Bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp.pdf
Tekst van het document
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die 28
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets In de toekomstige situatie is er sprake van één extra woning op een bestaand erf aan de Brandlichterweg 61. Verkeersbewegingen bestaan enkel uit het af en aan rijden van de bewoners. Hierdoor zullen de verkeersbewegingen door het voornemen nauwelijks toenemen. Voor zover er sprake zal zijn van een toename aan verkeersbewegingen, zal deze zeer beperkt zijn. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 10 per dag gesteld worden. In figuur 4.3 is de worst-case scenario berekening weergegeven met 10 extra voortuigbewegingen
Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
29
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets
Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 650 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid 30
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.
Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.
Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 19-11-20 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6. Enkel ter plaatse van de bouwlocatie is het aspect water van belang, aangezien hier een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'korte procedure'. Vanuit het waterschap Vechtstromen is geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling. Opgemerkt wordt nog dat op de slooplocaties Brandlichterweg 65 in Denekamp en Oosteriksweg 20 in Mander bestaande bebouwing wordt verwijderd. Per saldo is daarom sprake van een afname van aan bebouwing. Aan de Oosteriksweg 20 vervalt tevens de intensieve bedrijfstak. De afname aan bebouwing en het vervallen van de intensieve veehouderij zijn gunstig voor het aspect water. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Om mogelijke effecten in beeld te brengen is een Quickscan Natuurwaarden-onderzoek uitgevoerd (Natuurbank Overijssel, november 2020). De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 7 Quickscan natuurwaardenonderzoek. Het plangebied (lees: de vier deelgebieden) zijn op 13 oktober 2020 onderzocht door bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
31
de ecoloog op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de afstand tussen de deelgebieden en Natura 2000-gebied, wordt een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en/of amfibie gedood en wordt een vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’.
In drie van de vier deelgebieden wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast. In het deelgebied waar deze functie wel wordt aangetast, leidt dat niet tot wettelijke consequenties. Samenvattende conclusie: Het plangebied bestaat uit vier deelgebieden, gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland of Tubbergen. De inrichting en het gevoerde beheer maakt het plangebied niet een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden, kan een beschermd dier gedood worden en kan een vaste rust- of nestplaats beschadigd en vernield worden. Voor de meeste beschermde dieren die mogelijk gedood worden, of waarvan de vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield worden, geldt een vrijstelling van verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor vogels. Mits er geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming.
Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig 32
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
(kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie
Figuur uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: RAAP) Toets De Brandlichterweg 61 en 65 liggen beiden in het 'dekzandwelvingen en -vlakten' landschap. Voor dit type landschap geldt een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Een verhoogde kans op archeologischeresten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De oppervlakte van (mogelijk) relevante bodemingrepen is kleiner dan 5.000 m². Archeologisch onderzoek is niet vereist. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in zijn de te slopen gebouwen niet aangemerkt worden als gemeentelijk of rijksmonument en hebben geen cultuurhistorische waarde. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
33
4.11
Verkeer / parkeren
De Brandlichterweg 61 en 65 wordt ontsloten via de Brandlichterweg. De Brandlichterweg is een verbindingsweg tussen het centrum van Denekamp en de rondweg van Denekamp (Scandinavië-Route). Een (beperkte) toename van verkeersbewegingen door de toevoeging van één woning kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
34
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
35
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen 'Wonen' Woningen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Als hoofdgebouw mag uitsluitend één woning worden gebouwd. Het perceel aan de Brandlichterweg 65 behoud zijn 'Wonen' bestemming. Het perceel aan de Brandlichterweg 61 krijgt in zijn geheel een woonbestemming, met twee bouwvlakken. Er is momenteel reeds één woning aanwezig. In ruil voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing mag een nieuwe compensatiewoning gerealiseerd worden op hetzelfde perceel.
36
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
37
38
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 19 november 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 2 april 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
39
40
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p
41
Bijlage 1 Ruimtelijk kwaliteitsplan Rood voor Rood
42
bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp
R U I M T E L I J K K W A L I T E I T S P L A N R O O D VO O R R O O D •
B r a n d l i ch t e r w e g 6 1- 6 1 a - D e n e k a m p •
Tubbergen, 27 november 2020 - Versie 2 Definitief
Project: Rood voor rood
2
Afbeelding: Ontwikkeling Brandlichterweg 61-61a in Denekamp (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
Rood voor rood
Locatie: Brandlichterweg 61-61a Denekamp
Titel rapport
RKP rood voor rood - Brandlichterweg 61-61a Denekamp
Opgesteld:
24 november 2020, Tubbergen
Gewijzigd:
27 november 2020
Status:
Versie 1 - Definitief
Opdrachtgever:
Fam. Gelhever Brandlichterweg 61-61a 7591 ND Denekamp
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. N.J.B. Hannink Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl 3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie bouwlocatie
06
3. Huidige situatie slooplocatie 1
08
4. Huidige situatie slooplocatie 2
10
5. Beleid
12
6. Nieuwe situatie bouwlocatie
18
7. Nieuwe situatie slooplocatie 1
20
8. Nieuwe situatie slooplocatie 2
22
Aanleiding Het erf aan de Brandlichterweg 61-61a is gelegen aan de voormalige heidevelden net buiten en ten oosten van Denekamp en is direct na de grootschalige ontginning ervan ontstaan. Daarmee is het één van de oudere erven aan de Brandlichterweg te midden van de heidevelden. Er is sprake van oudere erven, maar daar was sprake van het maten- of kampenlandschap. Hoewel de meeste erven direct aan de Brandlichterweg lagen, ligt dit erf op enige afstand. Naar alle waarschijnlijk op de hoogste plek in gebruik te nemen en daarmee droge voeten te houden. Het erf lag met de voorzijde aan de Brandlichterweg, de schuren daar direct achter als ene mooi compact erf. Door de uitbreiding van Denekamp, nam ook de mate van lintbebouwing toe. Er is daardoor sprake van een redelijk gesloten lint, maar met belangrijke doorzichten richting het agrarisch landschap. De familie heeft de wens om via de rood voor rood regeling naast de bestaande woning een extra woning aan het erf toe te voegen. Daarvoor wordt één opstal op eigen erf gesloopt á 45 m2. De overige sloopmeters zijn afkomstig van een erf aan de Oosteriksweg 20 (174 m2) in Mander en van een erf aan de Brandlichterweg 65 (640 m2) om te kunnen voldoen aan de gestelde 850 m2 conform rood voor rood beleid.
Aan de Oosteriksweg 20 is een agrarisch bedrijf gevestigd met de bestemming “Agrarisch - 2” en de functieaanduiding “intensieve veehouderij”. Om deel te kunnen nemen aan de rood voor rood regeling wordt de intensieve tak (volledig) opgeheven en worden de betreffende opstallen gesloopt. Het bedrijf gaat in de toekomst
verder met een grondgebonden tak. De nieuwe bestemming zal daarop aangepast worden. Door de regeling wordt 1148 m2 aan intensieve en landschap ontsierende bebouwing gesloopt. Gelet op het overschot aan sloopmeters is een tweede plan betrokken bij de afname van sloopmeters. De overige sloopmeters worden ingezet in het kader van de rood voor rood regeling voor een extra woning aan de Ikinkstraat 5 in Reutum. Voor dat proces wordt een separate procedure gevoerd en is ook een separaat ruimtelijk kwaliteitsplan geschreven. Aan de Brandlichterweg is reeds sprake van de bestemming “Wonen”. Na de bestemmingsplanwijziging zullen alleen de dan nog bestaande bouwwerken toegelaten kunnen worden. Landschappelijke inpassing De gemeente Dinkelland eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
5
Huidige situatie bouwlocatie Het plangebied is te midden van de grote dekzandvlakten gelegen. Er is sprake van minimale hoogteverschillen. Eventuele hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. Aanvankelijk door de wind, maar later vooral door de grootschalige ontginning van de heide, ruilverkavelingen en de modernisering van de landbouw. Jonge heideontginning Het plangebied is gelegen in de jonge heideontginning, ingesloten door maten- en kampenlandschappen. De ontginning is een jong landschapstype doordat het pas laat in gebruik kon worden genomen als landbouwgrond. De ontwikkeling in de landbouw - de komst van stikstof en de vraag naar meer landbouwgrond - maakten dat ook dit gebied rond de jaren ‘30 volledig is ontgonnen. Een heidegebied werd in die tijd veld genoemd. Dat valt terug te zien op de topografische kaarten door de naam “Binnen Veld” waarin het plangebied is gelegen. Na de ontginning in het gebied is op te merken dat er een toename is van kleine agrarische bedrijven en/of burgerwoningen. De erven liggen doorgaans kort aan de weg of op de hogere delen in het landschap waarbij de hoofdwoning op de straat is gericht. De schuren stonden in veel gevallen achter de boerderijen.
Het landschap Het landschap rondom de planlocatie is altijd erg open geweest en wordt gekenmerkt door de rechte weg en de haaks daarop liggende percelen. De voorkomende houtopstanden zijn langs wegen of tussen de percelen 6
gelegen. De aanwezige elementen zijn veelal robuust en vormen de kaders van het open landschap. Nieuwe elementen Het landschap kenmerkt zich door het open karakter. Er moet terughoudend om worden gegaan met de nieuwe aanplant van houtopstanden. Nieuwe elementen zijn robuust en dragen bij aan de bestaande structuur en/of zorgen ervoor dat (agrarische) erven (ten dele) in worden gepast. Nieuwe elementen moeten voorkomen dat belangrijke doorzichten verloren gaan. Huidige erfindeling Het erf heeft een cultuurhistorische opzet. Een klassieke (logische) indeling waarbij de boerderij haaks op de Brandlichterweg is gelegen met daarachter de verschillende schuren. Enkele zware, beeldbepalende en karakteristieke eiken dragen bij aan een compact erfensemble.
Planlocatie omstreeks 1935. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied nabij Denekamp. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
Huidige situatie slooplocatie 1 Het plangebied is op de stuwwal gelegen van Ootmarsum waar ook de Kuiperberg onderdeel vanuit maakt. Er is daarom sprake van forse hoogteverschillen, met name richting het noorden waar onder meer de watermolens van Frans en Bels zijn gelegen. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die het karakteristiek van het essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Essenlandschap Het plangebied ligt midden in het essenlandschap, met de overgang naar de jonge heideontginning. Dit was altijd een uiterst functionele overgang, aangezien de heideplaggen vroeger werden gebruikt in de stal. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kleinere kampen gebracht. Het erf ligt in een zeer gevarieerd landschap. Van het voormalige kleinschalige landschap rondom de essen en eenmansesjes is relatief weinig over. Veel landschappelijke elementen zijn verdwenen, in veel gevallen door de schaalvergroting (ruilverkaveling) in de landbouw. Dat is goed weer te zien op de cultuurhistorische kaarten.
Veel steilranden, die het gebied typeerden zijn nog wel behouden gebleven in sommige gevallen tot zelfs enkele meters hoog. Het erf maakt al voor 1900 onderdeel uit van het landschap. Het landschap Het landschap is rondom het erf relatief gesloten geweest. Richting het westen was het meer open. Het kenmerkende coulisselandschap rondom 8
het erf is gesneuveld door de jaren heen, enkel de meer robuuste elementen als bosjes of houtsingels en houtwallen langs wegen, steilranden of met een functie zijn bewaard gebleven. Er is nu sprake van een meer open karakter in een landschap dat rijk is aan reliëf. Nieuwe elementen De erven maakten vroeger onderdeel uit van een spinnenweb bestaande uit wegen en talloze landschapselementen. Met uitzondering van de wegen is daar weinig meer van over. De erven zijn meer solitair komen te liggen en het herstel van verbindingen is feitelijk onmogelijk geworden. Anderzijds is het zicht op het glooiende landschap ook zeer waardevol. De focus moet daarom verplaatst worden naar het (robuust) inpassen van de erven dan wel het behoud en/of de versterking daarvan. Op het erf is sprake van een groen karakter met cultuurhistorische en karakteristieke houtopstanden. De voorgenomen ontwikkeling zou dus plaats kunnen vinden mits de bestaande elementen behouden blijven en het erf zorgvuldig blijft of wordt ingepast. Huidige erfindeling Het erf heeft een cultuurhistorische opzet. Er is sprake van een klassieke (logische) indeling waarbij de boerderij aan de voorzijde is gelegen met de verschillende opstallen daarachter. Het erf was van oorsprong kleinschalig van opzet met het centrum van het erf direct achter de boerderij.
Door de sloop van diverse intensieve opstallen en het verplaatsen van een extensieve opstal is er in de nabije toekomst weer sprake van een kleinschalig erf met rondom meerdere karakteristieke en beeldbepalende houtopstanden.
Planlocatie omstreeks 1925. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten noordoosten van Vasse. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
9
Huidige situatie slooplocatie 2 Het plangebied is - net als de bouwlocatie - te midden van de grote dekzandvlakten gelegen. Er is sprake van minimale hoogteverschillen. Eventuele hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. Aanvankelijk door de wind, maar later vooral door de grootschalige ontginning van de heide, ruilverkavelingen en de modernisering van de landbouw. Jonge heideontginning Het plangebied is gelegen in de jonge heideontginning, ingesloten door maten- en kampenlandschappen. De ontginning is een jong landschapstype doordat het pas laat in gebruik kon worden genomen als landbouwgrond. De ontwikkeling in de landbouw - de komst van stikstof en de vraag naar meer landbouwgrond - maakten dat ook dit gebied rond de jaren ‘30 volledig is ontgonnen. Een heidegebied werd in die tijd veld genoemd. Dat valt terug te zien op de topografische kaarten door de naam “Binnen Veld” waarin het plangebied is gelegen. Na de ontginning in het gebied is op te merken dat er een toename is van kleine agrarische bedrijven en/of burgerwoningen. De erven liggen doorgaans kort aan de weg of op de hogere delen in het landschap waarbij de (hoofd)woning op de straat is gericht. De schuren stonden in veel gevallen achter de boerderijen.
Het erf aan de Brandlichterweg 65 verschijnt pas rond de jaren ‘80 op topografische kaarten. Het landschap Het landschap rondom de planlocatie is altijd erg open geweest en wordt gekenmerkt door de rechte weg en de haaks daarop liggende percelen. 10
De voorkomende houtopstanden zijn langs wegen of tussen de percelen gelegen. De aanwezige elementen zijn veelal robuust en vormen de kaders van het open landschap. Nieuwe elementen Het landschap kenmerkt zich door het open karakter. Er moet terughoudend om worden gegaan met de nieuwe aanplant van houtopstanden. Nieuwe elementen zijn robuust en dragen bij aan de bestaande structuur en/of zorgen ervoor dat (agrarische) erven (ten dele) in worden gepast. Nieuwe elementen moeten voorkomen dat belangrijke doorzichten verloren gaan. Huidige erfindeling Het erf heeft een cultuurhistorische opzet, maar is erg jong en heeft in tegenstelling tot de Brandlichterweg 61-61a geen zware beeldbepalende houtopstanden. Het betreft een klassieke (logische) indeling waarbij de woning is georiënteerd op de Brandlichterweg met daarachter de verschillende schuren.
Planlocatie omstreeks 1935. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied nabij Denekamp. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
11
Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.
reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag
12
Ontwikkelingsperspectief (links Brandlichterweg 61-61a, midden Brandlichterweg 65 en rechts Oosteriksweg 20): alle plangebieden zijn lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
13
van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.
landschap te liggen met veelal scherpe randen. Al dan niet werden randen van de es beplant met houtsingels (steilrand beplanting) of houtwallen met een langs de randen van de es - kleinschaliger landschap tot gevolg. Afhankelijk van de grootte van de es werden meerdere boerderijen rondom een es gebouwd. In latere instantie ontstonden de eenmansesjes in het kampenlandschap. Rondom het plangebied is zichtbaar dat de, met name oudere erven, rondom de es liggen.
Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locaties aan de Brandlichterweg zijn gelegen in dekzandvlakten, de locatie aan de Oosteriksweg in de stuwwalgebieden. De locatie aan de Oosteriksweg kent veel reliëf, maar rondom de Brandlichterweg is het nagenoeg vlak. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik (essen en eenmansesjes) en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. Hoogteverschillen zijn aan de Oosteriksweg nog altijd goed herkenbaar.
De heideplaggen kwamen van de heideontginningen die meestal erg open waren, zoals dat het geval is rondom de locaties aan de Brandlichterweg. Vaak was er sprake van (robuuste) houtopstanden langs de wegen en ook, maar minder voorkomend, tussen de percelen. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van de betreffende landschappen.
Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De open essen kwamen door het potstalsysteem hoger in het
14
Laag van de beleving De locatie aan de Oosteriksweg is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er mag geen onnodig licht worden toegevoegd. 3.2 Rood voor rood Dinkelland De gemeente Dinkelland heeft in 2015 haar vernieuwde rood voor rood beleid vastgesteld. Absolute doelstelling van de regeling is het verminderen van de
Brandlichterweg 61-61a (rode markering) en 65 (gele markering). Links: natuurlijke laag. Plangebieden zijn omschreven als: “dekzandvlakten en -ruggen”. Rechts: laag van Cultuurlandschap. Plangebieden zijn omschreven als: “Jonge Heideontginning”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
Oosteriksweg. Links: natuurlijke laag. Plangebied is omschreven als: “stuwwallen”. Midden: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als: “Essenlandschap”. Rechts: laag van de beleving. Plangebied is omschreven als: “Donkerte”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
15
steeds meer vrijkomende oppervlaktes landschap ontsierende opstallen en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Steeds meer agrarische bedrijven stoppen en zonder nieuwe bestemming raken zij in verval. De rood voor rood regeling is een methodiek om tenminste 850 m2 landschap ontsierende stallen te slopen in ruil voor een bouwrecht onder voorwaarden.
welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. Aan de Brandlichterweg is in beide gevallen geen sprake van houtopstanden die deel uitmaken van het casco beleid.
De gemeente stelt nadere eisen zodat de oppervlakte daadwerkelijk gesloopt wordt, de bestemming wordt aangepast en de omgeving landschappelijk wordt ingepast. De initiatiefnemer voldoet met opgesteld plan in combinatie met het bestemmingsplan door Ad Fontem opgesteld aan de voorwaarden van de gemeente Dinkelland.
Aan de Oosteriksweg moet een houtwal dat nu de inpassing van het erf vormt geveld worden. Dat heeft aanvankelijk gevolgen voor de cascokaart. Echter, de houtwal is binnen het agrarisch bouwblok gelegen en kan daarom nu verplaatst worden zonder consequenties. Met de kapaanvraag na de bestemmingsplanwijziging dient hier rekening mee gehouden te worden. Na de wijziging is er namelijk ter plaatse geen sprake meer van een agrarisch bouwblok. Het element zou daarmee onderdeel uit gaan maken van het casco beleid. Het cascobeleid is echter vooral bedoeld voor elementen die bijdragen aan de herkenning van het landschap. De betreffende houtwal is enkel de inpassing van de huidige bedrijfsomvang. Na sloop is het een zelfstandig element geworden zonder een meerwaarde voor het landschap. Daarmee kan het gemotiveerd worden als “te verplaatsen”.
In dit geval wordt 45 m2 gesloopt aan de Brandlichterweg 61-61a. Het gaat daarbij om een vergund bouwwerk dat merkwaardig ver buiten het compacte erf is gelegen. Daarnaast wordt 640 m2 gesloopt aan Brandlichterweg 65. Verder worden weliswaar 1148 m2 gesloopt aan de Oosteriksweg, maar wordt 974 m2 daarvan ingezet voor de rood voor rood regeling van een ander proces aan de Ikinkstraat 5 in Reutum. 174 m2 wordt ingezet voor een woning aan de Brandlichterweg 61-61a in Denekamp. Omdat er sprake is van twee verschillende gemeenten is er sprake van twee verschillende processen en daarom zijn ook twee verschillende onderbouwingen opgemaakt. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen
16
De ontwikkeling heeft geen consequenties voor het cascobeleid en/of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.
Fragmenten van de cascokaart behorende bij de casco benadering. Links: locaties (gele markering) aan de Brandlichterweg, rechts: Oosteriksweg. (Bron: geo.overijssel.nl)
17
Nieuwe situatie bouwlocatie Via de rood voor rood regeling bestaat de mogelijkheid om een extra woning toe te voegen aan de Brandlichterweg 61-61a. Omdat er sprake is van een bestaande situatie moet goed gekeken worden naar de huidige erfopzet en de toekomstige erfopzet. Na de ontginning van de heide wordt de grond geschikt gemaakt voor de landbouw. Daardoor ontstaan ook diverse erven in deze gebieden. De erven zijn altijd georiënteerd op de doorgaande weg en liggen doorgaans relatief kort aan die weg. In sommige gevallen is er sprake van een grotere afstand tussen het erf en de weg, mogelijk om op de droogste plek te bouwen. Door de uitbreiding van Denekamp en de toename van de erven, later ook enkele burgerwoningen, ontstaat er een lintbebouwing. Het erf heeft een klassieke, veel voorkomende indeling waarbij het hoofdgebouw, de boerderij (A op tekening) aan de voorzijde van het erf staat richting de weg. De diverse schuren (B) zijn daarachter gelegen en vormen samen met de boerderij een compact erfensemble dat wordt versterkt door een aantal zware, beeldbepalende en karakteristieke eiken (F) op het erf. Ook staan een aantal zware eiken langs de Brandlichterweg en langs het perceel zoals dat kenmerkend is in dit landschapstype. Aan de achterzijde van het erf staat opvallend een schuur buiten het huidige erfensemble. Deze wordt om die reden gesloopt (C).
Bij het toevoegen van een extra gebouw, in dit geval een woning, moet nadrukkelijk gezorgd worden dat er sprake blijft van één erfensemble. De woning (G) met bijbehorend bijgebouw staat daarom achter de voorgevel van de woonboerderij. Het gebouw raakt daarmee ondergeschikt, zeker als met de 18
architectuur daar extra rekening mee wordt gehouden. De woning moet ook niet te nadrukkelijk voorzien worden van erfbeplanting. De aanplant van een gedeelte haag (liguster of beuk in de maat 80-100) en het toevoegen van een tweetal solitaire bomen (linde of walnoot in de maat 14-16) is afdoende om ook het (door)zicht op het achterliggende agrarische landschap te behouden. Met betrekking tot de inrit en de verharding wordt gebruik gemaakt van de bestaande oprit waarmee de één-erf-gedachte wordt versterkt. Met de genoemde inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.
A:
Best aande woning .
B:
Best aande schuren.
C:
Te slopen schuur. Door sloop van schuur wordt best aand erf compacter en ontst aat er weer openheid.
D:
Weiland.
E:
Gazon/gras/tuin.
F:
Best aande, te behouden houtopst anden in en direct rondom plangebied.
B
C
F
Fragment uit 1935 (topotijdreis.nl)
G:
Nieuw te bouwen woning als onderdeel van het agrarisch erf. De woning is ondergeschikt aan de
D
hoofdwoning en is daarom ook achter de voorgevel gesitueerd. Direct achter de woning is ruimte voor een bijgebouw.
J
B
H:
Nieuw aan te planten haag best aande uit beuk of liguster in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) met
E
F G
A
I
I:
Inrit/verharding naar nieuwe woning .
J:
Nieuw aan te planten solitaire bomen (2 stuks). Soort linde of walnoot in de aanplantmaat 14-16 (st amomtrek
J
H
D
5 stuks per m1. Lengte 15 meter.
in centimeters) en elk voor zien van t wee boompalen.
F
F
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Rood voor rood
Getekend:
N. Hannink
St atus:
DO
Naam:
Gelhever
Datum:
24-11-2020
Aant al pag .:
1
Adres:
Brandlichter weg 61
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Woonplaats:
Denekamp
Schaal:
1:50 0
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
19
Nieuwe situatie slooplocatie 1 Voorwaarde voor deelname aan de rood voor rood regeling is de sloop van 1000 m2 landschap ontsierende bebouwing. Aan de Oosteriksweg 20 is sprake van landschap ontsierende bebouwing. Onder voorwaarden mag het agrarisch bedrijf de intensieve tak staken en slopen (ontmenging) waarbij de extensieve tak mag blijven behouden. Daarmee is deze locatie geschikt om in te zetten voor de rood voor rood regeling. Totaal wordt 1152 m2 gesloopt. Een gedeelte wordt ingezet voor een woning in het kader van de rood voor rood regeling aan de Brandlichterweg 61 in Denekamp. De grondgebonden tak op het bedrijf is gevestigd in verschillende schuren (B/C en G). Daarnaast is er sprake van een woning (A) en een karakteristieke kippenschuur (D). De intensieve tak zit in verschillende schuren en zijn op tekening met oranje contouren (F) weergegeven. De sloop heeft een enorme kwaliteitsverbetering tot gevolg, maar strikt volgens beleid zou één extensieve schuur (G) behouden moeten blijven op de huidige plek. Dat zou een merkwaardige erfopzet opleveren. Daarom is besloten om ook dit gedeelte te slopen. Om wel de grondgebonden tak voort te kunnen zetten wordt dit gedeelte nieuw gebouwd (E) waarmee sprake zal zijn van een kwalitatief compact erfensemble. De erfverharding wordt aangepast aan de nieuwe situatie. Verder wordt een gedeelte van de bestaande houtopstanden geveld.
Het gaat in alle gevallen om beplanting dat enkel dient als landschappelijke inpassing van de huidige situatie. Met het verdwijnen van de schuren hebben zij geen functie meer. Ze vormen dan weliswaar een zelfstandige eenheid, maar hebben geen enkele meerwaarde voor het landschap en dragen ook niet bij aan de herkenning
20
daarvan. Behoud zou een merkwaardige situatie opleveren. Wel blijven de karakteristieke en beeldbepalende zomereiken op het huidige erf behouden (O). De eiken hebben als solitair ook in de nieuwe situatie een belangrijke meerwaarde. De bomen worden uitgerasterd met gekloofde palen om schade te voorkomen. Om het erf landschappelijk goed in te passen wordt aan de zuidzijde een nieuwe houtsingel aangeplant met 60 stuks inheems bosplantsoen in de maat 80-100. De achterzijde van het erf (oostelijke gedeelte) blijft open om de relatie met de achterliggende es te behouden. Met deze inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.
A:
Best aande woning .
B:
Best aande schuur t.b.v. extensieve t ak (rundvee).
C:
Best aande werktuigenberging .
D:
Best aande karakteristieke kippenschuur.
E:
Nieuw te bouwen schuur t.b.v. extensieve t ak (rundvee) ter ver vanging van best aande extensieve ruimte (G). Nieuwbouw noodzakelijk voor ruimtelijke kwaliteit.
A
M
H
B
Fragment uit 1925 (topotijdreis.nl)
K
F:
Te slopen intensieve schuren (kippen/varkens).
G:
Te slopen extensieve schuur (rundvee/opslag).
H:
Best aande karakteristieke en beeldbepalende houtopst anden.
J
F H
E
C J
I D
F
L H
I:
Gazon/gras/tuin.
J:
Weiland.
K:
Te vellen houtopstanden.
L:
Nieuw aan te planten houtsingel met inheems
N
F K
plantmateriaal als hazelaar, meidoorn, Gelderse roos, vuilboom en lijsterbes. Aanplant in de maat 80-10 0
O
G
(hoogte in centimeters met 1 meter in en tussen de plantrijen. Tot ale aanplant 60 stuks.
K
M:
Best aande hagen.
N:
Verharding.
O:
Beeldbepalende solit aire bomen behouden en uitrasteren ter bescherming voor machines en/of vee.
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Rood voor rood
Getekend:
N. Hannink
St atus:
SO
Naam:
Droste
Datum:
17-08-2020
Aant al pag .:
1
Adres:
Oosteriksweg 20
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Woonplaats:
Mander
Schaal:
1:10 0 0
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
21
Nieuwe situatie slooplocatie 2 De Brandlichterweg 65 is iets verderop gelegen dan de bouwlocatie aan de Brandlichterweg 61-61a. Ter plaatse is sprake van een woning (A) kort aan de weg en daarachter enkele opstallen (B en F). Het erf is ontstaan rond het begin van de jaren ‘80 vermoedelijk op het moment dat de agrarische nood hoog was. Hoewel het erf relatief jong is, kent het wel een gebruikelijke opbouw. Door de komst van de rondweg om Denekamp is het erf inmiddels gelegen in de oksel van de Brandlichterweg en de rondweg. Tussen de woning en de rondweg is sprake van een robuuste houtopstand (G) waarmee het erf landschappelijk is ingebed. De sloop van de schuren (F) levert een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst op. In de nieuwe situatie is sprake van een klein compact erf kort aan de Brandlichterweg. Er is geen aanleiding om de nieuwe situatie verder landschappelijk in te passen. Er is sprake van een acceptabele bestaande inpassing in de nieuwe situatie. Met de sloop wordt voldaan aan het gestelde beleid.