Bestemmingsplan woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop_Toelichting.pdf
Tekst van het document
3.4.1.2 Speerpunten De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. De inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant ziet de gemeente ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken. Van oudsher zijn inwoners van de kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDinkelland al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente Dinkelland voortzetten aan de hand van vier speerpunten: 1. 2. 3. 4.
voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte.
In voorliggend geval is met name het speerpunt 'aantrekkelijk wonen' relevant. 3.4.1.3 Speerpunt: aantrekkelijk wonen De gemeente Dinkelland wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. De gemeente wil graag binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerk of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom gaat de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past. Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In de gemeentelijke woonvisie kijkt de gemeente op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
29
op de vraag naar woningen. De gemeente probeert erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij houdt de gemeente de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog. 3.4.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de tien woningbouwkavels voor vrijstaande, twee-onder-één-kap en rijwoningen. Zoals blijkt of paragraaf 3.3 en paragraaf 3.4.2, is in de gemeente Dinkelland en de kern Lattrop kwantitatief sprake van voldoende woningbehoefte. Het voornemen geeft invulling aan deze kwantitatieve behoefte. Kwalitatief gezien zijn de voorgenomen woningen geschikt voor verscheidene doelgroepen. Daarbij zorgen de voorgenomen ontwikkeling voor een zekere mate van doorstroming op de woningmarkt, waar ook met name starters bij gediend zijn. Het plangebied is daarnaast aangemerkt als potentiële ontwikkellocatie. De locatie is aan 3 zijden omsloten door bestaand stedelijk gebied en kan dan ook gezien worden als een in het dorp gelegen ‘inbreidingslocatie’. Ten aanzien van het beleid voor inbreiding in bestaande kernen heeft ook een nadere uitwerking plaatsgevonden in de vorm van de “Nota inbreidingslocaties”. Het gestelde dat inbreiding voor uitbreiding gaat, wordt in paragraaf 3.4.3 nader belicht.
Op deze plaats wordt geconcludeerd dat voorliggend voornemen voldoet ook aan de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland. 3.4.2
Woonvisie 2021+ gemeente Dinkelland
3.4.2.1 Algemeen Op 5 juli 2021 is de nieuwe Woonvisie 2021+ vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland. De Woonvisie is een plan, dat gaat over het realiseren van voldoende betaalbare woningen in de koopsector variërend van rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, appartementen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen. Daarnaast moeten er ook voldoende betaalbare en huurwoningen zijn. In de Woonvisie wordt ook de toenemende vraag naar diverse soorten zorgwoningen meegenomen en er is aandacht voor huisvesting van arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners. Bovendien is er aandacht voor aanpassingen in de bestaande woningvoorraad, zodat deze levensloopbestendiger wordt. 3.4.2.2 Meer woningen De gemeente Dinkelland wil inzetten op meer woningen met de juiste kwaliteit. De gemeente gaat de komende jaren voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. De gemeente gaat uit van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar houdt de gemeente ook rekening met de instroom van vestigers. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente Dinkelland de woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren.
Om te kunnen voorzien in de woninghoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Dinkelland kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma waarbij de zachte plannen verdeeld zijn over de grote en kleine kernen: 3.4.2.3 Kwalitatieve woonbehoefte In de gemeente Dinkelland krijgt inbreiding prioriteit boven uitbreiding. In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking zal de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties plaatsvinden. Dit heeft de gemeente ook vastgelegd in de Nota Inbreidingslocaties (2020). Bij het bouwen op inbreidingsplekken gaat de focus uit naar zogenaamde 'structuurversterkende plekken'. Dat zijn beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op dergelijke plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. De gemeente Dinkelland zet in op twee doelgroepen: starters en senioren. Dit betekent onder ander het toevoegen van betaalbare starterswoningen en levensloopbestendige woningen voor senioren. Voor voorliggend bestemmingsplan is vooral die laatste groep relevant. Een levensloopbestendige woning is gelijkvloers en bij voorkeur in de eigen vertrouwde omgeving (de buurt of kern waar men nu woont) en dichtbij voorzieningen.
Het voordeel van nieuwbouw voor senioren is dat er ook meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruimte woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. De gemeente heeft daarom de ambitie om een groot deel van de nieuwbouw de komende jaren
30
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
levensloopbestendig te realiseren. 3.4.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Dinkelland 2021+ Binnen het voornemen wordt, passend bij de ambitie van de gemeente, bijgedragen aan een gevarieerd woningaanbod. Dit aanbod zorgt voor passende en aantrekkelijke woningen voor verschillende doelgroepen in de kern Lattrop en de gemeente Dinkelland, hetgeen bijdraagt aan de lokale leefbaarheid. Binnen het voornemen wordt invulling geven aan de gemeentelijke beleidsdoelen, zoals beschreven in de woonvisie. Zo wordt ingezet op het realiseren van toekomstbestendige en duurzame woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen, eveneens passend binnen het nieuwbouwprogramma dat is afgestemd binnen de regio (zie ook paragraaf 3.3 Regionaal beleid) Doordat de woningen op éénvoudige wijze levensloopbestendig kunnen worden gemaakt, zijn deze geschikt voor onder andere ouderen. Gelet op de omvang van de woonpercelen, zijn de woningen tevens geschikt voor starters en doorstromers op de woningmarkt. Al met al wordt met de voorgenomen woningbouw voorzien in woningen voor doelgroepen waar de gemeente op inzet. Kwantitatief gezien is nog ruimte voor nieuwe plancapaciteit. Het voornemen ziet toe in zowel, vrijstaande, twee-onder-eenkappers als rijwoningen. Hierdoor is sprake van woningdifferentiatie. Met het voornemen kan worden voorzien in de lokale behoefte.
Het plan voldoet daarnaast eveneens aan het afwegingskader van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals gebleken in paragraaf 3.1.1.4. In paragraaf 3.4.3 wordt het voornemen tevens getoetst aan de 'Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020'. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 3.4.3
Beleidsnota inbreidingslocaties
3.4.3.1 Algemeen Bij de gemeente Dinkelland werd en wordt er regelmatig een aanvraag ingediend voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Daarbij gaat het dan veelal om kleinschalige grondgebonden woningbouw zonder functiemenging binnen de grenzen van de bebouwde kom. Voor de beoordeling van dergelijke aanvragen is voor het eerst in 2011 door de gemeenteraad een beleidskader vastgesteld in de vorm van een “Beleidsnota Inbreidingslocaties”. Nadien is het beleid aangepast in de versie “Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020”. Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. Het beleid is van toepassing op: verzoeken voor woningbouw welke niet passen in het bestemmingsplan; verzoeken binnen bestaand bebouwd gebied.
3.4.3.2 Locaties die in aanmerking komen Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aan beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken verstaat de gemeente Dinkelland: 1. binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen; en 2. goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; en 3. door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: a. het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of b. het oplossen van leegstand; of; c. het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of d. het slopen of wegbestemmen van incourante woningen of bouwkavels; of e. sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; f. het (her)ontwikkelen van een lege plek die voldoet aan de omschrijving stedelijke functies; Locaties met een beeldbepalende groen- of bosbestemming zijn uitgesloten. bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
31
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gestelde is sub 3 onder f. Ter duiding van deze regel, is de definitie van 'stedelijke functies' van belang: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water, stedelijk groen en gronden met een agrarische bestemming welke tenminste aan drie zijden zijn omsloten met bestaande bebouwing; Daarnaast heeft de gemeente Dinkelland de volgende overige stedenbouwkundige voorwaarden geformuleerd: a. b. c. d.
Aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; Kavel(s) moet(en) grenzen aan de openbare weg; Samenhang met de omgeving; Woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast.
3.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020 De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de bouw van tien woningen op onbebouwde gronden die zijn voorzien van een agrarische bestemming. Het plangebied is echter aan drie zijden omsloten met bestaande bebouwing, waardoor het plangebied wordt aangemerkt als structuurversterkende plek Het voornemen past daarnaast binnen de woonvisie (zie paragraaf 3.4.2) en voldoet tevens aan de stedenbouwkundige voorwaarden. Het plan is immers in samenspraak met het Q-team tot stand gekomen. De beoordeling van het Q-team is opgenomen om als Bijlage 3 bij deze toelichting. 3.4.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke kaders.
32
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.
4.1 Geluid (Wet geluidhinder) 4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Industrielawaai en railverkeerslawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai wordt in voorliggend geval eveneens buiten beschouwing gelaten, aangezien de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op ruime afstand van het plangebied bevindt. 4.1.2.2 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken Stedelijk gebied 1 of 2 rijstroken 200 m 3 of 4 rijstroken 350 m 5 of meer rijstroken 350 m De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied ligt in stedelijk gebied. De wegen rondom het plangebied betreffen uitsluitend wegen waar een 30 km/uur snelheidsregime geldt. Het plangebied is daardoor niet gelegen binnen wettelijke geluidszones van wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij deze wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De wegen rondom het plangebied worden hoofdzakelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. Gelet op de geringe omvang van de kern Lattrop, is te verwachten dat de verkeersintensiteit over deze wegen gering is. Gelet op de beperkte snelheid en geringe verkeersintensiteit (vrijwel uitsluitend bestemmingsverkeer) op de omliggende wegen is geluidsbelasting ten gevolge van deze wegen op de beoogde woningen in het plangebied beperkt en is bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
33
daarom ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Nader onderzoek naar geluidsbelasting van de omliggende 30 km/uur wegen is niet noodzakelijk. Gezien het vorenstaande is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk. 4.1.3
Conclusie
In het kader van geluid is er sprake van een aanvaardaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen in het plangebied.
4.2 Bodemkwaliteit 4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 4.2.2
Situatie plangebied
Sigma Bouw & Milieu heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4 bij deze toelichting). Hoewel het onderzoek inmiddels 2 jaar oud is, hebben in de tussentijd geen boddemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden ter plaatse van het plangebied. Het bodemonderzoek is dan ook nog bruikbaar. In onderstaande tekst worden het onderzoek en de resultaten hiervan kort beschreven. Resultaten bodemonderzoek Zintuigelijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal plaatselijk baksteensporen waargenomen. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Grond bovengrond (0,0-0,5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (som 10) ten opzichte van de achtergrondwaarde. Bovengrondmengmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte minerale olie en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (som 10) ten opzichte van de achtergrondwaarde.
De verhoogd gemeten gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (som 10) en/of minerale olie in de bovengrondmengmonsters MM1 en MM2 overschrijden de tussenwaarde (criteria voor nader onderzoek) of bodemindex-waarde (>0,5) niet en geven daardoor geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Ondergrondmengmonster MM3 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Grondwater peilbuis 1 (2,7-3,7 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde. Het verhoogd gemeten gehalte barium in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 is niet verhoogd gemeten ten opzichte van de tussenwaarde (criteria voor nader onderzoek) of bodemindexwaarde (>0,5) en geeft daardoor geen aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. 4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
34
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
35
4.4 Externe veiligheid 4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Beoordeling
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe cirkel) en omgeving weergegeven.
36
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Afbeelding 4.2
Uitsnede van de risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie aan de hand van de risicokaart blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Opgemerkt wordt dat de groene aanduiding op de kaart gevoelige functies betreffen. Doordat in het plangebied geen gevaarlijke functies worden toegevoegd, lopen de gevoelige functies rondom het plangebied geen gevaar als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5 Milieuzonering 4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
37
voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Doordat rondom het plangebied een diversiteit aan functies aanwezig is (maatschappelijk, horeca, sport, detailhandel en wonen), kan het gebied worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategori e 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
38
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied komen verschillende milieubelastende functies voor. In de onderstaande tabel is weergegeven waar deze functies zitten, tot welke milieucategorie deze behoren, wat hiervan de grootste richtafstand is en op welke afstand het plangebied ligt ten opzichte van de milieubelastende functie. De genoemde afstanden zijn gemeten tussen het bouwvlak van de milieubelastende functie tot het bouwvlak van de meest nabijgelegen woning.
Adres + functie Milieucategorie Richtafstand Afstand tot het (bestemming) (gemengd gebied) plangebied Dorpsstraat 50 1 0 meter 30 meter Bakkerij (10 meter voor het (detailhandel) milieuaspect 'gevaar') Dorpsstraat 55 1 0 meter 40 meter Meubelverkoop (10 meter voor het (detailhandel) milieuaspect 'gevaar') Dorpsstraat 61 1 0 meter 22 meter Rabobank (maatschappelijk) Dorpsstraat 69 2 10 meter 21 meter Horeca cat. 3 (Horeca) Dorpsstraat 64 2 10 meter 30 meter Kerk (Maatschappelijk) Disseroltweg 9 3.1 30 meter 13 meter Voetbalvereniging (Sport) Uit de bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstand van de voetbalvereniging niet wordt voldaan.
Voetbalvereniging (geluid) Ten aanzien van de voetbalvereniging wordt opgemerkt dat de richtafstand betrekking heeft op het milieuaspect 'geluid'. In dit kader heeft Alcedo een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Resultaten In het akoestisch onderzoek is geconstateerd dat als gevolg van sport- en stemgeluiden op het trainingsveld tijdens trainingsdagen in de avondperiode overschrijdingen van de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidsbeleid voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus optreden. Tevens wordt de gehanteerde grenswaarde voor het maximale geluidsniveau overschreden. Om het woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen te verbeteren, kunnen maatregelen worden overwogen. Toetsing Activiteitenbesluit In bijlage 3 van het akoestisch onderzoek zijn de berekeningsresultaten van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op trainingsdagen exclusief sport- en stemgeluiden weergegeven. Bij de toetsing aan het Activiteitenbesluit mogen de sport- en stemgeluiden buiten beschouwing worden gelaten. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de begane grond in de dagperiode ten hoogste 39 dB(A) bedraagt en in de avondperiode op de verdiepingen ten hoogste 28 dB(A).
Hiermee wordt voldaan aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
39
Goede ruimtelijke ordening In bijlage 4 van het akoestisch onderzoek zijn de berekeningsresultaten van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op trainingsdagen inclusief sport- en stemgeluiden weergegeven. Bij de toetsing of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, worden de sport- en stemgeluiden wel in beschouwing genomen. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de begane grond in de dagperiode ten hoogste 41 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt in de dagperiode voldaan aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidsbeleid. In de avondperiode bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de verdiepingen in de avondperiode ten hoogste 47 dB(A). Dit niveau treedt op ter plaatse van de woning dat het dichtst bij de sportvelden is geprojecteerd. Hiermee wordt de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidsbeleid met 7 dB(A) overschreden. Er wordt wel voldaan aan de plafondwaarde uit het gemeentelijk geluidsbeleid. Een nieuwe woning dient minimaal een geluidswering van 20 dB(A) te hebben volgens het Bouwbesluit. Met deze geluidswering wordt er in de woning in de avondperiode wel voldaan aan het maximaal toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 30 dB(A). In de woning is hiermee wel sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Bij enkele woningen wordt de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid met 2 tot 5 dB(A) overschreden. Hier wordt wel voldaan aan de plafondwaarde uit het gemeentelijk geluidsbeleid. Doordat het plangebied niet is gelegen in een overwegend woongebied maar er verscheidene andere bestemmingen in de omgeving te vinden zijn kan worden aangesloten bij de plafondwaarde. Resumé In het akoestisch onderzoek worden diverse maatregelen aangehaald om ter plaatse van de woningen die niet kunnen voldoen aan de gemeentelijke ambitiewaarden, de geluidsbelasting te reduceren. Het is echter toegestaan om gemotiveerd af te wijken van het gemeentelijk geluidsbeleid. In voorliggend geval kan van het gemeentelijk geluidsbeleid worden afgeweken omdat de geluidsbelasting op de woningen ruim beneden de bovengrenswaarde van 55 dB(A) blijft. Daarnaast vindt de geluidsbelasting uitsluitend plaats gedurende de trainingstijden (tussen 18:00 en 20:45). Van verstoring van nachtrust is daarmee geen sprake. Tot slot is het in voorliggend geval niet mogelijk om het plan stedenbouwkundig dermate aan te passen, dat er geen geluidsbelasting van het sportveld ontstaat. Gelet op het vorenstaande wordt ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht.
Voetbalvereniging (lichthinder) De voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van acht woningen op ten minste 13 meter ten westen van een voetbalvelden. Aangezien er op de sportvelden een lichtmastinstallatie aanwezig is, kan er ter plaatse van de te realiseren woningen sprake zijn van lichthinder. Op basis van artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit moet de verlichting zijn uitgeschakeld: tussen 23:00 en 7:00; als er geen sport wordt beoefend en; als er geen onderhoud plaatsvindt. In voorliggend geval is door de voetbalverenigingen informatie verschaft omtrent de trainingstijden (i.v.m. het akoestisch onderzoek: zie Bijlage 5) en het daaraan samenhangende gebruik van de lichtinstallatie. Het meest nabij gelegen veld betreft een trainingsveld dat uitsluitend doordeweeks wordt gebruikt. Deze trainingen vinden plaats tussen 18:00 en 20:45 uur. Het is daarom aannemelijk dat de lichtinstallatie ruim voor 23:00 is uitgeschakeld. Er wordt dan ook voldaan aan de voorschriften zoals deze in het Activiteitenbesluit worden gesteld aan de lichthinder van sportterreinen. Daarnaast zijn er reeds woningen van derden aanwezig op een soortgelijke afstand tot de sportvelden en daarmee maatgevend zijn. Tevens is tussen het plangebied en de sportvelden een brede groenstrook aanwezig die (in beperkte mate) lichthinder tegenhoudt.
Geconcludeerd wordt dat een onderzoek naar lichthinder niet noodzakelijk wordt geacht. 4.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.
40
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
4.6 Ecologie 4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' ligt op een afstand van circa 1,4 kilometer van het plangebied. Ondanks deze afstand zijn door BJZ.nu in het kader van de realisatie en het toekomstig gebruik van de woningen AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting, hierna worden de resultaten kort beschreven. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten van 0,01 mol/ha/j. Er is daarmee sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase geldt dat er nader onderzoek is gedaan, waaruit blijkt dat intern salderen tot de mogelijkheden behoort. Voor de referentiesituatie is enkel het beweiden van een volwassen paard in de AERIUS-calculator ingevoerd.
Uit de rekenresultaten van de salderingsberekening blijkt dat er geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Tot slot wordt opgemerkt dat, vanwege de ruime afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden, op voorhand wordt geconcludeerd dat het voornemen door geluid, licht of trillingen geen negatieve effecten veroorzaakt voor Natura 2000-gebieden. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als bestaande natuur van het NNN zijn op een afstand van circa 800 meter van het plangebied gelegen.
Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.6.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door Jansen & Jansen groenadviesbureau een quickscan flora & fauna uitgevoerd. Hoewel dit onderzoek inmiddels meer dan 2 jaar geleden heeft plaats gevonden, maken dat de inrichtig en het onderhoud van de gronden binnen het plangebied dat deze nog steeds bruikbaar is. Het volledige onderzoeksrapport is in bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
41
4.6.3.1 Flora Er zijn geen beschermde soorten aanwezig. Negatieve effecten zijn niet te verwachten. 4.6.3.2 Amfibieën, vissen en reptielen Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep zijn geen beschermde amfibieën, vissen en reptielen te verwachten. Wel kunnen de groenstroken en het plangebied (paddentrek) gebruikt worden door algemene amfibiesoorten zoals de bruine kikker en de gewone pad. Voor de te verwachten soort geldt op basis van provinciaal soortenbeleid een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt echter niet van een algemene zorgplicht. Om invulling te geven aan deze zorgplicht dienen eventuele werkzaamheden op een amfibievriendelijke wijze te worden uitgevoerd. 4.6.3.3 Vogels Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Jaarrond beschermde verblijfplaatsen zijn niet aanwezig in het plangebied. Wezenlijke negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplaatsen zijn niet te verwachten. Tijdelijk beschermde verblijfplaatsen Eventuele werkzaamheden nabij de groenstrook en bomen mogen niet worden uitgevoerd tijdens de piek van het broedseizoen globaal tussen 15 maart en 15 augustus. Ook buiten de piek van het broedseizoen zijn actieve nesten beschermd. Als er een actief nest wordt aangetroffen, dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt. 4.6.3.4 Vleermuizen
Zoogdieren
De aanwezigheid en daarbij gepaarde verstoring van beschermde functies in en rond de groenstrook kan niet geheel worden uitgesloten. Er is een beperkte kans dat in de aanwezige holten verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De voorgenomen ingreep kan in het geval van aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. De daadwerkelijke geschiktheid van de holtes dient op hoogte nader worden vastgesteld. Kleine marterachtigen en egels Mogelijk hebben de groenstroken een functie als foerageerroute of als verblijfplaats voor kleine marterachtigen en egels. Doordat de groenstroken blijven staan en er geen toenemende verstoring verwacht wordt is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er negatieve effecten optreden op eventuele verblijfplaatsen. Overige soorten Het is mogelijk dat algemene grondgebonden zoogdiersoorten, waaronder algemene muizensoorten en konijnen gebruik maken van het plangebied. Voor de te verwachten soorten geldt op basis van provinciaal soortenbeleid een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt een algemene zorgplicht richting deze soorten. Aan deze zorgplicht kan invulling worden gegeven door, wanneer er gewerkt wordt, handmatig te werken en door te werken buiten de kwetsbare periode van voortplanting en winterrust; de periode van 15 augustus tot 1 december is ideaal.
4.6.3.5 Libellen, dagvlinder en overige ongewervelden Er zijn geen beschermde soorten aanwezig. Negatieve effecten zijn niet te verwachten. 4.6.3.6 Nader onderzoek Doordat uit de Quickscan flora & fauna bleek dat er een beperkte kans is dat in de bomen in het noorden van het plangebied verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, heeft een nadere beschouwing plaatsgevonden. Het rapport met de resultaten van deze beschouwing zijn in bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Deze rapportage is eveneens ouder dan 2 jaar, maar ook hier geldt dat het gebruik en onderhoud in de afgelopen jaren ongewijzigd is en daarmee de situatie binnen het plangebied ongewijzigd is. De conclusies uit deze rapportages zijn nog steeds bruikbaar. Uit de extra beschouwing blijkt dat de aanwezigheid van jaarrond beschemde verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. 4.6.4
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor dit plan. 42
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
4.7 Archeologie & Cultuurhistorie 4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie plangebied In afbeelding 4.3 is de ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart weergegeven.
Afbeelding 4.3 Dinkelland)
Ligging van het plangebied t.o.v. de archeologische verwachtingskaart (Bron: gemeente
Het plangebied is op basis van de archeologische verwachtingskaart aangemerkt als 'beekdalen en overige laagten'. Hier geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm, tenzij sprake is van meerdere verwachtingszones of het terrein grenst aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Ter plaatse van de locaties waar binnen voorliggend voornemen ontwikkelingen plaatsvinden is geen sprake van meerdere verwachtingszones en de locatie grenst niet aan een terrein met waardevolle resten. Ten behoeve van het voornemen is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
43
4.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart Overijssel, in het plangebied geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten. Ten noorden van het plangebied, aan de Dorpsstraat 64, bevindt zich een monumentale kerk. Doordat het plangebied op enige afstand (circa 30 meter) van de kerk ligt, is van enige aantasting van de monumentale status geen sprake. Op enige afstand (circa 190 meter) ten zuidwesten van het plangebied staat de Oortmanmolen. Voor de instandhouding van deze molen, is rondom deze molen een molenbiotoop aangewezen. Doordat het plangebied ligt binnen de molenbiotoop van de Oortmanmolen, is advies ingewonnen bij De Molenstichting. Op basis van de zogenaamde molenformule, heeft De Molenstichting berekend wat de maximale bouwhoogte van de woningen in het plangebied mag zijn, zonder dat dit ten kosten gaat van de molenbiotoop van de Oortmanmolen. Hieruit blijkt dat de woningen in het plangebied een maximale nokhoogte van 9,42 meter mogen hebben. Het advies van De Molenstichting is overgenomen. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is de maximale nokhoogte (bouwhoogte) van 9,42 meter vastgelegd. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8 Besluit milieueffectrapportage 4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
44
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
4.8.2
Situatie plangebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 1,4 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld'. Uit de stikstofdepositieberekening is gebleken dat er zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.
Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor voorliggend plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. In dat kader is in voorliggend geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoed. De volledige beoordeling is in bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling bijkt dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Het besluit is in bijlage 10 opgenomen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is tussentijds geactualiseerd. De actualisering was noodzakelijk vanwege het gewijzigde stedenbouwkundig plan in invulling in het plangebied. In beginsel werd uitgaat van de bouw van negen woningen. Gedurende het planproces is dit aantal naar boven bijgesteld naar tien woningen.
Het vorenstaande resulteert echter niet in een andere danwel zwaardere milieubelasting voor de omgeving, waardoor het besluit nog als actueel kan worden beschouwd. 4.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
45
46
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1 Vigerend beleid 5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
47
5.2 Waterparagraaf 5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'normale procedure'. Gelet op het vorenstaande heeft overleg met het waterschap plaatsgevonden. Met onder andere de input vanuit dit overleg is de onderstaande paragraaf tot stand gekomen. Mede met de input vanuit het overleg met het waterschap, is in voorliggend geval door Roelofs een waterhuishoudkundig plan opgesteld (zie Bijlage 11). Hierna wodt ingegaan op de relevante waterhuishoudkundige aspecten. Waterberging Op basis van het stedenbouwkundig plan, is het verhard oppervlak van daken, wegen en particuliere verharding geschat. Het totaal verhard oppervlak bedraagt 2.123 m². Het waterschap Vechtstromen adviseert om 55 mm waterberging aan te leggen, conform het beleid van de gemeente is 40 mm waterberging echter voldoende. Rekening houdend met verdamping en instroomverliezen mag je nog 3 mm in mindering brengen op de 40 mm. Dus de wadi moet voor een uitbreidingsplan een minimale waterberging hebben van 37 mm. Taluds bij voorkeur helling 1:5 en een bergende schijf van 0,30 m water met 0,20 m waking. 37 mm over een verhard oppervlak van 2.123 m² betekent 79 m³. Deze berging dient gerealiseerd te worden in de bergende schijf van 0,30 m. Het ruimtebeslag van de wadi bedraagt in dat geval ca. 265 m².