Bestemmingsplan buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6.pdf
Tekst van het document
Toets De bouwlocatie is gesitueerd buiten de bebouwde kom wat betekent dat op basis van artikel 14 lid 2 van de Wgv de afstand van een veehouderij (zowel grondgebonden als voor intensieve veehouderijen) tot de compensatiewoning minimaal 50 meter moet bedragen. De woningen die onderdeel uitmaken van onderhavig plan en een woonbestemming hebben of zullen krijgen (bestaande en nieuw te realiseren) liggen op meer dan 50 meter van een veehouderij. Conclusie Het aspect geur vormt derhalve geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Twelweg 11 Rossum Kruse Milieu (projectcode 19076316, d.d. 18 februari 2020) heeft in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 4500 m² aan de Twelweg 11 in Rossum. De rapportage is openomen in Bijlage 3. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en verhard (beton, asfalt, tegels, tuin en weiland).
Aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande nieuwbouw van twee woningen. Voorafgaand aan het bovemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van de norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een bovengrondse dieseltank op de onderzoekslocatie heeft gestaan. Deze locatie wordt als verdachte deellocatie beschouwd. De bovengrond van de bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 33
onderzoekslocatie is verdacht voor asbest. Het overige deel van de onderzoekslocatie is onverdacht voor chemische componenten. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 15 inspectiegaten gegraven en zijn er 3 boringen verricht. Gat 1 en boring A1 zijn doorgezet tot 3.00 en 2.80 meter diepte en afgewerkt tot peilbuizen. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 1.03 meter min maaiveld en in peilbuis A1 op 0.88 meter minus maaiveld. Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Overig terreindeel de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; de bovengrond (BG II) is (zeer) licht verontreinigd met minerale olie en PAK; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met zink. Deellocatie A: Bovengrondse dieseltank de bovengrond (A - BG) is niet verontreinigd met minerale olie; het grondwater (PB A1) is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) of naftaleen.
Resultaten asbestanalyses MM FF - 01 bevat geen asbest MM FF - 02 bevat geen asbest MM FF - 03 bevat geen asbest Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van de rapportage. In de bovengrond (BG I) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Ter plaatse van de bovengrondse dieseltank is zowel in de bovengrond (A - BG) als in het grondwater (PB A2) geen verontreiniging aangetoond. De bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF 02 en MM FF - 03 is geen asbest aangetoond. Ekelhofsveldweg 6 Rossum Aan de Ekelhofsveldweg is geen sprake van wijziging van bestemming. De locatie heeft reeds een woonbestemming en hierin treden geen wijzigingen op. Er is dan ook geen aanleiding om de bodem als gevolg van de plannen te onderzoeken. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig plan. De gronden zijn geschikt geacht voor de beoogde ontwikkelingen.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets
34
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Twelweg 11 Rossum De Twelweg betreft een rustige 60 km/uur weg met lage verkeersintensiteiten. De intensiteit van de weg is minder dan 1.500 mvt/etmaal. De woning zal op circa 75 meter uit de as van de weg worden gerealiseerd. Op basis van vorenstaande is te verwachten dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48dB en er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Ekelhofsveldweg 6 Rossum Voor de locatie Ekelhofsveldweg treedt voor wat betreft geluid geen gewijzigde situatie op. De bestaande woning wordt gehandhaafd en er wordt geen geluidsgevoelig object toegevoegd. Conclusie Met inactneming van vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavig plan.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 35
rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Het aantal verkeersbewegingen op de locatie waar de woningen gerealiseerd worden zal nauwelijks toenemen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal extra verkeersbewegingen op 15 per dag per locatie gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 15 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het besluit gevoelige bestemmingen is in dit geval niet van toepassing omdat een woning geen gevoelige functie is.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat 36
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets Uit de inventarisatie blijkt voor alle locaties dat binnen een straal van minimaal 700 m van de plangebieden geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een buisleiding van de Gasunie welke nabij het kanaal Almelo-Nordhorn is gesitueerd. Derhalve geldt dat de plangebieden: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 37
dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Watertoetsproces Op 15 en 16 april 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlagen 4 en 5. Voor alle betrokken locaties is de standaard waterparagraaf van toepassing verklaard. Met inachtneming van de standaard voorschriften vanuit het waterschap wordt een ppsitief advies gegeven voor de ontwikkeling. Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Door Natuurbank Overijssel (projectnummer 2361, d.d. 30-10-2020) is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage is openomen in Bijlage 6, onderstaand volgt een samenvatting van de bevindingen. Er zijn concrete plannen voor de bouw van een extra woning op een erf aan Twelweg 11 te Rossum. Deze woning mag gebouw worden in het kader van het Rood-voor-rood-beleid van de gemeente Dinkelland. In ruil voor de bouw van de woning, wordt overtollige agrarische bebouwing op een erf aan de Twelweg 11 te Rossum en Ekelhofsveldweg 6 te Rossum gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen.
In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 21 januari 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied (2 deelgebieden) behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent. Vanwege de ligging van de deelgebieden Ekelhofsveldweg en Twelweg nabij het Natura2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t.
soortbescherming: Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vleermuis-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels, bezetten verschillende amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen rust- of verblijfplaats in het deelgebied Ekelhofsveldweg maar 38
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
mogelijk wel in deelgebied Twelweg. Om de functie van de te slopen bebouwing in deelgebied Twelweg voor vleermuizen vast te kunnen stellen, is nader onderzoek vereist. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol en vindt plaats in de periode half mei-half september en bestaat uit meerdere bezoeken. Met uitzondering van de vaste rust- en nestplaats van de kerkuil, is van de in het plangebied nestelende soorten uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot beschadigen/vernielen van vogelnesten, dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd worden. Indien gebouwen gesloopt worden tijdens de voortplantingsperiode, dan dient een broedvogelscan uitgevoerd worden. Om de schuur met de vaste rust- en voortplantingsplaats van de kerkuil te mogen slopen, dient een ontheffing verkregen te worden.
Er zijn geen belemmeringen voorzien voor het verkrijgen van deze ontheffing. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en de amfibieënsoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Samenvattende conclusie Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten in de twee deelgebieden, worden mogelijk beschermde dieren gedood en worden vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren beschadigd en vernield. Er groeien geen beschermde planten in de deelgebieden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek, is een vrij compleet beeld van de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten verkregen. Omdat de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in één van de deelgebieden niet uitgesloten kan worden, is daarvoor nader onderzoek vereist. Met uitzondering van een bezet vogelnest (vogels en eieren) en de vaste rust- en voortplantingsplaats van de kerkuil, geldt voor het doden van de beschermde dieren die een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, een vrijstelling van de verbodsbepalingen (m.b.t.
soorten) van de Wet natuurbescherming omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Om de schuur met de vaste rust- en voortplantingsplaats van de kerkuil te mogen slopen dient een ontheffing verkregen te worden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming niet volledig in kaart gebracht worden. Om het effect van de emissie van stikstof(oxiden), als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase, van de deelgebieden in beeld te brengen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Conclusie In dit geval is gezien de omvang van de ontwikkeling, het toevoegen van één woning in ruil voor sloop van (voormalig) agrarische bedrijfsbebouwing, het wegbestemmen van een agrarisch bedrijfsperceel aan de Twelweg en het omzetten hiervan naar een woonerf, geen stikstofberekening uitgevoerd. Een toename van stikstofdepostiie in Natura 2000-gebied valt op basis van de onderhavige ontwikkeling niet te verwachten. Voor wat betreft vleermuizen wordt nader onderzoek verricht en voor het slopen van de schuur waarin de kerkuil een vaste rust- en voorplantingsplaats heeft wordt een ontheffing aanvraagd. Het aspect ecologie vormt - met inachtneming van de voornoemde bevindingen - geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 39
verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie In onderstaand figuur zijn de verschillende deellocaties zichtbaar in de archeologsiche verwachtingenkaart van de gemeente Dinkelland.
Figuur 4.3 uitsnede archeologische verwachtingenkaart, links Twelweg, rechts Ekelhofsveldweg Toets Voor de twee locaties waarop bodemingrepen plaats gaan vinden geldt in alle gevallen het kenmerk 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Voor dit kenmerk geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 5000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De onderhavige plannen op de locaties blijven beneden de 5000 m2, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de deellocaties geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de onderhavige plannen.
4.11
Verkeer / parkeren
Twelweg 11 Het voornemen bestaat om één extra woning te realiseren, aan de Twelweg 11. Hierdoor zal het aantal 40
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
verkeersbewegingen ter plaatse nauwelijks toenemen. Uitgegaan wordt van 8,6 verkeersbewegingen per woning (kencijfer CROW-publicatie oktober 2012). Deze toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Op het erf zullen de initiatiefnemers door middel van een oprit/erfverharding ruimte creëren voor het parkeren van voertuigen. Het betreft een locatie in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, waar voldoende ruimte is in om in de parkeermogelijkheden op eigen terrein te voorzien. Ekelhofsveldweg 6 Aan de Ekelhofsveldweg worden enkel schuren gesaneerd en blijft de huidige woonbestemming gehandhaafd. Als gevolg daarvan zal er geen toename van het aantal verkeersbewegingen plaatsvinden. Voor parkeren geldt hiervoor in de huidige situatie afdoende ruimte bestaat op het erf, hierin treed eveneens geen verandering op. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de plannen.
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 41
42
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 43
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Hier zijn ook bepalingen voor wat betreft parkeren en laden/lossen opgenomen. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: 'Agrarisch - 2' De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 2’ bestaan uit een combinatie aan functies. Deze gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. Aan de Twelweg is binnen het plangebied tevens de bestemming 'Agrarisch - 2' aanwezig. Het gaat hier om gronden die in het kader van het wegbestemmen van het agrarisch bouwperceel en/of de landschappelijke inpassing relevant zijn en daarom opgenomen zijn binnen het plangebied. 'Wonen' Verspreid in het buitengebied liggen bedrijfswoningen (meest agrarisch) en burgerwoningen. Woningen mogen een maximale inhoud hebben van 750 m3 ongeacht de vraag of sprake is van inwoning. Bij burgerwoningen zijn, net als bij agrarische bouwvlakken, kleinschalige bedrijfsactiviteiten na afwijking toegestaan. Tevens zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan. In de bestemming zijn een aantal specifieke gebruiksregels, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. In de specifieke gebruiksregels van deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in de erfinrichtingsplannen en de sloop van de landschapsontsierende 44
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
bedrijfsgebouwen.
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 15 en 16 april 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 11 december 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn twee zienswijzen binnengekomen. De betreffende zienswijzen hadden betrekking op de ontwikkelingen op locatie Ootmarsumsestraat 60. Gebleken is dat de ontwikkeling op deze locatie op bezwaar vanuit de omgeving stuitte. Daarom is in overleg tussen initiatiefnemers bepaald om deze locatie te onttrekken aan het bestemmingsplan. In plaats hiervan wordt een rood voor rood voucher conform het rood voor rood beleid van de gemeente Dinkelland verstrekt.
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 49
50
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6 51
Bijlage 1
52
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Twelweg 11 en Ekelhofsveldweg 6
landschapsvormgeving
Ruimtelijk kwaliteitsplan RVR Twelweg 11 - Ekelhofsveldweg 6
Tubbergen, 2 april 2021 - definitief
tuinvormgeving
landschapsvormgeving
C
K
N
E
K
F
G C
D
A M
F
B
Q
D
J M
G
C
L
G
H
I N
A
B J
G
I
N
E H P R L
J
R
R
Project:
Rood voor Rood
Locatie:
Twelweg - Ekelhofsveldweg
Afbeelding:
Voorgenomen ontwikkeling diverse locaties (Bron: Hannink LV)
- 2
Ruimtelijk kwaliteitsplan RVR Project:
Rood voor Rood
Locatie:
Twelweg - Ekelhofsveldweg
Titel rapport:
Ruimtelijk kwaliteitsplan - Twelweg 11 - Ekelhofsveldweg 6
Opgesteld:
30 maart 2020, Tubbergen
Gewijzigd:
2 april 2021
Status:
Definitief
Auteur:
Hannink Landschapsvormgeving Ing. N.J.B.H. algemeen adviseur Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@hanninkadvies.nl www.hanninkadvies.nl
Inhoud 1.
Aanleiding
6
2.
Huidige situatie
8
3.
Beleid
12
4.
Uitgangspunten
18
5.
Het plan - Twelweg
20
6.
Het plan - Ekelhofsveldweg
22
- 4
- 5
1. Aanleiding De aanvrager woont aan de Twelweg 11 in Volthe/Rossum. Ter plaatse is sprake van een gestaakt agrarisch bedrijf met enkele schuren en een woning. De schuren hebben geen functie meer en raken langzaam in verval. De familie is daarom voornemens om de schuren te slopen om vervolgens via de rood voor rood regeling een extra woning te realiseren. Aan de Twelweg staat 540 m2 aan landschap ontsierende schuren. Daarmee kan echter niet worden voldaan aan de sloopverplichting van 850 m2. De familie heeft daarom een nabij gelegen erf benaderd aan de Ekelhofsveldweg 6. In plaats van de aanvullende 310 m2 is er bij dit erf sprake van 1245 m2 te slopen landschap ontsierende bebouwing. Op de slooplocatie aan de Ekelhofsveldweg blijft een gedeelte van de bebouwing staan. De eigenaar is deze schuren nodig voor opslag. Onder meer is er sprake van de diverse auto’s die worden verzameld door de eigenaar.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken eist de gemeente een landschappelijke inpassing van het plangebied inclusief een ruimtelijke onderbouwing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan. Er wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en het omliggende landschap. Daarna worden het beleid en de uitgangspunten van de actoren in beeld gebracht. Dit vormt de basis voor de beschrijving van de nieuwe situatie, inclusief de landschappelijke inpassing die voldoet aan het beleid opgesteld door de gemeente Dinkelland.
Op basis van de totale sloopoppervlakte kan een tweede woning worden gerealiseerd. De aanvrager heeft daarom gezocht naar een samenwerking, maar deze nog niet gevonden. Er is besloten om gebruik te maken van een sloopvoucher. Van de beschikbare 1245 m2 te slopen oppervlakte wordt dan 1160 m2 ingezet voor de rood voor rood regeling. Er blijven 85 m2 sloopmeters over. In een verhouding van 1:2 worden de overige sloopmeters beschikbaar gesteld voor de bouw van een klein bijgebouw aan de Ekelhofsveldweg 6. Een bijgebouw van maximaal 42 m2 in de vorm van een hootmijt voor het houden van wat kleinvee. De uiteindelijke situatie is afgestemd met de gemeente Dinkelland.
- 6
Locatie sloop (rood), locatie te bouwen woning (geel). (Bron: geo.overijssel.nl)
Locatie Twelweg en Ekelhofsveldweg (rode contour). (Bron: geo.overijssel.nl)
- 7
2. Huidige situatie Het landschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd waarbij hoogteverschillen zijn bepaald door het landijs en de wind. De locatie aan de Twelweg is gelegen in een landschap met dekzandvlakten nabij beekdalgebieden. Er is sprake van enige hoogteverschillen. Hoogteverschillen zijn vaak minder herkenbaar geworden of verdwenen door de moderne landbouw. De Ekelhofsveldweg ligt midden in een dekzandvlakte. Van hoogteverschillen is geen sprake. Oude kampenlandschap / Jonge heideontginning De Twelweg is gelegen in het oude kampenlandschap op de overgang naar de heideontginning (voorheen “Volther Veld”) waarin het erf aan de Ekelhofsveldweg is gelegen. Het erf aan de Twelweg was aanvankelijk gelegen in een zeer kleinschalig landschap direct naast een eenmanskamp. De Ekelhofsveldweg lag daarentegen aan de rand van een zeer open landschap en kende geen hoogteverschillen. Beide erven zijn al wel op kaarten van vóór 1900 zichtbaar. De boerderij aan de Ekelhofsveldweg heeft dan ook niet de karakteristieken van een ontginningsboerderij, maar die van een boerderij die meer past bij het essen- en kampenlandschap. Mogelijk was het erf aan de Ekelhofsveldweg hoger gelegen waardoor het aansluiting heeft gehad met het kampenlandschap.
Nieuwe elementen In alle gevallen is er sprake van erven die solitair in het landschap zijn komen te liggen. Zij hebben geen verbinding (meer) met omliggende landschapsstructuren. Bij de inpassing van de erven zijn er voldoende mogelijkheden om de erven te versterken, maar er zijn geen kansen om aan te sluiten bij omliggende landschapsstructuren. De erfinrichtingsplannen moeten rekening houden met het versterken van de individuele erfstructuur.
Het landschap Het landschap rondom de Twelweg is veranderd. Veel kleinschalige elementen zijn verdwenen en hebben voornamelijk plaats gemaakt voor bos richting de nattere gebieden. Ondanks de verandering van landschapselementen is er nog wel sprake van een herkenbaar landschap. Het erf aan de Ekelhofsveldweg lag al grotendeels in de openheid, maar is door het verdwijnen van de laatste landschapselementen volledig in de openheid komen te liggen.
- 8
Verandering landschap rondom twelweg (links) en Ekelhofsveldweg (rechts) rond 1910 en 1965. (Bron: topotijdreis.nl)
- 9
Erfopzet Het erf aan de Twelweg (D) is aan een kamp gelegen. Voorheen moet de oorspronkelijke boerderij nagenoeg op de gelijke locatie als de huidige woning (A) hebben gestaan. Het erf heeft zich na de bouw van de huidige woning vervolgens in zuidoostelijke richting uitgebreid onder meer met wat schuren (B). De zware beplanting op het erf (G) is het enige overblijfsel van een landschapsstructuur. Voorheen is dat een landschapsbos geweest. In de nieuwe situatie moet sprake zijn van een hecht erfensemble die min of meer de positie ten opzichte van de voormalige kamp accentueert. Het is nu behoorlijk geordend, maar de voorkeur is gelegen in een wat meer ‘verstrooid’ erf.
karakteristieke beeld behouden. Het behouden van de zuid gelegen opstallen heeft ook als absolute meerwaarde dat de inmiddels zware laanbeplanting functioneel en esthetisch met erf blijft verbonden. Sloop van één of beide opstallen zou zorgen voor een onderbreking. Hetgeen komt het erf niet ten goede. Daarnaast zou sloop consequenties kunnen hebben voor behoud van de laan. De wortels van de bomen en de fundering van de gebouwen zijn naar verwachting één massa geworden die niet meer te scheiden is. In de nieuwe erfsituatie is het van belang dat de kern van het erfensemble blijft behouden. Er moet een verbinding blijven waarbij de karakteristiek behouden blijft, ondanks de nieuwe positionering van de Ekelhofsveldweg.
Het erf aan de Ekelhofsveldweg (F) heeft in de huidige situatie een wat bijzondere positionering. Het hoofdgebouw (A, woning) staat samen met de schuren (B/C) bijzonder in het landschap en lijkt niet georiënteerd te zijn op de Ekelhofsveldweg. Zeker in de heideontginningen toch wel erg gebruikelijk. Toch is de bebouwing van oorsprong wel degelijk op de weg georiënteerd geweest. Dat blijkt uit een topografisch beeld van voor 1900. Juist de bebouwing maakt het erf karakteristiek en de positionering is dan ook kenmerkend voor de regio. De later aangeplante laanbeplanting vanaf de (aangepaste) Ekelhofsveldweg heeft het beeld versterkt. Dat de initiatiefnemer de noordelijk gelegen varkensstal wil saneren is een absolute meerwaarde. De bebouwing aan de noord- en zuidzijde van het hoofdgebouw zou eigenlijk gespaard moeten blijven. De staat van de noordelijk gelegen stallen is echter dusdanig slecht, dat behouden geen optie is. Door het saneren van die gebouwen, maar behouden van de andere bebouwing (C) blijft het bestaande
- 10
A B G D
Erf Twelweg 11. (Bron: geo.overijssel.nl)
Foto vanaf Ekelhofsveldweg. (Bron: Hannink LV)
G
B A
G C F
Erf Ekelhofsveldweg 6. (Bron: geo.overijssel.nl)
Erf Ekelhofsveldweg 6 voor 1900. (Bron: topotijdreis.nl)
- 11
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied en de slooplocatie zijn aangemerkt als “Mixlandschap met landbouw, natuur, water en wonen als goede buren”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste landgebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe
- 12
De locaties zijn aangeduid als groen wat betekent: “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
- 13
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden hebben en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als ijstijden, wind en water. De locaties liggen in gebieden die zijn aan te duiden als dekzandvlakten. Er is aan de Twelweg sprake van hoogteverschillen. De herkenbaarheid is door de jaren wat afgenomen, onder meer door de moderne landbouw. Het gebied rondom de Ekelhofsveldweg is nagenoeg egaal en kent geen hoogteverschillen. Als deze er al waren dan zijn deze verdwenen door de grootschalige ontginning en/of de moderne landbouw. Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap.
Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over
de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen die destijds hebben plaatsgevonden. De jonge heideontginningen behoren tot de open landschappen. Voor de Ekelhofsveldweg geldt dat rondom sprake is van een hoge dynamiek met grote percelen. Aan de Twelweg is er sprake van een meer kleinschalig landschap en zijn er duidelijke restanten of patronen van het kampenlandschap waar te nemen. De percelen kennen daar een meer onregelmatig patroon en worden hier en daar nog begrensd door houtwallen en/of houtsingels. Bij de ontwikkelingen is het belangrijk dat het landschap zijn karakter behoud en bestaande structuren (landschappelijke dragers) behouden blijven. Gelet op de geïsoleerde ligging van de erven is het niet meer mogelijk om ‘aan te haken’ op deze structuren. Laag van de beleving De locatie is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er wordt geen onnodig licht toegevoegd. 3.2 Rood voor rood Dinkelland De gemeente Dinkelland heeft in 2015 haar vernieuwde rood voor rood beleid vastgesteld.
Absolute doelstelling van de regeling is het verminderen van de steeds meer vrijkomende oppervlaktes landschap
- 14
(Links) Natuurlijke laag; de locaties liggen in gebieden aangeduid als “dekzandvlakte en ruggen”. (Midden) Laag van cultuurlandschap; de bouwlocaties zijn omschreven als “kampenlandschap”, de slooplocatie is omschreven als “jonge heideontginning”. (Rechts) Laag van de beleving: de locaties zijn aangeduid als “donkerte”. (Bron: overijssel.tercera.nl)
- 15
ontsierende opstallen en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Steeds meer agrarische bedrijven stoppen en zonder nieuwe bestemming raken zij in verval. De rood voor rood regeling is een methodiek om tenminste 850 m2 landschap ontsierende opstallen te slopen in ruil voor een bouwrecht onder voorwaarden. De gemeente stelt nadere eisen. Zo moet een wijziging bestemmingsplan worden doorlopen en moet een rood voor rood overeenkomst worden getekend. Daarmee is er zekerheid dat de oppervlakte daadwerkelijk gesloopt wordt. Daarnaast moeten deelnemende erven landschappelijk wordt ingepast. De initiatiefnemer voldoet met opgesteld plan in combinatie met het bestemmingsplan door Ad Fontem opgesteld aan de voorwaarden van de gemeente Dinkelland. Totaal wordt er 1785 m2 gesloopt. Daarvan wordt 540 m2 aan de Twelweg 11 gesloopt en 1245 m2 aan de Ekelhofsveldweg. Met de oppervlakte kan een (extra) woning worden gerealiseerd aan de Twelweg 11 en een (extra) woning elders (door middel van een sloopvoucher). Aan de Ekelhofsveldweg blijven twee bijgebouwen met een oppervlakte 580 m2 behouden. Daarnaast kan de eigenaar een bijgebouw, bijvoorbeeld een hooimijt, bouwen van 40 m2. De totale oppervlakte bedraagt dan 620 m2 aan bijgebouwen. Dit betreft circa één derde van het totaal, waardoor deelname aan de rood voor rood regeling mogelijk is.
De verhouding tussen behouden en slopen is in evenwicht. Als eerder beschreven blijkt behoud in dit geval ook een meerwaarde voor de ruimtelijke kwaliteit te zijn.
3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de casco zijn in principe niet te verwijderen. Aan de Twelweg staat een element als te verplaatsen weergegeven. Dit element vormt echter het enige robuuste element op het erf en zeker als er sprake is van een volledig nieuw erf. Het is belangrijk om dit element te handhaven en in te passen. Aan de Ekelhofsveldweg is eveneens een element als te verplaatsen weergegeven. Het eerste gedeelte van dit element is echter zeer waardevol voor de inpassing van het erf. Zonder dit element verkrijgt het erf een open structuur. Dat laatste is in geen geval gewenst. Het element dient behouden te blijven.
- 16
Fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering NOT. (Bron: gisopenbaar.overijssel.nl)
- 17
4. Uitgangspunten Voor de beoogde ontwikkeling zijn een aantal uitgangspunten Uitgangspunten opdrachtgever: - Het toekennen van een extra woontitel aan de Twelweg 11. - Het toekennen van een sloopvoucher. - Het slopen van landschap ontsierende bebouwing á 1785 m2. - Behoud van 620 m2 aan bijgebouwen aan de Ekelhofsveldweg 6. Uitgangspunten gemeente Dinkelland: - Ontwikkeling conform rood voor rood beleid. - Ontwikkeling conform Gebiedskenmerken en het Casco beleid. - Het opstellen van een land. inpassing en ruimtelijke kwaliteitsplan. - Het slopen van landschap ontsierende bebouwing á 1785 m2. Uitgangspunten provincie Overijssel: - Ontwikkeling conform Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel.
- 18
- 19
5. Het Plan - Twelweg 11 Rondom de Twelweg 11 zijn nog duidelijke herkenningspunten van het kampenlandschap waar te nemen. Het erf is echter geïsoleerd komen te liggen doordat er geen verbinding meer is met de aanwezige landschapselementen. Wel is er nog een hoogteverschil waar te nemen waardoor zichtbaar is dat het erf altijd verbonden is geweest met de kamp. De huidige, ordelijke opstelling in de huidige erfsituatie is niet gebruikelijk in deze landschappen. De gebouwen op erven waren juist wat meer verstrooid. In de nieuwe situatie worden alle opstallen gesloopt. Het nieuwe erf krijgt twee woningen met daarom heen enkele bijgebouwen op een verstrooide wijze.