CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitegebied Loodijk 4 Saasveld.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 18: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Loodijk 4, Saasveld”26.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De nieuwe inrit wordt gesitueerd op minimaal 100 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning aan de Loodijk 3. Voor Loodijk 5 ligt de nieuwe inrit op minimaal 140 meter. In de nabijheid van de nieuwe inrit aan de Remmertweg zijn geen woonerven aanwezig. Het dichtstbijzijnde woonerf aldaar ligt op minimaal 220 meter. Daarmee wordt een substantiële verbetering bewerkstelligd om eventuele overlast voor de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Vanaf de Remmertweg gaan de vrachtwagens vervolgens op in het heersende verkeersbeeld. Interne werking Andersom betreffen de bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied geen milieugevoelige activiteiten. Desondanks liggen ook eventuele milieubelastende activiteiten op ruime afstand van het plangebied. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Beoordeling van de plannen: Met het voorliggende plan wordt geen geurgevoelig object toegevoegd. Er is daarom geen sprake van belemmering van agrarische bedrijvigheid, andersom worden de nieuwe functies in het plangebied ook niet belemmerd. In de omgeving van het plangebied ligt de dichtstbijzijnde veehouderij aan de Spikkersweg 1 (niet intensief) op 270 meter afstand van het plangebied. Op 280 m afstand van het plangebied bevindt zich een bedrijfsperceel (Waterhoekweg 4) van een intensieve veehouderij. De locaties voldoen ruimschoots aan de vaste afstanden van 50 m dan wel aan de benodigde richtafstanden, waardoor voor geur sprake is van een aanvaardbare situatie.

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

31

Bovendien geldt in alle gevallen dat er tussengelegen woningen aanwezig zijn, waardoor enerzijds geen sprake is van belemmeringen voor de betreffende bedrijfslocaties en anderzijds een bescherming van goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: Als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Beoordeling van de plannen: De gronden binnen het plangebied waar de uitbreiding is beoogd hebben een agrarische functie en mogen niet bebouwd worden. Om inzage te krijgen in de geschiktheid van de gronden is een bodemonderzoek (NEN 5725) uitgevoerd. De bevindingen zijn te vinden in Bijlage 4 en luiden als volgt: De locatie is ten noorden en oosten van het huidige bedrijfsterrein aan de Loodijk 4 in Saasveld gelegen. Het besluitvormingsgebied is geheel onbebouwd en grotendeels onverhard (akker).

Aan de oostzijde van de bedrijfshal is het terrein verhard met puingranulaat en in gebruik als parkeerterrein voor personenauto's. Uit historische topografische kaarten blijkt dat het besluitvormingsgebied, met uitzondering van het parkeerterrein, altijd in gebruik is geweest als landbouwgrond. In 2013 is aan de oostzijde van de bedrijfshal een verharding van puingranulaat aangebracht. Het puingranulaat is niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. In 1969 is de woning met schuur aan de Loodijk 4 gebouwd en sindsdien is het transportbedrijf op de locatie gevestigd. De huidige bedrijfshal is in 2005 gebouwd. Op het bedrijfsterrein zijn, op ruime afstand van het besluitvormingsgebied, een ondergrondse dieseltank, een bovengrondse dieseltank, een bovengrondse tank voor afgewerkte olie en een wasplaats aanwezig geweest. In 1995 is de ondergrondse dieseltank gesaneerd (gereinigd en verwijderd). Er is een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd, dat zich voornamelijk heeft gericht op de ondergrondse dieseltank (SGS EcoCare, juni 1991). In de ondergrond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht dat de boven- en ondergrond ter plekke van het besluitvormingsgebied niet verontreinigd zijn (klasse AW2000).

Er is geen informatie waaruit blijkt dat de bodem binnen het besluitvormingsgebied mogelijk verontreinigd is. Het besluitvormingsgebied kan daarom als onverdacht worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de wijziging van het bestemmingsplan en de voorgenomen uitbreiding van het transportbedrijf. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. Eventuele vrijkomende grond ter plekke van het besluitvormingsgebied kan op basis van dit vooronderzoek en de regionale bodemkwaliteitskaart elders binnen de regio Twente toegepast worden. De boven- en ondergrond valt in de klasse AW2000.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan, een motivering worden verstrekt aangaande geluidshinder, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: in stedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; in buitenstedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; - voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet: voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Beoordeling van de plannen: De uitbreiding van het bedrijfsperceel zorgt niet voor extra geluidsgevoelige objecten. Op het huidig bedrijfsperceel blijft de bestaande bedrijfswoning behouden en in die hoedanigheid treedt er geen wijziging op. Voor wat betreft industrielawaai wordt verwezen naar de toetsing onder bedrijven en milieuzonering. Met inachtneming hiervan blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

33

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Beoordeling van de plannen: Een transportbedrijf wordt volgens de CROW aangemerkt als een bedrijfsfunctie met het kenmerk 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief). Voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied, niet stedelijk bedraagt de verkeersgeneratie worst-case 5,7 per 100 m2 bvo.

De uitbreiding bedraagt 2.609 m2, dit is overigens inclusief nieuwe inrit voor het bedrijf van ongeveer 600 m2. De inrit zal niet daadwerkelijk als bedrijfsruimte benut worden, doordat deze enkel geschikt is voor het af- en aanrijden van verkeer. Er is geen ruimte om hier werkzaamheden te verrichten of te parkeren. Daarom wordt uitgegaan van 2.000 m2 toe te voegen bedrijfsoppervlak. Worst-case ontstaat daarmee een extra verkeersgeneratie van 115 bewegingen. Uitgaande dat hiervan circa 50% vrachtverkeer betreft, de overige 50% is regulier verkeer (personeel, bezoekers dat naar de locatie komt). Middels de NIBM-tool is aangetoond dat uit de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit blijkt dat de luchtkwaliteit in 'niet betekende mate' zal verslechteren.

Afbeelding 4.2: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

4.7 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beoordeling van de plannen:

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

35

Afbeelding 4.3: uitsnede risicokaart met afstand plangebied (zwart omcirkeld) tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt) Bovenstaande figuur toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 3 km van het plangebied de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het betreft een tankstation met LPG. Deze onderlinge afstand is dermate groot dat deze risicobron geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Bovendien voorziet het plan niet in de realisatie van extra verblijfsobjecten. Het aspect externe veiligheid is daarmee geen belemmering voor het initiatief. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8 Water In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend.

Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. 36

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie.

In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is wel meer dan 1.500m2, namelijk circa 2.600 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel. Hemelwater wordt (vertraagd) geïnfiltreerd. Afvalwater wordt verwerkt via het afvalwaterriool dan wel een IBA. Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de normale procedure volstaat voor dit plan. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 5 Digitale watertoets. Er wordt geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Er is dan ook geen wijziging voor wat betreft de afvoer van afvalwater. Voor wat betreft hemelwater geldt het volgende. Het bedrijfsperceel wordt in de toekomstige situatie omgeven door groenstructuren en agrarische onbebouwde gronden. Hemelwater vanaf de verharding kan daarmee vertraagd infiltreren in de omgeving, waarvoor voldoende ruimte bestaat.

Uit het overleg met het waterschap volgt dat een waterberging van 55 mm moet plaatsvinden Dit is geborgd in het inrichtingsplan. Voor het overige hebben de bestemming en de grootte van het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.9 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Onderstaand wordt op deze aspecten ingegaan voor wat betreft de plannen. Beoordeling van de plannen: 4.9.1

Quickscan natuurwaarden

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 6 In navolgende alinea's volgen de bevindingen hieruit. In het voorliggende plan wordt het bedrijf Lesscher Transport B.V. aan de Loodijk 4 naar het noorden toe uitgebreid. Deze uitbreiding betreft een nieuwe vrachtwagenparkeerplaats. Daarnaast wordt er een nieuwe weg naar deze parkeerplaats aangelegd vanaf de Remmertweg. Voor het aanleggen van de nieuwe weg moet één eik aan de Remmertweg gekapt worden en een deel van de greppel worden gedempt. Daarnaast moeten de gronden ten zuiden en ten oosten van het bestaande bedrijf, die nu in agrarische bestemming hebben, bouwrijp gemaakt worden. Het nieuwe erf wordt landschappelijk ingepast met beplanting rondom de nieuwe parkeerplaats. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

37

van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 16 juni 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN of Natura 2000 (geen externe werking). Voor wat betreft stikstofdepositie is een nadere uitwerking gemaakt in 4.9.2.

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de voorgenomen activiteiten uit te voeren buiten de voortplantingsperiode, of een broedvogelscan uit te voeren en voldoende rekening te houden met mogelijk aanwezige vogelnesten. Beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibiesoorten bezetten mogelijk een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in de houtsingel. Er vinden echter geen werkzaamheden plaats aan deze houstingel.

Er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood en er worden geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. 4.9.2

Stikstofdepositie en gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De locatie Loodijk 4 is gelegen op circa 5,2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Lemselermaten. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van voorliggend plan gevolgen heeft. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv.

geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens beschouwd te worden of sprake kan zijn van mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Bij deze beoordeling is zowel de aanlegfase (tijdelijk karakter) als de gebruiksfase van belang. In voorliggend plan gaat het om een uitbreiding van een bestaand transportbedrijf in Saasveld. Op de uitbreidingsgronden zal geen bebouwing worden toegevoegd. De uitbreiding dient hoofdzakelijk om de huidige vrachtwagens en trailers van het bedrijf goed te kunnen parkeren. De uitbreiding is op voorhand niet direct om bedrijfsgroei te bewerkstelligen, maar om de bestaande bedrijfsinventaris op het perceel te kunnen accommoderen. Van een directe toename van bedrijfsactiviteiten is daarom geen sprake, wel gaat de uitbreiding

38

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

waarschijnlijk leiden tot meer gebruik van het perceel als parkeerlocatie en stallingsruimte. Gezien het feit dat in de aanlegfase geen sloopwerkzaamheden of uitgebreide bouwwerkzaamheden noodzakelijk zijn, maar enkel de voorbereidingen en aanleg van verharding en de inpassing, is het niet te verwachten dat de aanlegfase tot een stikstofdepositie in Natura 2000-gebied (dat op meer dan 5 km afstand ligt) gaat leiden. Voor wat betreft de gebruiksfase geldt dat een proefberekening van de worst-case verkeerssituatie laat zien dat er geen sprake is van extra stikstofdepositie in Natura 2000. Zoals in de paragraaf voor verkeer (4.11.1) aangehaald is deze worst-case situatie op basis van kengetallen niet een reeële situatie, aangezien de uitbreiding niet is beoogd om meer vrachtwagens te kunnen accommoderen, maar om de bestaande vrachtwagens en trailers van het bedrijf goed te kunnen stallen (daarmee is de worst-case verkeersgeneratie als gevolg van de uitbreiding onevenredig hoog). In de huidige situatie werd namelijk een externe bedrijfslocatie gehuurd. Ook daarvoor vinden verkeersbewegingen plaats tussen de bedrijfslocaties vanwege onderhoud, reparatie en aankoppelen trailers/trekkers. Bovendien zijn de vrachtwagens grotendeels in bedrijf; daarmee onderweg op het wegennet met transportgoederen.

De vrachtwagens zijn slechts op enkele momenten op het terrrein aanwezig, worden op dat moment geparkeerd en de motor uitgezet, daarmee hebben ze geen structurele invloed op de stikstofemissie. De planvorming zal hierdoor ook niet leiden tot extra stikstofdepositie in Natura 2000 gebied. 4.9.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

4.10.1 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Beoordeling van de plannen: Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de "Archeologische verwachtings- en advieskaart" van de gemeente Dinkelland (RAAP, 2007) geraadpleegd. Onderstaande afbeelding 4.4 toont een uitsnede van de kaart, het plangebied bevindt zich in het kenmerk dekzandwelvingen en -vlakten.

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

39

Afbeelding 4.4: uitsnede archeologische verwachtingskaart Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Voor deze gronden geldt op basis van de dekzandwelvingen en -vlakten een middelmatige archeologische verwachting conform de beleidskaart. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5.000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. De bodemingrepen als gevolg van voorliggende plannen zijn zeer beperkt en blijven ruim beneden de 5.000 m2 en dieper dan 40 cm. Het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van een vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.10.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Beoordeling van de plannen: Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer In de paragraaf voor luchtkwaliteit is al kort aangehaald wat de worst-case verkeerstoename betreft als gevolg van voorliggend plan. Een transportbedrijf wordt volgens de CROW aangemerkt als een bedrijfsfunctie met het kenmerk 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief). Voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied, niet stedelijk bedraagt de verkeersgeneratie worst-case 5,7 per 100 m2 bvo. Met een vergroting van 2.609 m2 aan bedrijfsbestemming, waarvan circa 600 m2 ten behoeve van de in- en uitrit (wordt niet gerekend als bedrijfsruimte), is de worst-case verkeerstoename op basis van kengetallen: 2.009 m2 * 5,7 bewegingen (per 100 m2) = 115 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de 600 m2 aan inrit geldt namelijk dat deze oppervlakte geen verkeersaantrekkende werking heeft. Dit wordt ook in de regels van het bestemmingsplan uitgesloten. Opgemerkt wordt dat de berekende aantal extra verkeersbewegingen op basis van kengetallen een onwaarschijnlijk scenario betreft dat zich niet zal voordoen. Een (groot) deel van de activiteiten van het transportbedrijf betreft namelijk (inter)nationaal transport, waardoor de vrachtwagens daarmee niet elke dag de vestiging aan de Loodijk in Saasveld aandoen.

Bovendien geldt dat de uitbreiding van het percelen niet is bedoeld om één op één het bedrijf uit te breiden, maar juist om de huidige vrachtwagens en trailers van het bedrijf goed te kunnen parkeren en stallen. In de huidige situatie werd namelijk een externe bedrijfslocatie gehuurd. Ook daarvoor vinden verkeersbewegingen plaats tussen de bedrijfslocaties vanwege onderhoud, reparatie en aankoppelen trailers/trekkers. Qua ontsluiting vindt er een wijziging plaats in die zin dat de huidige ontsluiting aan de Loodijk voor de bedrijfsactiviteiten verplaatst gaat worden naar de Remmertweg. Aan de Remmertweg zijn geen woonerven aanwezig ter hoogte van het plangebied. Daarmee wordt een mogelijke hinder-/overlastbron zoveel mogelijk weggenomen voor de omgeving. De worst-case 115 verkeersbewegingen kunnen door middel van de nieuwe inrit, die specifiek is ingericht op vrachtverkeer, goed ontsloten worden om de openbare weg. De extra verkeersbewegingen gaan op de Remmertweg en Loodijk op in het gangbare verkeersbeeld. Het huidig wegennet in de omgeving is voldoende berekend op de verkeersgeneratie als gevolg van de plannen. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.11.2 Parkeren De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" vastgesteld.

Het beleid is van toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de gemeente Dinkelland. In de beleidsnotitie is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (parkeernorm, als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd). Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen in de beleidsnotitie vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit de publicatie 317 van CROW. Een transportbedrijf valt onder de activiteit 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. De parkeerbehoefte bedraagt daarmee 1,05 pp per 100 m2 bvo. Deze parkeernorm is exclusief het vrachtwagenparkeren. Voor de 2.009 m2 extra bedrijfsperceel (de inrit niet meegerekend, zie ook de motivatie in 4.11.1) geldt daarmee een parkeerbehoefte van afgerond 22 parkeerplaatsen. De beoogde uitbreiding van het bedrijfsperceel is juist benodigd om de vrachtwagens te kunnen parkeren en stallen op de bedrijfslocatie. Voor de bezoekers en het personeel is voor de auto's ook een parkeerplaats aangelegd op dit bedrijfsperceel. De toe te voegen oppervlakte bedrijfsperceel zal volledig onbebouwd blijven, waardoor er voldoende ruimte aanwezig is om te parkeren voor personeel en bezoekers. Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels.

Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. Opzet planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

'Bedrijf' Onder deze bestemming vallen de niet-agrarische bedrijven. Het gaat om bestaande legale bedrijven. In beginsel is het bedrijf bestemd overeenkomstig de aard van het aanwezige bedrijf, een transportbedrijf. De bestemming biedt bebouwingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen tot een maximale oppervlakte van 602 m². De oppervlakte van de bij recht toegestane bedrijfswoning en daarbijbehorende bijgebouwen wordt echter niet meegerekend in de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing. De uitbreiding van het bedrijfsperceel is mogelijk omdat gelijktijdig in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving geïnvesteerd wordt in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Om de investering in de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen, is in de gebruiksbepalingen een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

43

'Bos - Natuur' Omliggend aan het bedrijfsperceel wordt een groene omzoming aanbracht in de vorm van aanplant van bomen en onderbeplanting. Deze gronden krijgen daarmee een groene invulling en zijn daarom bestemd als 'Bos Natuur'.

Cultuur en Ontspanning De bestemming ‘Cultuur en Ontspanning’ is op de locatie gelegd waar sprake is van een molen. Deze locaties zijn specifiek bestemd, omdat de ruimtelijke invloed en aard van de bestemming zeer verschillend zijn. In onderhavig geval wordt er inhoudelijk geen wijziging in de bestemming aangebracht, maar de molen wordt opgenomen binnen het plangebied vanwege de KGO-investering die op deze locatie verricht wordt. Hoofstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels Onder dit artikel wordt ter verduidelijking van het plannen aangegeven wat algemene gebruiksregels betreffen die gelden in het plangebied, dit kan zowel strijdig als toegestaan gebruik omvatten. Algemene afwijkingsregels Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is.

Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Overige regels Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en parkeren en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Hoofstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

44

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). De aanvraag betreft een uitbreiding van een bedrijfsperceel zonder uitbreiding bebouwing.

Er is geen sprake van een bouwplan als genoemd in 6.2.1 Bro De gemeentelijke kosten, waaronder leges en eventuele planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Met de aanvrager is een overeenkomst gesloten waarin de eventuele planschade is afgedekt.

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

45

46

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

Hoofdstuk 7

Procedure en overleg

In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan.

7.1 Procedurestappen Dit bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1

Ontwerp

Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2

Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3

Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom is het bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst geplubliceerd van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren.

Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg. Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de normale procedure van toepassing is, is nader contact gezocht met het waterschap. Dit contact leidt tot de conclusies dat met inachtneming van de uitgangspunten vanuit het waterschap een positief advies wordt afgegeven.

7.3 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft vanaf 29 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon eenieder een zienswijze indienen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

47

48

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

49

Bijlage 1

50

KGO-plan

bestemmingsplan Buitengebied, Loodijk 4 Saasveld

RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N B U IT E N G E B I E D •

Loodijk 4 - Saasveld •

Tubbergen, 12 december 2023 - Definitief

A

A1

B

B1

Project: Buitengebied met kwaliteit

2

Afbeelding: Ontwikkeling Loodijk 4 Saasveld (Bron: N+L Landschapsontwerpers)

Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:

Buitengebied met kwaliteit

Locatie: Loodijk 4 Saasveld

Titel rapport

RKP buitengebied met kwaliteit - Loodijk 4 Saasveld

Opgesteld:

1 december 2023, Tubbergen

Gewijzigd:

12 december 2023, Tubbergen

Status:

Definitief

Auteur:

N+L Landschapsontwerpers Ing. DE / Ing. DA Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl

3

4

1. Aanleiding

05

2. Huidige situatie

06

3. Beleid

08

4. Nieuwe situatie

14

5. KGO investering

16

1. Aanleiding 1.1 Korte historie planlocatie Aan de Loodijk 4 is een transportbedrijf gelegen. Het bedrijf is ontstaan in 1976 en is inmiddels overgegaan van vader op zoon. Oorspronkelijk ligt de planlocatie op een dekzandvlakte die doorsneden wordt met beekdalen. Aan zowel de oost- als westzijde liggen op enige afstand stuwwallencomplexen, zoals het complex van Oldenzaal. Deze stuwwallen zijn gevormd in de voorlaatste ijstijd. In de laatste ijstijd zijn deze stuwwallen en de flanken van de stuwwallen bedekt met een laag dekzand. Deze gebieden werden later gebruikt voor bebouwing en als landbouwgebieden. De dekzandvlakten werden afgewisseld met beekdalen, waardoor beken stroomden die zorgden voor afwatering van de hogere delen. Vanaf de jaren ‘30 werden de gebieden grootschaliger ontgonnen als gevolg van verbeterde landbouwen afwateringstechnieken. Op de planlocatie is vroeger een heidegebied geweest, dat later is ontgonnen.

1.3 landschappelijke inpassing De gemeente Dinkelland stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als voorwaarde. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.

1.2 Wens initiatiefnemer De initiatiefnemer is voornemens het transportbedrijf uit te breiden. In de afgelopen jaren hebben ook al kleinere uitbreidingen plaatsgevonden. Echter is nu een grootschaliger uitbreiding nodig om het groeiende aantal trucks en trailers een plek te kunnen blijven geven. Daarnaast zal de ontsluiting van het bedrijf verplaatst worden van de Loodijk naar de Remmertweg, zodat de vrachtwagens gemakkelijker in en uit kunnen rijden en er minder schade ontstaat dan aan de Loodijk het geval was.

5

2. Huidige situatie 2.1 Het landschap op de dekzandvlakte doorsneden met beekdalen Het plangebied is gelegen in een dekzandgebied dat doorsneden wordt door beekdalen. In de omgeving zijn hoogteverschillen te zien, zoals ook te zien is op de hoogtekaart op de rechterpagina. Ten westen van het plangebied zijn de wat lager gelegen beekdalen terug te vinden met de heideontginningen. Ten oosten van het plangebied zijn vooral de wat hoger gelegen essen en kampen terug te zien. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die het karakteristiek van het Essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Op enige afstand van de lagen de heidegebieden die later werden ontgonnen. Het plangebied ligt in een heideontginningsgebied. 2.2 Jonge heideontginning De planlocatie ligt in het ontginningslandschap, dat omgeven is door essen en kampen. Deze combinatie was uiterst functioneel, aangezien de heideplaggen vroeger werden gebruikt in de stal. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kleinere kampen gebracht. Doordat de mest en heideplaggen naar de hogere delen werden gebracht kwamen deze essen nog hoger in het landschap te liggen.

Vanaf de jaren ‘30 van de vorige eeuw werden de heidevelden ook interessant als landbouwgebied. Door de uitvinding van kunstmest konden de, minder vruchtbare, heidegronden ook gebruikt worden als landbouwgrond. Vanaf dat moment is dan ook te zien dat de verkaveling functioneler en rechtlijniger werd. Daar is ook sprake van op de planlocatie.

6

2.3 Het omliggende landschap Ten opzichte van het omliggende essen- en hoevenlandschap zijn landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg, waarbij de verkavelingsstructuur planmatig en rechtlijnig is. De begroeiing is vooral te vinden in de vorm van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuur versterken. Echter in de directe omgeving is heel duidelijk het essenlandschap terug te vinden, met essen, steilranden, kronkelige wegen en dynamische opgezette erven. Ook de kenmerkende coulissen en houtsingels zijn hier nog goed te zien. 2.4 Nieuwe elementen Op de planlocatie zal het bedrijf worden uitgebreid, met verharding waar de trucks en trailers een plek kunnen krijgen. De inrit zal verplaatst worden van de Loodijk naar de Remmertweg. Deze verplaatsing zal ervoor zorgen dat er minder overlast is voor omwonenden. Ook zal het uiteinde van het inrit wat breder worden, waardoor vrachtwagens beter kunnen indraaien. Aan de Loodijk is dat geen optie, waardoor de berm nu veel schade oploopt met in- en uitrijden. Voor deze verplaatsing zal een eik moeten worden gekapt. De inrit zal gerealiseerd worden op de plek waar de kleinste boom staat. Daarnaast zal de planlocatie worden omzoomd door nieuw aan te planten struweel met bijvoorbeeld meidoorn, hazelaar en lijsterbes.

2.5 Huidige indeling Het erf heeft een herkenbare opzet, met het woonhuis direct aan de weg en daarachter de bijgebouwen. De gebouwen staan in een rechtlijnige structuur die karakteristiek is voor de ontginningsgebieden. Door de uitbreiding wordt het erf grootschaliger, maar dat heeft geen consequenties voor de gebruikelijke erfopzet, omdat er geen gebouwen worden toegevoegd.

Fragment uit de hoogtekaart. (Bron: ahn.arcgisonline.nl)

Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)

Locatie plangebied ten noordwesten van Saasveld. (Bron: geo.overijssel.nl)

Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)

7

3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.

ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

3.2 Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.

3.4 Ontwikkelingsperspectieven In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.

3.3 Generieke beleidskeuzes Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid,

3.5 Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving).

8

Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)

9

Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag en de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling. 3.5.1 Natuurlijke laag, dekzandvlakte De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen in een dekzandgebied nabij beekdalgebieden. Er is daarom sprake van reliëf. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik (essen en eenmansesjes) en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. Hoogteverschillen zijn in dit gebied redelijk goed herkenbaar. 3.5.2 Laag van cultuurlandschap, heideontginning Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en/of dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/822/documents/21295