CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp.pdf

Gemeenteraad 5 juli 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp”23.211 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Buitengebied, Brandlichterweg 61 En 65 Denekamp

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLWG6165VG01

Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

7 7 7 8 9 9

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

11 11 11

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

13 13 14 18

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem

23 23 24 25 25

4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

27 28 29 30 31 32 34

Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

35 35 35

Hoofdstuk 6

37

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

39 39 39

Bijlagen bij de toelichting

41

Bijlage 1

Ruimtelijk kwaliteitsplan Rood voor Rood

42

Bijlage 2

Erfinrichtingsschets Brandlichterweg 61

67

Bijlage 3

Erfinrichtingsschets Brandlichterweg 65

69

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek Brandlichterweg 61

71

2

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek Brandlichterweg 65

142

Bijlage 6

Watertoets

188

Bijlage 7

Quickscan natuurwaardenonderzoek

191

Regels

235

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

237 237 241

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Wonen

243 243

Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

249 249 250 251 252 253

Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

255 255 256

Bijlagen bij de regels

257

Bijlage 1

Erfinrichtingsschets Brandlichterweg 61

258

Bijlage 2

Erfinrichtingsschets Brandlichterweg 65

260

Bijlage 3

Erfinrichtingsschets Oosteriksweg 20 Mander

262

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

3

4

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

5

6

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Aan de Brandlichterweg 61, binnen de bebouwde kom van Denekamp, bevindt zich een agrarisch erf. Het plangebied is echter al enige tijd in gebruik voor woondoeleinden. Op het erf staan meerdere bijgebouwen. Eén bijgebouw hiervan, met een grootte van 45 m², zal gesloopt worden in het kader van Rood voor Rood. Initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie, middels het rood voor rood beleid een compensatiewoning toe te voegen. Om te voldoen aan de gevraagde sloopmeters zal er ook gesloopt worden aan de Brandlichterweg 65 in Denekamp. Hier wordt in totaal een schuur van 640 m² gesloopt. Gezamenlijk met de schuur aan de Brandlichterweg 61 komt dat neer op een sloopoppervlakte van 685 m² in de gemeente Dinkelland. Om te kunnen voldoen aan de gevraagde sloopmeters van minimaal 850 m², conform het Rood voor Rood beleid van de gemeente Dinkelland, zijn op een derde locatie de resterende sloopmeters gevonden. Het betreft een locatie aan de Oosteriksweg 20 in Mander (gemeente Tubbergen). Hier worden meerdere schuren gesloopt van in totaal 1.148 m². Hiervan wordt ten minste 165 m² ingezet om het woonrecht aan de Brandlichterweg 61 mogelijk te maken. De overige sloopmeters van de Oosteriksweg 20 worden ingezet om een woonrecht mogelijk te maken aan de Ikinkstraat 5 in Reutum. Hier is een afzonderlijk bestemmingsplan voor opgesteld.

Het voornemen vormt samen met deze locaties één plan, waarvoor twee afzonderlijke bestemmingsplannen zijn opgesteld. Eén voor de gemeente Dinkelland en één voor de gemeente Tubbergen. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken in de gemeente Dinkelland.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden gelegen aan de rand van Denekamp. Het gaat om de deelgebieden Brandlichterweg 61 en 65. Deze locaties zijn beiden gelegen aan de oostkant van Denekamp. In afbeelding 1.1. zijn beide percelen aangegeven. De plangebieden zijn rood omkaderd. Voor de exacte ligging en begrenzing van de deelgebieden wordt verwezen naar de verbeelding. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Dinkelland, sectie P, perceelsnummers 782, 1714, 2468, 2469, 2470, 2497 en 2498. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

7

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto, met kadastrale percelen, weergegeven waarop het plangebied te zien is. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan

Figuur 1.2: begrenzing plangebied Brandlichterweg 61 en 65 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Brandlichterweg 61 en 65 in Denekamp geldt bestemmingsplan 'Denekamp'. Het bestemmingplan 'Denekamp' is door de gemeenteraad van Denekamp op 9 oktober 2012 vastgesteld. Binnen het vigerende bestemmingsplan hebben beide plangebieden de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch - Bedrijf'. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.

8

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Denekamp' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan de Brandlichterweg 61 is de enkelbestemming 'Agrarisch - Bedrijf' met bouwvlak toegekend. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. De Brandlichterweg 65 heeft de enkelbestemming 'Wonen' met bouwvlak en maatvoering. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen. Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de compensatiewoning aan de Brandlichterweg 61 mogelijk te maken. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLWG6165-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

9

10

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is er aan de Brandlichterweg 61 in Denekamp sprake van een agrarisch erf bestaande uit een woonhuis met enkele schuren. De schuren worden momenteel gebruikt voor het hobbymatig houden van enkele dieren. Aan de Brandlichterweg 65 in Denekamp is sprake van een woonperceel met een tweetal schuren. Het plangebied wordt ontsloten via de Brandlichterweg, een 60 km/u weg tussen het centrum van Denekamp en de rondweg.

Figuur 2.1: huidige situatie Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp (bron: Cyclomedia)

2.2 Toekomstige situatie Brandlichterweg 61, Denekamp De initatiefnemer is voornemens om één extra woning (met bijgebouw) op het perceel te realiseren. Hiervoor zal op de locatie een schuur van 45 m² gesloopt worden (aangegeven met letter C in figuur 2.2). De overige sloopmeters worden van twee andere slooplocaties gehaald binnen de gemeente Dinkelland en Tubbergen. De beoogde compensatiewoning maakt onderdeel uit van een bestaand erf. De compensatiewoning is ondergeschikt aan de hoofdwoning en is daarom achter de voorgevel gesitueerd. Direct achter de compensatiewoning is ruimte voor het bijgebouw. Ook in de nieuwe situatie blijft sprake van één in- en oprit naar de Brandlichterweg. De bestaande houtopstanden rondom het erf blijven met de voorliggende ontwikkeling behouden en versterkt. Rondom de tuin van de compensatiewoning wordt een nieuwe haag aangeplant bestaande uit beuk of liguster. Zowel aan de noord- als zuidzijde van de kavel worden solitaire bomen geplaatst als afronding van het erf. De onderstaande schets is tevens opgenomen in Bijlage 2.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

11

Figuur 2.2: beoogde situatie Brandlichterweg 61 (bron: N+L landschap) Brandlichterweg 65, Denekamp Op de locatie aan de Brandlichterweg 65 in Denekamp worden een tweetal landschapontsierende schuren gesloopt van in totaal 640 m². De bestaande houtopstanden en hagen blijven behouden. De onderstaande schets is tevens opgenomen in Bijlage 3.

Figuur 2.3: beoogde situatie Brandlichterweg 65 (bron: N+L landschap)

12

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS (inmiddels NNN), inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig): Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

13

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. Uit de uitspraken ECLI:NL:RVS:2014:4720 & ECLI:NL:RVS:2015:2921 blijkt namelijk dat de ontwikkeling van respectievelijk acht en elf woningen niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid Bro. In dit geval is er sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling waarbij de compensatiewoningen worden gerealiseerd in het buitengebied of aan de rand van het dorp, er is daarom geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro.

Mede gelet op het toevoegen van het geringe aantal van in totaal twee woningen (waarvan één in de gemeente Tubbergen) én de vermindering van de bebouwde oppervlakte, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van de Nota van toelichting behorend bij het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening kan geconcludeerd worden dat de rood voor rood woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder van duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing op het voorliggende plan. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling wordt bovendien in deze toelichting aangetoond.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

Op 13 november 2019 is door de Provinciale Staten van Overijssel de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 vastgesteld. De aanpassingen van de Omgevingsvisie die met de Actualisatie 2018/2019 zijn doorgevoerd zijn op 1 december 2019 in werking getreden. Met de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsvisie weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 van de provincie Overijssel. De Provinciale Staten van Overijssel hebben de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 op 13 november 2019 vastgesteld en is op 1 december 2019 in werking getreden. Met de vaststelling van de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsverordening weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

14

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

15

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel getoetst. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 1) Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Middels dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe woning op het perceel aan de Brandlichterweg 61 mogelijk gemaakt. De woning met bijgebouw is voorzien aan de straatzijde, in lijn met de bestaande bebouwing.

Ter compensatie wordt op meerdere locaties in de gemeente Tubbergen-Dinkelland landschapontsierende gebouwen gesloopt, waarmee het plan een positieve bijdrage levert aan de algemene beginselen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan is in overeenstemming met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (lid 1) In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan:

16

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Met voorliggende ontwikkeling wordt een woonrecht mogelijk gemaakt bij een bestaand woonerf. Ter compensatie wordt er op meerdere locaties binnen de gemeenten Tubbergen-Dinkelland landschapontsierende bebouwing gesloopt. De sloop van de landschapsontsierende bebouwing levert een bijdrage aan de ontstening van het buitengebied. Daarnaast worden zowel de slooplocaties als de locatie aan de Brandlichterweg 61 landschappelijk ingepast waardoor geconcludeerd kan worden dat het plan een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Zowel het plangebied aan de Brandlichterweg 61 als de locatie Brandlichterweg 65 in Denekamp zijn gelegen in in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en Werken in het kleinschalige mixlandschap'. In het ontwikkelingsperspectief voor 'mixlandschap' wordt ruimte geboden aan een mix/verweving van verschillende functies. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor omliggende functies in de omgeving. Binnen dit perspectief is ruimte voor landbouw, landschapsontwikkeling, natuur, cultuurhistorie, vrije tijd, wonen en overige bedrijvigheid. Het onderhavig plan geeft invulling aan dit perspectief; landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. In ruil hiervoor wordt een woonrecht verkregen in de gemeente Dinkelland. Het geheel wordt landschappelijk ingepast en levert zodoende een bijdrage aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit op de bouw- en slooplocatie. Gebiedskenmerken Voor wat betreft de gebiedskenmerken voor de verschillende deelgebieden wordt onderstaand een opsomming verricht van de van toepassing zijnde kenmerken.

Brandlichterweg 61 en 65 Natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen Laag van agrarisch cultuurlandschap: Jong heide- en broekontginningslandschap en Oude hoevenlandschap Stedelijke laag: niet van toepassing bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

17

Laag van beleving: niet van toepassing Beide locaties liggen in het 'Dekzandvlakte en ruggen' landschap. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het 'Dekzandvlakte en ruggen' landschap. Door het voornemen wordt fors geïnvesteerd in het gebied door een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Door het saneren van de (agrarische) opstallen op de verschillende locaties ontstaat aldaar weer meer openheid. Aan de Brandlichterweg 61 is daarentegen reeds sprake van bebouwing en clustering van bebouwing. Het verkrijgen van een woonrecht op deze locatie is dan ook als acceptabel te beschouwen. De landschappelijke inpassing is daarbij vormgegeven om zo veel mogelijk de waardevolle kenmerken te behouden. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de aanwezige gebiedskenmerken voor de drie deelgebieden.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Structuurvisie Dinkelland

De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De gemeente Dinkelland profileert zich als een agrarische en toeristische gemeente. Kenmerkend voor de gemeente Dinkelland is het unieke landschap dat is aan te merken als een kleinschalig samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. De gemeente heeft een gezonde economie die ten dele drijft op de agrarische en toeristische sector maar waarin ook zeker andere bedrijvigheid, die zowel in de kernen als het buitengebied is gevestigd, een belangrijke rol speelt. Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van deze unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde weerbare economie.

Voor de ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied betekent dit dat Dinkelland staat voor: een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het grondgebied, met respect voor het natuurlijke en culturele erfgoed; goede condities voor een goed functionerende economische sector, passend bij het karakter van Dinkelland, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector en de toeristisch recreatieve sector. Toets De Structuurvisie gaat niet specifiek in op dergelijke (kleinschalige) ruimtelijke ontwikkelingen zoals beschreven in dit bestemmingsplan. Voor de ruimtelijke inpassing van dergelijke ontwikkelingen is de provinciale Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, waaronder ook Rood voor Rood valt, ontwikkeld als kwaliteitsinstrument voor ontwikkelingen in het buitengebied. De gemeente Dinkelland heeft dit vervat in gemeentelijk beleid. Hiermee is meer maatwerk mogelijk dan voorheen. Bij voorgenomen ontwikkeling worden landschapsontsierende gebouwen gesloopt en wordt er geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor vindt er op de slooplocaties een kwaliteitsslag plaats. De compensatielocatie ligt in Denekamp en is voorzien in samenhang met reeds bestaande bebouwing. Ook op deze locatie wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten van de structuurvisie. 3.3.2

Woonvisie 2016+ gemeente Dinkelland

Op 11 juli 2016 is de Woonvisie 2016+ vastgesteld. De centrale ambitie van de woonvisie is dat het voor alle doelgroepen, jong en oud, het aantrekkelijk wonen blijft in Dinkelland. Hiervoor dient het woningaanbod gevarieerd en comfortabel en toekomstbestendig te zijn, zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Hierbij hoort een passend voorzieningenniveau en betrokkenheid van inwoners tot elkaar, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen wordt versterkt. De visie is vertaald in drie ambities: 18

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

kwaliteitsslag maken: in stand houden kwaliteit centrumgebied/kernwinkelgebieden, verduurzamen en toekomstbestendig maken van de woningvoorraad, gerichte aanpak in buurten door renovatie van woningen en woonomgeving beschikbaarheid: voor iedere doelgroep een woning. Het nieuwbouwprogramma wordt afgestemd met regiogemeenten, nieuwe plancapaciteit wordt getoetst aan afwegingskader, flexibele woningdifferentiatie in bestemmingsplannen en nieuwbouwaccenten op sociale huur en voor middeninkomens. betaalbaarheid: passende prijs met bijbehorende kwaliteit. Beperkte vermindering van de kernvoorraad sociale huurwoningen is mogelijk, voortzetten starterslening, onderzoek naar blijverslening, in huurprijsbeleid corporatie wordt huurprijs beter afgestemd op inkomen. Dinkelland krijgt de komende jaren te maken met enige bevolkingskrimp. Tot 2035 blijft het aantal huishoudens nog wel toenemen, waarvoor nog aanvullende nieuwbouw nodig is. De gemeente vindt het belangrijk dat er in alle kernen woningen worden gebouwd om te kunnen voorzien in de lokale woonbehoefte. Consumenten en ontwikkelaars vragen om meer ‘ontwikkel-vrijheid’, meer maatwerk en mogelijkheden om eigen ideeën te kunnen vormgeven. Een nieuwbouwprogramma moet flexibel zijn naar type woning, prijsklassen, eigendomsvormen en woonconcepten.

De gemeente volstaat in de Woonvisie met een prioritering voor welke doelgroepen het bestemmingsplan geschikt is. Voor de kleine kernen wordt de woningdifferentiatie op andere wijze bepaald, omdat het erg moeilijk is om inzicht te krijgen in de woonwensen van verschillende doelgroepen. Daarom worden er bestemmingsplannen gerealiseerd met een flexibele woningdifferentiatie. Verder wordt aan marktpartijen en corporatie gevraagd om concrete bouwplannen te ontwikkelen. Bij het niet voldoende op gang komen van de bouwproductie in een bepaalde kern worden de verschillende doelgroepen die actief zijn op de woningmarkt betrokken en worden concrete woonwensen geïnventariseerd. Toets De woonvisie 2016+ van de gemeente Dinkelland laat zien dat er voor de kern Denekamp een woningbehoefte van 178 tot 268 bestaat in de periode 2015-2024. De huidige plancapaciteit biedt ruimte voor verdere toevoeging, bovenstaande tabel geeft aan dat er 125+ beschikbare plancapaciteit is. Voor plannen in het buitengebied (bijv. rood voor rood) is een reservering van 11 woningen aangehouden. De woonvisie 2016+ biedt daarmee ruimte voor het onderhavige plan. 3.3.3

"Rood voor rood beleid gemeente Dinkelland 2015"

Aanleiding voor het vaststellen van het beleid is dat steeds meer agrarische bedrijven veranderen in hobbymatige agrarische activiteiten of volledig stoppen met hun agrarische activiteiten. Het gevolg hiervan is een toename van leegstaande landschapsontsierende bedrijfsgebouwen, waardoor verval van het buitengebied op de loer ligt. Middels Rood voor Rood is het mogelijk om deze gebouwen te slopen en er een woning voor terug te bouwen. Centrale doelstelling is om een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te realiseren. In het beleid is ook de mogelijkheid tot maatwerk opgenomen. Uitgangspunt van beleid is dat een oppervlakte van minimaal 850 m2 landschapsontsierende bebouwing of 4500 m2 aan kassen dient te worden gesloopt om een compensatiekavel (woning) te kunnen verkrijgen. In het beleid zijn verschillende uitgangspunten voor de sloop- en herbouwlocatie opgenomen, waaraan het plan in principe dient te voldoen. Voorwaarden ten aanzien van de slooplocatie welke van toepassing zijn op dit plan zijn dat de te slopen bebouwing van minimaal 850 m2 landschapsontsierend is. Hierbij is behalve de uiterlijke staat ook de locatie op het erf van belang. Gebouwen die niet als landschapsontsierend worden aangemerkt, kunnen als bijgebouw bij de bestemming 'Wonen' worden gebruikt.

De te slopen bebouwing is legaal gebouwd, dat betekent dat er een bouwvergunning aanwezig is of dat het gebouw valt onder het overgangsrecht. Voorwaarden ten aanzien van de herbouwlocatie zijn; binnen de gemeentelijke Woonvisie moet ruimte zijn om een compensatiekavel te kunnen realiseren. Wanneer hierbinnen geen ruimte is, dan wordt de aanvraag afgewezen. De compensatiewoning kan geen onevenredige aantasting van agrarische en/of andere belangen in de omgeving veroorzaken, zoals belemmering van de bedrijfsmatige activiteiten van een bedrijf in de omgeving. De compensatiewoning dient aan te sluiten op bestaande bebouwing waarbij de maximale omvang van één compensatiekavel voor een enkele woning 1200m² bedraagt. Het kan dan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren. Daarnaast dient een erfplan te worden ontwikkeld waaruit blijkt dat wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. De deelnemer aan Rood voor Rood zal uit de opbrengst van de bouwkavel het slopen van de bedrijfsgebouwen en de bijdrage voor de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit moeten bekostigen. Toets Er zal in totaal een oppervlakte van 1.859 m2 aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden gesloopt in zowel de gemeente Tubbergen als in de gemeente Dinkelland. Voor de compensatiewoning in de gemeente bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

19

Dinkelland dient minimaal 850 m2 gesloopt te worden waarmee aan de voorwaarde van minimaal 850 m2 wordt voldaan. Deze bebouwing bevindt zich op drie locaties. In onderstaand overzicht is een overzicht van de slopen bebouwing weergegeven: Brandlichterweg 61, Denekamp: 45 m2; Brandlichterweg 65, Denekamp: 640 m2; Oosteriksweg 20, Mander (gemeente Tubbergen): 165 m2 Op basis van het verwijderen van minimaal 850 m² aan landschapsontsierende bebouwing is de realisatie van een compensatiekavel mogelijk. Volgens het beleid van de gemeente Dinkelland moet minstens 600 m² van de 850 m² landschapsontsierende bebouwing afkomstig zijn uit de gemeente Dinkelland. Dat is in voorliggende ontwikkeling het geval. Aan de Brandlichterweg 61 blijft na het doorlopen van Rood voor Rood nog 380 m² van de bestaande schuren behouden. Momenteel zijn deze schuren in gebruik voor het (hobbymatig) houden van vee, opslag van trekkers en machines voor bewerken van de gronden en opslag van privé als behorende tot het gebruik bij de woning. Dit is ook de voornaamste reden waarom een aanvullende slooplocatie is gezocht. Het woonrecht wordt ingezet op het perceel aan de Brandlichterweg 61 in Denekamp. De compensatiewoning wordt dus niet op één van de slooplocaties gerealiseerd, wat normaliter een voorwaarde is. Hier kan echter van worden afgeweken indien er een andere ruimtelijk verantwoorde locatie is.

Dit is o.a. het geval als de compensatiewoning aansluit op bestaande bebouwing. Het kan dan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren. Dat is in voorliggende ontwikkeling het geval. Tot slot is er voor de compensatiekavel en voor de twee slooplocaties een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting van dit plan. In dit landschapsplan is de te slopen bebouwing opgenomen, de situering van de bouwkavel en woning (inclusief inpassing in het landschap) en het erfplan. Het erfplan is tot stand gekomen op basis van de beeldkwaliteitsprincipes Rood voor Rood, het landschapsontwikkelingsplan (LOP), het Cascobeleid en Kwaliteitskader Gebiedskenmerken van de gemeente (een uitwerking van de gebiedskenmerken uit de Omgevingsvisie Overijssel). 3.3.4

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

20

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Figuur 3.4: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Nabij de drie deellocaties zijn in het kader van het casco-beleid diverse elementen zichtbaar. Voor wat betreft de bestaande elementen in het casco geldt voor alle locaties dat deze in stand wordt gehouden. De ontwikkeling is passend binnen de casco benadering.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

21

22

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het plan betreft de bouw van een nieuwe compensatiewoning in de gemeente Dinkelland, ter compensatie voor de sloop van landschapsontsierende opstallen op drie locaties. De ontwikkeling aan de Brandlichterweg 61 is concreet beschreven in paragraaf 2.2. Het huidige gebruik van het plangebied is 'Agrarisch - Bedrijf'.

Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.

Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van één woning. Tevens worden in het buitengebied (agrarische) opstallen gesaneerd. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

23

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Aan de Brandlichterweg 61 wordt een compensatiewoning toegevoegd ter plaatse van een bestaand woonerf. De bestemming zal daarbij gewijzigd worden van 'Agrarisch - Bedrijf' naar 'Wonen'. De Brandlichterweg 65 heeft reeds een 'Wonen' bestemming. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Daarnaast zal de intensieve tak van de slooplocatie aan de Oosteriksweg 20 in Mander (gemeente Tubbergen) gestaakt, waardoor de belasting afneemt. Interne werking 24

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In de directe nabijheid van de beoogde woonfunctie aan de Brandlichterweg 61 bevinden zich hoofdzakelijk andere woonfuncties. Dit zijn niet milieubelastende activiteiten en deze vormen dan ook geen belemmering voor het voornemen. De beoogde woonfunctie vormt, om dezelfde reden, omgekeerd eveneens geen belemmering voor de bestaande omliggende woonfuncties. Het dichtsbijzijnde milieubelastende object is gelegen aan de Brandlichterweg 67 en beteft een agrarisch bedrijf (rundvee). In de Handreiking Bedrijven en milieuzonering is een rundvee bedrijf in te delen in 'fokken en houden van rundvee', waarvoor milieucateogorie 3.2 geldt. De grootste afstand tot een rundveebedrijf bedraagt 100 meter, voor het aspect geur. Het beoogde plangebied is gelegen op minimaal 320 meter afstand. Hiermee wordt aan deze afstand ruimschoots voldaan. De woning aan de Brandlichterweg 65 heeft reeds een woonbestemming. De bedrijfsvoering van omliggende bedrijven moeten reeds rekeninghouden met deze woonfunctie.

Het plan leidt niet tot mogelijke hinder van omliggende functies en is niet beperkend voor ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Het perceel aan de Brandlichterweg 61 is gelegen in de kern Denekamp. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Brandlichterweg 67. Hier geldt een minimale afstand van 100 meter. De afstand van het bouwvlak tot de nieuwe bestemming bedraagt minimaal 320 meter. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Brandlichterweg 61, Denekamp bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

25

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek van Terra Agribusiness BV om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Brandlichterweg 61). Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. De concuslusies zijn als volgt: Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Overige locatie In het bovengrondmengmonster (BM4) zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters (OM1 en OM2) zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn lichte verhogingen zink, cadmium en barium aangetroffen. In het grondwatermonster (PB2 WM1) zijn lichte verhogingen cadmium en barium aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster (PB2 WM1) een matige verhoging zink aangetroffen. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (PB2 WM2) blijkt dat er een lichte verhoging zink is aangetroffen in het grondwater.

De verhoging zink in grondwatermonster (PB2 WM1) geeft aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Echter zijn er naar onze mening een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: Er is geen eenduidige bron voor de verhogingen aan te wijzen; Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren; In het genomen her-monster (PB2 WM2) is een lichte verhoging zink aangetroffen. Erf Ter plaatse van het erf zijn boringen/ inspectiegaten geplaatst. In alle bovengrondmengmonsters (BM1, BM2 en BM3) zijn geen verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van deze deellocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Erf Ter plaatse van het erf zijn een aantal inspectiegaten gegraven. Van deze gaten zijn mengmonsters samengesteld en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters (MM1 en MM3) is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen.

Het mengmonster (MM3) is licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Omdat er in het mengmonster geen asbest is aangetoond en geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen, is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Gegeven de in onderhavig rapport beschreven onderzoeksresultaten, wordt de onderzoekslocatie ten aanzien van asbest in de bodem geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

Branlichterweg 65, Denekamp Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek van Terra Agribusiness BV om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek Brandlichterweg 65) Aanleiding van het onderzoek is ten behoeve van de voorgenomen sloopactiviteiten. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. De concuslusies zijn als volgt: Verkennend bodemonderzoek NEN5740

26

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekamp

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Dieseltank In het bovengrondmengmonster (BM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Druppelzones Ter plaatse van elke druppelzone zijn één of twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld en in de sleuven is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het mengmonster van druppelzone 3 is licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Er dient wel opgemerkt te worden dat het overgrote deel van de druppelzone ten tijde van het onderzoek bedekt was met vegetatie en rijplaten, waardoor er maar één inspectiesleuf is gegraven.

Tevens dient opgemerkt te worden dat er in de fractie <0,5mm asbestverdachte vezels zijn aangetroffen. De druppelzone is klein in omvang en er wordt niet verwacht dat de interventiewaarde wordt overschreden in een nader onderzoek. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Het plangebied ligt niet in de nabijheid van spoorwegen en/of gezoneerde industrieterreinen. Daarmee is vanuit het aspect geluid alleen 'wegverkeerslawaai' relevant. De voorkeursgrenswaarde op de gevel van woningen als gevolg van wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB (etmaalwaarde). Deze toetsing aan de grenswaarde gebeurt volgens de Wgh per weg. De Brandlichterweg is opgenomen in de Verkeersmilieukaart (VMK).

De dB contouren zijn in onderstaande situatie weergeven, waarbij het plangebied is weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied, Brandlichterweg 61 en 65 Denekam p

27

Figuur 4.2: Geluidcontour Brandlichterweg (bron: gemeente Dinkelland) De locatie van de compensatiewoning bevindt zich op de grens van de zone 43-48 dB. De afstand van de nieuw te bouwen woning is dus dusdanig dat er geen reden is om aan te nemen dat niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan worden voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/485/documents/15766