CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo.pdf

Commissie Omgeving & Economie 11 januari 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8.: Voorstel inzake gewijzigd vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo24.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.5 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect 'geluid'. In de wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van een industrieterrein, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden opgesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan de milieugevoelige functies. Toets De te bouwen woning staat op meer dan 50 meter afstand van de provinciale weg N736 (Rossumerstraat). Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 80 km/uur. Hoewel de nieuwe woning op grotere afstand dan de huidige bedrijfswoning van de Rossumerstraat is gesitueerd ligt de nieuwe woning nog steeds binnen de zone van 250 meter voor een weg in buitenstedelijk gebied met een of twee rijstroken. Er is bovendien geen sprake van een woonerf, of een weg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De provincie heeft in 2011 geluidsmetingen (Lden) uitgevoerd welke als geluidscontour zijn opgenomen in de Atlas van Overijssel. De gewenste locatie van de nieuwe bedrijfswoning ligt daarop binnen de geluidscontour van 50-55 dB.

Omdat daarmee op voorhand niet kan worden vastgesteld dat de nieuwe woning voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van maximaal 48 dB is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Door Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering is onderzocht wat de gevelbelasting in de nieuw situatie is. De bevindingen van dat onderzoek zijn beschreven in de rapportage van 9 november 2015 (werknummer 15.162). Deze rapportage is als Bijlage 5 bijgevoegd. Conclusie Uit de rapportage volgt dat er een hogere grenswaarde van 52 dB vastgesteld moet worden. De vaststelling van deze hogere grenswaarde vindt gelijktijdig plaats met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

27

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met voorliggend plan wordt een bestaande bedrijfswoning verplaatst en binnen het bestaande bedrijfsperceel wordt bebouwing gelegaliseerd. Daarbij zullen als gevolg van dit plan geen extra verkeersbewegingen ontstaan. Het plan draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 28

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

Risicokaart Overijssel Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 500 meter van het plangebied, dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Toets Op 7 augustus 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure (standaard waterparagraaf) van toepassing is. De standaard waterparagraaf is opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. Het aspect water vormt met inachtneming van de uitgangspunten zoals door het waterschap aangegeven geen belemmering voor de uitvoering van de planvorming.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, van kracht geworden. Deze wijziging van de wet heeft ervoor gezorgd dat gemeenten een archeologische zorgplicht krijgen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

29

Figuur 4.1: Archeologische verwachtings- en advieskaart Archeologie Het plangebied is volgens de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland gelegen in de gebieden aangemerkt als 'beekdalen en overige laagten'. In figuur 4.1 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen. Voor gebieden met deze aanduiding geldt een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle perioden. Het beleidsadvies bij dergelijke gebieden luidt "vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten". Toets Conform het gemeentelijk beleid geldt voor bodemingrepen binnen het plangebied een vrijstelling van verder archeologisch onderzoek. Voor het aspect 'archeologie' is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988.

Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets 30

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

Door Natuurbank Overijssel is een flora en faunaonderzoek verricht naar de gevolgen van de verplaatsing van de bedrijfswoning. De bevindingen van dat onderzoek zijn beschreven in de rapportage van 3 december 2015 (projectnummer 723, versie 1.0). Deze rapportage is als Bijlage 7 aan de toelichting gekoppeld. Hier wordt volstaan met de beschrijving van de conclusies. 4.10.1 Nationaal Natuurnetwerk Het plangebied ligt niet in, of direct naast gronden die tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) behoren. Het plangebied ligt buiten het NNN (op een afstand van circa 500 m) en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal waardoor de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de NNN. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 4.10.2 Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in, of direct naast een Natura 2000-gebied. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden, waaronder het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. Dit Natura 2000-gebied ligt circa 780 meter ten zuidoosten van het plangebied.

Op basis van vaste jurisprudentie geldt ten aanzien van de stikstofemissie in een bestemmingsplanprocedure dat de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan geldt als referentiesituatie (uitspraak 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1515) en 8 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:298). Met betrekking tot de locatie Rossumerstraat 19 is de planologische situatie bepaald aan de hand van de ingediende melding Activiteitenbesluit d.d. 17 maart 2010. De in deze melding genoemde activiteiten dienen als input voor de referentiesituatie. In de beoogde situatie vindt er geen wijziging plaats wat betreft de uit te voeren activiteiten zoals benoemde in de melding Activiteitenbesluit van 17 maart 2010. Er worden ook geen extra activiteiten mogelijk gemaakt. Enkel de bouw van een nieuwe woning met stookinstallatie op gasolie, sloop van de bestaande woning (eveneens verwarmd met stookinstallatie op gasolie) en het legaliseren van de reeds aanwezige overkappingen wordt door de bestemmingsplanwijziging mogelijk gemaakt. Per saldo zal het gewijzigde bestemmingsplan in de beoogde situatie geen toename van stikstofemissie mogelijk maken ten opzichte van de huidige planologische situatie. Om aan te tonen dat de planologisch beoogde situatie uitvoerbaar is, is door Busscher Milieu Advies een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd.

In dit onderzoek is de stikstofemissie welke optreedt tijdens de realisatie van de beoogde situatie, in deze de sloop van de bestaande woning, de bouw van de nieuwe woning met stookinstallatie op gasolie en de realisatie van de luifels, onderzocht. De conclusie uit deze berekening luidt als volgt: er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De rapportage van het onderzoek, inclusief de Aerius-berekening zijn als Bijlage 9 opgenomen. 4.10.3 Beschermde soorten Het plangebied bestaat volledig uit grasland. Tijdens het veldbezoek was het gras kort gemaaid en gedeeltelijk kapotgereden. De weide bestaat uit een soortenarme vegetatie van hoofdzakelijk Engels Raaigras en sommige andere (gras)soorten die bestand zijn tegen intensieve bewerking en mestgift. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde flora- en faunasoorten. Mogelijk foerageren sommige zoogdier- en amfibieënsoorten in het plangebied. Met uitzondering van de Mol en de Veldmuis bezetten deze soorten geen vaste verblijfplaats in het plangebied. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en verstoren’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

Vanwege de inrichting en het gevoerde beheer is de betekenis van het gebied als foerageergebied beperkt. Door de voorgenomen activiteit wordt deze functie voor een aantal soorten zelfs versterkt. De meeste in het gebied voorkomende soorten bezoeken het plangebied gedurende de schemer en duisternis of zullen het terrein verlaten als gevolg van verstoring door werkzaamheden. Amfibieën zijn daarvoor te traag. Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen dient voorkomen te worden dat dieren onnodig verwond of gedood worden. Door de vegetatie zeer kort te houden wordt voorkomen dat amfibieën zich in het plangebied ophouden en daardoor doodgereden worden of bedolven worden als gevolg van werkzaamheden. Met inachtneming van voorgenoemde maatregel heeft de voorgenomen activiteit geen wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuubescherming uit te

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

31

voeren. 4.10.4 Actualisatie 2020 Omdat resultaten van veldbiologisch onderzoek hooguit drie jaar geldig zijn, heeft initiatiefnemer Natuurbank Overijssel andermaal gevraagd de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van wet- en regelgeving voor beschermde soorten en -gebieden te onderzoeken. Ditmaal worden de resultaten van het veldonderzoek getoetst aan de Wet natuurbescherming. De notitie is opgenomen in Bijlage 8. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Mogelijk benutten sommige vleermuis-, amfibieën-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied en amfibieën bezetten geen voortplantingsplaats in het plangebied.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, wordt niet aangetast.

4.11

Verkeer en vervoer

4.11.1 Verkeer Door de ontwikkeling van dit plan neemt het aantal verkeersbewegingen in de basis niet toe. Er is immers sprake van een bestaande bedrijfswoning die wordt verplaatst, hierbij wordt geen verhoging van verkeersbewegingen verwacht. Daarnaast worden bedrijfsactiviteiten en bedrijfsbebouwing vastgelegd. De ontwikkelingen op dit vlak zijn noodzakelijk om bestaande bedrijfsinventaris en installaties onder te te kunnen brengen en leiden dan ook niet tot een structurele toename van verkeersbewegingen. Het bedrijfsperceel wordt ontsloten via de bestaande ontsluiting op de Rossumerstraat. De bedrijfswoning heeft een eigen oprit en deze ontsluiting wordt in de toekomsitge situatie enkel benut voor ontsluiting van de woning. Dit is ook aangegeven op het erfinrichtingsplan in Bijlage 1. Tussen de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning komt een hek om doorrijden te voorkomen. Voorliggend plan leidt niet tot een onevenredig grotere belasting van de Rossumerstraat. 4.11.2 Parkeren Op het bedrijfsperceel wordt in planologisch opzicht de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing vergroot. Het betreft extra ruimte voor opslag en stalling van bedrijfsinventaris en installaties. De totale oppervlakte aan bedrijfsbegebouwen, waaronder overkappingen op het bedrijfsperceel van Haarhuis is in de toekomstige situatie 2.647 m2. Hiervan is in totaal 619 m2 bestaande werkplaats.

De overige oppervlakte betreft dus een opslagfunctie. Het voorliggend plan voorziet daarmee enkel in een uitbreiding van de opslagruimte. Voor Haarhuis geldt in de praktijk dat de opslag c.q stalling niet zorgt voor extra parkeerbehoefte. Immers betreft dit enkel de stalling en opslag van (benodigdheden voor) aggregraten. Er is geen sprake van langdurig verblijf op de toe te voegen oppervlakte bebouwing, waarvoor eventueel een extra parkeerbehoefte kan ontstaan. Voor wat betreft parkeren wordt de huidige parkeervoorziening verplaatst. De nieuwe parkeerplaatsen beoogd ter plaatse van letter 'D' in onderstaand figuur (blauw gearceerd). Hier is ruimte voor tien parkeerplaatsen voor haaksparkeren en één parkeerplaats voor langsparkeren, daarmee in totaal 11 extra parkeerplaatsen. Hiermee wordt de huidige - van ruim voldoende omvang zijnde - parkeercapaciteit gehandhaafd. In de praktijk komen veel werknemers van het bedrijf uit de directe omgeving en komen daarom veelal per fiets naar het bedrijfsperceel.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

Figuur 4.2: beoogde situatie Haarhuis Generatoren, parkeren bij letter 'D' (bron: NK Bouwbegeleiding) Het erf nabij de bedrijfswoning biedt daarnaast voldoende mogelijkheden om te parkeren voor de bewoners, waardoor er op eigen terrein geparkeerd kan worden. Voor de aspecten 'verkeer' en 'parkeren' is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

33

34

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De hiervoor beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen (Artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 6) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

35

en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels (Artikel 7) Deze bepaling bevat regels met betrekking tot het bouwen ten opzichte van de bestemming 'Verkeer'. De afstand tot wegen is hierin nader bepaald; Algemene gebruiksregels (Artikel 8) Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels (Artikel 10) Hier staan regels geformuleerd ten aanzien welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (Artikel 11) Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels.

De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel (Artikel 12) Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Verantwoording bestemmingskeuze Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. voor de locatie Rossumerstraat 19a in Agelo geldt in dat bestemmingsplan de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch'. Deze bestemming is daarom ook in dit bestemmingsplan overgenomen. Onderstaande tekst is daarom deels uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' afkomstig. Agrarisch - 1 (Artikel 3) De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch - 1' hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie. Hier worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. De bescherming van het landschap is nevengeschikt aan het agrarisch gebruik. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunningenstelsel opgenomen om structurele veranderingen op het landschap te voorkomen dan wel structurele ingrepen in het landschap af te kunnen wegen. Bedrijf - Voormalig agrarisch (Artikel 4) De bestemming ‘Bedrijf - Voormalig agrarisch’ is een bestemming ten behoeve van nieuwe bedrijvigheid in voormalige agrarische bebouwing, die aansluiting vindt bij het VAB-beleid. Het voorliggende plan betreft een verplaatsing van de bedrijfswoning. De oppervlakte van de bedrijfsgebouwen wordt daarnaast vastgelegd door middel van een maximum.

Door het bestemmingsvlak qua vorm aan te passen kan de woning op de overeengekomen locatie gesitueerd worden. Om te voorkomen dat een extra woning wordt gebouwd is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de bestaande bedrijfswoning (19a) wordt gesloopt op het moment dat de nieuwe woning wordt betrokken. Daarnaast is opgenomen dat het erfinrichtingsplan uitgevoerd dient te worden en in stand te worden gehouden. Binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning voor de nieuwe bedrijfswoning dient het erfinrichtingsplan te zijn afgerond. Waarde - Landschap (Artikel 5) Door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’ worden de waardevolle landschapselementen beschermd. De houtwallen, houtsingels en bosjes ouder dan 60 jaar, staan op de verbeelding aangegeven. Uit het 36

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

landschapsontwikkelingsplan is gebleken dat deze elementen zodanig waardevol zijn dat ze een specifieke bescherming krijgen. Het verwijderen van deze landschapselementen wordt niet mogelijk gemaakt, uitgezonderd vanuit het beheer van deze landschapselementen.

Aanvullende regels parkeren Artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de mogelijkheid om zogenaamde wetsinterpreterende regels' op te nemen in het bestemmingsplan. Concreet betekent dit dat ten behoeve van 'een goede ruimtelijke ordening' in een bestemmingsplan regels kunnen worden opgenomen, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Op basis hiervan is het mogelijk om in het bestemmingsplan een regeling voor parkeren op te nemen. In dit geval vormt de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' de basis voor de in dit plan opgenomen regeling voor parkeren waarbij voor de regels zelf de voormalige bepalingen van de bouwverordening zijn gebruikt. Het voortborduren op de bepalingen van de bouwverordening heeft als voordeel dat hierover veel jurisprudentie is. De opvattingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn bekend. Toegevoegd is het gebruik. De eisen voor het parkeren gelden dus niet alleen meer voor bouwen. Bij een gebruiksverandering moet er ook sprake zijn van voldoende parkeerruimte. Parkeren op eigen erf Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen.

Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen erf (de bij het bouwwerk behorende en daartoe bestemde gronden, voor de uitleg van het begrip 'erf' wordt aangesloten bij de definitie uit het Besluit omgevingsrecht) moet worden gerealiseerd. Aanvragers van een omgevingsvergunning zullen bij de aanvraag moeten aantonen hoeveel parkeerplaatsen er op eigen erf worden gerealiseerd. Indien er op het eigen erf onvoldoende parkeerruimte is en initiatiefnemer gebruik wil maken van één van de afwijkingsmogelijkheden, zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat op een andere wijze in de parkeerruimte wordt voorzien. Bepalen parkeerbehoefte Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' de leidraad. Het betreffen de gemeentelijke normen die gelden op het moment van besluitvorming van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen wordt aan het eind van de berekening afgerond naar boven. Reden hiervoor is dat bij afronding naar beneden het aantal aan te leggen parkeerplaatsen niet overeenkomt met de totale parkeerbehoefte.

In de parkeerregeling is een zogenoemde 'dynamische verwijzing' naar het gemeentelijk beleid opgenomen. Als de beleidsinzichten met betrekking tot parkeren gedurende de looptijd van het bestemmingsplan wijzigen en dit in het parkeerbeleid wordt vastgesteld, kan er in het vervolg bij aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruikswijziging aan dit nieuwe beleid worden getoetst (ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Daardoor hoeven de bestemmingsplannen niet te worden herzien als het gemeentelijk beleid wijzigt. In deze beleidsregels is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (de parkeernormen) en (als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd) onder welke voorwaarden er een omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik van het bestemmingsplan, de zogenoemde binnenplanse afwijking, kan worden verleend. Afmetingen parkeerplaatsen Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen moet uit worden gegaan van standaardmaten. Zo geldt er een andere afmeting voor parkeren in de lengterichting van de weg dan voor parkeren in dwarsrichting van de weg. Zie bijlage V van de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' voor de afmetingen van parkeergelegenheden. Indien tijdens de planperiode deze beleidsnotitie wordt gewijzigd, wordt verwezen naar het nieuwe beleid. Er dient sprake te zijn van bruikbare parkeerplaatsen.

Dit betekent dat de ruimte om de parkeerplaats te kunnen bereiken wel reëel moet zijn en dat de afstanden tussen parkeerplaatsen onderling en tussen parkeerplaatsen en gebouwen voldoende moet zijn om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van de parkeerplaatsen. Bij publieke voorzieningen geldt dat voldoende parkeerplaatsen voor minder valide gebruikers moeten worden aangelegd. Het betreft hier de algemene gehandicaptenparkeerplaatsen. bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

37

38

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

In het Besluit ruimtelijke ordening staat opgenomen dat de toelichting op een bestemmingsplan inzichten biedt over de uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat daarbij om de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan. In de volgende paragrafen wordt op deze onderwerpen ingegaan.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij voorliggend plan wordt een bestaand bedrijfsperceel gewijzigd, zodat de bedrijfswoning enkele meters buiten het bestaande bestemmingsvlak gebouwd kan worden. Daarnaast om extra opslagruimte binnen het bestaande bedrijfsvlak te realiseren. Met de uitvoering van het plan zijn geen gemeentelijke middelen gemoeid. Het is aan het ter plaatse gevestigde bedrijf om het perceel voor eigen rekening en risico in te richten en gebruiken.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft een lijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het onderhavige plan valt binnen de in de lijst genoemde categorieën, waardoor geen vooroverleg nodig is. Rijksdiensten Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.

Rijkswaterstaat Bij brief van 10 februari 2012 heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat zij tijdig betrokken wenst te worden bij plannen die betrekking hebben op de drie netwerken die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn: het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist. Defensie Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke belangen wordt uitgevoerd door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist. Economische Zaken en Klimaat Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.

Waterschap Vechtstromen Op 7 augustus 2020 is een digitale watertoets uitgevoerd. De conclusie van die digitale toets is dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Het waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaren tegen deze ontwikkeling. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

39

6.2.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 7 oktober 2016 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Een kennisgeving hiervan is gepubliceerd in de Staatscourant en Dinkellandvisie. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. Naar aanleiding van de zienswijze zijn aanpassingen verricht aan onderhavig plan. Voor een samenvatting van de zienswijzen en de gemeentelijke beantwoording hierop wordt verwezen naar de reactienota zoals opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

Bijlagen

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

41

Bijlage 1 KGO-rapportage Rossumerstraat 19a Agelo

42

bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 19a Agelo

landschapsvormgeving

Ruimtelijk kwaliteitsplan KGO Ontwikkeling Haarhuis generatoren Rossumerstraat 19, 7636 PK Agelo

Tubbergen, 07 oktober 2020 - definitief

tuinvormgeving

landschapsvormgeving F

F

I

F E

F

F

D O U

T

C P

I

C Q

L

T

F

U V

G

F

A S

M

(bw)

B

R

G

H

N

I

J

I

Project:

Ontwikkeling Haarhuis generatoren

Locatie:

K

Q

F

Rossumerstraat 19 - Agelo

Afbeelding:

Voorgenomen ontwikkeling Haarhuis generatoren (Bron: Hannink LV)

- 2

Ruimtelijk kwaliteitsplan KGO Project:

Ontwikkeling Haarhuis generatoren B.V.

Locatie:

Rossumerstraat 19 - Agelo

Titel rapport:

Ruimtelijk kwaliteitsplan KGO Ontwikkeling Haarhuis generatoren B.V.

Opgesteld:

16 maart 2018, Tubbergen

Gewijzigd:

7 oktober 2020

Status:

Definitief

Opdrachtgever:

Haarhuis generatoren B.V. J. Haarhuis Rossumerstraat 19, 7636 PK Agelo 0541 - 292970

Auteur:

Hannink Landschapsvormgeving i.o.v. Ad Fontem juridisch bouwadvies Ing. N.J.B. Hannink, algemeen adviseur Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@hanninkadvies.nl www.hanninkadvies.nl

Inhoud 1. Aanleiding

6

2. Huidige situatie

8

3. Beleid

12

4. Uitgangspunten

18

5. Plan

20

- 4

- 5

1. Aanleiding Aan de Rossumerstraat in Agelo is Haarhuis generatoren gevestigd. Het bedrijf verhuurt, verkoopt, reviseert, onderhoudt en adviseert al meer dan 25 jaar op het gebied van stroomvoorzieningen of de toebehoren. Al jarenlang levert Haarhuis aggregaten, loadbanks, verdeelkasten, kabels en verlichting voor de meest uiteenlopende doelgroepen. Men heeft door de jaren heen reeds duizenden projecten met succes afgerond. Onder meer verzorgt Haarhuis stroom in het geval van calamiteiten en voorziet Haarhuis stroom in het geval van evenementen.

beschrijving gegeven van het plangebied, het omliggende landschap en het erf. Daarna worden het beleid en de uitgangspunten van de actoren in beeld gebracht. Dit vormt de basis voor de beschrijving van de nieuwe situatie, inclusief de landschappelijke inpassing dat voldoet aan het beleid opgesteld door de gemeente Dinkelland.

Naast bovengenoemde ontwerpt Haarhuis aggregaten en bouwen deze vervolgens met eigen personeel. Daarmee kan Haarhuis de meest specifieke wens en klant bedienen. Door de sterke groei in de jaren is het bedrijf te groot geworden voor de huidige locatie. Om die reden is er grond gekocht op het bedrijventerrein van Ootmarsum. Haarhuis werkt aan een gefaseerde verplaatsing van het bedrijf waardoor het de eerste jaren nog actief zal zijn aan de Rossumerstraat. Haarhuis generatoren wil aan de Rossumerstraat een bestemmingsplanwijziging doorlopen voor een juiste planologische situatie evenals de verplaatsing van een bedrijfswoning. De verplaatsing van de woning heeft tot gevolg dat er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit onder meer omdat een belangrijke houtwal kan worden versterkt. Om medewerking te kunnen verlenen eist de gemeente Dinkelland een landschappelijke inpassing met daarbij een ruimtelijk kwaliteitsplan. In dit document wordt daarom een landschappelijke inpassing uiteengezet door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan. Er wordt een

- 6

Locatie plangebied (Bron: gisopenbaar.overijssel.nl)

Locatie plangebied (Bron: gisopenbaar.overijssel.nl)

- 7

2. Huidige situatie Het plangebied ligt in een landschap dat is opgebouwd door dekzandvlakten met minimale hoogteverschillen. Het gebied is ontstaan tijdens de laatste ijstijd waarbij minimale hoogteverschillen aanvankelijk aanwezig waren, maar waar veel verschillen verdwenen zijn door zandverstuivingen. Daarnaast zijn veel hoogteverschillen verdwenen door de grootschalige ontginning van de heide en de moderne landbouw. Het plangebied ligt in een landschap dat geen hoogteverschillen kent.

dat er gekozen moet worden om de dragers van het gebied (bestaande relicten) te versterken. Nieuwe aanleg is wenselijk, maar niet realistisch. De uitbreiding van het bedrijf heeft geen invloed op de bestaande relicten. De verplaatsing van de woning daarentegen wel; door de verplaatsing ontstaat de kans om de houtwal te versterken.

Overgang heideontginningslandschap naar matenlandschap Het plangebied ligt in het matenlandschap dat richting het westen overgaat naar het jong heideontginningslandschap. De namen rondom het plangebied verraden de vroegere situatie: er worden begrippen gebruikt als “Steenmaten”, maar ook de “Voortmaten”. Namen die het vroegere gebruik en landschap aanduiden. Het matenlandschap is oud net als de erven die erin gelegen zijn. De meeste erven kwamen al voor rond 1900, wat ook geldt voor de locatie van Haarhuis aggregaten. Het landschap Het landschap rondom het plangebied heeft altijd een kleinschalig karakter gehad. Het plangebied ligt in het matenlandschap. Onder andere de schaalvergroting in de landbouw heeft ervoor gezorgd dat veel houtsingels en/of houtwallen verdwenen zijn. Het landschap is daardoor onherstelbaar beschadigd geraakt. De elementen die nog in het landschap liggen zijn relicten die daardoor nog zorgen voor de herkenning van het landschap. Nieuwe elementen De relicten van de voormalige houtwallen/houtsingels vormen de herkenning van het gebied. De grootschaligheid is zodanig toegenomen

- 8

Verandering landschap rondom plangebied rond 1910, 1935 en 1955. (Bron: topotijdreis.nl)

- 9

Erfopzet Het erf is gelegen aan de Rossumerstraat. Het erf staat reeds op topografische kaarten van 1900 weergegeven. Vanaf 1940 is er een ontwikkeling op het toenmalig agrarische erf waar te nemen. Vanaf 1970 heeft het erf langzaam zijn vorm aangenomen zoals het huidige beeld dat laat zien. Het erf bestaat uit de voormalige boerderij (A), enkele schuren (B), een extra woning (C), een parkeervoorziening (D) en bestaande houtopstanden (E). De opstelling geeft het karakteristieke beeld van een erf weer; de boerderij ligt redelijk dicht op de weg, de schuren erachter.

- 10

E

E A

D B

B E

C

Locatie plangebied (Bron: gisopenbaar.overijssel.nl)

- 11

3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor themaoverstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven. Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn.

Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale

Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebiedsspecifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. De ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen staat voorop. De kwaliteitsambities zijn een zichtbaar en leefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteit en een continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar laten ontwikkelen van diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant de agrarische sector aan de andere kant natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In dit ontwikkelingsperspectief liggen plekken waar de ontwikkelruimte van agrarische erven beperkt is. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven.

De gebruiker dient zijn erf zo vorm te geven dat het landschap, dan wel de herkenning daarvan, behouden blijft of wordt versterkt. Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoest aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en

- 12

Plangebied aangeduid als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)

- 13

laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden hebben en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastuctuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.

fijnmazig. Tijdens het ontstaan heeft men nooit nagedacht over de schoonheid van het landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen die destijds plaats hebben gevonden. Het landschap was ooit een bolwerk van houtsingels en houtwallen. Nu zijn slechts relicten over. Zij vormen de belangrijke dragers van het gebied en daarmee ook de herkenning ervan. Het opzetten van een kleinschalig landschap is niet realistisch. Een nieuw plan moet waar mogelijk voorzien in het versterken of behouden van de dragers van het gebied.

Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Het plangebied is gelegen in een gebied dat is omschreven als dekzandvlakte en -ruggen. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, de ontginning en de ontwikkeling in de landbouw nagenoeg verdwenen. Er zijn daarom geen hoogteverschillen (meer) waarneembaar.

De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk indien rekening wordt gehouden met het bestaande landschap, specifiek de aanwezige dragers (relicten). Waar mogelijk dienen deze versterkt te worden.

Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het plangebied ligt in het matenlandschap met de overgang naar het jonge heideontginningslandschap. Het is een kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw. Het was een coulisselandschap door de aanwezigheid van het vele hakhout in singels of houtwallen. Er was sprake van open kamers met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Het matenlandschap stond in functionele verbinding met het essenlandschap. De essen waren droog en onder meer geschikt voor granen. De maten waren juist ideaal voor graslanden. Aanvankelijk was het landschap zeer

Laag van de beleving Het plangebied is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling van de uitbreiding zal rekening moeten houden met deze ambitie. 3.2 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KiGO) De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben gezamenlijk de uitwerking van de omgevingsvisie opgepakt. Bij elke ontwikkeling dient de aantasting van de landschappelijke en ecologische waarden gecompenseerd te worden. Bij een grootschalige ontwikkeling dient men naast een basisinspanning en een extra investering aan te bieden.

- 14

Links: Natuurlijke laag; het plangebied ligt in een gebied aangeduid als “dekzandvlakte en ruggen”. Midden: Laag van Cultuurlandschap; plangebied is omschreven als “heideontginning/matenlandschap”. Rechts: de laag van de beleving: het plangebied is omschreven als “donkerte”. (Bron: overijssel.tercera.nl)

- 15

Men onderscheidt een aantal stappen: -

Wat is de omvang van de ontwikkeling; Welke locatie wordt er voorgesteld voor de elementen; Maken de gronden deel uit van bepaalde natuurwaarden; Welk landschapstype en bouwstenen zijn van toepassing; Welke ambities en streefbeeld moet er nagestreefd worden; Waar en hoe kunnen wij daaraan voldoen?

In dat proces wordt er, net als bij de omgevingsvisie gekeken naar vier lagen. De kwaliteitsimpuls moet een bijdrage leveren aan de herkenning van het landschap. In dit geval moet de herkenning behouden blijven en kunnen de dragers van het gebied versterkt worden. Het plangebied ligt in het matenlandschap. Het volgende uit het KGO is van toepassing op de uitbreiding van het bouwblok: ‘‘Bij elke ontwikkeling op een bestaand bouwblok waarbij meer dan 500m3 bebouwing wordt toegevoegd, geldt op basis van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied en het gemeentelijk beleid, de noodzaak tot landschappelijke inpassing. Zodra sprake is van een grootschalige ontwikkeling, geldt een meer gebiedsgerichte benadering. Indien er een bestemmingsplanprocedure genoodzaakt is, wordt een ontwikkeling gezien als grootschalig. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is dan van toepassing, náást de basisinspanning. Dat geldt voor nieuwe functies en grootschalige uitbreiding van bestaande functies in het buitengebied.’’

Om de bijdrage KGO te bepalen is er een berekening opgesteld. Er is in dit geval geen sprake van een waardevermeerdering door uitbreiding. De KGO heeft daarom betrekking op de uitbreiding van de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Er is een berekening opgesteld door Ad Fontem Juridisch Bouwadvies B.V. Deze berekening komt uit op € 7.092,-. (zie fragment op rechterpagina). De volledige berekening en de daarbij behorende onderbouwing is als bijlage van het bestemmingsplan opgenomen dat eveneens door Ad Fontem is opgesteld. Van het genoemde bedrag mogen de advieskosten (tot 10% van de investering) en de kosten van het kwaliteitsteam afgetrokken worden. De benodigde investering bedraagt daarom € 6.132,80. In hoofdstuk 5 wordt gespecificeerd waar de investering wordt ingezet. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de casco zijn in principe niet te verwijderen. De uitbreiding van het bedrijf houdt rekening met het casco beleid. De bestaande cascolijn ten zuidwesten van het bedrijf wordt versterkt / hersteld.

- 16

F L

E

L F L

L

5.750

10.000

20.100

6.400

E

4.400 49.430

A

B

25.770

6.128,00 m2

B

D

N

A

Renvooi A - omzetten naar bouwwerk en handhaven voor permanent gebruik B - overkapte buitenopslag D - nieuwe parkeerplaatsen E - overkapte buitenopslag handhaven voor permanent gebruik F - omzetten naar bouwwerk en handhaven voor permanent gebruik L - bestaande luifels handhaven voor permanent gebruik aanduiding toekomstige bedrijfsperceel

project

: Terrein Haarhuis

opdrachtgever

: Haarhuis

omschrijving

: terreininrichting

Renvooi

datum : 09-04-2020 gewijzigd : 18-08-2020 schaal : 1:500 / A3 rev. : D

Toekomstige blad :

get. : RtV

100c

NK Bouwbegeleiding BV Rijssensestraat 56 7642 NL Wierden T 0547-384885 F 0547-385965 E info@nkbouwbegeleiding.nl

Situatie uitbreidingen A/B/E/F/L in relatie met onderstaande KGO Berekening (Bron: NK Bouwbegeleiding)

Fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering NOT. (Bron: gisopenbaar.overijssel.nl). Rechts: berekening KGO (Bron: Ad Fontem Juridisch Bouwadvies B.V.)

- 17

4. Uitgangspunten Voor de beoogde ontwikkeling zijn een aantal uitgangspunten Uitgangspunten opdrachtgever: - Het uitbreiden van de bestaande bouwmogelijkheden binnen de bestaande bestemming. Uitgangspunten gemeente Dinkelland: - Het landschappelijk inpassen van de beoogde uitbreiding. - Ontwikkeling conform Gebiedskenmerken en het Casco beleid. - Ontwikkeling conform KGO beleid. Uitgangspunten provincie Overijssel: - Ontwikkeling conform Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel.

- 18

- 19

5. Het Plan Het grootste gedeelte van Haarhuis generatoren blijft ongewijzigd. De belangrijkste verandering betreft het verplaatsen van de bedrijfswoning (S). Door de nieuwe locatie (B) kan de bestaande houtwal (Q) versterkt worden (R). Het element is een belangrijke drager in het landschap en wordt enkel doorsneden door de toegang van het erf (H). De totale lengte voor herstel bedraagt 35 meter. De breedte van de houtwal is 6 meter. Bestaande bomen blijven behouden. Bij het verlengen van de aarden wal dient rekening gehouden te worden met de bestaande bomen. Ter plaatse van een bestaande houtopstand kan niet meer dan 10 centimeter grond op worden gebracht. Daar waar geen beplanting staat wordt de wal maximaal 50 centimeter hoog. De aarden wal wordt beplant met inheems bosplantsoen in de maat 80-100. Totaal worden er 150 stuks aangeplant. De gemiddelde plantafstand bedraagt 1 meter in een driehoeksverband. Het soortgebruik bestaat uit hazelaar, zomereik, hulst, lijsterbes en vuilboom in een gelijke verhouding. Omdat de houtwal binnen 10 meter van de wijziging van de bestemming ligt, kan dit niet worden gezien als extra kwaliteitsimpuls. Het betreft daarom een basisinspanning.

fruitboomgaard aan te vullen. Daarvoor dienen 8 bomen in de maat 8-10 (omtrek in centimeters) aangeplant te worden. Deze investering bedraagt € 50,- per boom (totaal € 400,-). Daarnaast gaat de ondernemer gekloofde eikenpalen plaatsen als rastervoorziening (M/N/O). Het aanbrengen van de rasters met een totale lengte van 369 meter brengt een volgende kostenpost met zich mee: Verwijderen bestaande raster Het leveren van gekloofde palen (75 stuks) Het leveren van toebehoren (draad, etc.) Het plaatsen van het raster

€ 565,€ 655,€ 250,€ 1335,-

De totale kosten voor het plaatsen van een raster bedraagt € 2.805,-. Door de kosten van de fruitboomgaard, de knotbomen en het raster bij elkaar op te tellen volgt het totaal van € 6.205,-. Daarmee voldoet het plan aan de gevraagde investering en daarmee aan het gestelde beleid. De ondernemer investeert tenminste € 6.135,-.

Aan de voorzijde van het erf heeft de ondernemer in het kader van de nieuwe bestemming reeds een fruitboomgaard aangeplant om bij te dragen aan de landschappelijke inpassing. De boomgaard bestaat uit circa 60 fruitbomen. De kosten voor de aanplant per boom bedragen circa € 50,-. Totaal bedragen de kosten € 3000,. Ter aanvulling worden er nog 8 fruitbomen aangeplant om de

- 20

F

F A: B:

I

C: D: E: F:

G:

F E

F

F

D O U

T

C P

Q:

I

C Q

L

T

R:

F

U V

G

F

H: I: J: K: L: M: N: O: P:

S: T:

A S

M

(bw)

U:

B

R

G

V:

H

N

I K

Q

F

Bijgebouw. Bouwvlak ten behoeve van nieuw te bouwen woning. Definitieve vormgeving nog niet bekend. Bestaande niet-agrarische bebouwing. Bestaande erfverharding, gedeeltelijk niet in eigendom. Bestaande bebouwing niet behorende tot bedrijf. Bestaande landschapselementen voornamelijk in eigendom van derden. Eventuele versterkingen aan de houtwallen zijn uitgesloten door de deelname aan het subsidietraject groene en blauwe diensten. Recentelijk aangelegde fruitgaard. De fruitgaard wordt uitgebreid in noordelijke richting (P). Toerit naar de bedrijfswoning. Gronden in (agrarisch) gebruik. Aangeplante knotwilgen. Gegraven poel met ooievaarsnest. Rossumerstraat inclusief bijbehorende bermen en fietspad. Aan te brengen raster á 166 m1. Aan te brengen raster á 100 m1. Aan te brengen raster á 103 m1. Aan te leggen fruitboomgaard met 8 hoogstamfruitbomen in de maat 8-10 (omtrek in centimeters). Bestaande, te versterken houtwal. Daar waar nog geen beplanting staat wordt een aarden wal aangelegd van maximaal 50 centimeter hoog. Ter plaatse wordt de bestaande houtwal (Q) volledig hersteld na de sloop van de bestaande bedrijfswoning. Er wordt een aarden wallichaam opgeworpen (hoogte max. 50 cm). De aarden wal wordt beplant met inheems bosplantsoen in de maat 80-100 (hoogte in centimeters).

Totaal worden er 150 stuks aangeplant bestaande uit hazelaar, zomereik, hulst, lijsterbes en vuilboom in een gelijke verhouding. De gemiddelde plantafstand bedraagt 1 meter en er wordt aangeplant in een driehoeksverband. Te slopen bedrijfswoning. Uitbreiding/legaliseren bedrijfsbebouwing in het kader van KGO. Parkeren (nieuw). Ter plaatse worden nieuwe parkeerplaatsen aangelegd om daarmee voldoende parkeerplaatsen te hebben. Voliere.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/460/documents/14410