein aan de Van Bevervordestraat in Ootmarsum door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. Aangezien de bovengrond is gezeefd en er mogelijk nog puin in de grond aanwezig is, wordt de bovengrond als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest.
De onderzoeksopzet gaat uit van - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, augustus 2015; - de aanvulling NEN 5707/C1, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, augustus 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in juni en september 2018 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn.
De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 1 van 16
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Van Bevervordestraat in Ootmarsum. Het te onderzoeken deel van het terrein heeft de RD-coördinaten x = 258.04 en y = 491.96 en is kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie C, nummer 2369 (gedeeltelijk). De Van Bevervordestraat is ten noorden van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding Het terrein is geheel onbebouwd en grotendeels onverhard. Over het terrein loop een weg die is verhard met puin. Tevens bevindt zich aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie en ten westen van de puinweg een puinhoudend depot. De puinweg en het depot maken geen deel uit van de onderzoekslocatie. Het westelijke deel van de onderzoekslocatie betreft een bos en het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie is in gebruik als speeltuin. Onderzoekslocatie Er zijn plannen om op de onderzoekslocatie 6 woningen te bouwen. In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op het terreindeel. De onderzoekslocatie is onbebouwd en grotendeels onverhard (braakliggend). De onderzoekslocatie omvat circa 7000 m².
In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven, is een schetsontwerp van de nieuwe situatie opgenomen, is een tekening weergegeven met de verontreinigingssituatie voor de sanering opgenomen, zijn de ontgravingstekeningen van een eerder uitgevoerde bodemsanering opgenomen en is een situatieschets opgenomen waarop de boorlocaties zijn weergegeven. 2.2
Vooronderzoek
Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever (Ad Fontem), bij de heer Hofman (Hofman Advies) en bij de gemeente Dinkelland. De volgende informatie is verzameld: - Van 1945 tot 1970 was op de locatie een rioolwaterzuivering aanwezig, deze is in 1973 gesloopt. In 1985 is een vergunning verleend voor de oprichting van een gemeentewerf. Ter plaatse was ook een brandweerkazerne aanwezig. Na de sloop- en saneringswerkzaamheden is het terreindeel momenteel al enkele jaren braakliggend. - Ten tijde van de gemeentewerf waren op de locatie een bovengrondse dieseltank en een ondergrondse opslag van smeerolie aanwezig. Tevens was er een opslag voor bestrijdingsmiddelen en een opslag voor strooizout aanwezig. - Bekend is dat na de sloop van de rioolwaterzuivering het bezinkbassin en de retentievijver zijn volgestort met stortmateriaal, sloopafval en huisvuil. Deze storten zijn inmiddels gesaneerd. Na de sanering is de puinhoudende grond (in depot en in de ondergrond) gezeefd. De grove fractie (>40mm) is afgevoerd naar een verwerker. De fijne fractie (<20mm) is ter plekke verwerkt. Hierop is circa 3000 m3 grond verwerkt welke voldoet aan de achtergrondwaarde. De gezeefde fractie 20-40 mm is in depot gezet en deels verwerkt als toegangsweg.
Ongeveer een jaar later is circa 750 m3 grond van het naastgelegen perceel (Wheemhof) in de toplaag verwerkt. Op basis van een verkennend bodemonderzoek voldoet deze grond aan de klasse “wonen”. Achteraf is echter gebleken dat deze grond puinhoudend is. - Op het terreindeel zijn in het verleden puinbijmengingen aangetroffen in de bodem. Na de saneringswerkzaamheden is de puinhoudende grond gezeefd. De fijne fractie hiervan is verwerkt onder de toplaag van het terreindeel. Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 2 van 16
Aangezien de grond mogelijk nog puinhoudend is, is het terreindeel verdacht voor de aanwezigheid van asbest. - Op het terreindeel zijn, voor de sloop- en saneringswerkzaamheden, een verkennend bodemonderzoek, een nulsituatieonderzoek, twee nader bodemonderzoeken, een aanvullend bodemonderzoek en een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Het meest recente bodemonderzoek betreft een allesomvattend onderzoek en deze zal hier worden toegelicht: Geofox-Lexmond BV, Actualiserend en nader bodemonderzoek Van Bevervordestraat te Ootmarsum, d.d. 23 april 2012 met projectnummer 20112100 Voor het genoemde bodemonderzoek is de gehele locatie onderverdeeld in deellocaties. - Ter plaatse van de voormalige olieopslag is een minerale olieverontreiniging aangetoond. Naar verwachting is circa 15 m3 grond sterk verontreinigd met minerale olie. - Ter plaatse van de voormalige zoutopslag is chloride aangetoond in het grondwater. Er is geen cyanide aangetoond. Van het braakliggende terreindeel op het westelijke deel van de locatie is de bovengrond slechts licht verontreinigd met koper en PCB. - Ter plaatse van de smeerput is de ondergrond sterk verontreinigd met lood en zink. Naar verwachting is circa 75 m3 grond sterk verontreinigd met lood en zink. - Ter plaatse van het voormalige opvangbassin is het bassin na sloop volgestort met beton. In de ondergrond is plaatselijk rioolslib aangetroffen.
Het slib is licht verontreinigd met zware metalen. - De grondwal omvat circa 500 m3 en is slechts licht verontreinigd met PAK. De grondwal is niet verontreinigd met asbest. De grond kan na zeven mogelijk worden hergebruikt als klasse “Achtergrondwaarde”. - Ter plaatse van de gedempte retentievijver is sprake van dempingsmateriaal bestaande uit grond, puin, resten ijzer, asbest en plastic. Het stortmateriaal is sterk verontreinigd met zware metalen en PAK. De omvang van de demping wordt geschat op circa 1000 m3. De bovengrond op de demping is slechts licht verontreinigd zware metalen en PAK. - Ter plaatse van het centrale terreindeel zijn plaatselijk bijmengingen in de vorm van puin aangetoond. Op het oostelijk deel van het middenterrein zijn in grote mate bijmengingen aangetroffen wat duidt op stortgaten. Ter plaatse van de stortgaten is de bodem matig tot sterk verontreinigd met zware metalen. Het voormalige bezinkbassin blijkt gedempt te zijn met grond met diverse bijmengingen. Deze grond is sterk verontreinigd met zware metalen. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geschat op circa 500 m3. - Ter plaatse van het terreindeel tussen het bezinkbassin en de stallingsruimte is in het verleden grond opgebracht. Deze grond is puinhoudend en licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie, PCB en PAK.
- Ter plaatse van het noordwestelijke terreindeel, nabij de ingang, is in het verleden ook grond opgebracht. Deze grond is puinhoudend en licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie en PCB. In bijlage I is een situatieschets weergegeven met de in 2012 vastgestelde verontreinigingssituatie. Geofox-Lexmond BV, Evaluatie bodemsanering voormalige gemeentewerf aan de Van Bevervordestraat te Ootmarsum, d.d. 4 oktober 2013 met projectnummer 20130155 Naar aanleiding van het hierboven genoemde bodemonderzoek is een saneringsplan opgesteld (Geofox-Lexmond, d.d. 26 april 2012 met projectnummer 20120666). In de periode maart tot en met juni 2013 is de bodemsanering uitgevoerd. De sanering is nagenoeg conform het saneringsplan uitgevoerd. Aan de oostgrens van de retentievijver is op de perceelsgrens een licht verhoogd minerale oliegehalte in het wandmonster aangetoond. Verder zijn op de locatie geen restverontreinigingen aanwezig. In totaal is circa 3100 ton verontreinigde grond en stortmateriaal afgevoerd. De ontgravingen zijn aangevuld met gebiedseigen grond en schoon zand. In totaal is 1518 m3 zand aangevoerd. Met de resultaten van de sanering is voldaan aan de saneringsdoelstelling uit het saneringsplan, namelijk de locatie geschikt maken voor de toekomstige functie “wonen met tuin”. De ontgravingstekeningen van de sanering zijn weergegeven in bijlage I. Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 3 van 16
2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 32 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de formatie van Twente. De deklaag is ter plaatse zeer dun. Onder deze deklaag bevindt zich een tertiaire kleilaag. Het doorlatend vermogen is eveneens gering - Er zijn geen gegevens omtrent de diepte van de grondwaterspiegel of het doorlatend vermogen. De locatie ligt ten oosten van de waterscheiding op de stuwwal Ootmarsum - Door afstroming vanaf de stuwwal stroomt het grondwater in oostelijke richting met een onbekend verhang - Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een vijver. Aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie loopt een beek. De invloed hiervan op de grondwaterstroming is niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 4 van 16
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, augustus 2015; - de aanvulling NEN 5707/C1, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, augustus 2016. De puinhoudende grond op het terreindeel is na de sanering van 2013 gezeefd en weer op het terreindeel verwerkt. Ook de in de toplaag verwerkte grond, afkomstig van het naastgelegen perceel, is puinhoudend. Aangezien de bovengrond nog sporen puin kan bevatten, wordt deze als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. De bovengrond op de gehele locatie wordt als verdacht voor aanwezigheid van asbest beschouwd. De hypotheses uit NEN 5740 (ONV-NL) en NEN 5707 (VED-HE) worden gebruikt. In de normen NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses.
De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van een omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op de locatie is een depot met puin aanwezig. Een deel van deze partij is verwerkt in het puinpad op het terreindeel. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Het depot en het puinpad vallen buiten de scope van dit onderzoek. De gekozen onderzoekstrategie alsmede het boorplan zijn goedgekeurd door de gemeente Dinkelland. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40).
Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 5 van 16
3.2
Veldwerkzaamheden
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie voor onverdachte locaties uit NEN 5740 en voor verdachte locaties uit NEN 5707. Beide onderzoeksstrategieën worden met elkaar gecombineerd. Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op een terreindeel van circa 7000 m² worden normaal in totaal 19 boringen verricht, waarvan 13 tot 0.50 meter en 6 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Aangezien er op het terreindeel veel grondverzet is geweest, is in overleg met de opdrachtgever besloten om alle boringen door te zetten tot de ongeroerde ondergrond (met een maximum van 2.0 meter min maaiveld). Ten behoeve van het asbestonderzoek worden de grondboringen tot een diepte van 0.5 meter vervangen door gaten met een lengte en een breedte van minimaal 0.3x0.3 meter. Conform de onderzoeksstrategie VED-HE uit NEN 5707 dienen in totaal 21 inspectiegaten gegraven te worden. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters worden twee diepe boringen overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuis.
Wanneer binnen 5.0 meter onder het maaiveld geen grondwaterhoudende bodemlaag wordt aangetroffen, blijft het plaatsen van een peilbuis achterwege. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door ACMAA Laboratoria BV, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in een verkennend onderzoek van deze omvang 9 (meng)monsters samengesteld en er worden 2 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 2. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng) monster. Monster
Analysepakket
Bovengrond (3x) Ondergrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (4x)
Asbest en droge stof
Grondwater (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 6 van 16
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Indien visueel asbestverdachte materialen worden waargenomen, wordt per gat een materiaal(verzamel)monster samengesteld. De eventuele monsters worden onderzocht door ACMAA Laboratoria BV, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium. 3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 7 van 16
Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. 3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities.
Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 8 van 16
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden in paragraaf 4.5 weergegeven en besproken in paragraaf 4.6. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in juni en september 2018 uitgevoerd door de heren J. Hartman en R. Veltmaat. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/07). Op 21 juni 2018 zijn 2 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor. De boringen zijn doorgezet tot 2.9 m-mv ten behoeve van het plaatsen van 2 peilbuizen. Er zijn geen grondmonsters genomen uit boring 1 en 2 in verband met de conserveringstermijn van enkele te onderzoeken parameters. In de bovengrond van boring 1 is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen. Boring 1 is verricht in het puinpad, welke buiten de scope van het onderzoek valt. Op verzoek van de opdrachtgever is het asbestverdachte materiaal niet geanalyseerd. De boringen 1 en 2 zullen opnieuw worden geplaatst voor het nemen van grondmonsters (boring 1A en 2A). Boring 1A zal naast het puinpad verricht worden. Op 10 en 14 augustus 2018 zijn, na het inspecteren van het maaiveld, in totaal 21 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop). Alle inspectiegaten zijn doorgeboord tot de ongeroerde bodem met een maximum van 2.0 meter diepte. Het opgegraven materiaal is uitgezeefd en visueel onderzocht op de aanwezigheid van asbest. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I.
Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van gras, niet goed geïnspecteerd kon worden. Minder dan 25% van de toplaag kon worden geïnspecteerd; er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot circa 1.5 meter min maaiveld (m-mv) is voornamelijk matig fijn zwak siltig en zwak tot matig humeus zand aangetroffen. Hieronder bestaat de bodem voornamelijk uit matig fijn zwak siltig zand. Plaatselijk zijn in de ondergrond lagen leem en veen aangetroffen. In de ondergrond zijn roesten/of oerhoudende lagen aangetroffen. In alle boringen, met uitzondering van de boringen op het westelijke terreindeel, zijn tot een diepte van 1.0 tot 1.5 m-mv sporen puin en/of sporen baksteen aanwezig. Behalve dit puin, zijn er verder geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem.
Ter plaatse van peilbuis 1, in het puinpad is in de puinlaag een asbestverdacht fragment aangetroffen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 2 staat omschreven. Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 9 van 16
Tabel 2: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
BG I
1A, 4, 5, 14, 16, 17 en 19
0 - 0.5
Standaard pakket
BG II
2A, 3, 6, 7, 8 en 15
0 - 0.5
Standaard pakket
BG III
10 en 11 13
0 - 0.4 0.5 - 0.8
Standaard pakket
OG I
1A 1A 2A 3 5 en 8 9 17
0.5 - 1.0 1.0 - 1.5 0.5 - 1.0 0.6 - 1.1 0.5 - 0.9 0.5 - 1.0 0.5 - 0.75
Standaard pakket
1A 4 4 5 6 7 15 18
1.3 - 1.6 0.8 - 1.2 1.2 - 1.7 0.9 - 1.2 0.75 - 1.1 0.5 - 1.0 0.6 - 1.0 0.6 - 1.1
Standaard pakket
MM FF - A
10 en 11 12
0 - 0.4 0 - 0.2
Asbest
MM FF - B
4, 5, 14, 16 en 18
0 - 0.5
Asbest
MM FF - C
1A, 3, 9, 15 en 20
0 - 0.5
Asbest
MM FF - D
2A, 6, 7, 8, 17 en 21
0 - 0.5
Asbest
OG II
Boring 1 en 2 zijn is doorgezet tot circa 2.9 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 10 augustus 2018 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde of lager debiet als waarmee is voorgepompt. De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 3.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 10 van 16
Tabel 3: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
1
1.9 - 2.9
1.30
6.0
825
27
Slecht, niet belucht
2
1.9 - 2.9
1.87
6.8
1322
<0.1
Slecht, niet belucht
De waarden voor de pH worden normaal geacht. De EC-waarden worden als licht verhoogd beschouwd. De troebelheid in het watermonster van peilbuis 2 wordt normaal geacht. In het grondwatermonster van peilbuis 1 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing. Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft. 4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond, de ondergrond en in het grondwater zijn enkele van de onderzochte stoffen in licht verhoogde concentraties aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
Kwik Lood Zink PAK
0.21 60 85 1.7
0.2842 * 87.18 * 169 * 1.653 *
0.15 50 140 1.5
36 530 720 40
BG II
Kwik Lood Zink Minerale olie PAK
0.13 52 71 81 2.3
0.1777 * 76.87 * 145.2 * 300 * 2.315 *
0.15 50 140 190 1.5
36 530 720 5000 40
BG III
Koper Lood
24 53
43.37 * 77.41 *
40 50
190 530
Monster
Component
BG I
AW2000
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 11 van 16
Vervolg tabel 4: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
OG I
Kwik Lood Zink Minerale olie PCB PAK
0.11 55 75 87 0.0063 1.9
0.1515 * 82.31 * 165.8 * 378.3 * 0.0273 * 1.948 *
0.15 50 140 190 0.02 1.5
36 530 720 5000 1.0 40
OG II
Minerale olie
59
210.7
190
5000
Peilbuis 1
Barium
53
53 *
50
625
Peilbuis 2
Barium
110
110 *
50
625
AW2000
In de vierde kolom van tabel 4 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. Op basis van een (indicatieve) toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit vallen de mengmonsters BG I en BG III in de klasse “Wonen”. De mengmonsters BG II, OG I en OG II vallen op basis van het minerale oliegehalte in de klasse “Industrie” 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. BG I, BG II, BG III en OG I - Koper, kwik, lood, zink en PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen en PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing. Oorzaak voor de zeer licht verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. BG II, OG I en OG II - Minerale olie De zeer licht verhoogde minerale oliegehaltes zijn op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Mogelijk zijn deze in het verleden veroorzaakt toen het terreindeel nog in gebruik was als gemeentewerf. Aangezien de gemeten gehaltes de tussenwaarde niet overschrijden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. OG I - PCB Het zeer licht verhoogde PCB-gehalte is op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 12 van 16
Peilbuis 1 en 2 - Barium De (zeer) licht verhoogde bariumgehaltes in het grondwater zijn mogelijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.5
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In de mengmonsters MM FF - A en MM FF - D is geen asbest aangetoond. In de mengmonsters MM FF - B en MM FF - C is asbest aangetoond. De asbestconcentraties zijn weergeven in tabel 5. Tabel 5: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
Gaten 4, 5, 14, 16 en 18
Asbest
3.7
-
100
Gaten 1A, 3, 9, 15 en 20
Asbest
7.0
-
100
Inspectiegat
In de derde kolom van tabel 5 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6
Bespreking resultaten asbestanalyses
Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is er in de inspectiegaten 1A, 3, 4, 5, 9, 14, 15,16 18 en 20 asbest aangetoond. De gewogen asbestgehaltes zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek, waardoor nader asbestonderzoek niet noodzakelijk is.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 13 van 16
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van Ad Fontem is in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 7000 m² aan de Van Bevervordestraat te Ootmarsum. In het verleden was hier een rioolwaterzuivering aanwezig. Later was het terreindeel in gebruik als gemeentewerf en brandweerkazerne. Na de sloop van de opstallen is het terreindeel gesaneerd. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en grotendeels onverhard (gras). Aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van 6 woningen. Resultaten veldwerk De bovengrond van het terrein is vanwege de aanwezigheid van puin beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Voor de chemische analyses is het terrein beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 21 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop). De inspectiegaten zijn doorgeboord tot de ongeroerde bodem. Twee boringen zijn afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn, zwak siltig en zwak tot matig humeus zand. Tot een diepte van gemiddeld 1.0 meter is de bodem puinhoudend. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. In het puinpad, dat buiten de scope van het onderzoek valt, is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Het freatische grondwater is in peilbuis 1 en 2 aangetroffen op 1.30 en 1.87 meter min maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK; - de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met kwik, lood, zink minerale olie en PAK; - de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met koper en lood; - de ondergrond (OG I) is zeer licht verontreinigd met kwik, lood, zink, minerale olie, PCB en PAK; - de ondergrond (OG II) is zeer licht verontreinigd met minerale olie; - het grondwater (peilbuis 1 en 2) is (zeer) licht verontreinigd met barium. Resultaten asbestanalyses - MM FF - A bevat geen asbest; - MM FF - B bevat asbest; het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - MM FF - C bevat asbest; het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - MM FF - D bevat geen asbest. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” wordt gehandhaafd, aangezien er asbest is aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 14 van 16
Conclusies en aanbevelingen In de boven- en ondergrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden voor een nader onderzoek. In 2 van de 4 mengmonsters van de fijne fractie is asbest aangetoond. Aangezien de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek niet worden overschreden, is er geen reden voor een nader asbestonderzoek. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van 6 woningen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht.
Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 15 van 16
6
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Dinkelland Rapport verkennend bodemonderzoek Gemeentewerf te Ootmarsum, Nibag, d.d. 26 november 1996 met projectnummer 6022.0156 Rapport nulsituatieonderzoek Gemeentewerf te Ootmarsum, Nibag, d.d. maart 2004 met projectnummer 31.11.6359 Rapport nader bodemonderzoek minerale olie, Nibag, d.d. 16 augustus 2004 met projectnummer 1000.4231 Rapport nader bodemonderzoek asbest, Nibag, d.d. juni 2004 met projectnummer 1000.4232 Rapport aanvullend bodemonderzoek, Kruse Milieu BV, d.d. april 2005 met projectcode 04041730 Rapport actualiserend en nader bodemonderzoek, Geofox-Lexmond BV, d.d. april 2012 met projectnummer 20112100 Saneringsplan voormalige gemeentewerf en Navos-locatie “Los Hoes” te Ootmarsum, GeofoxLexmond BV, d.d. 26 april 2012 met projectnummer 20120666 Evaluatierapport bodemsanering voormalige gemeentewerf aan de Van Bevervordestraat te Ootmarsum, Geofox-Lexmond BV, d.d.
4 oktober 2013 met projectnummer 20130155 NEN 5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 NEN 5707, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, augustus 2015 NEN 5707/C1, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, augustus 2016 Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Ministerie van I&M Topografische kaarten, Topografische Dienst Emmen Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwater en Geo-Energie, Delft Archief Kruse Milieu BV www.overijssel.nl, bodem- en wateratlas www.ahn.nl www.topotijdreis.nl Kruse Milieu BV
Project: 18039010
Pagina 16 van 16
Bijlage I Regionale ligging locatie Schetsontwerp toekomstige situatie Verontreinigingssituatie voor sanering, Geofox-Lexmond BV (2012) Ontgravingstekeningen sanering, Geofox-Lexmond BV (2013) Situatieschets met boorlocaties, Kruse Milieu BV (2018)
Van Bevervordestraat te Ootmarsum
Kruse Milieu BV Kaartmateriaal: Topografische dienst Kadaster
Topografische kaart Projectnummer: 18039010 Schaal: 1:25000 Bijlage: I Kaartblad: 28F
LEGENDA
Bouwvlak met nokrichting voor hoofd- en bijgebouw
Uitgeefbare kavels
struweel
3.00
NIEUW TRACE RIOOL
5.50
ACHTERZIJDE VM LOODS GEMEENTEWERF Boom bestaand
FIETSPAD
Boom nieuw Soort: Jr'B': Juglans regia 'Buccaneer' Tc: Tilia cordata Qr: Quercus robur Ul: Ulmus laevis
Tc
Boom te kappen
Qr
bijenstal
Struweel (nieuw) Hazelaar, vuilboom en hulst
Houtwal/houtsingel (inheems) langs oostzijde op overgang naar fiets/voetpad, 4.0 meter breed
de g
rens
Qr
Gemengde haag voorzijde 1.0 - 1.2 m hoog 100% gemengd 50% Fagus sylvatica 50% Carpinus betulus
grep
pel is
Um
en v a
n de
Um
Gemengde haag zij-/achterzijde 1.5 -1.8 m hoog 100% gemengd 50% Fagus sylvatica 50% Carpinus betulus
Qr
midd
5.50
Berm gras (openbaar)
Qr Berm gras (op uitgeefbaar terrein)
Um Zone in berm voor nutsvoorzieningen
4.00 Inrit woningen aan de voorzijde (locatie indicatief)
Jr'B'
5.00
2.5
0
Natuurlijke oever Molenbeek ruimte voor schouwpad talud 1:5
Water
Jr'B'
Rijbaan intern 5,5m gebakken klinkers keperverband
Jr'B'
Nieuw trace riolering langs achterzijde (ontgravingslijn) vm. gemeentewerf Deels uitvoeren als fietspad
maatvoering (m.) .50
10
Noordpijl
fie
tss
luis
Tc
Project 0376A Gemeentewerf Ootmarsum
Tekening Ontwerp met context
rou
te b inn
Datum
enz i
17 mei 2018
c Odin Landschapsontwerpers BV. Alle rechten voorbehouden.
jde
haa
Schaal
g
A3 1:500
Ad Fontem Van Bevervordestraat Ootmarsum 14
Verkennend bodemonderzoek
12 13
2
Va nL oo str
15
17
10
aa t
Van Bevervordestraat
13 puinweg
18 4
5
12
14
19
16
1 11
1A
20 6
puinwe
17 15
g
10 depot
3 7
21
Van Bevervordestraat
8
9 2 2A
ijsbaan