CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo.pdf

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo”27.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Stempelsdijk 3 Ter plaatse van de gronden aan de Stempelsdijk 3 wordt de aldaar aanwezige voormalige agrarische schuur gesloopt en wordt vervolgens aangrenzend aan de huidige bebouwing een woning gesitueerd. Door de sloop van de agrarische bebouwing worden de vergezichten versterkt. Daarnaast zal middels erfbeplanting en de situering van bijgebouwen een versterking plaatsvinden wat betreft de gebiedskenmerken. Hierbij zijn twee aangrenzende woonpercelen het resultaat.

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

37

3.3.2

Woonvisie 2021+ gemeente Dinkelland

Wonen is een belangrijk thema voor de inwoners van de gemeente Dinkelland. Om ervoor te zorgen dat er ook op termijn voldoende woningen in alle segmenten én in alle kernen blijft, wordt om de 4 jaar de gemeentelijke Woonvisie opgesteld. Eind 2020 liep de Woonvisie 2016+ ten einde. De Woonvisie 2021+ is de opvolger van de in 2016 door de raad vastgestelde Woonvisie 2016+ en is gebaseerd op de nieuwe cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. De Woonvisie 2021+ is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. De nieuwe woonvisie biedt een goed kwantitatief en kwalitatief kader voor de woningbouwontwikkeling in de gemeente Dinkelland en dient als basis voor de prestatieafspraken met de corporatie. De trends en behoeften op het gebied van wonen zijn in diverse bijeenkomsten besproken met woningmarktpartners: ondernemers, belangenorganisaties, zorginstellingen en inhoudelijk deskundigen zoals makelaars, projectontwikkelaars, woningcorporaties en kernraden.

De woonvisie gaat over: woningbouw om te voorzien in de vraag; zowel kwantitatief als kwalitatief en op de juiste plaats; voldoende en passende huurwoningen in de zin van betaalbaarheid en kwaliteit; het verbeteren van de bestaande voorraad zowel qua duurzaamheid als levensloopgeschiktheid; voorzien in de toenemende vraag naar wonen met zorg in de verschillende gradaties; voorzien in de verschillende woonbehoeftes als huisvesting van arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners. De provincie heeft in de Regionale Woonagenda Twente aangegeven meer te sturen op kwaliteit, waarbij aangegeven wordt dat onderbouwd moet worden dat dit past binnen de onderbouwde lokale behoefte. In het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (bouwen voor concrete behoefte) is het noodzakelijk ook te sturen op kwantiteit. Er is een bandbreedte van de toekomstige woningbehoefte tot 2030 berekend op basis van diverse prognosemodellen. Voor de komende jaren wordt uitgegaan van een woningbehoefte tussen de +225 en +800 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie wordt uitgegaan van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Hiervan worden er 50 (100% behoefte) tot 60 (130% plannen) gereserveerd voor het buitengebied.

Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar er wordt tevens rekening gehouden met instroom van vestigers.

Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Dinkelland kan worden gebouwd. Derhalve zal het woningbouwprogramma per kern in meerdere en kleinere plannen worden weggezet, waardoor goed kan worden bijgestuurd als dat nodig blijkt. In kwalitatieve zin ligt de nadruk op woningen voor starters en ouderen, zowel in het betaalbare als middensegment. Op basis van in de woonvisie onderbouwde toekomstige woonbehoefte is een verdeling gemaakt. Om flexibel in te kunnen spelen op de vraag is de verdeling zoals ook reeds in het uitvoeringsprogramma opgenomen gehandhaafd - grote kernen, kleine kernen, buitengebied, en knelpunten transformatie. Tot slot bevat de Woonvisie 2021+ een Kwaliteitskader om te beoordelen of plannen van ontwikkelende partijen goed aansluiten bij de marktvraag. Dit Kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen. Het kwaliteitskader bestaat uit een woningbehoefteprofiel per doelgroep (starters, doorstromers, gezinnen, senioren) op gemeenteniveau, nader uitgewerkt naar een profiel per kern. Toets Voor de periode 2020-2030 is de woningbehoefte voor het buitengebied vastgelegd op 50 woningen (100% behoefte), oplopend naar 60 woningen (130% behoefte).

In voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van sloopmeters ter plaatse van de percelen aan de Bellinckhofweg 1, Bellinckhofweg 4, Stempelsdijk 3 en 38

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

Langemaatsweg 11. Hierbij worden voldoende meters ingezet om twee woningen te kunnen realiseren. Hierbij wordt in de behoefte binnen de gemeente voorzien naast dat het voornemen in overeenstemming in met de woningbouwaantallen voor het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2021+. 3.3.3

Buitengebiedmet kwaliteit

3.3.3.1 Algemeen Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. 3.3.3.2 Extra woningen In de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot het toevoegen van woningen waarbij gebruik wordt gemaakt van de inzet van sloopmeters. Het betreft artikel 3.5 van de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit'. Hierna wordt op de voorwaarden ingegaan. 1. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien sprake is van een kwaliteitsimpuls in de vorm van de sloop van landschapsontsierende gebouwen binnen de gemeente Dinkelland en Tubbergen.

Hierbij geldt dat voor elke 1.200 m² te slopen landschapsontsierende bebouwing, één bouwkavel voor een woning kan worden toegekend; 2. Alleen (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden ingezet, voor gebouwen met een ander (voormalig) bedrijfsmatig gebruik geldt maatwerk; 3. Alleen gebouwen die tenminste 5 jaar geleden zijn opgericht kunnen worden ingezet; 4. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 5. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 6. Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop, maar worden ingepast in de nieuwe erfopzet; 7. Er mogen meerdere sloop- en bouwlocaties worden gecombineerd; 8. Tenminste 75% van de vereiste sloopoppervlakte voor een woning moet uit de gemeente komen waar de woning gebouwd wordt; 9. Op een slooplocatie moet tenminste 300m² worden gesloopt, tenzij het gaat om een veldschuur; 10. Alle landschapsontsierende gebouwen op een slooplocatie moeten worden gesloopt; 11.

Bouwwerken zoals sleufsilo’s, mestplaten, mestbassins, (mest)kelders, kassen (niet-zijnde een kassencomplex) en overtollige erfverharding moet worden verwijderd en tellen niet mee met de sloopoppervlakte. Torensilo’s en mestsilo’s kunnen worden meegeteld in de sloopoppervlakte; 12. De extra woning moet worden teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalig) agrarisch bedrijf, (voormalig) niet-agrarisch bedrijf dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Een locatie van een veldschuur geldt niet als geschikte terugbouwlocatie; 13. De woning en de bijbehorende bouwwerken dienen één erfensemble te vormen met de overige bebouwing (één-erf gedachte); 14. Wanneer de slooplocatie(s) niet geschikt is/zijn om een extra woning te bouwen vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, milieu-, ruimtelijke ordening- en/of overige wet- en regelgeving, kan de woning elders teruggebouwd worden. In dat geval dient de terugbouwlocatie aan te sluiten op bestaande bebouwing. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bouwen in kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing, een bestaand erfensemble/erfstructuur (hieronder kan eventueel ook het ensemble/ de erfstructuur van een historisch(e) landgoed/ buitenplaats worden verstaan) of op de locatie van een solitair gelegen recreatiewoning waarbij deze wordt omgezet in een reguliere woning.

Uitgangspunt is dat de impact van de nieuwe woning op de omgeving minimaal is; 15. Indien wordt voldaan aan de sloopnorm, mag een extra woning met bijgebouw(en) gebouwd worden conform de toegestane afmetingen (inhoud/oppervlakte/etc.) die gangbaar zijn in het geldend bestemmingsplan/omgevingsplan voor de functie ‘Wonen; bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

39

16. In afwijking van lid 15 mag van de sloopoppervlakte boven de sloopnorm, maximaal 50% worden ingezet voor een groter bijgebouw bij de nieuw te bouwen of een te behouden woning, waarbij per woning niet meer dan 350 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Indien de te behouden gebouwen landschapsontsierend zijn, worden eisen gesteld aan het verfraaien van de gebouwen zodat deze niet meer landschapsontsierend zijn; 17. In afwijking van lid 10 kunnen gebouwen die in eerste instantie landschapsontsierend zijn, maar waarin bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn, worden uitgezonderd van sloop mits dit landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is, de gebouwen zodanig verfraaid worden dat deze niet meer landschapsontsierend zijn en voldaan wordt aan de voorwaarden uit paragraaf 3.4. 18. Middels een beeldkwaliteitsplan dient de beeldkwaliteit van de woning vastgelegd te worden. Er is een standaard beeldkwaliteitsplan opgesteld welke hiervoor gebruikt kan worden. Indien dit plan niet volstaat voor een specifiek project, dient een initiatiefnemer zelf een beeldkwaliteitsplan aan te leveren. Het beeldkwaliteitsplan dient akkoord te worden bevonden door de gemeente; 19. In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied; 20.

Het toepassen van de regeling houdt in dat dat op alle betrokken locaties de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken door de vergunninghouder, de locaties een passende functie krijgen conform het nieuwe gebruik en planologisch wordt geregeld dat de bedrijfsmatige agrarische activiteiten moeten worden beëindigd; 21. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel. 3.3.3.3

Toetsing aan de beleidsregel'Buitengebied met kwaliteit'

1. Er wordt in totaal 2.450 m2 aan landschapontsierende bebouwing gesloopt, waarvan 2.400 m2 kan worden ingebracht voor de regeling. Hiermee wordt voldaan aan de eis van minimaal 1.200 m2 per woning en 2.400 m2 te slopen landschapontsierende bebouwing voor twee compensatiewoningen; 2. De te slopen bebouwing betreft voormalige agrarische bedrijfsgebouwen; 3. De gebouwen zijn ouder dan de gestelde 5 jaar; 4. Zie punt 1; 5. Het betreffen volledige gebouwen; 6. Het betreffen geen cultuurhistorische of karakteristieke gebouwen; 7. Er worden meerdere sloop- en bouwlocaties gecombineerd, te weten Langemaatsweg 11, Bellinckhofweg 1 en 4 en Stempelsdijk 3; 8. De totale sloopoppervlakte komt zowel uit de gemeente Dinkelland als Tubbergen; 9. Alle sloopoppervlakten bedragen minimaal 300 m2; 10. Een deel van de landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Zo blijft ter plaatse van de Langemaatsweg 11 nog een schuur staan; 11. Enkel de erfverharding aan de Bellinckhofweg 4, te weten de mestkelder blijft behouden; 12. De compensatiewoningen worden teruggebouwd op locaties waar eveneens gesloopt wordt. Gelet aan het tekort aan sloopmeters ter plaatse van de bouwlocaties worden van twee andere locaties extra sloopmeters verkregen; 13. In de beoogde situaties wordt één ensemble gevormd met de reeds bestaande bebouwing; 14. Nvt; 15. Er wordt voldaan aan de sloopnorm.

De compensatiewoningen worden gerealiseerd conform de toegestane afmetingen die gangbaar zijn in het geldend bestemmingsplan voor de functie 'Wonen'; 16. Nvt; 17. Nvt; 18. Voor de nieuw te bouwen woningen wordt het standaard rood-voor-rood beeldkwaliteitsplan vastgesteld; 19. De compensatiewoningen zijn reeds gereserveerd in het woningbouwprogramma van de gemeente Dinkelland, voor het gehele beleid wordt verwezen naar Woonvisie 2021+ gemeente Dinkelland; 20. De bedrijfsmatige agrarische activiteiten zijn reeds gestaakt. Tevens wordt met het voorliggende bestemmingsplan de agrarische bedrijfsmatige mogelijkheden wegbestemd; 21. De planologische bouwmogelijkheden wordt aangepast aan de nieuwe situatie.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

3.3.4

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

3.3.4.1 Algemeen De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). 3.3.4.2 Doorwerkingop het plan en conclusie Ter plaatse van de plandelen is geen casco element van toepassing. Casco elementen zijn in beginsel beschermd. Ter plaatse van de beoogde woningen worden onder andere geen bomen geveld. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de beoogde woningen zowel gebouwd worden op een voormalig agrarisch bedrijfsperceel als op gronden die in het verleden voor agrarisch doeleinden in gebruik zijn genomen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'.

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 Bodem 4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2

Onderzoek

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van twee woningen waarbij mensen langdurig zullen verblijven. Tevens voorziet het voornemen in de sloop van landschapsontsierende bebouwing, op gronden waarbij sprake is van asbesthoudende danken. Om de bodemkwaliteit zowel ten behoeve van de beoogde woning als het schoon achterlaten van de percelen in het kader van de planologische wijzigingen, zijn door Kruse B.V. drie bodemonderozeken uitgevoerd. Hieronder wordt op de conclusie van de drie onderzoeken ingegaan. Voor de gehele rapportage van de onderzoeken wordt verwezen naar Bijlage 2 Bodemonderzoek Stempelsdijk 3, Bijlage 3 Bodemonderzoek Bellinckhofweg 1 en Bijlage 4 Bodemonderzoek Bellinckhofweg 4. Stempelsdijk3 Resultaten veldwerk In totaal zijn er in totaal 11 boringen verricht en 3 inspectiegaten gegraven. Er zijn 2 monsterpunten afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB A1). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig, zwak humeus zand met plaatselijk sporen leem (ter plekke van de druppelzone brokken leem). In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen (sporen baksteen, zie tabel 3). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de bodem.

Het freatische grondwater in de peilbuizen is aangetroffen op gemiddeld 0.64 m-mv. Conclusies en aanbevelingen Ter plekke van de nieuwbouwlocatie zijn in de bovengrond (BG) en in het grondwater (PB 1) enkele licht verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Ter plekke van de voormalige bovengrondse dieseltanklocatie (verdachte deellocatie A) zijn in de bovengrond (A - BG) en in het grondwater (PB A1) geen verontreinigingen gemeten. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - B (verdachte deellocatie B: asbestverdachte druppelzone) is geen asbest aangetoond. Bellinckhofweg1 Resultaten veldwerk In totaal zijn er in totaal 18 inspectiegaten gegraven en 10 boringen verricht, waarvan 2 diepe boringen zijn afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB A1). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot zeer fijn, zwak tot matig siltig zand met in de ondergrond (circa 1.2 m-mv tot circa 2.0 m-mv) een zandige leemlaag. bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

43

In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen (puin en slakken). Door de veldwerkers zijn in de boringen 12, 15, A1 op het erf en in druppelzone B visueel asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Het freatische grondwater is in de peilbuizen gemiddeld aangetroffen op 1.45 meter min maaiveld. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I en A - BG) en in het grondwater (PB 1) zijn licht verhoogde concentraties aangetoond Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG II, BG III en BG IV), de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. De voormalige bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. In de mengmonsters van de fijne fractie van MM FF - 01 en MM FF 02 is geen asbest aangetoond. In inspectiegat 15 is asbest aangetoond: het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

In de inspectiegaten 12 en B3 is asbest aangetoond, in gewogen asbestgehalten hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is sanering van de sterke verontreiniging noodzakelijk. Een nader asbestonderzoek wordt geadviseerd om de omvang van de verontreiniging in kaart te brengen. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Bellinckhofweg4 Resultaten veldwerk In totaal zijn er in totaal 6 inspectiegaten gegraven (3 per druppelzone). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn, matig siltig, zwak grindig, zwak humeus zand. Er zijn bodemvreemde materialen aangetroffen (tabel 3). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de opgeboorde bodem. Conclusies en aanbevelingen In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - A (druppelzone zuidzijde) en MM FF - B (druppelzone noordzijde) is geen asbest aangetoond. 4.2.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.3 Water 4.3.1

Algemeen

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.1.1 Beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. De waterkwaliteit van alle oppervlaktewateren in een stroomgebied moeten vanaf 2015 aan bepaalde eisen voldoen. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor 44

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

ruimtelijke plannen. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 22 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 laat zien welke resultaten het waterschap op strategisch en tactisch niveau in zes jaar wil behalen. In het Waterbeheerprogramma wordt aangegeven welke maatregelen en voorzieningen daarvoor getroffen worden en wanneer. De maatregelen in het programma zijn een aanvulling op en uitwerking van maatregelen die al in de waterprogramma’s van het Rijk en de regio zijn opgenomen. Dit Waterbeheerprogramma geeft aan wat de inhoudelijke strategie is om de doelen van het waterschap te verwezenlijken. Deze strategie volgt uit de waarden die het waterschap centraal zet. Deze zijn gericht op het: het centraal zetten van de leefomgeving; zo veel mogelijk zoeken naar samenwerking met partners in het beheergebied van het waterschap, en; het streven naar optimale participatie. 4.3.2

Onderzoek

4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2.2 Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Lycens B.V. in maart 2023 voor alle drie de plandelen een digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure in het kader van de watertoets voor alle drie de plandelen goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan.

De toetsingsdocumenten zijn als Bijlage 5 Watertoets Stempelsdijk Bijlage 6 Watertoets Bellinckhofweg 1en Bijlage 7 Watertoets Bellinckhofweg 4 toegevoegd. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.

Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het voornemen loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

45

wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Hierbij is in voorliggende situatie, gelet op het stoppen van de agrarische bedrijvigheid sprake van een afname waarbij onder de 1500 m2 aan verharding wordt gebleven. Tevens bevinden de plandelen zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd in de grond waarvoor ruimvoldoende infiltratiemogelijkheden binnen de plandelen aanwezig zijn en het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in de woningen te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren.

Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. 4.3.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.4 Erfgoed 4.4.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Onderzoek Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de “Archeologische verwachtings- en advieskaart" van de gemeente Dinkelland (RAAP, 2007) geraadpleegd. In figuur 4.1 en 4.2 zijn twee uitsneden van deze kaart weergegeven. Hierbij dient te worden opgemerkt dat enkel op de plandelen wordt ingegaan waarbinnen nieuwe grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden. Binnen het plandeel aan de Bellinckhofweg 4 vinden enkel sloopwerkzaamheden plaats.

46

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

Figuur 4.1 Uitsnede RAAP archeologische advieskaart ter plaatse van de Stempelsdijk 3

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

47

Figuur 4.2: Uitsnede RAAP Archeologische advieskaart ter plaatse van de Bellinckhofweg 1 Zoals in figuur 4.1 en 4.2 zichtbaar is, ligt het plandeel aan de Stempelsdijk zowel in de laag dekzandwelvingen en -vlakten en beekdalen en overige laagten. Hierbij geldt bij de laag dekzandwelvingen en -vlakten een onderzoeksplicht bij een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,40 meter. en bij de laag beekdalen en overige laagten een vrijstelling. In voorliggende situatie wordt ter plaatse van de Stmepelsdijk enkel één woning gerealiseerd waarbij ruimschoots onder de onderzoeksgrens wordt gebleven. Ter plaatse van het plandeel aan de Bellinckhofweg 1 is de laag dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek aanwezig. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 met een diepte dieper dan 0,40 meter. In voorliggende situatie wordt enkel een vrijstaande woning gerealiseerd waarbij ruimschoots onder de onderzoeksgrens wordt gebleven. Conclusie Gelet op de kleinschalige bodemingrepen wordt een archeologisch bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Indien bij werkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen, dient op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelingsen gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en 48

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van de plandelen aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In de plandelen zelf zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plan geen waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.5 Flora en fauna 4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming':

voor

Natura

2000-gebieden

drie

1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

49

natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. 4.5.2

Onderzoek

Stikstof Het plangebied bestaande uit drie plandelen maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuur Netwerk Nederland. Hierbij bevindt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van het plandeel aan de Stempelsdijk op circa 3.8 kilometer en het dichtstbijzijnde NNN-gebied op circa 5 meter. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van het plandeel aan de Bellinckhofweg 1 bevindt zicht op circa 2.2 kilometer afstand en het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland op circa 500 meter afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van het perceel aan de Bellinckhofweg 4 bevindt zich op circa 3.1 kilometer afstand en het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 190 meter afstand. Gelet op de beoogde bouw- en sloopwerkzaamheden zijn twee stikstofberekeningen uitgevoerd. Hieronder wordt nader op de conclusies uit de berekeningen ingegaan. Voor de gehele berekening wordt verwezen naar Bijlage 8 Stikstofberekening Bellinckhofweg 1 en Bijlage 9 Stikstofberekening Stempelsdijk Bellinckhofweg 1 Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Stempelsdijk 3 Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Quickscan Flora/Fauna Gelet op de bouw- dan wel sloopwerkzaamheden is door Natuurbank Overijssel een quickscan Flora/Fauna uitgevoerd. De gehele quickscan Flora/Fauna is als Bijlage 10 Quickscan Flora/Fauna bijgevoegd. Hierna wordt op de conclusie uit de quickscan Flora/Fauna ingegaan. Conclusie quickscan; De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.

Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien bebouwing (m.u.v. Bellinckhofweg 4) wordt gesloopt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren

50

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde dieren mogelijk tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 4.5.3

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.6 Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai 4.6.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art.

41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

51

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.6.2

Onderzoek

In voorliggende situatie worden twee geluidsgevoelige objecten toegevoegd, te weten een woning aan de Stempelsdijk 3 te Saasveld en een woning aan de Bellinckhofweg 1. Aangezien er sprake is van een toevoeging van een geluidsgevoelig object wordt hierna nader op het aspect wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de bijbehorende grootte is opgenomen in onderstaande tabel

De beoogde woning aan de Stempelsdijk is gesitueerd op circa 15 meter van de Kroonweg en 40 meter van Stempelsdijk. Hierbij is een snelheidsregime van 60 km/uur van toepassing. Gelet op de korte afstand valt de beoogde bouwlocatie binnen de wettelijke geluidszone van deze wegen. Echter, het betreffen twee wegen die met name worden gebruikt voor bestemmingsverkeer. Op basis van de geluidskaart van de Atlas Leefomgeving is ter plaatse van het plandeel een geluidsbelasting van lager dan 45 dB van toepassing. Op basis van bovenstaande redenatie wordt het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai dan ook niet noodzakelijk geacht. De beoogde woning aan de Bellinckhofweg 1is op circa 20 meter van de Bellinckhofweg gesitueerd en 180 meter van de N343. Tevens loopt aan de zuidzijde de Bornsestraat. Bij deze wegen is een snelheidsregime van 60 km/uur en 80 km/uur van toepassing waarbij het plandeel binnen drie wettelijke geluidszones valt. Op basis van de geluidskaart van de Atlas Leefomgeving valt het plandeel in een geluidsbelasting van tussen de 46 en 50 dB. Aangezien de voorgenomen woning aan de nieuwste eisen ten behoeve van akoestiek voldoet, gesitueerd is achter bestaande bebouwing in verband met de geluidswerende werking wordt eveneens het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht.

Tevens is op basis van de gemeentelijke geluidskaart sprake van een geluidswaarde die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Railverkeerslawaai Op een afstand van circa 8,5 en 8,7 kilometer ten zuidoosten is de dichtstbijzijnde spoorlijn (Hengelo-Oldenzaal) gesitueerd. Gelet op de ruime afstand ten opzichte van de beoogde woningbouwlocaties wordt het uitvoeren van een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Industrielawaai In de nabije omgeving is geen gezoneerd bedrijventerrein gesitueerd. Hierbij is een uitwerking wat betreft het aspect industrielawaai niet benodigd. Voor de omgevingsscan wat betreft omliggende bedrijven wordt verwezen naar het hoofdstuk 4.8 Bedrijven en milieuzonering. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

52

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.7.2

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling; de sloop van landschapsontsierende bebouwing en de toevoeging van woningen voorziet in een geringe toename aan verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Gelet op de aard en omvang van het voornemen in vergelijking met de voorgenomen categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.7.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals het uitgangspunt van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinck hofweg 1-4 Weerselo

53

Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige Richtafstanden tot woonwijken buitengebied omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.1

Onderzoek

De plandelen en de omgeving kunnen worden getypeerd als 'rustige woonwijk' in voorliggende situatie 'rustig buitengebied'. Hierbij worden de richtafstanden niet met één stap verkleind. Een woning wordt als een milieugevoelig object aangemerkt. Hierbij dient nader op de externe werking (past de nieuwe functie in de omgeving) en interne werking (laat de omgeving de nieuwe functie toe) te worden toegelicht. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' ter plaatse van de Stempelsdijk 3 en de Bellinckhofweg 1 betreft geen milieubelastende functie en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Vorenstaande betekent dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende bebouwing gelet op het voornemen. Ter plaatse van het plandeel aan de Bellinckhofweg 4 vindt geen wijziging plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hierbij wordt de huidige bewoning voortgezet en zal enkel een voormalige agrarische schuur worden verwijderd.

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plandeel hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De functies binnen het plandeel Stempelsdijk 3 en Bellinckhofweg 1 worden aangemerkt als een milieugevoelige functies. Stempelsdijk 3 Op een afstand van circa 65 meter ten zuidoosten van het plandeel en op een afstand van circa 220 meter ten westen van het plandeel zijn twee niet grondgebonden agrarische bedrijven aanwezig. Het betreffen de locaties Kroonweg 4a en de Stempelsdijk 5. Ter plaatse van deze gronden zijn binnen de aldaar aanwezige bouwvlakken niet grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Het gaat hierbij om bedrijven waarbij de bedrijfsvoering grotendeels in gebouwen plaatsvindt. Conform de VNG-Uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is ter plaatse een bedrijf tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, met een richtafstand van 100 m voor geur, 30 meter voor stof en geluid. Wat betreft het aspect geur dient niet de richtafstand te worden aangehouden, maar dient een toetsing plaats te vinden op basis van de Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Wat betreft de aspect geluid en gevaar wordt aan de richtafstand voldaan.

Tevens dient te worden opgemerkt dat ter plaatse van de Kroonweg sprake is van een klein bouwvlak, waarbij sprake is van beperkte gebruiksmogelijkheden. Dan wel uitbreidingsmogelijkheden, ondanks dat planologisch gezien een niet grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 54

bestemmingsplan Buitengebied, Stempelsdijk 3 Saasveld en Bellinckhofweg 1-4 Weerselo

Zoals hierboven is aangegeven, ligt het geurgevoelige object in het buitengebied van de gemeente. Hierbij is op basis van de planologische mogelijkheden een afstand van 50 meter van toepassing. Aan deze afstand wordt voldaan waardoor het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Voor het niet grondgebonden agrarisch bedrijf aan de westzijde (Stempelsdijk 5-7) is een V-Stacks berekening uitgevoerd met worst-case scenario. Het resultaat van de berekening is dat de geurbelasting van het naastgelegen varkensbedrijf op de toekomstige Rood voor rood woning 11,9 Odeur bedraagt. Het gaat om de waarde van de geurbelasting op de buitenzijde van het geurgevoelige object. Voor de geurbelasting gaat de wet uit van gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent: 98 procent van het jaar geen overschrijding van de berekende geurconcentratie (ouE/m3; P98). Voor het buitengebied is op basis van de Wet geurhinder een maximale geurbelasting van 14,0 ouE/m3 vastgesteld. Gelet op de reken resultaten van de V-Stacks berekening wordt de geurbelasting niet overschreden en wordt het bedrijf niet beperkt in de planologische mogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/826/documents/21659