Bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.pdf
Tekst van het document
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied bevindt zich aan de Sombeekweg in Denekamp. De weg betreft een weg binnen stedelijk gebied, bestaande uit 1 rijstrook. Op basis van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs deze weg een geluidzone van 200 meter. Gelet op het feit dat bedrijfsgebouwen geen geluidsgevoelige objecten zijn, kan geconcludeerd worden dat de geluidszone hier niet van toepassing is. Industrielawaai Op 26 februari 2020 heeft de gemeente Dinkelland ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijven van initiatiefnemers een akoestisch onderzoek laten uitvoeren om te bepalen welke milieucategorie van bedrijven hier mogen vestigen zonder dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Omdat het plangebied in onderhavig bestemmingsplan afwijkt van het plangebied van het uitgevoerde onderzoek, is er een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Voor het plangebied zijn in het onderzoek verschillende opties voor de invulling van het plangebied 28
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
doorgerekend: Met een invulling van het plangebied met (hoofdzakelijk) bedrijfsactiviteiten conform milieucategorie 1 wordt voldaan aan de ambitiewaarde voor de geluidbelasting ter plaatse van het maatgevend, zuidelijk gelegen woongebied. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt in deze varianten ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde; Met een invulling van het kavel met (hoofdzakelijk) bedrijfsactiviteiten conform milieucategorie 2 wordt voldaan aan de plafondwaarde, de geluidklasse "redelijk rustig", voor de geluidbelasting ter plaatse van het maatgevend, zuidelijk gelegen woning (Sombeekweg 5).
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt in deze varianten ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde; Een hogere milieucategorie heeft een gemiddeld grotere geluidemissie en leidt tot een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau waarbij niet meer voldaan kan worden aan het Activiteitenbesluit; Het gebruik van het plangebied heeft beperkingen vanwege het maximaal geluidniveau in de avond- en nachtperiode; Op de planlocatie zijn relatief lichte bedrijfsfuncties mogelijk tot milieucategorie Aanbevolen wordt de toekomstige bedrijven een akoestisch onderzoek uit te laten voeren bij de melding Activiteitenbesluit; Ter plaatse van omliggende woningen is er geen onacceptabele samenloop van geluid omdat de voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai en de normering van het Activiteitenbesluit niet overschreden wordt. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat bedrijven met milieucategorie 1 en 2 op deze locatie passen. Bedrijvigheid conform milieucategorie 2 is nog acceptabel waarbij een goed woon- en leefklimaat nog mogelijk is. De toekomstige bedrijfsactiviteiten dienen met name in de dagperiode plaats te vinden. De bedrijven van initiatiefnemers voldoen hieraan. Er wordt maximaal een opslaggebouw gerealiseerd dat tot een 2e milieucategorie behoort. Daarnaast vinden de activiteiten van de bedrijven met name tussen 08:00 - 17:00 plaats.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits invulling wordt gegeven aan het uitgevoerde akoestisch onderzoek opgenomen als Bijlage 4 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Om in de toekomst een goede woon- en leefklimaat voor de omwonenden te garanderen, is in de regels van het voorliggende bestemmingsplan bepaald dat op het plangebied geen hogere bedrijven kunnen vestigen dan de milieucategorie 1 of 2. Bij de vestiging van bedrijven met de milieucategorie 2 is een aanvullende regel opgenomen die bepaald dat de bedrijfsactiviteiten van een bedrijf in de dagperiode tussen de 08:00 - 19:00 moet plaatsvinden. Geacht wordt hiermee dat er vanuit het aspect 'geluid' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
29
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets en conclusie Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in bovenstaande paragraaf, kan op voorhand worden gesteld dat dit plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Ook wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn.
Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets en conclusie
30
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Figuur 4.2: uitsnede risicokaart, plangebied globaal rood omlijnd (bron: Arcgis). Uit de inventarisatie van de risicokaart (zie figuur 4.2) blijkt dat de dichtstbijzijnde risicobron 350 meter van het plangebied is gelegen. Dit betreft een buisleiding van de Gasunie. Binnen het plangebied worden geen (beperkt)kwetsbare objecten gerealiseerd. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Verder bevindt het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Het aspect 'Externe veiligheid' vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid Vechtstromen De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
31
Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.
Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 4 maart 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de Normale procedure van het watertoetsproces gevolgd moet worden. Dit houdt in dat een RO Adviseur van het waterschap betrokken moet worden bij het bestemmingsplan. Op 4 maart 2021 is het plan kenbaar gemaakt bij de voor Vechtstromen aangewezen RO Adviseur. De RO adviseur van het waterschap heeft aangegeven dat de gemeente Dinkelland ervoor dient te zorgen dat er voldoende hemelwaterberging wordt gerealiseerd. Verdere vooroverleg met het waterschap is wat betreft het waterschap niet noodzakelijk.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing en conclusie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd op 29 maart 2021. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan bijgevoegd. In de navolgende alinea's worden de resultaten besproken. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op 1,55 kilometer afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
32
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Figuur 4.3: ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied (bron: Natuurbank Overijssel). Geconcludeerd kan worden dat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland is gelegen. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op 2 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Dinkelland. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.4: ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied (bron: Natuurbank Overijssel). Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Dinkelland bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
33
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van sloopwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Dinkelland is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling Stikstof Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van bouwmaterialen, materieel en personeel. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, is het aannemelijk dat dit leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het uitvoeren van een stikstofberekening wordt noodzakelijk geacht.
Deze conclusie komt overeen met het advies van de Omgevingsdienst Twente. Die hanteren onderstaande toetsingscriteria voor het wel of niet uitvoeren van nader onderzoek bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Figuur 4.5: overzicht van de afstanden en gehanteerde emissies per categorie ruimtelijke ontwikkeling (bron: Natuurbank Overijssel). Op 7 juni 2023 is door Ad Fontem een geactualiseerde AERIUS berekening uitgevoerd om op basis van een worst-case scenario na te gaan of de voorgenomen activiteiten nadelige effecten kunnen hebben voor de dichtsbijzijnde natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Deze berekening is als Bijlage 7 bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op het plangebied komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In zowel de aanlegfase als de gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de 34
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Ecologie' geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft een archeologische verwachtings- en advieskaart gemaakt voor haar gehele grondgebied, waarin aangegeven is wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In figuur 4.6 is een uitsnede opgenomen van de verwachtingskaart. Het plangebied is globaal rood omlijnd.
Figuur 4.6 uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: Archeologische verwachtings- en advieskaart). Toets Op basis van het figuur hierboven bevindt het plangebied zich in dekzandwelvingen en -vlakten. Het advies hier is dat er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij plangebieden groter dan 5.000 m² bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m. Voor plangebieden kleiner dan 5.000 m² geldt vrijstelling voor een archeologisch onderzoek. bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
35
Het plangebied in voorliggend bestemmingsplan heeft een oppervlakte van circa 3.200 m². Uitgaande van het advies in de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Het archeologische verwachtings- en advieskaart laat niet alleen zien welke archeologische verwachting binnen een gebied geldt, maar ook of er in dat gebied monumenten dan wel andere cultuurhistorische belangrijke gebouwen, landschappen etc. aanwezig zijn. Uit figuur 4.6 blijkt echter dat geen van de genoemde waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig zijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.
4.11
Verkeer / parkeren
Het plangebied wordt ontsloten via de Sombeekweg. Deze weg verbindt de provinciale weg (N342) met het bedrijventerrein van Denekamp. Er is momenteel nog geen concreet bouwplan, waardoor de parkeerbehoefte dan wel verkeersgeneratie niet berekend kan worden. Vanuit een worst-case benadering wordt toch een berekening gemaakt van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte, om een inzicht te geven in de toekomstige situatie wanneer het plangebied volledig wordt gebruikt. Verkeer Volgens het inrichingsplan opgenomen als bijlage 1 bedraagt het oppervlak van het plangebied circa 3.300 m². Bekend is dat de gronden met name gebruikt zullen worden voor opslag, dan wel voor het parkeren van vrachtauto's. Op basis van de CROW publicatie 381 bedraagt de verkeersgeneratie voor een opslaggebouw gemiddeld 4,8 verkeersbewegingen per 100 m² per dag. Hiervan is het aandeel zwaar vrachtverkeer 5% (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)). Als het gehele plangebied zal worden gebruikt ten behoeve van opslag, dan komt dit neer op dagelijks afgerond 158 verkeersbewegingen. Het aantal zware verkeersbewegingen bedraagt dan dagelijks maximaal afgerond 13 verkeersbewegingen. In de praktijk zal het gehele plangebied niet volledig gebouwd worden, aangezien de bestemmingsregels slechts 80% bebouwing toelaat in het bouwvlak.
De werkelijke verkeersbewegingen zullen daardoor lager liggen. Gelet op dat de bestaande ontsluitingen geschikt zijn om de toekomstige verkeersbewegingen op een veilige en eenvoudige manier af te wikkelen, wordt vanuit het aspect 'verkeer' geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestmemingsplan. Parkeren Volgens de CROW uitgave dient voor de uitgangssituatie zoals hierboven beschreven, gemiddeld 1,05 parkeerplaatsen te worden aangelegd per 100 m² aan bebouwing. Uitgaande van een maximale oppervlakte van 3.300 m², zijn er afgerond 35 parkeerplaatsen nodig (berekening: 3.300 m² / 100 m² x 1,05). In praktijk zullen er echter minder parkeerplaatsen nodig zijn, aangezien niet het gehele plangebied bebouwd zal worden. Om in de toekomstige situatie te garanderen dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, wordt in de regels van voorliggend bestemmingsplan conform het paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland parkeerregels opgenomen. Een toekomstig bouwplan kan aan deze regels worden getoetst, om het aantal te realiseren parkeerplaatsen te bepalen. Op voorhand wordt niet geacht dat dit tot problemen zal leiden, aangezien op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Vanuit het aspect 'parkeren' wordt derhalve geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
36
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); nadere eisen: Hier is aangegeven dat burgemeester en wethouders, ten behoeve van de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen kunnen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
37
afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Bedrijventerrein Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijfspercelen initiatiefnemers. De bestemming bevat de gebruikelijke bepalingen zoals die gelden volgens het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Denekamp' voor bedrijventerreinen. Om de woon- en leefklimaat van de omliggende woningen te waarborgen, is tevens de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' opgenomen. Hiermee wordt uitgesloten dat er op de betreffende gronden bedrijven vestigen die zwaarder zijn dan milieucategorie 2. Tot slot is er een 38
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
bouwvlak opgenomen voor het bouwen van een bedrijfsgebouw. Groen Deze bestemming is opgenomen om aan de voorwaardelijke verplichting van het inrichtingsplan, het meenemen van de bestaande groenstrook en watergang, te voldoen. De bestemming bevat de gebruikelijke bepalingen zoals die gelden volgens het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Denekamp' voor groen bestemmingen. Daarnaast wordt met deze bestemming uitgesloten dat er in de toekomst gebouwen gebouwd worden op deze gronden.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
39
40
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
41
42
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt niet onder één van de categorieën. Vooroverleg is derhalve noodzakelijk. Gezien de ligging, de schaal en het feit dat het om uitbreiding van bestaande bedrijven gaat, past de ontwikkeling binnen de bedrijventerrein-afspraken met de provincie. Buurgemeenten Het plan dient te worden afgestemd met de buurgemeenten.
Waterschap Vechtstromen Op 4 maart 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Waterschap Vechtstromen. Er is nog geen reactie gekomen van het Waterschap.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 10 februari 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is er één zienswijze binnengekomen. De beantwoording van deze zienswijze heeft tot aanpassingen geleid in het bestemmingsplan. Voor de concrete inhoud van die beantwoording wordt verwezen naar Bijlage 8. Gelet op de aanpassingen dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden vastgesteld.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
43
44
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekw eg ong.
45
Bijlage 1
46
Inrichtingsplan
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Marconiweg 1-3
Inbreiding bedrijventerrein Denekamp
20AF221
AV
Marconiweg
Versie 1.2
-
Marconiweg 1-3
07-06-23
A3
7591 HH Denekamp
Vastgesteld
1:400
a=
Bedrijf 1
b=
Bedrijf 2
c=
Bedrijf 3
d=
Uitbreiding bedrijf 1 circa 600 m2
e=
Uitbreiding bedrijf 2 circa 1.614 m2
f=
Uitbreiding bedrijf 3 circa 1.095 m2
g=
Houtwal met inheemse beplanting
h=
Watergang met vrije zone 5 a 6 meter
Bijlage 2
48
Concept aanmeldnotitie
bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp, herziening Sombeekweg ong.
Aan: College van gemeente Dinkelland Postbus 11 7590 AA DENEKAMP
Borne, 30 april 2021 Ons kenmerk: 20AF221 Bijlagen: 5
Betreft: Concept aanmeldnotitie m.e.r. – beoordeling Marconiweg 1-3 Denekamp
Geacht heer, mevrouw, Namens onze opdrachtgevers, tevens initiatiefnemers, doen wij u hierbij een aanmeldnotitie voor een (vormvrije) m.e.r. beoordeling. Initiatiefnemers zijn voornemens om hun bedrijf aan de Marconiweg 1 – 3 te Denekamp uit te breiden op de naastgelegen de voor ‘Agrarisch’ en ‘Groen’ bestemde gronden. De bedoeling is om circa 3.200 m² grond om te zetten naar de bestemming ‘Bedrijventerrein’. De voorgenomen ontwikkeling wordt in het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) genoemd als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D 11.3). Aangezien de oppervlakte van de beoogde uitbreiding minder bedraagt dan de vastgestelde drempelwaarde, 75 ha, is de ontwikkeling niet m.e.r. plichtig. Wel dient er een (vormvrije) m.e.r. beoordeling gemaakt te worden. Dit is tevens kenbaar gemaakt in het principebesluit van 28 oktober 2019 dat is afgegeven door uw college. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit, het uitbreiden van het bedrijventerrein, geen belangrijke nadelige milieugevolgen met zich meebrengt. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling.
Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de kenmerken van het project; de kenmerken van het potentiële effect. Plaats van het project Het plangebied ligt op het bedrijventerrein Denekamp, ca. 750 meter ten noordoosten van het centrum van Denekamp en wordt ontsloten door de Sombeekweg. Sombeekweg betreft een weg zonder rijstroken binnen stedelijk gebied, met een maximumsnelheidsregime van 50 km/u. Het plangebied
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne T 074 255 70 20 IBAN NL92RABO 0331 6534 27 BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851 Btw nr. NL 8151.28.939.B01 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp sectie P, deels perceelsnummer 2483 en deels perceelsnummer 1009. In onderstaand figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (bron: Google Maps).
De begrenzing van het plangebied is in figuur 2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied te zien is. Omdat voorliggend bestemmingsplan zowel betrekking heeft op de uitbreiding van Marconiweg 1 als op die van Marconiweg 3, is het plangebied verdeeld (rood afgebroken lijn). Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 2: begrenzing van het plangebied (bron: PDOK Viewer).
Kenmerken van het betreffende project In de toekomstige situatie worden de gronden binnen het plangebied gebruikt ten behoeve van de uitbreiding van Marconiweg 1 (AOE Techniek) en Marconiweg 3 (Teswood BV). De bedoeling is om de bestemmingsvlak waarin de twee bedrijven zich bevinden, als het ware naar links door te trekken. Daarbij dient te worden opgemerkt dat er op de nieuwe kavels geen zware categorieën bedrijvigheid kunnen worden gerealiseerd vanwege de woonfuncties in de omgeving van het plangebied. Voorliggend bestemmingsplan houdt hier rekening mee door middel van een functieaanduiding, waarmee wordt aangegeven welk milieucategorie bedrijven ter plaatse van de aanduiding zijn toegestaan. De gemeente Dinkelland heeft in haar principebesluit aangegeven dat er een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dient te worden waarin de bestaande groenstrook en watergang meegenomen moeten
-2-
worden bij de afronding van het plangebied. Op 14 december 2020 is er een inrichtingsplan opgesteld. Dit plan voorziet in de inrichting van het plangebied waarbij de groenstrook en watergang zijn meegenomen. Het inrichtingsplan is opgesteld conform het huidige beleid van de gemeente Dinkelland. In figuur 3 is een fragment opgenomen van het inrichtingsplan, waarop de beoogde ontwikkeling te zien is. Het inrichtingsplan is als bijlage 1 bijgevoegd bij deze aanmeldnotitie.
Figuur 3: fragment inrichtingsplan (bron: mevr. A. Veenendaal, Ad Fontem).
Zoals uit bovenstaand figuur blijkt dat AOE Techniek voor 1.080 m² zal uitbreiden. Rugo Logistics, inmiddels is dit Teswood BV geworden, zal voor 2.145 m² uitbreiden. Naast de uitbreiding van deze twee bedrijven wordt de bestaande houtwal en watergang met vrije zone van 5 a 6 meter naar het westen verplaatst, zodat deze net als in de huidige situatie van het plangebied weer als een soort overgang kunnen vormen van de bebouwde kom naar het bedrijventerrein. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 4 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
-3-
Figuur 4: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangegeven met een rode markering (bron: provincie Overijssel).
Het plangebied bevindt zich in het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de functies in de omgeving. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waarbij de bedoeling is om de bestaande landschapselementen te behouden.
Ook wordt rekening gehouden met bestaande functies in de omgeving, voornamelijk de woonfuncties. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen wordt een functieaanduiding opgenomen waardoor niet mogelijk is om ter plaatse zware categorie milieu bedrijven te realiseren. Geacht wordt dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met het geldend ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en – opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 5).
-4-
Figuur 5: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel).
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)- richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de uitbreiding van twee bedrijven gevestigd aan de Marconiweg 1 en 3 (AOE Techniek en Teswood BV). Als gevolg van de ontwikkeling wordt een stuk grond dat bestemd is voor agrarisch en groen, omgezet naar de bestemming bedrijventerrein. Door de omzetting is het mogelijk om hier bedrijfsgebouwen te realiseren.
In beginsel kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling ten koste gaat van het landschap, de bestaande landschapselementen zullen echter niet verwijderd worden. De bedoeling is om de situering van deze elementen te verplaatsen zodat er ruimte ontstaat voor de uitbreiding van de twee bedrijven en daarnaast het bestaand landschap niet te verliezen. Dit wordt middels een inrichtingsplan onderbouwd. Geacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met zowel de ambities als visie van de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Jong heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 6 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
-5-
Figuur 6: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel).
De grote oppervlakte aan - voormalige - natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaast zijn vanaf 1750 vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen Overzicht jonge heide- en broekontginningslandschap (indicatief) en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden.
Vaak zijn het 'inbreidings' landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen. De ambitie is verder de landschappelijke karakteristieken voor weidevogels in stand te houden en te versterken. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een inrichtingsplan opgesteld, waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat rekening wordt gehouden met de aanwezige landschapselementen binnen het plangebied.
Hiermee wordt voldaan aan de eis dat een ontwikkeling moet bijdragen aan het behouden van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginngslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Daarnaast is er sprake van een versterking omdat het gebied opnieuw wordt ingedeeld en dit met een inrichtingsplan wordt vastgelegd.
-6-
Geacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met zowel de ambities als de visie van de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag De stedelijke laag kent het kenmerk 'Woonwijken 1995 - nu' aan het gebied toe. In figuur 7 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 7: Stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel).
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De ambitie is om naoorlogse wijken te herstructureren en om markante gebouwen zoals leegkomende kerken en winkelstrips te behouden door ze een nieuwe functie te geven. Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Er is binnen het plangebied geen sprake van een woonwijk of bebouwing. De stedelijke laag is derhalve niet zichtbaar. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen invloed heeft op de stedelijke laag. Cumulatie met andere projecten In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere (grootschalige) ontwikkelingen bekend die van belang kunnen zijn in het kader van voorgenomen ontwikkeling. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Met de realisatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein worden geen natuurlijke hulpbronnen verwijderd, ze worden enkel verplaatst.
Voor het plan worden mobiele werktuigen ingezet die gebruik maken van natuurlijke hulpbronnen, namelijk fossiele brandstoffen. Verwacht wordt echter niet dat het gebruik van deze bronnen een belemmering oplevert voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Verontreiniging en hinder Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting of een inrichting waarop het activiteitenbesluit van toepassing is. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van het projectgebied, is niet aan de orde. De aspecten waterhuishouding, bodem, geluid, flora en fauna, archeologie en luchtkwaliteit zijn van belang. Deze aspecten
-7-
worden in het vervolg nader beschreven. Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Klimaatverandering heeft een negatief effect op de huidige weersomstandigheden. Steeds vaker komen extremere weersomstandigheden voor, zoals extreme temperaturen en veel neerslag. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. De uitbreiding van een bedrijventerrein c.q. bouwen van een opslaggebouw heeft geen betrekking op oppervlaktewater. Het project zal dan ook niet leiden tot een verhoogd risico tot rampen. Risico’s voor menselijke gezondheid Met de uitbreiding van het bedrijventerrein is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting of een inrichting waarop het activiteitenbesluit van toepassing is. Onderhavig project heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiële milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het plangebied wordt ontsloten via de Sombeekweg die het bedrijventerrein verbindt met de dichtstbijzijnde provinciale weg (N342), evenals met de bebouwde kom van Denekamp.
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal er twee bedrijfsgebouwen gebouwd worden. Er zijn momenteel geen concrete bouwplannen op tafel. Echter bedraagt de oppervlakte van het plangebied volgens het inrichingsplan 3.225 m², waarvan 1.080 m² AOE Techniek zal gebruiken en 2.145 m² Teswood BV. Volgens de 381ste uitgave van CROW bedraagt de verkeersgeneratie voor een opslaggebouw gemiddeld 4,8 verkeersbewegingen per 100 m² per dag, waarvan 5% zwaar vrachtverkeer. Daarbij is aangesloten bij 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf). Uitgaande dat er twee opslaggebouwen komen van ten hoogste 3.225 m² (worst-case), komt dit neer op dagelijks afgerond 155 verkeersbewegingen lichtverkeer en afgerond 8 verkeersbewegingen zwaar vrachtverkeer (berekening: 3.225 m² / 100 m² x 4,8 (berekening: 155 x 5%). In praktijk zal het gehele plangebied niet volledig gebouwd worden, de regels van de bestemming 'Bedrijventerrein' laat immers enkel toe dat 80% van het perceel bebouwd mag worden. Hierdoor zullen de werkelijke verkeersbewegingen aanzienlijk lager liggen. Geacht wordt dat de verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling eenvoudig via de huidige weg kunnen worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' lever geen belemmeringen op voor onderhavig plan.