CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong..pdf

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 21: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Rood voor Rood Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.”26.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in de erfinrichtingsplannen en de sloop van de landschapsontsierende 62

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

bedrijfsgebouwen.

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

63

64

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

65

66

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 15 en 16 april 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 31 december 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Gedurende de inzageperiode zijn twee zienswijzen ingediend door omwonenden van locatie Koninksweg ongenummerd te Saasveld. In navolging hierop hebben overleggen plaatsgevonden tussen de betreffende intiatiefnemers en omwonenden. Er zijn onderinge afspraken gemaakt met betrekking tot de voorziene ontwikkeling op deze locatie die tot een overeenstemming van de betreffende pariijen leidt. Hiermee hebben de omwonenden laten weten de formele zienswijze in te trekken.

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

67

68

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 1 2, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

69

Bijlage 1 Quickscan natuurwaardenonderzoek

70

bestemmingsplan Buitengebied, RvR Wittebergweg 24, Braakweg 12, Nutterseweg 9 en Koninksweg ong.

Quickscan natuurwaardenonderzoek Braakweg 12 LattropBreklenkamp, Wittebergweg 24-26, Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum, Koninksweg (ongenummerd) Saasveld

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Quickscan natuurwaardenonderzoek Braakweg 12 LattropBreklenkamp, Wittebergweg 24-26, Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum, Koninksweg (ongenummerd) Saasveld

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever:

Eigenaar locatie Wittebergweg

Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 3392 versie 1.0 Ligging plangebied: Braakweg 12 Lattrop-Breklenkamp, Wittebergweg 24-26, Nutterseweg 9 Oud Ootmarsum, Koninksweg ong. Saasveld

Status: definitief Rapportdatum: 16-6-2021

1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1

Inleiding .................................................................................................................................... 4

Hoofdstuk 2

Het plangebied ......................................................................................................................... 5

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van de deelgebieden ............................................................................................................ 5 2.2.1 Braakweg 12 ...................................................................................................................................... 5 2.2.2 Wittebergweg.................................................................................................................................... 5 2.2.3 Nutterseweg ...................................................................................................................................... 6 2.2.4 Koninksweg (ongenummerd) te Saasveld ......................................................................................... 6 Hoofdstuk 3

Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 8

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden .............. 10 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................. 10 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................. 10 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders ...................................................................................................................... 11

4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 11 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 11 4.4

Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 12

Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 13

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 13 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 13 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 14 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 15 Hoofdstuk 6

Soortenbescherming .............................................................................................................. 16

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 16 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 16 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 17 6.3.1 Deelgebied Braakweg ...................................................................................................................... 18 6.3.2 Deelgebied Wittebergweg............................................................................................................... 19 6.3.3 Deelgebied Nutterseweg ................................................................................................................. 21 6.3.4 Deelgebied Koninksweg .................................................................................................................. 23 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep (alle deelgebieden) ............................................... 25 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .............................................................................................

27 6.6 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 27 Hoofdstuk 7

Conclusies ............................................................................................................................... 28 2

SAMENVATTING Er zijn plannen voor ruimtelijke ontwikkelingen op vier locaties het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan een negatief effect op beschermde soorten en gebieden niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. De vier deelgebieden zijn op 27 april 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Geen van de deelgebieden behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en de deelgebieden, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Sommige beschermde amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd en/of vernield. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet af.

3

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn plannen voor ruimtelijke ontwikkelingen op vier locaties in de gemeente Dinkelland. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan een negatief effect op beschermde soorten en gebieden niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).

Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

4

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied bestaat uit vier deelgebieden, allen gelegen in de gemeente Dinkelland. Drie daarvan liggen in het buitengebied (Nutter 2x en Lattrop) en één in de woonkern Saasveld. 2.2 Beschrijving van de deelgebieden 2.2.1 Braakweg 12 Het plangebied ligt in het buitengebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en bestaat volledig uit bebouwing en erfverharding. In het plangebied staan een woonboerderij, kapschuur, schuur en veldschuur. Uitgezonderd de houten kapschuur, zijn de overige gebouwen voorzien van bakstenen buitengevels. Alle gebouwen zijn gedekt met gebakken dakpannen. De staat van onderhoud van de gebouwen is goed; alle gebouwen zijn wind- en waterdicht. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2.2 Wittebergweg Het plangebied ligt in het buitengebied vormt een agrarisch erf, omgeven door agrarisch cultuurland en beplanting. In het plangebied staan een boerderij met achterdeel, twee stallen en een werktuigenberging. De boerderij beschikt over gemetselde buitengevels en heeft een met dakpannen gedekt zadeldak. De loopstal en jongveestal hebben ook gemetselde buitengevels, de werktuigenberging heeft damwandgevels. Alle bijgebouwen zijn gedekt met golfplaten. De agrarische activiteiten zijn enkele jaren geldeden gestaakt en sindsdien staan de gebouwen leeg. De staat van onderhoud van de gebouwen is goed; alle gebouwen zijn wind- en waterdicht. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.

5

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2.3 Nutterseweg Het plangebied vormt een deel van een woonerf en bestaat volledig uit bebouwing. In het plangebied staat een voormalige boerderij met achterdeel. De boerderij heeft bakstenen buitengevels en een met dakpannen gedekt zadeldak (zonder dakbeschot). Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2.4 Koninksweg (ongenummerd) te Saasveld Het plangebied bestaat uit een schaars begroeid perceel braakland. In het perceel ligt een bult gele grond. Het grenst aan weerszijden aan een woonerf, aan de zuidzijde aan een doorgaande verharde weg en aan de noordzijde aan agrarische cultuurgrond. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.

6

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

7

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Er vinden ruimtelijke ontwikkelingen plaats in vier verschillende deelgebieden. Deze worden per deelgebied hieronder toegelicht. Braakweg Alle bebouwing, en een deel van de verharding wordt geamoveerd. De ondergrond op het erf, wordt als erf ingericht. De ondergrond van de veldschuur wordt als agrarische cultuurgrond ingericht. Het erf wordt nadien landschappelijk ingericht door middel van de aanplant van erfbeplanting. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van wenselijke eindbeeld (bron: nl-landschap.nl)

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Verwijderen verharding; • Aanleg beplanting; Wittebergweg Op een klein bijgebouw na, wordt alle bebouwing in het plangebied gesloopt, wordt erfverharding verwijderd en wordt de beplanting aan de noordoostzijde van het erf gerooid. In het plangebied worden een nieuwe woning en twee bijgebouwen gebouwd. Het nieuwe erf wordt landschappelijk ingericht, door middel van de aanplant van erfbeplanting. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van wenselijke eindbeeld (bron: nl-landschap.nl)

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Verwijderen verharding; 8

• •

Verwijderen beplanting; Aanleg beplanting;

Nutterseweg De oude boerderij wordt gesloopt en op de slooplocatie wordt een nieuwe woning gebouwd. Een bestaande kippenren wordt verbouwd tot kleindierenverblijf. Het erf wordt landschappelijk ingericht, door middel van de aanplant van erfbeplanting en het vervangen van laurier en conifeer door struweelhaag. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van wenselijke eindbeeld (bron: nl-landschap.nl)

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Bouwen woning; • Verwijderen beplanting; • Aanleg beplanting; Koninksweg Het voornemen is een vrijstaande woning met garage te bouwen in het plangebied. Het erf wordt landschappelijk ingericht, door middel van de aanplant van erfbeplanting Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van wenselijke eindbeeld (bron: nl-landschap.nl)

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Bouwrijp maken bouwlocaties; • Bouwen woning en garage; 9

•

Aanleg beplanting;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop-, en bouwwerkzaamheden en het rooien en planten van beplanting. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. Geen van de deelgebieden grenzen aan houtige opstanden, zoals een houtwal of een bos. Er is geen aanleiding te veronderstellen, dat beschermde waarden buiten het plangebied negatief beïnvloed worden. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

10

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

11

•

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel

12

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Geen van de deelgebieden behoort tot het Natuurnetwerk Nederland.

Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Ruimtelijke ontwikkelingen buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, hoeven daarom niet getoetst te worden aan beleidsregels t.a.v. het Natuurnetwerk Nederland, zoals verwoord in de Omgevingsverordening van Overijssel. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties Uitvoering van de voorgenomen plannen leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel.

13

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het opschorten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Ligging van het plangebied t.o.v.

Natura 2000-gebied Geen van de deelgebieden behoort tot Natura 2000-gebied. In onderstaande tabel wordt de ligging van de deelgebieden t.o.v. Natura 2000-gebied weergegeven. deelgebied Braakweg Wittebergweg Nutterseweg Koninksweg

Minimale afstand tot Natura 2000-gebied 1,61 km 171 meter 903 meter 4,45 km

Naam meest nabij gelegen Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampseveld Springendal & Dal van de Mosbeek Springendal & Dal van de Mosbeek Lemselermaten

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied.

14

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. De deelgebieden Braakweg, Nutterseweg en Koninksweg liggen op enige afstand van Natura 2000-gebied en deze deelgebieden zijn niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000, kan een negatief effect op kwalificerende soorten en habitats, zoals optische verstoring, geluid, trillingen e.d. uitgesloten worden. Deelgebied Wittebergweg ligt vrij dicht bij het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Kwalificerende habitat en leefgebied van kwalificerende soorten in dit gebied worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Beoordeling Stikstof Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar de Natura 2000-gebieden in de omgeving van de deelgebieden bestaan voor een groot deel uit stikstofgevoelige habitattypen.

In deelgebied Wittebergweg wordt een agrarische bedrijfslocatie omgezet naar wonen. Dit plan is oorspronkelijk geïnitieerd door de provincie Overijssel als maatregelen ten behoeve van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Als gevolg van het staken van de agrarische bedrijfsvoering vindt er een sterke reductie plaats van emissie van stikstof (ammoniak). Het is niet aannemelijk dat voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000gebied. De andere deelgebieden liggen op dusdanige afstand van Natura 2000-gebied, dat een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase, uitgesloten kan worden. Deze conclusie wordt gedeeld door de Omgevingsdienst Twente. Zij hanteren afstandscriteria voor verschillende categorieën ‘ruimtelijke ontwikkelingen’, voor het wel of niet noodzakelijk uitvoeren van een stikstofberekening. Wettelijke consequenties Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.

5.4 Slotconclusie Geen van de deelgebieden behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en de deelgebieden, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.

15

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek en raadplegen NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. In de omgeving van de deelgebieden komen verschillende beschermde dieren voor (NDFF), maar deze worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. De deelgebieden vormen een (deel van) een (voormalig) agrarisch erf of bestaan uit braakland. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt.

Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 27 april 2021 tijdens de daglichtperiode bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; • NDFF;

16

Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels, Veel vogels vertonen territorium-indicerend gedrag en hebben een bezet nest of zelfs al uitgevlogen jongen in deze tijd van het jaar. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen.

Vleermuizen hebben de winterverblijfplaats verlaten en bezetten de zomerverblijfplaatsen. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Soorten als ‘groene kikker’ en rugstreeppad moeten nog beginnen aan de voortplanting. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.

Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek per deelgebied gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken.

17

6.3.1 Deelgebied Braakweg Vogels Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van vogels. Het plangebied vormt geen geschikt foerageergebied en plekken voor vogels om te nestelen ontbreken. Er nestelen geen huismussen onder de dakpannen en de gebouwen zijn niet toegankelijk voor vogels, zoals steen- of kerkuil. Door het slopen van bebouwing wordt geen vogel gedood en wordt geen bezet vogelnest of nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort mogelijk tot functioneel leefgebied van grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis en huisspitsmuis. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten bezetten doorgaans een vaste rust- en voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond, en in opgeslagen spullen. Een geschikte plek voor steenmarters, zoals een (hooi)zolder ontbreekt in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd en vernield.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De woonboerderij is voorzien van gemetselde buitengevels met luchtspouw, de andere gebouwen niet. In de buitengevels met luchtspouw zijn geen potentiële invliegopeningen waargenomen, zoals een open stootvoegen of andere gaten/kieren. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering. De binnenzijde van de gebouwen is niet (eenvoudig) toegankelijk voor vleermuizen om er een verblijfplaats te bezetten. Dergelijke verblijfplaatsen aan de binnenzijde, zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van uitwerpselen en prooiresten onder de hangplek. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. 18

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd. De gebouwen zijn niet toegankelijk en geschikte plekken om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreken. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en geen (winter)rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

6.3.2 Deelgebied Wittebergweg Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in bomen, struiken, dichte vegetatie, nestkasten, opgeslagen spullen (voertuigen) en in de constructie van de stallen. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, holenduif, winterkoning, vink, zwartkop, koolmees, pimpelmees, witte kwikstaart en tjiftjaf. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen in het plangebied waargenomen. De lege, en schoongemaakte stallen, vormen geen geschikte nestplaats voor huismussen en onder de dakpannen van de boerderij zijn geen (oude) nesten van huismussen aangetroffen. Tevens zijn geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuil er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van deze soorten in gebouwen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, ruiveren en schijtsporen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat roofvogels een vaste rust- of nestplaats in het plangebied bezetten. Door het verwijderen van beplanting en het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd en/of vernield.

Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vogels niet aangetast.

19

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bebouwing slopen tijdens de voortplantingsperiode; - Beplanting rooien tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, steenmarter, rosse woelmuis, egel, vos en haas. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen, rosse woelmuizen en huisspitsmuizen er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in/onder opgeslagen goederen, in voertuigen en holen en gaten in de grond; zowel in toegankelijke gebouwen als in de buitenruimte. Een geschikte plek voor steenmarters of egels om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied. Door het verwijderen van opgeslagen goederen, rommel en afval en het uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet af.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen van opgeslagen goederen, rommel en afval; - Het uitvoeren van grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Een deel van de bebouwing beschikt weliswaar over gemetselde buitengevels met luchtspouw, maar er zijn geen potentiële invliegopeningen waargenomen, zoals open stootvoegen of ventilatieopeningen. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering. Ook zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de gebouwen. Dergelijke verblijfplaatsen zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van uitwerpselen (en soms prooiresten) onder de hangplek. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; 20

• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder strooisel, bladeren, opgeslagen spullen en rommel. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.

Door het verwijderen van opgeslagen spullen, rommel en afval en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen opgeslagen spullen, rommel, puin en afval; - Uitvoeren grondverzet; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 6.3.3 Deelgebied Nutterseweg Vogels Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van vogels. Het plangebied vormt geen geschikt foerageergebied en plekken voor vogels om te nestelen ontbreken. Er nestelen geen huismussen onder de dakpannen en het gebouw is niet toegankelijk voor vogels, zoals steen- of kerkuil. Door het slopen van de bebouwing wordt geen vogel gedood en wordt geen bezet vogelnest of nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren

21

Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, en het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdierensoorten. De boerderij is niet toegankelijk voor beschermde grondgebonden zoogdieren. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De woonboerderij is voorzien van gemetselde buitengevels, maar deze zijn niet voorzien van een spouw. Er zijn in het plangebied geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering en de binnenzijde van de boerderij is niet (eenvoudig) toegankelijk voor vleermuizen om er een verblijfplaats te bezetten. Dergelijke verblijfplaatsen aan de binnenzijde, zijn overigens ook eenvoudig vast te stellen aan de hand van uitwerpselen en prooiresten onder de hangplek.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;

22

Amfibieën Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd. De boerderij is niet toegankelijk voor amfibieën om er een (winter)rustplaats te bezetten. Ook ontbreekt potentieel voortplantingsbiotoop. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en geen (winter)rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/578/documents/17488