CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum.pdf

Gemeenteraad 27 september 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum”25.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Er is geen sprake van een onevenredige toename een (kunst)licht in het buitengebied. Het deelgebied aan de Brandlichterweg 85 is reeds voorzien van bebouwing, en daarmee van bestaand kunstlicht. Er wordt één extra bijgebouw gerealiseerd. Er zal zo min mogelijk gebruik worden gemaakt van kunstlicht bij dit nieuwe bijgebouw. Bovendien wordt het bijgebouw afgeschermd door groen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 4.2.4

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid van de gemeente Dinkelland is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld.

4.3.1

MijnOmgevingsvisie Dinkelland

4.3.1.1 Algemeen De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie, welke is vastgesteld door de gemeenteraad op 30 maart 2021. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. 2. 3. 4.

de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).

Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties. 4.3.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval zijn, gezien de ontwikkeling, met name de thema's 'Buitengebied in balans', 'Leefbare kernen' en 'Aantrekkelijk wonen' van belang. Buitengebied in balans De gemeente Dinkelland wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulissenlandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.

In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. We bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

31

zien landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Leefbare kernen De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar ook vooral kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen.

Van oudsher zijn inwoners van de kernen van Dinkelland gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente voorzetten aan de hand van vier speerpunten: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte. 4.3.1.3 Waardenkaart MijnOmgevingsvisie Dinkelland beschikt over een waardenkaart. Het deelgebied Brandlichterweg 85 is op deze waardenkaart aangeduid als een gebied gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek, namelijk 'Nieuwe landschap-structuren, veel ruimte schaalvergroting'. Het deelgebied Laagsestraat 38 is aangemerkt als 'Kernen met woon- en centrumfunctie'. Dit is weergegeven in afbeelding 4.7.

Afbeelding 4.7 Uitsnede waardenkaart (Bron: gemeente Dinkelland) Nieuwe landschap-structuren, veel ruimte schaalvergroting 32

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

De gebieden met nieuwe landschap-structuren zijn gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek. Voor de nieuwe landschap-structuren zijn de volgende waarden van belang: open met vergezichten; efficiënt agrarisch landschap; kavelsloten; wegen met bomenrijen; moderne erfopzet. De gemeente Dinkelland wil in deze gebieden inspelen op: de schaal van het landschap; het agrarische karakter; gemengde functies; bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; opgeruimd landschap; geclusterde bebouwing; heldere structuren; verbeteren van de biodiversiteit; vasthouden van water. Kernen met een woon- en centrumfunctie Voor de kernen met een woon- en centrumfunctie zijn de volgende waarden van belang: kernen met kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms ook middelhoge bebouwing in het hart; kernen met belangrijke voorzieningen zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg, pinmogelijkheden; aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen; (verbindingen met) de groene omgeving; in veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het silhouet van de kern; tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig.

De gemeente Dinkelland wil in de kernen met een woon- en centrumfunctie inspelen op: de opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere woonbebouwing aan de randen; behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing; mogelijkheden om te ontmoeten; concentratie van de publieksgerichte functies; voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern; de verbindingen met de groene omgeving; vasthouden van water. 4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan MijnOmgevingsvisie Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een kleinschalige ntwikkeling. Er wordt één extra bijgebouw toegevoegd op een bestaand woonperceel aan de Brandlichterweg 85 in Denekamp, binnen een gebied dat is aangemerkt als 'nieuwe landschap-structuren'. Tevens wordt één landschapsontsierende schuur gesloopt aan de Laagsestraat 38 in Oud Ootmarsum, binnen een gebied dat is aangemerkt als 'kernen met een woon- en centrumfunctie'. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van het beleidsstuk Buitengebied met kwaliteit van de gemeente Dinkelland. Beide deelgebieden worden landschappelijk ingepast, zoals weergegeven in Bijlage 1 en Bijlage 2, waarbij rekening wordt gehouden met de waarden van de desbetreffende gebieden.

Al met al is sprake van een kleinschalige ontwikkeling waarbij de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd. Tevens draagt het initiatief bij aan het streven om het buitengebied in balans te houden en daar de ruimtelijke kwaliteit te vergroten. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 4.3.2

Buitengebied met kwaliteit

4.3.2.1 Algemeen Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

33

kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. 4.3.2.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen', gelden de volgende voorwaarden: 1. Extra m2 bebouwing wordt uitsluitend toegestaan indien elders binnen de gemeente Dinkelland of Tubbergen een veelvoud aan landschap ontsierende gebouwen wordt gesloopt. Hierbij geldt de volgende bouwsloopverhouding:

2. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 3. Landschapsontsierende veldschuren komen ook in aanmerking voor deze regeling; 4. Gebouwen moeten in het geheel worden gesloopt, inclusief funderingen en eventuele (mest)kelders; 5. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 6. Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop; 7. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel.

4.3.2.3 Algemene randvoorwaarden Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Naast dat voldaan moet worden aan het van toepassing zijnde Rijks- en provinciaal beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, betreffen dit bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op ‘een goede ruimtelijke ordening’ of een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Daarnaast moet bij de toepassing van deze beleidsregeling in elk geval voldaan worden aan de hierna weergegeven voorwaarden. De gemeente bepaalt na een afweging van alle relevante belangen of aan deze voorwaarden voldaan wordt. Voor de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden 1 tot en met 4, kan de gemeente het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q-team) om advies vragen. 1. Elke ontwikkeling moet per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 2. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing: vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting (uiteengezet in locatie, sortiment, aantallen, plantmaat en indien van toepassing plantverband/onderlinge afstand); 3. De geboden ontwikkelingsruimte dient in balans te zijn met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit; 4.

De ontwikkeling dient naar aard en omvang passend te zijn op de locatie en de gebiedskenmerken van het type landschap; 5. De bestaande infrastructuur moet in principe toereikend zijn voor de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van verkeer. Indien een aanpassing van de infrastructuur benodigd en aanvaardbaar is, komen de kosten hiervoor voor rekening van aanvrager; 6. Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden; 7. De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat; 8. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden; 9. Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden; 10. In het bestemmingsplan/het omgevingsplan/de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging; 11. Een gecombineerde toepassing van de in deze notitie opgenomen beleidsregels is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan alle voorwaarden zoals die gelden voor de toepassing van de betreffende beleidsregels.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de beleidsregels Buitengebied met kwaliteit In voorliggend geval wordt op basis van de regeling voor het uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning één extra vrijstaand bijgebouw aan de Brandlichterweg 85, gerealiseerd. Hiertoe wordt een landschapsontsierende, asbesthoudende schuur aan de Laagsestraat 38 met een oppervlakte van 128 m2 gesloopt. In onderstaande tabel wordt het extra bouwrecht voor bijgebouwen aan de Brandlichterweg berekend. Oppervlakte extra te bouwen Sloop-bouw ratio Te slopen 0 - 100 m2 (100 m2) 1:1 (met asbest) 100 m2 2 2 101-500 m (14 m ) 1:2 (met asbest) 28 m2 Totaal: 114 m2 extra bouwrecht 128 m2 Het extra bouwrecht voor het extra bijgebouw aan de Brandlichterweg 85 bedraagt maximaal 114 m2. De te slopen schuur is legaal opgericht en wordt in het geheel gesloopt. Het volledige te slopen gebouw wordt ingezet in het kader van de regeling voor extra vrijstaande bijbehorende bouwwerken. De te slopen schuur betreft geen cultuurhistorisch waardevol of karakteristieke schuur. Uitgangspunt van de regeling is dat na de sloop niet meer extra m2 op de slooplocatie bijgebouwd kunnen worden.

Voor het perceel Laagsestraat 38 betekent dit dat na de sloop enkel nog het overgebleven aantal vierkante meters aan bijgebouwen is toegestaan voor zover dit het bij recht toegestane aantal vierkante meters overschrijdt. Dit is in doorvertaald in de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan door vast te leggen dat slechts het bestaande aantal m2 aan bijgebouwen (exclusief de sloopmeters) mag worden teruggebouwd. Hiermee wordt voldaan aan de specifieke voorwaarden voor het realiseren van extra vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning. Met betrekking tot de algemene randvoorwaarden wordt opgemerkt dat de ontwikkeling per saldo leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, aangezien landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en beide deelgebieden landschappelijk worden ingepast, waardoor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt. In Bijlage 1 en Bijlage 2 zijn de erfinrichtingsplannen van beide deelgebieden weergegeven. Hiermee wordt voldaan aan de basisinspanning, aangezien hierin de vorm en situering van gebouwen en de aan te brengen en te behouden erfbeplanting is vastgelegd. Aangezien sprake is van een kleinschalige ontwikkeling is de geboden ontwikkelingsruimte in balans met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.

Tevens is sprake van een naar aard en omvang passende ontwikkeling gelet op de locatie en de gebiedskenmerken van het landschap, zoals tevens beschreven in paragraaf 4.2.3. Zoals beschreven in paragraaf 3.4 is er geen sprake van een toename van verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling. Het parkeren vindt in beide deelgebieden plaats op eigen erf. Zoals aangetoond in Hoofdstuk 5 leidt de ontwikkeling niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt er geen onevenredige afbreuk gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden of belangen van derden. In de regels van het bestemmingsplan is door middel van een voorwaardelijke verplichting de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing in beide deelgebieden vastgelegd. Hiermee wordt voldaan aan de algemene randvoorwaarden voor ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de beleidsregel Buitengebied met kwaliteit. 4.3.3

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.3.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

35

4.3.3.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

4.3.3.3 Situatie plangebied In afbeelding 4.8 is een fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering opgenomen, met daarbij in oranje omlijning het deelgebied Brandlichterweg 85. Ter plaatse van het deelgebied Laagsestraat 38 wordt slechts landschapsontsierende bebouwing gesloopt, waardoor geen sprake is van aantasting van Casco onderdelen. Daarom wordt in dit geval uitsluitend ingegaan op het deelgebied Brandlichterweg 85.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

Afbeelding 4.8 Fragment Cascokaart (Bron: provincie Overijssel) 4.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' Het Casco onderdeel dat zichtbaar is op de Cascokaart uit 2013 in afbeelding 4.7, is niet langer in dezelfde hoedanigheid aanwezig binnen het deelgebied Brandlichterweg 85. Dit aangezien een aantal jaar geleden op basis van de Rood voor Rood-regeling ter plaatse een woonerf met compensatiewoning is gerealiseerd. Door middel van een landschappelijk inpassingsplan is destijds de compensatie aanplant van het Rood voor Rood plan vastgelegd. Een voorwaarde van de gemeente Dinkelland om medewerking te verlenen aan de gewenste ontwikkeling is om de locatie nogmaals landschappelijk in te passen, waarbij tevens de eerder vastgelegde landschapsmaatregelen van het Rood voor Rood plan moeten worden uitgevoerd en/of hersteld. Dit is meegenomen in het landschappelijk inpassingsplan voor de Brandlichterweg 85, zoals weergegeven in Bijlage 1 bij deze toelichting. Zoals blijkt uit het erfinrichtingsplan worden de bestaande houtopstanden behouden en, waar nodig, hersteld. Tevens wordt een nieuw Casco element toegevoegd, namelijk een bomenrij zoals weergegeven met letter H in het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1.

De uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan zijn vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Casco-benadering in Noordoost-Twente. 4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

37

38

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid, voor beide percelen, beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt dat met name wordt ingegaan op het deelgebied Brandlichterweg 85, waar het nieuwe bijgebouw wordt opgericht. Dit aangezien ter plaatse van het deelgebied Laagsestraat 38 slechts sloop van landschapsontsierende bebouwing plaatsvindt en daarom geen nieuwe functies worden opgericht. Uitsluitend waar nodig wordt ingegaan op de slooplocatie aan de Laagsestraat 38.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Het te realiseren nieuwe bijgebouw aan de Brandlichterweg 85 wordt in het kader van de Wgh niet aangemerkt als geluidgevoelig object. De aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. Ter plaatse van het deelgebied Laagsestraat 38 wordt uitsluitend een landschapsontsierende schuur gesloopt. Hier is tevens geen sprake van de realisatie een geluidsgevoelig object of nieuwe geluidsbronnen als bedoeld in de Wgh. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

39

5.2.2

Situatie plangebied

5.2.2.1 Algemeen In voorliggend geval wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd ter plaatse van het deelgebied Brandlichterweg 85 op gronden die reeds zijn bestemd voor 'Wonen'. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling, waarbij wordt opgemerkt dat het bijgebouw zal worden gebruikt voor de opslag en stalling van werktuigen, waardoor geen sprake is van een langdurige verblijfsfunctie. Tevens is in het kader van de realisatie van een compensatiewoning en bijgebouw aan de Brandlichterweg 85 in het verleden reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat het perceel vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor wonen. Ter plaatse van het deelgebied Laagsestraat 38 wordt een asbesthoudende schuur gesloopt. In verband met de sloop van de schuur is voor het deelgebied Laagsestraat 38 in december 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Dumea Milieu. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. 5.2.2.2 Onderzoeksresultaten Laagsestraat 38 Door Dumea Milieu is een asbest in bodemonderzoek conform NEN5707 uitgevoerd. De bijbehorende onderzoeksrapportage is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.

Druppelzone 1 Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld en in de inspectiesleuven is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het mengmonster MM1 is analytisch geen asbest aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.2.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk is. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: 40

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling (realisatie van één bijgebouw ter compensatie van de sloop van een landschapsontsierende schuur) in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Verder wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

41

5.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. In dit geval wordt het deelgebied aan de Laagsestraat 38 buiten beschouwing gelaten, aangezien ter plaatse slechts sprake is van de sloop van een landschapsontsierende schuur. Op deze locatie worden dan ook geen (beperkt) kwetsbare objecten toegevoegd of nieuwe functies toegestaan waarbij sprake is van gebruik van gevaarlijke stoffen. Het deelgebied aan de Brandlichterweg 85 is in afbeelding 5.2 indicatief weergeven met een blauwe ster.

Afbeelding 5.2 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat het deelgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich wel bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; wel ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen. Op een afstand van circa 95 meter ten noordwesten van het te realiseren bijgebouw loopt een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie. Voor deze buisleiding geldt een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 0 meter. De gasleiding heeft een uitwendige diameter van 8,63 inch en een werkdruk van 80 bar. Bij dergelijke buisleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 130 meter. Gelet op de ligging van het te realiseren bijgebouw binnen deze afstand is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk Beperkte verantwoording van het groepsrisico De gewenste ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een vrijstaand bijgebouw bij een bestaande woning (Brandlichterweg 85). Het bijgebouw zal gebruikt worden ten behoeve van opslag en stalling van werktuigen.

Het gemiddeld aantal personen (en hiermee de personendichtheid) dat binnen het plangebied gedurende dag, avond en nacht in het plangebied zal verblijven neemt niet toe als gevolg van deze ontwikkeling, aangezien er geen nieuwe woning of andere verblijfsfuncties worden toegevoegd. Echter wordt 'in het kader van een goede ruimtelijke ordening' een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatie- als ontwikkelingsspecifieke aspecten die dienen te worden onderbouwd.

42

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

De volgende locatiespecifieke aspecten zijn van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd. Opkomsttijd: De brandweer dient binnen zes minuten ter plaatse te kunnen zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen vier minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Nordhornsestraat 66 te Denekamp, op een afstand van circa 3,3 kilometer van het plangebied; Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels een NL-alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen; Nabijheid bluswatervoorziening: Er zijn in en rondom het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig. Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de aspecten bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten onderbouwd. Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit een gebied of een object goed te kunnen bereiken.

Het plangebied is via de Brandlichterweg goed te bereiken. Daarnaast is er aan alle kanten van de bebouwing voldoende ruimte voor de hulpdiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren en de voertuigen te parkeren; Vluchtmogelijkheden: Het plangebied is via de Brandlichterweg goed te ontvluchten in alle richtingen, van de risicobron af; (Zelf)redzaamheid: Dit houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen binnen een bepaald tijdsbestek kunnen veiligstellen bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de personen zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. In voorliggend geval wordt er een bijgebouw bij een woning gerealiseerd. Verwacht wordt dat de bewoners en gebruikers van het bijgebouw zelfredzaam zijn. In het geval van een calamiteit zijn er daarmee redzame personen aanwezig in het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de ligging van het te realiseren bijgebouw binnen de afstand waarbinnen verantwoording van het groepsrisico nodig is geen belemmeringen met zich meebrengt. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

43

is. 5.5.2

Gebiedstypen

5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De deelgebieden liggen in gebied waar nauwelijks sprake is van functiemenging. De deelgebieden worden allen dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden bij de omgevingstypen weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. 5.5.3.1.1 Brandlichterweg 85, Denekamp Ter plaatse van het deelgebied Brandlichterweg 85 wordt een extra bijgebouw bij een woning gerealiseerd. Dit bijgebouw vormt geen milieubelastende functie. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies rondom dit deelgebied.

44

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

5.5.3.1.2 Laagsestraat 38, Oud Ootmarsum Ter plaatse van het deelgebied aan de Laagsestraat 38, Oud Ootmarsum wordt een landschapsontsierende agrarische schuur gesloopt. Aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht worden geen milieubelastende functies gerealiseerd ter plaatse van dit deelgebied. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woonen leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies rondom dit deelgebied. Bovendien worden op deze locatie de mogelijkheden voor een agrarisch bedrijf beperkt, door het toegestane aantal m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing te beperken. Al met al is dan ook sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Voorliggend initiatief voorziet niet in de toevoeging van nieuwe milieugevoelige objecten, aangezien sprake is van de bouw van een bijgebouw binnen de huidige woonbestemming aan de Brandlichterweg 85. Het nieuwe bijgebouw zal dienst doen als berging voor werktuigen, waarin niet langdurig wordt verbleven. Dit bijgebouw wordt dan ook niet aangemerkt als milieugevoelig object.

Aan de Laagsestraat 38 wordt eveneens geen nieuw milieugevoelig object gerealiseerd, aangezien hier slechts sprake is van de sloop van een landschapsontsierende schuur. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. 5.5.4

Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom ligt en ten minste 50 meter indien de woning bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

45

buiten de bebouwde kom ligt. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Zoals reeds benoemd in paragraaf 5.5 wordt in voorliggend geval geen milieugevoelig object toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv, aangezien in het nieuwe bijgebouw niet wordt gewoond of langdurig wordt verbleven. Voor het deelgebied Laagsestraat 38 wordt opgemerkt dat de mogelijkheden voor het agrarisch bedrijf ter plaatse worden beperkt, door het aantal m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen na de sloop in te perken. Hierdoor is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling. Omgekeerd worden agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmerd als gevolg van de ontwikkeling. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Brandlichterweg 85 'Dinkelland' bevindt zich op een afstand van circa 870 meter. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Laagsestraat 38 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van circa 920 meter. De voorgenomen ontwikkeling (realisatie van één extra bijgebouw aan de Brandlichterweg 85 ter compensatie van de sloop van één landschapsontsierende schuur aan de Laagsestraat 38) betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling, waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt, zoals aangetoond in paragraaf 3.4. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in combinatie met de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een stikstofonderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN).

Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied tot het deelgebied aan de Brandlichterweg 85 ligt op circa 520 meter afstand. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied tot het deelgebied aan de Laagsestraat 38 ligt op circa 300 meter afstand. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen significant negatieve effecten op gebieden buiten de deelgebieden hebben.

46

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van beide deelgebieden. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 4 bij deze toelichting. 5.7.3.2

Situatie plangebied

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het deelgebied Laagsestraat 38 wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. In het deelgebied Brandlichterweg 85 bezetten veldmuizen mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats, de overige diersoorten benutten het deelgebied uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen bezetten in beide deelgebieden geen verblijfplaats en benutten het ook niet als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt en de nestkast verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Wettelijke consequenties samengevat: Slopen bebouwing Laagsestraat 38 buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Verwijderen nestkast Laagsestraat 38 buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Geen beschermde dieren doden; Geen veldmuizen doden ter plaatse van de Brandlichterweg 85. 5.7.4

Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij plannen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

47

5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Afbeelding 5.3 en 5.4 tonen uitsneden van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart ter plaatse van respectievelijk de Brandlichterweg 85 en de Laagsestraat 38. Hierin zijn de deelgebieden weergegeven met een rode omlijning.

Afbeelding 5.3 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart; deelgebied Brandlichterweg 85 (Bron: gemeente Dinkelland)

48

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en Laagsestraat 38 Oud Ootmarsum

Afbeelding 5.4 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart; deelgebied Laagsestraat 38 (Bron: gemeente Dinkelland)

Brandlichterweg 85, Denekamp Dit deelgebied ligt, op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland in een gebied dat gedeeltelijk is aangemerkt als 'dekzandhoogten en -ruggen' en gedeeltelijk als 'beekdalen en overige laagten'. Voor dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² waarbij de bij bodemingrepen dieper dan 40 cm rijken. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. In voorliggend geval wordt slechts één vrijstaand bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 114 m2 gerealiseerd. De bodemingrepen blijven ruimschoots beneden de onderzoeksgrens van 2.500 m², waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is. Laagsestraat 38, Oud Ootmarsum Dit deelgebied ligt, op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland in een gebied met 'beekdalen en overige laagten'. Voor dergelijke gebieden geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek, vanwege de lage archeologische verwachtingswaarde. Tevens wordt opgemerkt dat ter plaatse slechts een bestaande schuur wordt gesloopt. De gronden van deze te slopen bebouwing zijn reeds geroerd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

5.8.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De geldende archeologische dubbelbestemmingen worden overgenomen in dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 85 Denekamp en L aagsestraat 38 Oud Ootmarsum

49

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/597/documents/18296