Bestemmingsplan woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Woningbouw Hoek DorpsstraatDisseroltweg, Lattrop
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.LATBPDORPSSTDISSERVG01
Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime 1.5 Leeswijzer
5 5 5 5 6 7
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 Ontstaansgeschiedenis Lattrop 2.2 Huidige situatie plangebied 2.3 Gewenste situatie plangebied
9 9 9 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
15 15 16 26 29
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Geluid (Wet geluidhinder) 4.2 Bodemkwaliteit
33 33 34
4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
35 36 37 41 43 44
Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Ecologie Archeologie & Cultuurhistorie Besluit milieueffectrapportage
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Vigerend beleid 5.2 Waterparagraaf
47 47 48
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding 6.2 Opzet van de regels 6.3 Verantwoording van de regels
51 51 51 52
Hoofdstuk 7
55
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 8.1 Vooroverleg 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
2
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
57 57 57 57
Toelichting
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
3
4
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het onbebouwde perceel gelegen tussen de Dorpsstraat en de Disseroltweg in Lattrop. Initiatiefnemer is voornemens om het perceel te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Met de woningbouwontwikkeling wordt ingespeeld op de concrete woningbehoefte in Lattrop. Het voornemen ziet toe op het realiseren van tien woningbouwkavels. Concreet gaat het om drie kavels voor vrijstaande woningen, vier kavels voor twee-onder-een-kap-woningen en een blok van die rijwoningen. De woningbouwontwikkeling resulteert in een passende afronding van de bebouwde kom van Lattrop en voorziet in de actuele woningbehoefte in Lattrop. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan "Lattrop" van de gemeente Dinkelland. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders, waarbij zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt in het noordoosten in de kern Lattrop. Het perceel waar het plangebied betrekking op heeft staat kadastraal bekend als Denekamp, sectie L met perceelnummer 1574 en een deel van 903. In afbeelding 1.1 wordt de ligging van het plangebied in de kern Lattrop (rode ster) en de directe omgeving (rode omlijning) indicatief weergegeven.
Afbeeld ing 1.1 Ligging plangebied in de kern Lattrop en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)
1.3 De bij het plan behorende stukken Het Bestemmingsplan "Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1774.LATBPDORPSSTDISSER-VG01) en een renvooi; regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
5
1.4 Huidig planologisch regime 1.4.1
Algemeen
Het plangebied bevindt zich binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Lattrop", het "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" en het "Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland". Deze bestemmingsplannen zijn respectievelijk op 26 februari 2013, 28 mei 2018 en 5 juli 2021 vastgesteld. Het "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" voorziet uitsluitend in het planologisch borgen van de te hanteren parkeernormen. Een verdere beschrijving van dit bestemmingsplan is dan ook niet aan de orde. Het "Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland" zorgt voor een aantal wijzigingen in de regels van het bestemmingsplan "Lattrop". In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan "Lattrop" ter plaatse van het plangebied opgenomen. Het plangebied is hierin met de rode belijning indicatief weergegeven.
Afbelding 1.2 1.4.2
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Lattrop" (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Beschrijving bestemmingen
Op basis van het geldende bestemmingsplan "Lattrop" is het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch', 'Sport' en 'Wonen'. Daarnaast is het gehele plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop'. Hierna wordt per bestemming en aanduiding nader ingegaan op de bijbehorende regels. Bestemming 'Agrarisch' De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik, met daaraan ondergeschikt onder andere het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden, cultuurgrond, openbare nutsvoorzieningen en extensief dagrecreatief medegebruik. Bestemming 'Sport' De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor sport en recreatie, met daaraan ondergeschikt onder andere aan sportvoorzieningen gerelateerde ondergeschikte horeca in de vorm van een sportkantine, wegen en paden. Binnen de bouwregels is bepaald dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd (ter plaatse van het plangebied is geen bouwvlak aanwezig). In voorliggend geval is het binnen het plangebied geldende sportbestemming toegekend aan de groenstrook direct grenzend aan het ten oosten gelegen sportveld. Bestemming 'Wonen' Voor een beperkt deel is het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen'. De voor 'Wonen' aangewezen 6
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
gronden zijn bestemd voor wonen, met daaraan ondergeschikt onder andere de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, speelvoorzieningen, wegen en paden. Gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - Molenbiotoop' Door middel van de genoemde gebiedsaanduiding dient de Oortmanmolen te worden beschermd. Dit houdt in dat in de nabijheid van de molen bebouwing onder een bepaalde hoogte moet blijven. Hiervoor geldt een rekenformule. Om in de nabijheid van de molen te bouwen, dient advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de molen. 1.4.3
Strijdigheid
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de geldende bestemming. De geldende bestemmingen bieden onvoldoende gebruiks- en bouwmogelijkheden. De gemeente Dinkelland is bereid de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken door het bestemmingsplan te herzien voor wat betreft de in dit bestemmingsplan besloten gronden. In voorliggende plantoelichting wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de Provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg, inspraak en zienswijzen.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
7
8
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Hoofdstuk 2
Beschrijving plangebied
2.1 Ontstaansgeschiedenis Lattrop Reeds in stukken uit 1272 staat het dorp vermeld als Lattorpe. Lattrop is ontstaan vanuit een essenzwermnederzetting. Kernvorming trad pas op nadat er een kerkgebouw was verrezen. Gelijktijdig met de afscheiding van de gemeente Denekamp van de gemeente Ootmarsum in 1818, werd Lattrop als zelfstandige parochie van Ootmarsum afgescheiden. In 1819 werd een zogenaamde waterstaatkerk in gebruik genomen, deze werd vervangen door de huidige roomskatholieke H.H. Simon en Judas kerk gebouwd in 1925. In Lattrop tekenden de eerste vormen van geconcentreerde bebouwing af rond een esachtige verhoging, ingeklemd tussen de huidige Disseroltweg, de Pastoor Brandstraat en de Dorpsstraat. Uit afbeelding 2.1 is op te maken hoe Lattrop sinds begin vorige eeuw gegroeid is. De bebouwing concentreerde zich in eerste instantie rond het kruispunt van de Dorpsstraat en Otterhagesweg. Later zette de bebouwing zich langs deze wegen voort. In de jaren 60 is een verbinding gemaakt tussen de Dorpsstraat en de Disseroltweg. De Pastoor Brandtsstraat doet dienst als ontsluitingsweg van de uitbreidingswijk ten zuiden van deze straat. Eind jaren 80 van de vorige eeuw is aan de noordzijde van de kern om de straat Kraakenhof uitgebreid. Begin deze eeuw is aan het zuidwestkant verdere uitbreiding nabij de molen afgerond.
Afbeelding 2.1
Lattrop door de jaren heen (Bron: bestemmingsplan "Lattrop")
2.2 Huidige situatie plangebied Zoals aangegeven ligt het plangebied in het noordoosten van de kern Lattrop. Rondom het plangebied is sprake van een diversiteit aan functies. Het gaat hierbij om maatschappelijke voorzieningen, horeca, detailhandel, sport, wonen en agrarische cultuurgronden. De infrastructuur vormt de belangrijkste ruimtelijke structuurdrager rondom het plangebied. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische cultuurgronden. Ten oosten vormen sportvelden en woonpercelen de begrenzing. De zuid- en westzijde van het plangebied wordt respectievelijk begrensd door de Disseroltweg en de Dorpsstraat. Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en is deels in gebruik als paardenweide. Aan de oostzijde is het plangebied ingericht als groenstrook grenzend aan het voetbalveld. In afbeelding 2.2 is op een luchtfoto de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is hierbij indicatief weergeven met de rode omlijning. In afbeelding 2.3 is een straatbeeld opgenomen van de huidige situatie vanaf de Dorpsstraat en de Disseroltweg. bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
9
Afbeelding 2.2
10
Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK)
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Afbeelding 2.3
Straatbeeld huidige situatie plangebied (Bron: Google Streetview)
2.3 Gewenste situatie plangebied 2.3.1
Gewenste ontwikkeling
2.3.1.1 Woningbouw De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van tien grondgebonden woningen. Concreet gaat het om de bouw van drie vrijstaande woningen, vier twee-onder-één-kap-woningen en drie rijwoningen. Alle woningen worden ontsloten op de te realiseren (gezamenlijke) in- en uitrit op de Dorpsstraat. De woningen krijgen een maximale bouwhoogte van 9,42 meter. Deze specifieke bouwhoogte is opgenomen ter bescherming van de molenbiotoop van de Oortmanmolen (zie ook paragraaf 4.7.2.2). Het parkeren wordt in het plangebied enerzijds opgevangen op eigen grond van de woningen, anderzijds worden er 11 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de eerder genoemde gezamelijke in- en uitrit. Aan de westzijde van het plangebied blijft een groene zone gehandhaafd. Hiermee blijven doorzichten richting de kerk ten noorden van het plangebied gehandhaafd en krijgt het plangebied een groene uitstraling. Zodoende ontstaat er ook een passende overgang van de bebouwde kom en het buitengebied aan de noordoostzijde van Lattrop. Aan de noordoostzijde van het plangebied is eveneens sprake van een groene zone, ook deze zone dient de groene uitstraling. In afbeelding 2.4 is de gewenste situatie ter plaatse van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
11
Afbeelding 2.4 Gewenste situatie plangebied (Bron: Leferink Architecten)
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 1 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitsplan dient ter waarborging van een bepaalde gewenste ruimtelijke kwaliteit en uitstraling in het plangebied. Hierna wordt kort ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten. Om het omliggende landschap te verbinden met de Dorpsstraat en het voorterrein van de kerk is de richting van het kerkgebouw leidend geweest voor de stedenbouwkundige opzet van locatie Möske. Daarmee is zowel het zicht op de kerk als op het landschap verzekerd vanaf de Dorpsstraat. De sfeer van het dorp is de basis voor de woningbouw op de locatie Möske. Dat betekent dorpse, twentse woningbouw in een ontspannen setting. De volgende beeldkwaliteitseisen zijn opgesteld: De verschijningsvorm is dorps, één bouwlaag met een kap. Alle woningen zijn verschillend en individueel herkenbaar. De woningen mogen ten opzichte van elkaar verspringen, er is geen verplichting om in de rooilijn te bouwen. De woningen zijn op straat georiënteerd. Bij een hoeksituatie dienen de naar de openbare weg, de Dorpsstraat en Disseroltweg, toegekeerde gevels als voorgevels te worden ontworpen, voorzien van ramen en voorzien van bijvoorbeeld de entree van de woning of een erker.
Bij de kavelnummers 1, 7 en 8 (zie afbeelding 2.4) mogen bijgebouwen(garages) niet aan de zijde van de Dorpsstraat gesitueerd worden. De locaties van de inritten zijn op het ontwerp aangegeven
12
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
2.3.2
Verkeer & parkeren
2.3.2.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Dinkelland hanteert hiervoor de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren'. In deze notitie zijn geen kencijfers opgenomen ten aanzien verkeersgeneratie. Hiertoe wordt de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW aangehouden. Voor het plangebied binnen de gemeente Dinkelland gelden de volgende uitgangspunten: stedelijkheidsgraad: 'niet stedelijk' (Bron: CBS-statline); zone: 'rest bebouwde kom'. 2.3.2.2 Verkeer Op basis van bovenstaande uitgangspunten en de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW is de verkeersgeneratie die voorliggende ontwikkeling oplevert te berekenen. De onderstaande tabel geeft hiervan een overzicht: Woningtype
Verkeersgeneratie per woning per etmaal 8,2 7,8
Aantal woningen
Verkeersgeneratie
Koop, huis, vrijstaand 3 24,6 Koop, huis, 4 31,2 twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek 7,4 3 22,2 Totaal 78 Afgerond resulteert de voorgenomen ontwikkeling in een dagelijkse verkeersgeneratie van 78 verkeersbewegingen. De woningen in het plangebied worden ontsloten via de Dorpsstraat, welke beschikt over voldoende capaciteit om deze toevoeging van 78 verkeersbewegingen per dag af te handelen. Dit temeer de berekende verkeersbewegingen verdeeld over de dag plaats zullen vinden en in dat opzicht niet of nauwelijks waarneembaar zullen zijn. De Dorpsstraat en omliggende wegen hebben een snelheidsregime van 30 km/u, zodoende kan veilig het plangebied worden betreden en verlaten. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen gevallen van verkeersoverlast bekend. In het kader van 'verkeer' zijn geen bezwaren op het planvoornemen. 2.3.2.3 Parkeren Op basis van de uitgangspunten uit paragraaf 2.3.2.1 en de parkeernormen van de gemeente Dinkelland is in het kader van voorliggende ontwikkeling de parkeerbehoefte te berekenen. De onderstaande tabel heeft hiervan een overzicht: Woningtype Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussenwoning of rijtje Totaal
Parkeerbehoefte per woning 2,3 2,2
Aantal woningen
Parkeerbehoefte
3 4
6,9 8,8
2
3
6 21,7
Zoals op afbeelding 2.4 te zien valt wordt, met uitzondering van de tussenwoning, bij vier woningen een dubbel oprit zonder garage gerealiseerd (goed voor 6,8 parkeerplaatsen) en vijf enkele opritten (4 parkeerplaatsen). Voor de overige parkeerbehoefte worden in het zuidoosten van het plangebied 11 parkeerplaatsen met uitstapruimte en schrikruimte gerealiseerd. Zo worden, met in achtneming van het gemeentelijk parkeerbeleid, 21,8 parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd. Zodoende wordt binnen het plangebied voldaan aan de verwachte parkeerbehoefte. In Bijlage 2 is de erfinrichting met de afmetingen van de parkeerplaatsen opgenomen. Vermeldt wordt dat in Artikel 12.1 van de regels ter waarborging bepalingen zijn opgenomen, waarmee wordt verzekerd dat binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
13
2.3.2.4 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
14
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
15
gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. 3.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. 3.1.1.5 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Voor de toetsing aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (3.1.6 Bro). Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' wordt in Bro 1.1.1.
als volgt gedefinieerd: stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de bouw van meer dan 11 woningen als stedelijke ontwikkeling wordt gezien (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is in voorliggend geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet namelijk in een lager aantal woningen dan waarop de uitspraak is gebaseerd, namelijk maximaal tien grondgebonden woningen. Geconcludeerd wordt dat geen verdere toetsing plaats hoeft te vinden aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking” en dat het initiatief voldoet aan het rijksbeleid. 3.1.2
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd kan worden dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
3.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.
16
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Opgemerkt wordt dat per 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Overijssel 2024 inwerking getreden. Dat heeft niet geleid tot een inhoudelijke beleidswijziging met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan, maar wel tot een nieuwe artikelnummering. Dat betekent dat als wordt verwezen naar de artikelnummers uit de oude provinciale verordening hier de nummers van nieuwe provinciale verordening gelezen moet worden. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
17
Afbeelding 3.1
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
3.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties - en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten - te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 3.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheid zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de - voor dat ontwikkelingsperspectief - geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 3.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
Voor de normerende 18
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 3.2.4
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase ‘generieke beleidskeuzes’ zijn een aantal artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen zal hierna nader worden ingegaan.
Artikel 2.1.2 Principe van concentratie 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening Overijssel De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van tien woningbouwkavels in Lattrop. De woningen zijn bedoeld om de lokale woonbehoefte in Lattrop te faciliteren. Zoals blijkt uit de toetsing aan het regionale en gemeentelijke woonbeleid (respectievelijk paragrafen 3.3 en 3.4.2), is er in Lattrop nog behoefte aan extra woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hierin. Geconcludeerd wordt dat de beoogde woningbouwontwikkeling voldoet aan de bepalingen, zoals opgenomen in artikel 2.1.2.
Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel De woningbouwontwikkeling betreft een uitbreidingsplan op een locatie dat aan nagenoeg alle zijden is omsloten door bestaand stedelijk gebied. Binnen de kern Lattrop is behoefte aan extra woningen, echter de inbreidingsmogelijkheden in de kern zijn ontoereikend om volledig in deze behoefte te kunnen voorzien. Het plangebied behorende bij voorliggend bestemmingsplan betreft de meest logische locatie om te zoeken naar uitbreidingsmogelijkheden. Daarbij wordt opgemerkt dat het plangebied op basis van de 'Stedelijke laag' van de Omgevingsvisie Overijssel reeds is bestempeld als stedelijk gebied (Woonwijken 1955 - nu).
Zodoende wordt gesteld dat het uitbreiden van het stedelijk gebied ter plaatse van het plangebied reeds voorzien is en er zodoende geen onevenredig extra ruimtebeslag op de groene omgeving plaatsvindt. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen 1. Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
19
2. 3.
4.
5.
6.
voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek woningbouw, voorzien. In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn, mag - in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de woonafspraken. De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek woningbouw waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten. In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel.
In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.
De van belang zijnde begrippen in het kader van artikel 2.2.2 zijn hierna opgenomen: Nieuwe woningen: te realiseren woningen, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven Actueel onderzoek woningbouw: door de raad vastgesteld onderzoek waarin de behoefte van de gemeente aan nieuwe woningen is onderbouwd op basis van de regionale behoefte woningbouw, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens. Regionale behoefte woningbouw: door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nog te realiseren woningen is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses. Woonafspraken: bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing, toekomstbestendigheid bestaande voorraad, programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt. Regio: de gemeenten die onderdeel uitmaken van de samenhangende woningmarkt die bediend wordt met de woningbouwmogelijkheden die een gemeente biedt. In artikel 2.2.3 lid 1 van de Omgevingsverordening wordt onder actueel onderzoek woningbouw verstaan: onderzoek dat eens in de 2 jaar wordt geactualiseerd.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel De voorgenomen ontwikkeling wordt in paragraaf 3.3.1 en 3.4.2 getoetst aan respectievelijk het RWP Twente (2021) en het actuele gemeentelijke woonbeleid. Uit deze toetsing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de actuele woningbouwprogramma van de gemeente Dinkelland. Gelet hierop wordt voldaan aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Het plangebied is met de rode belijning aangegeven.
20
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Afbeelding 3.2
Het Ontwikkelingsperspectief (Bron: Provincie Overijssel)
3.2.4.2.1 Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. 3.2.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan het "Ontwikkelingsperspectief" Het plangebied ligt hoofdzakelijk in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het realiseren van woningen is binnen dit ontwikkelingspespectief passend. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met het geldende ontwikkelingsperspectief. 3.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hierna wordt per laag ingegaan op de ter plaatse van het plangebied geldende gebiedskenmerken. 1.
De "Natuurlijke laag"
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de "Natuurlijke laag" aangeduid met het gebiedstype "Dekzandvlakte en ruggen". In afbeelding 3.3 is dat aangegeven. bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
21
Afbeelding 3.3
Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)
Dekzandvlakte en ruggen De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Toetsing van het initiatief aan de "Natuurlijke laag" In de huidige situatie zijn geen hoogteverschillen meer (zichtbaar) aanwezig. Vorenstaande wordt bevestigd door het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Op deze interactieve kaart is zichtbaar dat de hoogteverschillen ter plaatse van de paardenwei in het plangebied slechts 10 tot 20 centimeter bedragen. De oostelijke groene buffer ligt circa 1 meter hoger. Deze groene buffer is echter zeer beperkt van omvang en is niet bepalend in de hoogteverschillen die men herkenbaar wil houden. Het bijdragen aan en het zichtbaar en beleefbaar maken van hoogteverschillen is dan ook niet mogelijk. Wel wordt opgemerkt dat het plangebied vanuit waterhuishoudkundig oogpunt moet worden opgehoogd. Deze ophoging is noodzakelijk om water naar de in het oosten van het plangebied geprojecteerde wadi te kunnen laten stromen. Voor nadere duiding van deze noodzaak, wordt verwezen naar paragraaf 5.2 en Bijlage 11. Daarnaast bevindt zich in of rondom het plangebied geen oppervlaktewater. Het bijdragen aan en het zichtbaar en beleefbaar maken van het watersysteem is dan ook niet mogelijk. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied geen kenmerken uit de natuurlijke laag (meer) aanwezig zijn. Het voornemen verzet zich niet tegen de "Natuurlijke laag".
2.
De "Laag van het agrarisch cultuurlandschap"
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop 22
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype "Oude hoevenlandschap". In afbeelding 3.4 is dat aangegeven.
Afbeelding 3.4
Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)
Oude hoevenlandschap Het oude hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.
Toetsing van het initiatief aan de "Laag van het agrarisch cultuurlandschap" Bij de invulling van het plangebied in de positionering van de woningen is er bewust voor gekozen om bestaande omliggende opgaande groenstructuren te behouden. Doordat deze structuren worden behouden, worden de kenmerken van het oude hoevenlandschap, de genoemde 'kleinere maat' van het essenlandschap, in stand gehouden. Het voornemen is dan ook in overeenstemming met de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'.
3.
De "Stedelijke laag"
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de "Stedelijke laag" aangeduid met het gebiedstype 'Woonwijken 1955 - nu'. In afbeelding 3.5 is dat weergegeven. bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
23
Afbeelding 3.5
De Stedelijke laag (Bron: Provincie Overijssel)
Woonwijken 1955 - nu Deze woonwijken zijn uitbreidingswijken, op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies zijn hier divers en de wijken zijn homogeen van karakter. Lokaal, bijvoorbeeld aan de rand, bevinden zich kleine eenheden die afwijken van het systeem, zoals ‘goudkustjes’. Er zijn duidelijke in- en uitgangen en er is kunst in de openbare ruimte aanwezig. Met name de aansluiting op de binnenstad en het hoofdwegennetwerk is goed geregeld en de bouwperiode is af te lezen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en architectuur. Nieuwe functies in gebouwen dragen bij aan het behoud van het wijkkarakter en er wordt voort geborduurd op de bestaande kwaliteiten en het stedenbouwkundig ontwerp.
Toetsing van het initiatief aan de 'Stedelijke laag' Zoals ook in paragraaf 2.3 is aangegeven, is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een beeldkwaliteitsplan (bijlage 1) opgesteld. Door middel van het beeldkwaliteitsplan worden bepaalde eisen gesteld aan de uitstraling van het plangebied. In dit beeldkwaliteitsplan is nadrukkelijk aansluiting gezocht op de kenmerken van de omgeving. Op die manier moet de bebouwing zich gaan voegen in het dorp Lattrop. Geconcludeerd wordt dat de 'Stedelijke laag' zich niet verzet tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.
De "Laag van de beleving"
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de "Laag van de beleving" aangeduid met het gebiedstype 'Donkerte'. In afbeelding 3.6 is dat weergegeven.
24
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Afbeelding 3.6
De laag van de beleving (Bron: Provincie Overijssel)
Donkerte Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bij ontwikkeling in gebieden die zijn aangewezen als “Donkerte” wordt gestuurd op het zo min mogelijk toepassen van kunstlicht.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Het plangebied is aan nagenoeg alle zijden begrensd door bestaande stedelijke functies. Deze stedelijke functies resulteren reeds in een meer verlichte omgeving. De voorgenomen tien woningbouwkavels zullen niet resulteren in een onevenredige toename van kunstlicht in en om het plangebied. Doordat er al sprake is van een omgeving die niet meer volledig donker is, zullen verschillen nagenoeg niet waarneembaar zijn. Daarbij wordt benadrukt dat de hele kern Lattrop is aangeduid als 'Donkerte'. Dit nuanceert de mate van donkerte dat in en om het plangebied wordt nagestreefd. Geconcludeerd wordt dat de 'Laag van de beleving' zich niet verzet tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
25
3.3 Regionaal beleid Het regionaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan voor voorliggend initiatief betreft de Regionale Woonagenda Twente uit 2021. 3.3.1
Regionale Woonagende Twente
3.3.1.1 Algemeen De provincie Overijssel, de Overijsselse gemeenten, WoON Twente en hun partners werken al jaren samen aan een kwantitatieve en kwalitatieve balans op de woningmarkt. De partijen maken periodiek meerjarige afspraken over opgaven en ambities. Op basis van deze samenwerking zijn ook met betrekking tot de woningbouwontwikkeling in Twente regionaal afspraken gemaakt. Voor de periode 2021-2025 hebben deze afspraken vorm gekregen middels de op 17 maart 2021 vastgestelde 'Regionale Woonagenda Twente'. In deze woonagenda wordt geschetst wat de komende jaren de prioriteiten zijn op Twentse woningmarkt en hoe de Twentse gemeenten hieraan gaan werken. De woonagenda is het kompas van gemeenten en provincie in relatie tot de woningmarkt. De opgaven waar de partijen voor staan zijn groot. De druk op de woningmarkt en de woningtekorten zijn hoog. Steeds meer huishoudens hebben moeite de gewenste woning te kopen of huren in Twente. Alle partijen voelen de urgentie daar wat aan te doen. Er zullen de komende jaren veel nieuwe woningen bijgebouwd moeten worden, maar er moeten ook manieren worden gevonden om de dynamiek en slaagkansen te vergroten. De druk op de woningmarkt is echter niet de enige uitdaging, ook de investeringsopgave in bestaande wijken en transformatielocaties, de verduurzaming van de woningvoorraad en de huisvesting van bijzondere doelgroepen vragen aandacht.
Tot slot, maar niet in de laatste plaats, kan wonen niet los gezien worden van regionale opgaven zoals verstedelijking, de vitaliteit van de dorpen en steden en de transitie van het platteland. Wonen vormt in deze grote opgaven immers een belangrijke sleutelfunctie. 3.3.1.2 Kwanitatieve behoefte Voor de provincie Overijssel geldt dat sprake is van een forse woningbouwambitie. In de periode tot 2030 moeten 60.000 woningen worden bijgebouwd. Hierdoor is er sprake van een flinke versnellingsopgave. De ambitie om 60.000 woningen toe te voegen is provincie breed en gericht op het snel oplossen van de woningnood in grote delen van de provincie en in verschillende segmenten. De ambitie is opgebouwd uit drie elementen: de beschikbare woningbehoefteprognoses tot 2030; het naar voren halen van de woningbehoefte die ontstaat na 2030, en; een extra impuls om bij te dragen aan het oplossen van de actuele woningnood in Nederland. Op basis van deze drie elementen vult de regio Twente circa 1/3 deel van de ambitie om 60.000 woningen in Overijssel toe te voegen, de regio West Overijssel circa 2/3 deel. De druk op West-Overijssel is immers groter door een toenemende trek vanuit de Randstad en andere landsdelen en voornamelijk de aantrekkingskracht van de regio Zwolle (en in mindere mate ook Deventer).
Concreet betekent het dat de regio Twente ambieert om tot 2030 in totaal circa 20.000 tot 22.000 woningen toe te voegen. Op basis van de prognoses van de huishoudensgroei tussen 2020 en 2030 en de benodigde ruimere programmering is een behoefte van ruim 15.000 woningen te verwachten tot 2030. Dit aantal wordt gedefinieerd als de lokale behoefte. Daarnaast heeft Twente een extra woningbouwambitie/-opgave op basis van onder andere de (gedeeltelijke) inloop van het huidige woningtekort (circa 3%), de krapte op de woningmarkt, de verstedelijkingsopgaven en de toenemende migratiestromen vanuit de Randstad en andere landsdelen. Deze extra woningbouwambitie-opgave bedraagt voor Twente circa 5.000 tot 7.000 woningen tot 2030. De noodzakelijk acties bestaan hiermee uit: Realiseren harde plannen tot 2025; Zachte plannen hard maken en realiseren tussen nu en 2030; Op zoek naar locaties voor uitbreiding tot 2025 en realiseren tot 2030. De onderstaande tabel geeft per gemeente de netto harde en zachte plancapaciteit weer per 1-1-2020. Daarnaast is de woningbouwopgave tot 2030 weergegeven (afbeelding 4.3). 26
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
Afbeelding 4.3: Woningbouwopgave regio Twente (Bron: Regionale woonagenda Twente)
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lat trop
27
Het bovenstaande aantal van 14.130 vormt een voorstelling van het mogelijke aanbod op basis van de harde en zachte plannen per 1-1-2020. De uiteindelijke vraag en behoefte van 15.782 dient echter ingevuld te worden op basis van de wens om te sturen op kwaliteit. Het aantal van 5.000-7.000 betreft de extra ambitie/opgave, waarbij ook hier het samen sturen op kwaliteit leidend is. De juiste woning op de juiste plek, inspelend op de kwalitatieve woningbehoefte en een goede bijdrage leverend aan de leefbaarheid en kwaliteit van wijken/buurten in de steden, de dorpen en het platteland. Opgave 2021-2025 Tot 2025 ligt de focus op het realiseren van de bestaande harde plancapaciteit. Dit zijn de woningbouwprojecten waarmee de gewenste versnelling ingevuld kan worden. Belangrijke kanttekening daarbij is wel dat de harde plancapaciteit getoetst wordt op basis van het kwalitatief afwegingskader. Uitgangspunt is een woning voor iedereen: ruim baan voor de lokale behoefte, inbreiding, herstructurering en transformatie. Dit wil onder andere zeggen dat bij inbreidingsplannen waarbij binnen vijf jaar kan worden gestart met de realisatie geen kwantitatieve kaders gelden. Daarnaast moet de opgave voor de periode vanaf 2025 voorbereid worden.
In deze periode moeten zachte plannen hard worden gemaakt en moet ook al een deel van deze nieuwe toegevoegde harde plancapaciteit worden gerealiseerd om de totale woningbouwopgave tot 2030 te halen. Daarvoor is de realisatie van 2.000 woningen per jaar noodzakelijk. Daarnaast moet worden gezocht naar extra bouwlocaties zodat ook in de periode tot 2030 de gewenste snelheid in woningbouwproductie gehaald kan worden. Opgave tot 2030 Zoals blijkt uit de tabel in afbeelding 4.3 is de bestaande harde plancapaciteit circa 8.300 woningen. Voor het realiseren van de woningbouwambitie van circa 20.000 - 22.000 woningen tot 2030 is een uitbreiding van de harde plancapaciteit met minimaal 11.700 woningen nodig. Deze uitbreiding is voor een deel in te vullen door de bestaande zachte plancapaciteit (circa 5.800 woningen) om te zetten in harde plancapaciteit (mits passend binnen de kwalitatieve kaders). Aanvullend daarop moet 'ruimte' gemaakt worden voor nog eens zo'n 6.000 woningen. 3.3.1.3 Kwalitatieve behoefte Twente is en blijft een regio van de menselijke maat. Het is belangrijk dat er voor iedere woningzoekende een passende, betaalbare en niet in de laatste plaats kwalitatief goede woning is. Vertrekpunt van de regionale Woonagenda is het lokaal én regionaal blijven bieden van de woningen waar huidige en toekomstige inwoners behoefte aan hebben.
Dat betekent dat gemeenten door nieuwbouw, transformatie en herstructurering woningen toevoegen die goed aansluiten op de bestaande en toekomstige vraag. Dat vraagt om een toekomstgericht kwalitatief programma op lokaal en regionaal niveau, alsmede om het inlopen van woningtekorten en de realisatie van voldoende woningen voor de groeiende behoefte. Maar ook vraagt het om maatregelen en strategieën om de bestaande woningvoorraad toegankelijker te maken, onder andere door de doorstroming binnen de woningvoorraad te bevorderen. De Regionale Woonagenda Twente bevat met name ten aanzien van de kwantitatieve behoefte informatie waar gemeenten bij de uit te voeren laddertoets gebruik van kunnen maken. Ten aanzien van de kwalitatieve behoefte wordt in 2021 een kwalitatieve monitor opgezet aan de hand waarvan de gemeenten in de relevante woningmarktregio invulling kunnen geven aan het kwalitatieve aspect van de verantwoordingsplicht. Wel onderscheidt de woonagenda drie verschillende ruimtelijke strategieën. Deze geven richting aan de ontwikkeling en geven aan waar in een gebied het accent op ligt, maar dienen niet als dwingend kader. De strategieën kenmerken vooral de verschillen tussen de steden, dorpen en het buitengebied. Er kunnen zich meerdere ruimtelijke woonstrategieën binnen een stad, dorp of gemeente bevinden.
Dinkelland Voor de gemeente Dinkelland geldt de woonstrategie 'wonen langs de radialen'. Hier is het uitgangspunt het wonen langs de radialen in de grote kernen met een goed voorzieningenniveau en die goed bereikbaar zijn. Het gaat dan om kernen met een goede ontsluiting op de A-, N- en spoorwegen en die een breed aanbod en mix van dorps, groenstedelijke en suburbane woonmilieus kunnen bieden. Voor de radialen wordt aangesloten op de Omgevingsvisie/ Omgevingsagenda Oost. De unieke kwaliteit van deze kernen is dat je er relatief rustig en ruim kunt wonen, met goede basisvoorzieningen binnen handbereik. De behoefte aan dergelijke woonmilieus is groot. Er worden kansen gezien om in deze kernen woningen en milieus toe te voegen, om daarmee ook de vitaliteit en economie van de kernen kracht bij te zetten.
28
bestemmingsplan Woningbouw hoek Dorpsstraat-Disseroltweg, Lattrop
3.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de 'Regionale Woonagenda Twente' In voorliggend geval worden tien woningen gerealiseerd. Deze woningen passen binnen de netto woningvraag in de regio en de gemeente Dinkelland. De grondgebonden woningen passen eveneens binnen de kwalitatieve vraag. Door verschillende woontypes (vrijstaand, tweekappers en hoek/tussen woningen) te realiseren wordt doorstroming aangemoedigd maar blijft de kwaliteit van relatief rustig en ruim wonen behouden. Ook komen de woningen centraal te liggen binnen de kern Latrop waar de aanwezige voorzieningen binnen handbereik zijn.
3.4 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Hieronder worden de meest relevante beleidsstukken voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling behandeld. 3.4.1
Omgevingsvisie Dinkelland
3.4.1.1 Algemeen De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. 2. 3. 4.
We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.