CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong..pdf

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 21: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Rood voor Rood Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.”26.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Beeldkwaliteit RvR

De Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 is in dit geval niet van toepassing, omdat voor rood voor rood-projecten een algemeen beeldkwaliteitsplan geldt. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woning. Voor de rood voor rood-woning geldt het algemeen beeldkwaliteitplan rood voor rood zoals opgenomen in Bijlage 6. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van de plannen. Voor de vier locaties is een ruimtelijk kwaliteitsplan rood-voor-rood opgesteld (zie bijlage Bijlage 7). Daarin is onderbouwd hoe de landschappelijke inpassing van deze locaties eruit gaat zien. In het plan is weergegeven een beschrijving van het plangebied, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Daaruit volgt een beschrijving van de nieuwe situatie.

Conclusie Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid en er geen belemmering is voor realisatie van onderhavig plan.

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.11

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen met bijgebouwen in het kader van de gemeentelijke rood-voor-rood regeling mogelijk gemaakt, op drie locaties. Daarnaast wordt diverse landschapsontsierende bebouwing gesloopt, dat daarmee verder geen milieugevolgen heeft in onderhavig plan.

Om de woningen in voorliggend plan mogelijk te maken, wordt er 2585 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt aan de Wittebergweg en nog 91 m² aan de Braakweg. De ontwikkeling is concreet beschreven in Hoofdstuk 2. In de D-lijst onderdeel D 11.2 wordt onder een stedelijke ontwikkeling het volgende verstaan: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Vanuit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:694) blijkt dat de beoordeling of een activiteit aangemerkt kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Uit voorgaande volgt dat de bouw van drie extra woningen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De ontwikkelingen zijn van een dusdanig beperkte omvang en vinden plaats in het buitengebied, waardoor geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

De kwalificatie is wel afhankelijk van aard en omvang van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In dit geval is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. De ontwikkeling wordt op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

43

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Wittebergweg 24 Nutter In de nabijheid van Wittebergweg 24 liggen voornamelijk agrarische bedrijven, een bedrijf en enkele woningen. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een aannemersbedrijf en bevindt zich aan de Wittebergweg 21 op 82 meter afstand. Voor een aannemersbedrijf geldt milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter, voor het aspect geluid. Deze minimale afstand wordt ruimschoots gehaald. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt aan de Vlasreutenweg 2 (grondgebonden bedrijf) op minimaal 230 meter afstand. De grootste richtafstand voor het 'fokken en houden van melkvee' is 100 meter voor het aspect geur en 30 meter voor het aspect stof en geluid. Echter is in dit geval niet de richtafstand voor geur leidend, maar geldt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste wettelijke afstand van 50 meter. Aan deze afstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. Dit wordt nader beschouwd in paragraaf 4.3. Het bedrijf wordt hiermee niet in de mogelijkheden beperkt en anderszijds is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Aan beide afstanden wordt ruimschoots voldaan. Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum In de omgeving van deze locatie liggen voornamelijk woningen en een bedrijfsperceel.

Het bedrijfsperceel ligt op 400 meter afstand aan de Dalweg 2-4 en betreft een combinatie van een ijsboerderij, spa-boerderij en koeien. Voor de koeien geldt een afstand van 50 meter op basis van de Wet geurhinder en veehouderij en 100 meter op 44

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

basis van Bedrijven en milieuzonering. Voor de spa-boerderij geldt een richtafstand van maximaal 10 meter voor het aspect 'geluid'. De benodigde afstanden worden voor deze locatie ruim voldoende gehaald. Braakweg 12 Lattrop-Breklenkamp Het dichtstbijzijnde bedrijf is het agrarische bedrijf aan de Disseroltweg 32. Hier geldt een afstand van 50 meter tussen de nieuwe woning en het bouwvlak van het agrarische bedrijf. De nieuwe woning is op minimaal 50 meter afstand gesitueerd. De woonbestemming ligt echter ook op een kortere afstand. Om te voorkomen dat het agarische bedrijf wordt beperkt in de bedrijfsvoering, wordt er een contour (op 50 m afstand) en een regel opgenomen dat binnen deze contour geen geurgevoelige objecten mogen worden opgericht. Om te voorkomen dat er vergunningsvrij alsnog geurgevoelige objecten worden gerealiseerd, worden deze met een specifieke regel uitgesloten. Andere bouwwerken die niet geurgevoelig zijn, zijn met een vergunning wel te realieren. Voorts is van belang dat door deze afstand wordt geborgd dat er te dicht op het bedrijf een geurgevoelig object wordt opgericht waardoor er ter plaatse van dat object geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.Deze locatiespecifieke omstandigheden rechtvaardigen om in de planregels een regeling op te nemen die het vergunningvrije bouwen beperkt (ABRvS 17 juni 2020, ELCI:NL:RVS:2020:1408).

Met deze maatregel, levert de ontwikkeling op deze locatie geen belemmeringen op voor omliggende bedrijven. Koninksweg Saasveld Het dichtbijzijnde bedrijf is een agrarisch bedrijf aan de Koninksweg 20-20a in Saasveld. Dit agrarische bedrijf ligt op minimaal 200 meter afstand. Er is een geuronderzoek uitgevoerd om te bepalen of de geurbelasting voldoet aan de normen. Uit het geuronderzoek blijkt dat de afstand tussen de woning en het agrarische bedrijf voldoende is en geen belemmeringen oplevert. Dit is uitgewerkt in paragraaf 4.3. Aan de overzijde ligt het onderkomen van de jeugdclub (Jong Nederland Saasveld) gericht op jongeren tussen de 4 en 16 jaar, ingedeeld op leeftijd. Het gebouw ligt op een afstand van 20 meter van de geplande woning. De jeugdclub valt onder de categorie 'Buurt- en clubhuis' waar een afstand van 30 meter geldt in een rustige woonwijk. De locatie aan de Koninksweg valt wellicht niet onder 'gemengd, maar direct naast de jeugdclub staat een woning op 5 meter afstand. Mocht de jeugdclub door omliggende woningen worden beperkt, dan is de direct naastliggende woning, de beperkende factor. Het realiseren van deze nieuwe woning zal geen (extra) beperking opleveren voor de jeugdclub. De jeugdclub is beperkt geopend. Elke leeftijdscategorie heeft een eigen avond waarop ze aanwezig zijn en dat is tot maximaal 20.30 uur.

Daarmee is er spreiding van de bezoekers door de gehele week en is er in de avonduren geen 'overlast' te verwachten. Gesteld kan worden dat er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan niet leidt tot mogelijke hinder van omliggende functies en/of beperkend is voor ontwikkelmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving. Omgekeerd leveren de omliggende functies geen belemmering op voor dit plan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets De bouwlocaties Braakweg 12 Lattrop-Breklenkamp en Nutterseweg 9 in Oud Ootmarsum zijn gesitueerd buiten de bebouwde kom wat betekent dat op basis van artikel 14 lid 2 van de Wgv de afstand van een veehouderij (zowel grondgebonden als voor intensieve veehouderijen) tot de compensatiewoning minimaal 50 meter moet bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

45

bedragen. De woningen die onderdeel uitmaken van onderhavig plan en een woonbestemming hebben of zullen krijgen (bestaande en nieuw te realiseren) liggen op meer dan 50 meter van een veehouderij. Voor de situatie aan de Koninksweg geldt dat er een sprake is van een onbebouwde kavel en de nieuwe woning moet wordt beoordeeld als een regulier geurgevoelig object. Voor deze locatie is een geuronderzoek uitgevoerd om te bepalen of de woning geen belemmering vormt voor het agrarische bedrijf van de Koninksweg 20. Het geurrapport is uitgevoerd door Kuiphuis Vastgoed&Advies BV (september 2021) is opgenomen als Bijlage 8 Geuronderzoek Koninksweg Saasveld bij de toelichting. In de rapport wordt geconcludeerd dat voor de woningbouwlocatie aan de Koninksweg een norm geldt van 3,0 Odeur vanwege de ligging aaneengesloten aan de bebouwing van Saasveld. Uit de berekening komt naar voren dat de geurbelasting op deze woning 2,9 Odeur bedraagt. Dat betekent dat wordt voldaan aan de geurregelgeving. Daarnaast is nog gekeken of er op het gehele perceel sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De belasting van 3,2 Odeur op de rand van het perceel en dat betekent dat er sprake is van een goed woon- en leeffklimaat. Daarbij wordt gekeken naar de voorgrondbelasting en de de geurhinder.

Dan blijkt dat het aantal geurgehinderden 8% bedraagt en daarmee is er volgens de RIVM-richtlijn sprake van een goede milieukwaliteit. Conclusie Het aspect geur vormt derhalve geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Wittebergweg 24 Nutter RPS (ref. 1904257-A00-R19-848, d.d. 30 augustus 2019) heeft in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht aan de Wittebergweg 24 in Nutter.

De rapportage is opngenomen in de Bijlage 2 Bodemonderzoek Wittebergweg 24 De onderzoekslocatie heeft betrekking op de boerderij met tuin en het erf met schuren, het is deels bebouwd met schuren en kampeerboerderij. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat op de locatie een bovengrondse dieseltank (midden-noordzijde) en een asbestverdacht dak (zuidwesten van de locatie) aanwezig zijn. Deze beide locaties zijn verdacht op aanwezigheid van bodemverontreiniging. Op het overige terrein zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat de locatie verontreinigd is met één of meer stoffen. Resultaten veldwerk Verontreinigingssituatie grond Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond nabij de bovengrondse tank matig verontreinigd is met PAK en minerale olie en licht verontreinigd met koper, lood, zink en PCB. In het genomen steekbusmonster zijn geen verhoogde gehalten met minerale olie en vluchtige aromaten aangetroffen. In de overige boven- en ondergrondmengmonsters worden geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond en mogen als niet verontreinigd worden geclassificeerd.

Opgemerkt dient te worden dat bij analyses van mengmonsters de gehalten in individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen zijn dan het gemeten gehalte in het mengmonster Indicatief asbestonderzoek Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden zijn in de grond ter hoogte van boring A1 bijmengingen met puin waargenomen die per definitie als asbestverdacht moeten worden aangemerkt. De puinhoudende grond is aanvullend, op locatie, gezeefd over zeef 20 mm. Er zijn hierbij geen asbest en/of asbestgelijkende materialen waargenomen. Van de gezeefde grond, van de fractie kleiner dan 20 mm, is een mengmonster samengesteld voor nader laboratoriumonderzoek op de eventuele aanwezigheid van 46

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

asbestvezels. Ditzelfde is gedaan met boring A18 die geplaatst is nabij een asbestverdacht dak van een half open schuur. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de geanalyseerde monsters (< 20 mm) geen asbestvezels zijn aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Op basis van het Op basis van het veld- en laboratoriumonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bovengrond aan de Wittenbergweg 24 in Nutter plaatselijk matig verontreinigd is met minerale olie en PAK en licht verontreinigd met koper, lood, zink en PCB. De verontreiniging is aangetoond ter hoogte van de bovengrondse dieseltank. In de ondergrond ter hoogte van de dieseltank zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Tevens zijn in het steekbusmonster geen verhoogde gehalten minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de matige verontreiniging met minerale olie en PAK zeer beperkt van omvang is en mogelijk gerelateerd is aan het bodemvreemde materiaal (baksteen en slakken) dat in het monster aanwezig is. Omdat er geen sterke verontreinigingen zijn aangetroffen ten opzichte van de Wbb wordt aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. In het puinhoudende grondmonster en het grondmonster dat genomen is nabij het asbestverdachte dak blijken niet asbesthoudend te zijn.

In de boven- en ondergrond van het overige terrein zijn geen van de onderzochte parametersverhoogd aangetoond waarmee gesteld mag worden dat dit deel van het terrein als niet verontreinigd beschouwd mag worden. Doordat het grondwater dieper dan 5 m-mv is gelegen heeft grondwateronderzoek niet plaatsgevonden. De resultaten van dit bodemonderzoek hoeven geen belemmering te vormen bij de voorgenomen eigendomsoverdracht. Uit milieu-hygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren met het oog op de ontwikkeling van de locatie. Aanbevolen wordt om het asbestverdachte dak te laten inventariseren. Aanvullend onderzoek Voor dit perceel is aanvullend onderzoek gedaan naar asbest en is tevens de toegangsweg aan de zuidzijde van het perceel onderzocht. Deze resultaten zijn in de bijlage toegevoegd aan bijlage 2. Bijlage 2 Bodemonderzoek Wittebergweg 24 Daaruit blijkt het volgende: Onderzoek Analyse Asbestonderzoek nabij 1 x asbest in asbest dak (boring A18) grond Asbest berm zuid 1 x asbest in grond Asbest toegangsweg 1 x asbest in grond Berm noord PAK en minerale olie Berm zuid PAK en minerale olie Toegangsweg PAK en minerale olie

Resultaat/toetsing 1,9 mg/kg asbest

conclusie Wel asbest aangetoond maar beneden de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.

6,6 mg/kg asbest 12,2 mg/ kg asbest < achtergrondwaarde > achtergrondwaarde > Interventiewaarde

Niet verontreinigd met PAK en minerale olie Licht verontreinigd met PAK en minerale olie Sterk verontreinigd met PAK en minerale olie

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontiwkkeling niet belemmerd wordt door het aspect 'bodem'. Voor de toegangsweg vindt nader onderzoek plaats naar de mate en omvang van de verontreiniging. Indien noodzakelijk zal sanering van de verontreiniging plaatsvinden.

Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum Terra Agribusiness BV (proj.nr. 2021-121, 10 juni 2021) heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum zie Bijlage 3 Bodemonderzoek Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum De onderzoekslocatie betreft de oude boerderij. Dat is de locatie waarop een nieuwe woning wordt gerealiseerd. bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

47

Het vooronderzoek heeft plaatsgevonden volgens het protocol NEN 5725 en het verkennend bodemonderzoek volgens het protocol NEN 5740. Conclusie In zowel het bovengrondmengmonster BM1 als in het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen zink en barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik

Braakweg 12 Lattrop Breklenkamp Terra Agribusiness BV (proj.nr. 2021-080, 31 mei 2021) heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en dat is uitgebreid met een asbest in grondonderzoek zie Bodemonderzoek Braakweg 12 Lattrop Breklenkamp De onderzoekslocatie bestaat uit voormalig agrarisch bedrijf met meerdere opstallen. Een van de schuren bevindt zich aan de overkant van de Braakweg. Het vooronderzoek heeft plaatsgevonden volgens het protocol NEN 5725 en het verkennend bodemonderzoek volgens het protocol NEN 5740. Conclusie Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In het bovengrondmengmonster (BM1) is een lichte verhoging zink aangetroffen. In de bovengrondmengmonsters (BM2 en BM3) zijn geen verhogingen aangetroffen. Grondwater In het grondwatermonster (PB1 WM1) is slechts een lichte verhoging barium aangetroffen. Zware metalen worden vaker licht verhoogd aangetroffen in Twentse zandgronden en kunnen als natuurlijke achtergrondwaarde beschouwd worden. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In alle grondmengmonsters (MM1 t/m MM3) is analytisch geen asbest aangetroffen. Druppelzones Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het mengmonster van DZ1 is analytisch geen asbest aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Koninksweg Saasveld Lycens heeft (proj.nr. 2020-0513, 22 januari 2021) een verkennend bodemonderzoek (zie Bijlage 5 Bodemonderzoek Koninksweg Saasveld uitgevoerd voor Koninksweg in Saasveld (kadastraal bekend gemeente Weerselo, sectie B nrs. 4681 en 3321). De locatie betreft een onbebouwd terrein. 48

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie ten aanzien van zowel chemische parameters als ten aanzien van asbest als onverdacht te beschouwen. Veldwerk In totaal zijn acht boringen verricht. Grondmonsters In zowel de zintuiglijk schone bovengrond, zintuiglijk met kolengruis verontreinigde bovengrond als de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters in een verhoogd gehalte gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond derhalve geen belemmering tegen de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Grondwatermonsters Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De gemeten concentratie overschrijdt de streefwaarde in geringe mate en vormt geen belemmering voor de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Conclusies en aanbevelingen De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde concentraties aan barium in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormt de concentratie aan barium geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het uitvoeren van onderhavig plan. De gronden zijn geschikt geacht voor de beoogde ontwikkelingen.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

49

c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Voor de nieuwbouwlocaties zijn uitsnedes van de Verkeersmilieukaart (VMK) opgenomen. Wittebergweg 24 Nutter Voor deze locatie treedt voor wat betreft geluid geen gewijzigde situatie op. De bestaande woning wordt gehandhaafd en er wordt geen geluidsgevoelig object toegevoegd. Braakweg 12 Lattrop Breklenkamp De Braakweg betreft een rustige 60 km/u-weg met lage verkeersintensiteiten. De woning zal op circa 45 meter van de as van de weg komen te liggen. De Braakweg zit niet in de VMK en heeft dus een beperkt verkeersaanbod. De afstand van 45 m is ruim voldoende om te voldoen aan de 48 dB voorkeursgrenswaarde.

figuur 4.2 uitsnede vmk (bron: gemeente Dinkelland) Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum De Nutterseweg is een rustige 60 km/u-weg met eveneens lage verkeersintensiteiten. De nieuwe woning ligt op circa 20 meter afstand van de weg, op de plek van de oude boerderij. De Nutterseweg is opgenomen in de VMK en ligt buiten de 48 dB-contour.

figuur 4.3: uitsnede VMK (bron: gemeente Dinkelland) Koninksweg Saasveld De nieuwe woning ligt op ongeveer 15-16 meter vanuit de wegas. De Koninksweg zit niet in de VMK. Het verkeersaanbod is beperkt op deze weg. Ter plaatse van de te bouwen woning ligt de grens van de maximumsnelheid tussen de 30 en 50 km/uur. Gezein het beperkte verkeersaanbod zal worden voldaan aan de voorkeursgreenswaarde van 48 dB.

50

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

figuur 4.4: uitsnede VMK (bron: gemeente Dinkelland)

Conclusie Met inachtneming van vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavig plan.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

51

Toets Het extra verkeer als gevolg van de twee woningen in het buitengebied (Braakweg en Nutterseweg) zal zeer beperkt zijn en daarmee ook de uitstoot. Voor de woning aan de Koninksweg, in weinig stedelijk gebied, geldt dezelfde norm als de beide andere woningen. Voor de drie locaties gezamenlijk betekent een toename van 26 verkeersbewegingen per dag. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.5 is de worst-case berekening weergegeven met 26 extra voertuigbewegingen.

Figuur 4.5: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage voor de drie locaties gezamenlijk van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het besluit gevoelige bestemmingen is in dit geval niet van toepassing omdat een woning geen gevoelige functie is.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg 52

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Voor de drie locaties waar de compensatiewoningen worden gebouwd, is getoetst aan de risicokaart.

Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum:

Figuur 4.6: Fragment risicokaart (bron: Arcgis.com) Het dichtstbijzijnde risico is een gasleiding, van de Gasunie, die ligt op minimaal 1,75 kilometer afstand van het plangebied. Braakweg 12 Lattrop Breklenkamp

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

53

Figuur 4.7: Fragment risicokaart (bron: Arcgis.com) Het dichtstbijzijnde risico voor deze locatie ligt op ruim 3,7 kilometer afstand, een gasleiding van de Gasunie. Koninksweg Saasveld

Figuur 4.8: Fragment risicokaart (bron: Arcgis.com) 54

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Het dichtstbijzijnde risico voor de locatie aan de Koninksweg is eveneens een leiding van de Gasunie en deze ligt op ruimm 2,6 kilometer. Derhalve geldt dat de plangebieden: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 11 juni 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlagen bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

55

Voor de locatie Wittebergweg 24 Nutter volgt de conclusie dat er geen waterschapsbelang is bij dit plan. Voor de locaties Braakweg 12 Lattrop Breklenkamp en Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum is de standaard waterparagraaf van toepassing verklaard. Met inachtneming van de standaard voorschriften vanuit het waterschap wordt een positief advies gegeven voor de ontwikkeling. Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen. Voor de locatie Koninksweg in Saasveld moet de normale procedure worden gevolgd. Uit contact met waterschap Vechtstromen volgt dat rekening moet worden gehouden met de naastliggende waterloop en duiker vanwege hun aan-, af- en doorvoerfunctie. Voor het onderhoud is een obstakelvrije zone van 5 meter vanaf de insteek noodzakelijk. Bij de uitwerking van het plan zal rekening worden gehouden met de eisen van het Waterschap.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Voor de vier locaties is een quicscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (Natuurbank Overijssel, projectnummer 3392, 16-6-2021). De vier deelgebieden zijn op 27 april 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Geen van de deelgebieden behoort tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel.

Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en de deelgebieden, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Sommige beschermde amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Indien de bebouwing gesloopt wordt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd en/of vernield. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet 56

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

af.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie In onderstaand figuren zijn de verschillende deellocaties zichtbaar in de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Dinkelland.

Figuur 4.9: Wittebergweg (bron: archeologische verwachtingskaart, gemeente Dinkelland)

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

57

Figuur 4.10: Nutterseweg (bron: archeologische verwachtingskaart, gemeente Dinkelland)

Figuur 4.11: Braakweg (bron: archeologische verwachtingskaart, gemeente Dinkelland)

58

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Figuur 4.12: Koninksweg (bron: archeologische verwachtingskaart, gemeente Dinkelland) Toets Voor de locatie aan de Wittebergweg 24 geldt het kenmerk 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems'. Voor gronden met dit kenmerk is het advies dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De sloopoppervlakte is minder dan 5000 m², waardoor onderzoek niet nodig is. Voor de locatie aan de Nutterseweg 9 geldt naast de 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodem', het kenmerk 'diepe erosiedalen met natte, zandige bodems'. Dit laatste kenmerk geeft een lage verwachtigswaarde voor archeologie aan. Op deze locatie wordt een woning gebouwd en een gebouw gesloopt, maar dit blijft ruim onder de 5000 m². Archeologisch onderzoek is hier niet noodzakelijk. De locatie aan de Braakweg 12 en aan de Koninksweg hebben beide het kenmerk 'beekdalen en overige laagten'. Daarvoor geldt een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle perioden. Er geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor beide locaties is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- noch gemeentelijke monumenten.

In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden of van monumentale bebouwing. Gelet daarop kan worden gesteld dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de onderhavige plannen.

4.11

Verkeer / parkeren

Nutterseweg 9, Braakweg 12, Koninksweg Het voornemen bestaat om op drie locaties, één extra woning te realiseren, aan de Nutterseweg 9, Braakweg bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

59

12. Hierdoor zal het aantal verkeersbewegingen ter plaatse nauwelijks toenemen. Uitgegaan wordt van 8,6 verkeersbewegingen per woning (kencijfer CROW-publicatie oktober 2012). Deze toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Op het erf zullen de initiatiefnemers door middel van een oprit/erfverharding ruimte creëren voor het parkeren van voertuigen. Het betreft een locatie in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, waar voldoende ruimte is in om in de parkeermogelijkheden op eigen terrein te voorzien. Voor de locatie aan de Koninksweg op de grens van woonwijk met het buitengebied, kan worden uitgegaan dat er wordt geparkeerd op eigen terrein. Wittebergweg 24 Aan de Wittebergweg worden enkel schuren gesaneerd en blijven de huidige woningen gehandhaafd. Als gevolg daarvan zal er geen toename van het aantal verkeersbewegingen plaatsvinden. Voor parkeren geldt hiervoor in de huidige situatie afdoende ruimte bestaat op het erf, hierin treedt eveneens geen verandering op. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de plannen.

60

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

61

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Hier zijn ook bepalingen voor wat betreft parkeren en laden/lossen opgenomen. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: 'Agrarisch - 1' De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ bestaan uit een combinatie aan functies. Deze gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. Aan de Wittebergweg is binnen het plangebied tevens de bestemming 'Agrarisch - 1' aanwezig. Het gaat hier om gronden die in het kader van het wegbestemmen van het agrarisch bouwperceel en/of de landschappelijke inpassing relevant zijn en daarom opgenomen zijn binnen het plangebied. 'Wonen' Verspreid in het buitengebied liggen bedrijfswoningen (meest agrarisch) en burgerwoningen. Woningen mogen een maximale inhoud hebben van 750 m3 ongeacht de vraag of sprake is van inwoning. Bij burgerwoningen zijn, net als bij agrarische bouwvlakken, kleinschalige bedrijfsactiviteiten na afwijking toegestaan. Tevens zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan. In de bestemming zijn een aantal specifieke gebruiksregels, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. In de specifieke gebruiksregels van deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/578/documents/17488