Bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld.pdf
Tekst van het document
Hiermee wordt concreet uitvoering gegeven aan het leveren van een kwaliteitsimpuls, waarbij wordt opgemerkt dat het gaat om een functioneel aan het buitengebied gebonden functie. Voor een verdere uitwerking van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2. 4.3.2.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland. 4.3.3
Casco-benadering in Noordoost-Twente
4.3.3.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
4.3.3.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
29
Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren
Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de Cascokaart Noordoost-Twente. Het plangebied is met zwarte contour weergegeven.
Afbeelding 4.7: Uitsnede Cascokaart Noordoost-Twente (Bron: Gemeente Dinkelland) Het plangebied bevat een onderdeel van het Casco. Elementen die tot het casco behoren mogen in principe niet verplaatst worden. 4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de "Casco-benadering in Noordoost-Twente" Binnen het plangebied worden geen groenstructuren verwijderd die onderdeel uitmaken van het Casco. Het plan is hiermee in overeenstemming met de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente'. 4.3.4
Verkeer en parkeren
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Dinkelland hanteert hiervoor de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018'. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging waarbij de bestaande situatie planologisch wordt ingepast. De functiewijziging zorgt niet voor een toename van verkeersbewegingen danwel een toename van de parkeerbehoefte. Daarbij wordt opgemerkt dat het plangebied van voldoende omvang is om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Tevens dient de te realiseren werktuigenberging voor het stallen van bestaande werktuigen onder een dak. Ook dit onderdeel resulteert niet in een verandering van de verkeersgeneratie of parkeerbehoefte. Gesteld wordt dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
30
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage.
5.1 Geluid 5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Voorliggend voornemen behelst onder meer het bouwen van een werktuigenberging. Dit kan niet worden aangemerkt als een geluidgevoelig object. Hiermee is de Wgh niet van toepassing en is nader onderzoek niet nodig. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Het initiatief voorziet in de sloop van de verouderde asbesthoudende kapschuur en het bouwen van een werktuigenberging. Met de gemeente Dinkelland is in overleg gegaan over de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek. Gesteld wordt dat er geen sprake is van een wijziging naar een gevoelige bestemming, het voornemen geen directe invloed heeft op de bestaande bedrijfswoning en dat de werktuigenberging niet bedoeld is voor langdurig menselijk verblijf. Geconcludeerd wordt dat bodemonderzoek niet nodig is. Wel wordt geadviseerd om naast het afvoeren van de asbesthoudende dakplaten van de kapschuur ook de grond tot 1 meter uit de muur tot 30 centimeter diep te ontgraven en af te voeren als asbesthoudend. 5.2.3
Conclusie
De sanering van de asbesthoudende kapschuur staat verdere uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
31
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Verder wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: 32
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2
Beoordeling
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Voorliggend voornemen voorziet in het bouwen van een werktuigenberging ten behoeve van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Een werktuigenberging kan niet gerekend worden tot een gevoelige bestemming aangezien deze niet is bedoeld voor langdurig menselijk verblijf. Daarnaast is een werktuigenberging niet aan te merken als een risicovolle inrichting, waardoor nadere toetsing aan externe veiligheid achterwege kan blijven. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5 Milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
33
5.5.2
Gebiedstypen
5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in een gebied waar nauwelijks sprake is van functiemenging. Het plangebied wordt dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. In voorliggend geval wordt het bouwvlak vergroot en een werktuigenberging gerealiseerd ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten. Hierbij is sprake van een milieubelastende functie. Tussen deze milieubelastende functie en de gevel van milieugevoelige functies dienen voor diverse aspecten bepaalde afstanden in acht te worden genomen. Concreet gaat het hierbij om de volgende functie: Functie Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
Minimale afstand (categorie) 30 meter (geluid)
Gemeten wordt vanaf de grens van (het bouwvlak van) het plangebied tot de bestemmingsgrens van milieugevoelige bestemmingen. De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde milieugevoelige functie (woning aan de Muldersweg 2) bedraagt circa 55 meter. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Verder zorgt de aan te leggen houtwal (Bijlage 1) voor verdere demping van geluid. Van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.
34
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In voorliggend geval wordt er geen milieugevoelige functie gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van bedrijven in de omgeving van het plangebied. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6 Geur 5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
Voorgenomen ontwikkeling gaat niet uit van het toevoegen van een geurgevoelige functie. De te realiseren werktuigenberging dient ten behoeve van het agrarisch bedrijf, echter is dit bedrijf geen veehouderij. In de regels van voorliggend plan is het houden van dieren daarom ook uitgesloten. De Wgv is hierdoor niet van toepassing. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
35
5.7 Ecologie 5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 5,5 kilometer afstand. Door Natuurbank Overijssel is een stikstofberekening uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 2. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Resultaten stikstofberekening De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 12,9 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,1 kg/jaar. De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 40,5 g/jaar en een NH3-emissie van 1,9 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase en gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN).
Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied ligt op circa 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteit in relatie tot de afstand tot het NNN wordt gesteld dat het voornemen geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 3. 5.7.3.2 Situatie plangebied Onderzoeksresultaten natuurwaardenonderzoek De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied 36
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien bebouwing wordt gesloopt en de klimopstruik wordt verwijderd tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 5.7.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Afbeelding 5.1 toont de ligging van het plangebied (blauwe contour) binnen deze kaart.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
37
Afbeelding 5.1: Het plangebied op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt op basis van de Archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland, deels in het gebied 'dekzandhoogten en -ruggen' en deels in het gebied 'dekzandhoogten en - ruggen met een plaggendek'. Ter plaatse van het gebied 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' vinden de beoogde bodemingrepen plaats (de locatie staat weergegeven in paragraaf 3.1). In deze gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De te realiseren werkschuur heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2 en valt daarmee onder de vrijstelling voor archeologisch onderzoek. 5.8.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Beoordeling
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 5,5 kilometer afstand. Voorliggend bestemmingsplan behelst het bestemmen van het plangebied met de bestemmingen 'Agrarisch' (à 8.417 m2) en 'Bos - Natuur' (à 754 m2) en het uitbreiden van het bouwvlak met 1.823 m2. Initiatiefnemer is voornemens de kapschuur te slopen en een werktuigenberging te bouwen. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de sloop van de bestaande kapschuur wordt bovendien opgemerkt dat het gaat om zeer tijdelijke en zeer kleinschalige (aanleg)werkzaamheden. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Voor dit bestemmingsplan is hiermee dan ook geen sprake van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
39
milieugevolgen kunnen hebben. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, geen sprake van een nieuwe functie die leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
40
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1 Vigerend beleid 6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie.
Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
41
6.2 Waterparagraaf 6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. Het resultaat is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Naar aanleiding van het resultaat is contact opgenomen met het waterschap. Het waterschap heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt. Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is meer dan 1500 m2. De voormalige mestkelders worden gebruikt voor de opvang van regenwater vanaf het dak van de te bouwen werktuigenberging. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan is er geen toename van vervuilingseenheden en heeft dus geen invloed op de afvoer van afvalwater. Het hemelwater wordt opgevangen in de twee voormalige mestkelders, met een capaciteit van 30 m3.
Dit water kan in droge periodes worden gebruikt ten behoeve van irrigatie en dergelijke. Door middel van een overloopsysteem wordt, wanneer de opslag van regenwater vol zit, overtollig water afgevoerd op de sloot (zuidzijde) of geïnfiltreerd in de hoger gelegen zandgronden (noordzijde). Het waterschap komt met nadere adviezen ten aanzien van de toename in verharding.
42
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
43
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen.
Algemene procedureregels (Artikel 10) Hier staat de procedure die van toepassing is op het stellen van nadere eisen ex artikel 3.6. lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening. Overige regels (Artikel 11) In dit artikel worden de overige regels beschreven. Deze regels gaan in op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen en de geldende parkeerregels. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch' (Artikel 3) De gronden in het plangebied worden voor het grootste deel bestemd met 'Agrarisch - 1'. Het bestaande bouwvlak wordt hierbij uitgebreid ten behoeve van de bouw van de werktuigenberging. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.
De gronden zijn ook bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een akkerbouwbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel akkerbouwbedrijf'. De sloop van de kapschuur en landschappelijke 44
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
inpassingen zijn gewaarborgd door bij de specifieke gebruiksregels specifieke voorwaardelijke verplichtingen op te nemen. 'Bos - Natuur' (Artikel 4) Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie en het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen overeenkomstig het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk Kwaliteitsplan.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt onder meer opgenomen dat het risico van planschade bij de initiatiefnemer ligt zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
Hoofdstuk 9
Vooroverleg
9.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkelingen geen nationale belangen schaden. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan is in het kader van vooroverleg naar de provincie Overijssel toegezonden. De provincie heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets is de digitale watertoets ingevuld. Er is contact gezocht met het waterschap. Het waterschap heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt.
9.2 Inspraak en zienswijzen 9.2.1
Inspraak
Initiatiefnemer heeft de bewoners van de Muldersweg 2 en Bornsestraat 51a gesproken over het voornemen. De bewoners hebben aangegeven positief te staan tegenover het voornemen. Er zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt tegen (onderdelen van) het plan. 9.2.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend tegen het plan.
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
49
50
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
51
Bijlage 1
52
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld
RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N B U IT E N G E B I E D •
Muldersweg 1 - Saasveld •
Tubbergen, 30 maart 2023 - Versie 1 Definitief
4-4A
T 175
T 1309
T 1479
T 1310
straat Bornse
T 1478
V 713
2
T 160
straat Bornse
T 1462
T 159 T 187
V 52
T 1461
V 711
T 1461
Muldersweg
T 1461
T 1461 T 2018 T 1461
T 1461
T 1461
51-51A
1
T 1461
T 1461
T 1461
T 1461
V 887
T 2019
T 61
Project: Buitengebied met kwaliteit
Afbeelding: Ontwikkeling Muldersweg 1 Saasveld (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Bornse
straat
V 712
2
V 886
V 890
V 888
T 1504
T 41
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
Buitengebied met kwaliteit
Locatie: Muldersweg 1 Saasveld
Titel rapport
RKP buitengebied met kwaliteit - Muldersweg 1 Saasveld
Opgesteld:
30 maart 2023, Tubbergen
Gewijzigd:
-
Status:
Versie 1 - Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. NH / Ing. DA Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie
06
3. Beleid
08
4. Nieuwe situatie
16
1. Aanleiding Aan de Muldersweg 1 in Saasveld is sprake van een kleinschalig agrarisch bedrijf. Het erf is gelegen in een uitloper van het oude kampenlandschap met rondom wat matenlandschap en een jonge heideontginning. Een gebied dat gelegen is op een dekzandvlakte met de overgang naar lagere beekdalgebieden. Daardoor is er sprake van hoogteverschillen.
Landschappelijke inpassing De gemeente Dinkelland stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als voorwaarde. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
De bestemming is ter plaatse in het verleden omgezet naar de bestemming “Wonen” en later weer naar de bestemming “Bedrijf - voormalig agrarisch”. Voorheen is er een vergunning verleend voor het houden van 259 vleesvarkens. De vergunning voldoet echter niet aan het besluit emissiearme huisvesting zodat deze varkens momenteel niet gehouden mogen worden. Om weer dieren te kunnen houden zou de vergunning aangepast moeten worden. Dat is echter niet de wens. Gelet op het feit dat de agrarische activiteiten nooit zijn stopgezet is de wens om het akkerbouwbedrijf (te blijven) exploiteren. Daarnaast is er sprake van een nevenactiviteit bestaande uit metaalbewerking. In het kader van het akkerbouwbedrijf ligt er een verzoek om een werktuigenberging te realiseren. Dit in combinatie met het omzetten naar de bestemming “Agrarisch - 1”. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt via het nieuwe beleid “buitengebied met kwaliteit”. De gemeente heeft via een reactie op het principeverzoek d.d. 22 november 2022 aangegeven medewerking te willen verlenen aan het voorgenoemde via de zogeheten Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO regeling). Via deze regeling kan een initiatiefnemer een uitbreiding tegemoet zien, mits een evenwichtige bijdrage in de ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd.
5
2. Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de rand van een dekzandgebied nabij beekdalgebieden. Er is sprake van hoogteverschillen, zo ook te zien op de hoogtekaart op de rechterpagina. Het erf zelf ligt wat hoger waarbij aan de noordzijde van het erf van oorsprong een kamp is gelegen. Hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die het karakteristiek van het Essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Kampenlandschap Het plangebied ligt in een uitloper van het kampenlandschap. Aan de westzijde is het matenlandschap gelegen en rondom is er sprake van een jonge heideontginning. Door de gunstige ligging al vroeg in trek voor bewoning. De hogere delen waren geschikt voor onder meer het verbouwen van granen, de lagere gronden waren geschikt als hooiland. Op de hogere delen werden heideplaggen na vermenging met uitwerpselen van het vee ter bemesting naar de essen gebracht waardoor zij nog hoger in het landschap kwamen te liggen. De es is altijd open geweest, maar het matenlandschap is een van oorsprong zeer gevarieerd en kleinschalig landschap. Daarvan is helaas weinig over.
Veel landschappelijke elementen zijn verdwenen, in dit geval vooral door de schaalvergroting en/of ruilverkavelingen in de landbouw. Dat is goed weer te zien op de cultuurhistorische kaarten. Het landschap Het landschap rondom het plangebied is voorheen erg kleinschalig / gesloten geweest. De kampen waren vanzelfsprekend open, maar rondom was er een 6
aaneenschakeling van houtwallen en houtsingels met daaraan gekoppeld de verspreid liggende erven. Het kenmerkende coulisselandschap rondom het plangebied is gesneuveld door de jaren heen, maar toch is het gebied nog goed herkenbaar door belangrijke landschappelijke dragers. Vooral de meer robuuste elementen langs wegen of met een functie zijn bewaard gebleven. Het landschap is daardoor vooral wat grootschaliger geworden. Nieuwe elementen In principe is er sprake van een herkenbaar landschap. De randen zijn voorzien van beplanting, maar er liggen kansen om deze randen te versterken. Voor de rest is met name behoud van belang. Huidige indeling Het erf heeft een duidelijke hiërarchie met een cultuurhistorische opzet. De (woon)boerderij staat landschapsgericht en voor de daaraan ondergeschikte bijgebouwen. Door de uitbreiding wordt het erf grootschaliger, maar dat hoeft geen consequenties te hebben voor de gebruikelijke erfopzet. Van oorsprong zal het erf wat meer verstrooid zijn geweest inherent aan het kampenlandschap. Door de schaalvergroting heeft het erf echter meer de aansluiting gezocht bij de heideontginning.
Fragment uit de hoogtekaart. (Bron: ahn.arcgisonline.nl)
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten westen van Saasveld. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.