CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2025 DEF.pdf

Gemeenteraad 17 december 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Dinkelland20.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• Of een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. Dat moet worden voorkomen. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. 6. Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen Het gaat om situaties waarin ouders de beoogde individuele voorziening in de vorm van een pgb wensen te ontvangen om zichzelf daarmee uit te betalen. Het college mag niet beoordelen of ouders over een toereikend inkomen beschikken en om die reden niet zijn aangewezen op een pgb (CRVB:2021:1327). Het college mag (moet) wel beoordelen of ouders een belang hebben om te voorzien in een inkomen. Dat heeft te maken met een gedwongen keuze. Gedwongen keuze Het college beoordeelt of de ouder een gedwongen keuze moet maken tussen de zorg voor de jeugdige en het verwerven van een (extra) inkomen om te kunnen voorzien in het levensonderhoud. Het ervaren van financiële druk is onvoldoende om een gedwongen keuze aan te nemen. Het college mag de omstandigheid meewegen dat een ouder nooit werkzaamheden heeft verricht ter aanvulling van het gezinsinkomen. Zijn ouders in staat om, al dan niet naast hun werk, te zorgen voor hun kind is dat geen aanleiding om een individuele voorziening te verlenen al dan niet in de vorm van een pgb.

Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. 3.4.2 Beoordelen eigen kracht Het college beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht. Er kan ook aanleiding zijn om naast (gedeeltelijke) eigen kracht een individuele voorziening te verlenen. 3.4.3 Versterken eigen kracht en jeugdhulp Omdat de wet mede is gericht op het herstellen dan wel versterken van de eigen kracht prevaleert in beginsel het verlenen van een individuele voorziening die gericht dat te bereiken. Het college kan een individuele

21

voorziening verlenen ter ondersteuning of om het gezin te ontlasten. Bijvoorbeeld met gezinsondersteuning of een vorm van dagbesteding buiten het gezin. 3.5 Vervoer locatie jeugdhulp Artikel 4.6 verordening Het uitgangspunt is dat de ouder(s) het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie bieden aan de jeugdige (RBOBR:2021:5719, CRVB:2023:655). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken. De verordening bepaalt de hiernavolgende afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen in geval van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. 3.5.1 Afwegingsfactoren jeugdhulpvervoer Het college beoordeelt de afwegingsfactoren, al dan niet, in onderlinge samenhang. 1. Eigen mogelijkheden jeugdige Het college onderzoekt of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. 2. Auto of openbaar vervoer Het gaat hier om de feitelijke mogelijkheid om de jeugdige het vervoer te bieden of te begeleiden tijdens het openbaar vervoer van en naar de jeugdhulplocatie. 3. Afstand en gemoeide tijd De tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en te halen speelt vanzelfsprekend ook een rol. Zijn ouders beschikbaar dan kan nog steeds sprake zijn van eigen kracht.

Het college kan ook onderzoeken of een andere passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar is waardoor de reisafstand en de daarmee gemoeide tijd wordt ingekort. 4. Tijdstippen van het vervoer De tijdstippen van het vervoer heeft met name betrekking op de beschikbaarheid van ouders. Van ouders mag worden verwacht dat eerst zelf een oplossing wordt gezocht in het kader van de eigen kracht. Denk aan overleg met de werkgever over aanpassen van werktijden, overleg met de basisschool om de (eventuele) andere kinderen eerder of later te mogen brengen, hulp vragen aan het netwerk of buren, etc. 5. Frequentie De frequentie van het vervoer heeft betrekking op de omvang van de indicatie. 6. Draaglast en draagkracht Voor de beoordeling van de draaglast en draagkracht wordt verwezen naar bijlage I bij deze beleidsregels. 3.5.2 Tegemoetkoming kosten vervoer Artikel 4.6 verordening Het college kan ouders een tegemoetkoming in de kosten verstrekken voor het vervoer tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het is toegestaan de tegemoetkoming te besteden aan professionals, personen uit het sociaal netwerk of andere niet-professionals. De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op het belastingvrije bedrag per kilometer of de kosten van het openbaar vervoer en wordt op declaratie uitbetaald.

22

3.6 Personen uit het sociaal netwerk Artikel 3.6 onder a verordening Personen uit het sociaal netwerk kunnen een bijdrage leveren aan de oplossing van de hulpvraag. Dat valt ook binnen de eigen kracht. Van ouders wordt een hoge mate van inspanning verwacht om het sociaal netwerk aan te spreken. Het leren omgaan van het sociaal netwerk met de jeugdige valt onder de gebruikelijke hulp van ouders. 3.7 Hulp van organisaties of instellingen Artikel 3.6 onder b verordening Ook niet gecontracteerde hulp die organisaties of instellingen binnen Dinkelland kunnen bieden is onderdeel van eigen kracht. Het college mag ouders verwijzen naar passende oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan een kerkgenootschap of sportvereniging. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 3.8 Aanvullende zorgverzekering Artikel 3.6 onder c verordening Een aanvullende verzekering kan onder de eigen kracht vallen wanneer ouders daarover beschikken en de kosten voor de aangewezen hulp daaruit (deels) worden vergoed. Van ouders wordt verwacht dat zij deze verzekering aanspreken. 3.9 Inkomensderving Artikel 3.6 onder d verordening Ouders kunnen aanspraak maken op een schadevergoeding in geval van een onrechtmatige daad. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een ongeval. Inkomensderving voor ouders kan daar een onderdeel van zijn. Dit is het geval als de onrechtmatige daad tot extra zorg voor de jeugdige heeft geleid.

Van ouders wordt verwacht dat zij dit opnemen in de aansprakelijkheidsstelling. 3.10 Nadere uitleg en voorbeelden Dit onderdeel bestaat uit een nadere uitleg van een aantal onderwerpen met voorbeelden. 3.10.1 Gebruikelijke hulp bij zorghandelingen Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. Handelingen die gebruikelijke zorghandelingen vervangen • het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; • bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. 3.10.2 Voorbeelden boven-gebruikelijke hulp persoonlijke verzorging • Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten.

• Voor zover de persoonlijke verzorging van niet-uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind. • Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in

23

plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden. • Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen gebruikelijke hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat. • Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. 3.10.3 Toezicht en begeleiding Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie Richtlijn Gebruikelijke hulp bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.

Werkende ouders en begeleiding Wanneer ouders werken, zijn zij verantwoordelijk voor de opvang dan wel verzorging van hun kinderen. Voor de begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken niet als individuele voorziening worden verleend. Wanneer sprake is van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van begeleiding, wordt deze vastgesteld over een volledig etmaal. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken. Onder werken kan ook het volgen van onderwijs worden verstaan. Voortdurend toezicht Bij voortdurend toezicht moeten ouders continue in de nabijheid zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet. Permanent toezicht Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vergelijk CRVB:2017:3709).

Permanent toezicht valt niet binnen de eigen kracht van ouders. 3.10.4 Situatie van ouders Opvoedingsproblemen Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen. Opvangvraagstuk Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd.

24

Sociaal Medische Indicatie Ouders die geen gebruik kunnen maken van de reguliere opvang kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente. Afbakening Wmo 2015 en Jeugd Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan hoeft het college geen jeugdhulp te verlenen. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In zulke gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015. 3.10.5 Persoonsgebonden budget Artikel 5.3 verordening (besteding) Het pgb mag niet worden besteed: • voor activiteiten die onder de eigen kracht vallen; • aan ouders of personen uit het sociaal netwerk als blijkt dat zij overbelast zijn of dreigen te geraken.

25

4

Individuele voorzieningen

Hoofdstuk 4 Verordening 4.1 Inleiding De wettelijke begripsbepaling van jeugdhulp is erg breed en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning, hulp en zorg die gericht is op: • het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van specifieke problematiek (jeugdigen en ouders), • het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen, • het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en/of participatie, • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen. Zie ook 2.1 van deze beleidsregels. 4.2 Beschikbare individuele voorzieningen en criteria Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden is jeugdhulp ingekocht (Samen Twente). In hoofdstuk 4 van de Verordening is het contracteerde aanbod opgenomen en ook onder welke voorwaarden (criteria) aanspraak bestaat.

26

5 Persoonsgebonden budget Artikel 8.1.1 Jw Hoofdstuk 6 Verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit 5.1 Inleiding Een pgb vertegenwoordigt (een percentage van) de geldswaarde van een individuele voorziening die het college in natura zou verstrekken aan de jeugdige of zijn ouder(s). Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de goedkoopst passende geïndiceerde individuele voorziening ingekocht moet kunnen worden bij tenminste één jeugdhulpverlener (vergelijk CRVB:2018:3093, CRVB:2018:2829). Dat betekent ook dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening. De huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts kunnen alleen een verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp in natura doen. Uit de wet volgt dat het pgb bestemd is voor besteding door in Nederland verblijvende jeugdigen of ouder(s). De jeugdige of zijn ouder(s) moeten om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist op het verzoek om jeugdhulp als ook op de leveringsvorm pgb. Als de jeugdige of zijn ouder(s) voor een pgb in aanmerking wensen te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening van toepassing zijn op de situatie en daarna ook de wettelijke voorwaarden.

5.2 Spoedeisende situatie: geen pgb Het kan voorkomen dat een vorm van jeugdhulp met spoed moet worden ingezet voordat het college het onderzoek naar hulpvraag heeft afgerond. In die gevallen kan een pgb niet aan de orde zijn omdat het onderzoek volgens het stappenplan (nog) niet is uitgevoerd. 5.3 Pgb met terugwerkende kracht Artikel 5.1 lid 2 Verordening De datum waarop de indicatie ingaat ligt niet voor de datum waarop het college beslist op de aanvraag. Dat brengt mee dat het college niet met terugwerkende kracht kosten vergoed die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. Een uitzondering geldt voor kosten die ná het indienen van de aanvraag worden gemaakt en waarvoor het college toestemming heeft gegeven. Beoordeling pgb met terugwerkende kracht Het college is niet gehouden om een individuele voorziening in de vorm van een pgb te verstrekken als de (gevraagde) individuele voorziening al vóór de aanvraag is gerealiseerd (vergelijk CRVB:2020:1099). Onbekendheid van jeugdigen of ouders met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Het college kan wel schriftelijk toestemming verlenen voor het starten van een individuele voorziening ná het indienen van een aanvraag maar voordat het college daarop heeft beslist.

Ingangsdatum jeugdhulp In het geval een aanvraag wordt gedaan voor jeugdhulp kan er wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Dit laat overigens onverlet dat de inzet van spoedzorg onverkort van toepassing blijft. 5.4 Budgetplan Artikel 5.2 Verordening Voor de jeugdige of zijn ouder(s) die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Het college draagt er zorgt voor dat het Budgetplan ook daadwerkelijk kan worden ingediend door een format van een Budgetplan beschikbaar te stellen.

27

Beoordeling Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1 lid 2 Jw en de eventuele overige bepalingen in de verordening. Denk in dit kader ook aan de voorwaarden die gelden als de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een persoon van het sociaal netwerk (art. 5.3 lid 7 Verordening). Bespreken Budgetplan Het college zal het ingevulde Budgetplan met de budgethouder en eventueel de gewaarborgde hulp bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend of is het niet volledig of op juiste wijze ingediend, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Dat geldt ook als de budgethouder of diens gewaarborgde hulp een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. 5.5 Voldoen aan voorwaarden Artikel 8.1.1 lid 2 Jw Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de drie wettelijke voorwaarden: 1. De jeugdige of zijn ouder(s) zijn pgb-bekwaam (art. 8.1.1 lid 2 onder a Jw). 2. De jeugdige of zijn ouder(s) motiveren waarom een pgb een passende oplossing biedt (art. 8.1.1 lid 2 onder b Jw). 3. De in te kopen jeugdhulp is van goede kwaliteit (art. 8.1.1 lid 2 onder c Jw).

De jeugdige of zijn ouder(s) verschaft het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens dan wel verleent zijn medewerking aan het onderzoek (art. 8.1.2 lid 3 Jw, art. 2.6 lid 4 en 7.2 lid 1 Verordening). De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. 5.6 Pgb-bekwaamheid Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet als eerste beoordelen of de jeugdige of zijn ouder(s) pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De jeugdige of zijn ouder(s) weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De jeugdige of zijn ouder(s) moet dat zelf kunnen vertellen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de jeugdige of zijn ouder(s) digitaal vaardig is. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De jeugdige of zijn ouder(s) weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de jeugdige of zijn ouder(s) zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt. 4. Communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.

De jeugdige of zijn ouder(s) moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de SVB beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de jeugdige of zijn ouder(s) dat zelf aangeven. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen. De jeugdige of zijn ouder(s) moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze (moeten) gaan geven. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De jeugdige of zijn ouder(s) moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt (conform de overeenkomst). Omgekeerd moet de jeugdige of zijn ouder(s) kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is.

28

7. Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de jeugdige of zijn ouder(s) de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de jeugdige of zijn ouder(s) zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de ondersteuning regelen met één of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De jeugdige of zijn ouder(s) moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de jeugdige passen. De jeugdige of zijn ouder(s) moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de jeugdige of zijn ouder(s) zelf vervanging kunnen regelen. 9. Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken weten wat ze moeten doen. De jeugdige of zijn ouder(s) durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De jeugdige of zijn ouder(s) betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De jeugdige of zijn ouder(s) moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen. 10. Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.

Het is niet erg als de jeugdige of zijn ouder(s) sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de jeugdige of zijn ouder(s) moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Overnemen van de bekwaamheid Is de jeugdige of zijn ouder(s) niet pgb-bekwaam, dan kan iemand worden gemachtigd om dat overnemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Eerder niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Art. 6.4 lid 2 onder a Verordening Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgbverplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: • onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwalitatief. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Alvorens over te gaan tot het weigeren van het pgb stelt het college stelt de budgethouder in de gelegenheid een andere vertegenwoordiger aan te wijzen die de gewaarborgde hulp wel kan bieden. Geen gewaarborgde hulp Art. 6.4 lid 2 onder d Verordening De jeugdige of zijn ouder(s) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp.

Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: • de keuze van de jeugdhulpverlener, • de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de jeugdhulp, en • de financiële verantwoording rondom het pgb. Blijkt uit onderzoek dat de pgb-vertegenwoordiger niet de gewaarborgde hulp kan worden geboden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere persoon te machtigen die in staat is de pgb-bekwaamheid van de budgethouder over te nemen. Lukt dat niet, dan zal het college het pgb weigeren en een individuele voorziening in natura verlenen.

29

Jeugdige of ouder(s) budgethouder Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de pgb-bekwaamheid moeten beschikken om te voldoen aan de aan het pgb verbonden taken. Een jeugdige tussen de 16 en 18 jaar (met eventuele uitloop tot 23 jaar) kan budgethouder zijn. In dat geval is de jeugdige zelf degene die aan de voorwaarden van pgbbekwaamheid moet voldoen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat ouders tot 21 jaar ook financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen en ook verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde schulden van hen. Gegrond vermoeden Het kan voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de jeugdige of zijn ouder(s) problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan: • schuldenproblematiek; • een gok- of drugsverslaving; • niet over een positief sociaal netwerk beschikken; • in een hoge mate beïnvloedbaar zijn. Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de jeugdige of zijn ouders (budgethouder) als derde aan wie het pgb wordt besteed sprake van problematische schulden- of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd. 5.7 Conflicterende belangen Er kunnen zich bij het beoordelen van de pgb-bekwaamheid mogelijk conflicterende belangen voordoen.

Denk bijvoorbeeld aan de omstandigheid dat degene die de pgb-bekwaamheid van de jeugdige of ouders overneemt ook degene is aan wie het pgb zal worden besteed. Het kan gaan om medewerkers die bij deze pgbvertegenwoordiger (een organisatie) in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden of iemand uit het sociaal netwerk of een andere niet-professional. Het college beoordeelt of 1. De aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd; of 2. De beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Dit gelet op de grond dat de verantwoorde uitvoering van de pgb-taken kan worden beïnvloed. Immers kan deze derde niet zowel het belang van de jeugdige of ouders dienen als ook zijn eigen belang (vergelijk CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Het college hanteert de volgende uitgangspunten. Pgb besteden aan een niet-professional De niet-professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn, tenzij: • vast is komen te staan dat deze persoon als enige geschikt is om de aangewezen jeugdhulp te bieden, én • er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen. Pgb besteden aan professionals De professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn.

Dit geldt ook voor iedere aan die ondersteuner gelieerde derde in of buiten de professionele organisatie. Het college maakt hierop geen uitzondering. Jeugdige is budgethouder Is de jeugdige budgethouder dan wil hij mogelijk het pgb te besteden aan zijn ouder(s). Bij een kind-ouderrelatie is het tegennatuurlijk om de ouder die de ondersteuning biedt aan te sturen en zonodig bij te sturen. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). In die gevallen wordt geen pgb verstrekt.

30

5.8 Motivatie-eis De tweede voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb, gaat over de vraag of de jeugdige of zijn ouder(s) hun wens voor een pgb voldoende motiveren. Het gaat om de motivering van het standpunt dat de individuele voorziening in natura, voor hen niet passend is. Uit TK 2013/14, 33 684, nr. 11 blijken de volgende voorbeelden. Als: • de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen, • de jeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden, • jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd, • het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of • als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Oriënteren op natura aanbod Het college kan de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om aan te tonen dat zij zich hebben georiënteerd op het door het college gecontracteerde aanbod 'in natura' en daarbij aan te geven waarom dat aanbod niet passend is c.q. zij deze niet passend achten. Het college mag daar geen eisen aan stellen. Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouder(s) een motivering geven waaruit blijkt dat zij zich hebben georiënteerd op het gecontracteerde aanbod in natura, is dat in principe voldoende.

5.9 Kwaliteitseisen De derde en laatste voorwaarde gaat over de beoordeling of de met het pgb geboden individuele voorziening van voldoende kwaliteit is. De verordening bepaalt dat degene aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd voor onder meer de vakbekwaamheid en de inzet van interventies. Voor professionals gelden niet dezelfde eisen als voor nietprofessionals. Voor professionals geldt: • De vakbekwaamheidseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn ook van toepassing als het pgb aan een professional wordt besteed. Daaronder valt een afgeronde zorggerelateerde opleiding of een gelijkwaardig EVC-certificaat verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC op minimaal Mbo4 niveau. • Ook moeten zij beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). • Verder wordt gewerkt met en volgens bewezen effectieve jeugdinterventies. • Het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering. • Naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers dat in dienst is. • Er wordt een pedagogisch klimaat geboden. • De fysieke omgeving is schoon, veilig en passend voor jeugdigen. Dat wil zeggen dat de omgeving past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de jeugdige.

• Gezinshuizen hebben het Keurmerk Gezinshuizen van de Rudolphstichting, het kwaliteitskeurwerk van Improve 360 of het Certificaat van het Keurmerkinstituut. • De jeugdhulp sluit aan bij de beperkingen die de jeugdige of ouder ondervindt. • De jeugdhulp sluit aan op het ondersteuningsplan en Budgetplan. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Niet-professional Als niet-professionals worden beschouwd: de ouder(s), personen uit het sociaal netwerk en anderen die niet voldoen aan de eisen van een professional. Als een jeugdige of zijn ouders het pgb wil inzetten voor een niet-

31

professional dan moet dit in het Budgetplan worden onderbouwd. Het is belangrijk dat de niet-professional geen druk op de jeugdige of zijn ouders heeft uitgeoefend bij de besluitvorming. Voor niet-professionals geldt • de ondersteuner moet in het bezit te zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) die bij aanvang van de ondersteuning niet ouder is dan 3 maanden. Uitgezonderd hiervan zijn ouders in de zin van de wet van de budgethouder. Het moet gaan om een VOG Natuurlijke Personen met algemeen screeningsprofiel. Ook voor formele pleegouders geldt dat zij geen VOG hoeven te overleggen, zij moeten voor het uitoefenen van hun werkzaamheden al een VOG aanleveren; • de ondersteuner raakt door het bieden van de ondersteuning niet overbelast. Gespecialiseerde jeugdhulp en behandeling Bij gespecialiseerde jeugdhulp en behandeling is het niet toegestaan het pgb te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk (art. 5.3 lid 6 Verordening). Zie verder 5.9 van deze beleidsregels. Bevorderen autonomie jeugdige De wet is er onder meer op gericht om te zorgen dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat kinderen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de fase van de ontwikkeling van de jeugdige (en zijn beperkingen) kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen.

Het college beoordeelt of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat aan het groeien naar zelfstandigheid. Ouders onderdeel van het gezinssysteem Het kan voorkomen dat tijdens het onderzoek blijkt dat de ouder(s) bijdragen aan het standhouden van de problemen omdat zij er een (wezenlijk) onderdeel van uitmaken. Het pgb mag in die gevallen niet aan de ouder(s) mag worden besteed. Voor professionals en niet-professionals geldt nog het volgende. Voldoende distantie Het college beoordeelt of er sprake is van voldoende (professionele) distantie tussen de professional of nietprofessional aan wie het pgb wordt besteed en de jeugdige. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de jeugdige kan deze (professionele) distantie een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat met de jeugdhulp moet worden bereikt. Zo kan te veel emotionele betrokkenheid van de ondersteuner een negatief effect hebben op de relatie tussen jeugdige en ondersteuner. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de ondersteuner. Ook kan het voorkomen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin of personen uit het sociaal netwerk. Dat kan de (professionele) kijk op de jeugdige of zijn ouders vertroebelen.

Doeltreffendheid pgb Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een pgb in te kopen jeugdhulp speelt ook een rol of de in te kopen individuele voorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het pgb in te kopen ondersteuning effectief moet zijn om dat doel te bereiken. De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is, gelet op de directe relatie, om de zelfredzaamheid van de jeugdige te versterken door hem iets aan te leren. Het kan aannemelijk zijn dat het aanleren van activiteiten meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat.

32

Reguliere werkweek Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de ondersteuner de noodzakelijke omvang van de ondersteuning wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij Zzp’ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een Zzp’er zal namelijk ook door andere ouder(s) of jeugdigen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen. 5.10 Besteding pgb algemeen Artikel 5.3 Verordening en artikel 3.1 Nadere regels Gebruikelijke hulp en overbelasting De verordening bepaalt dat het pgb niet mag worden besteed aan de ouder(s) als: • het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen kracht; • de ouder(s) overbelast zijn of dreigen te geraken. Het college stelt in het individuele geval vast of daar sprake van is. Zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Diverse kosten en verantwoordingsvrij bedrag Verder schrijft de verordening voor dat bepaalde kosten niet uit het pgb mogen worden betaald, zoals bemiddelingskosten. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Overlijden In geval van overlijden van de jeugdige hanteert het college geen eenmalige uitkering aan de derde die ondersteuning verleent.

De zorgovereenkomst stopt ter stond en er kan worden gedeclareerd tot en met de sterfdag van de jeugdige. Specialistische jeugdhulp Art. 5.4 lid 6 Verordening Bij een indicatie voor specialistische jeugdhulp en behandeling is niet toegestaan om het pgb te besteden aan de ouder(s) of andere personen uit het sociaal netwerk. Dit los van de vraag of zij daartoe beroepshalve gekwalificeerd zijn. Voor specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen met voldoende professionele afstand om zo objectief en onafhankelijk te kunnen handelen. Ouders of personen uit het sociaal netwerk hebben deze professionele afstand niet omdat zij vanuit hun hoedanigheid (te veel) betrokken zijn op de jeugdige. Besteding pgb sociaal netwerk Art. 5.3 lid 7 Verordening Uit het verzoek om een pgb kan blijken dat de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb wensen te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals: de ouder(s) van de jeugdige, een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De verordening bepaalt dat het pgb alleen hen mag worden besteed als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is.

Het ligt op de weg van de jeugdige of zijn ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het Budgetplan. Beoordeling aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger Uit de informatie die de jeugdige of zijn ouder(s) overleggen, moet duidelijk worden dat de besteding van het pgb aan de ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk, eenvoudig gezegd, uiteindelijk tot een beter resultaat zal leiden. Dit ten opzichte van de inzet in natura. Dat kan het geval zijn als de persoon uit het sociaal

33

netwerk, volgens een deskundige, de meest aangewezen persoon is om de jeugdhulp te bieden. Dit gelet op de problematiek van de jeugdige. Het kan ook te maken hebben met de aangewezen jeugdhulp, die: • niet goed vooraf is in te plannen, • op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden, • op verschillende locaties moet worden geleverd, • op afroep te organiseren moet zijn, • door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden, • door de jeugdige gemotiveerd wordt geaccepteerd. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Kortdurend Gaat het om het aanleren van activiteiten, dan is aannemelijk dat dit meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat. Dat geldt vooral als de te verstrekken ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn. Dit kan bijv. aan de orde zijn als de jeugdige leerbaar is. Het college kan zich dan op het standpunt stellen dat gecontracteerde professionele ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval zes maanden verstaan (vergelijk ook CRVB:2011:BU3228).

Besteden binnen de termijn Verder bepaalt de verordening de termijn waarbinnen het pgb moet zijn besteed. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. Verblijf buiten de gemeente of buitenland De inzet van jeugdhulp is bestemd en gericht op jeugdigen die in Nederland verblijven. Behoudens het woonplaatsbeginsel voor jeugdigen, gaat het doorgaans om jeugdigen die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente Dinkelland hebben. Het is toegestaan om maximaal 13 weken per kalenderjaar, waarvan zes weken aaneengesloten, een pgb te besteden buiten de gemeente of in het buitenland. Het gaat in de praktijk om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de jeugdhulp ook daadwerkelijk biedt, conform het Budgetplan. Het college kan de termijnen op aanvraag verlengen als zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor verlenging is aangewezen. Daarvan zal in de praktijk zelden sprake zijn. 5.11 Overige weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden, besproken onder 5.3 van dit hoofdstuk (aanvraag pgb met terugwerkende kracht) en 5.6 (pgb-bekwaamheid in brede zin) van dit hoofdstuk, geldt nog een aantal situaties waarin het college een pgb kan weigeren.

Artikel 8.1.1 lid 4 onderdeel a Jw Het kan voorkomen dat de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een duurdere individuele voorziening dan waar het college de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de jeugdige of zijn ouder(s) het meerdere van de kosten daarvan zelf moet betalen. Het meerdere dat aan de individuele voorziening wordt besteed wordt dan door het college geweigerd. Let wel ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat het college de kwaliteit daarvan mag beoordelen maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de jeugdige of zijn ouder(s) wel in staat is om duurdere jeugdhulp te bekostigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) niet bereid is het meerdere zelf te betalen, kan het

34

college overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Dit met het oog op de bevoegdheid van het college om te beoordelen of aan de (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan. Bijstorten De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art. 8 lid 6 Regeling Jeugdwet). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van maatschappelijke ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders. Artikel 8.1.1 lid 4 onderdeel b Jw Als de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb wenst, gaat het college na of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 onderdeel a, d of e Jw.

Het gaat over: • het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing zou hebben geleid, • het niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of • het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt. Uitgangspunt Op grond van dit artikel kan het college als -onder meer- sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de jeugdige of zijn ouder(s) een aanvraag voor een pgb weigeren (schending inlichtingenplicht). Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid hanteert het college een grens. De aanvraag voor een pgb wordt geweigerd als de schending van verplichtingen (tot maximaal) twee jaar voorafgaand aan de nieuwe aanvraag heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. 5.12 Hoogte pgb Artikel 5.5 Verordening De verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb van een voorziening voor jeugdhulp wordt vastgesteld. Daarbij gelden gedifferentieerde tarieven voor: • jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie en die als Zzp’er werkzaam zijn, • personen uit het sociaal netwerk en andere personen die niet als professional worden aangemerkt. Begripsbepalingen In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een Zzp’er.

Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief. Eisen van vakbekwaamheid zijn daar onderdeel van. Sociaal netwerk Voor personen uit het sociaal netwerk geldt volgens de verordening ook dat altijd een lager tarief van toepassing is dan geldt voor jeugdhulpverleners in dienst bij een professionele organisatie of een Zzp’er. Gemeenten hebben deze bevoegdheid op grond van art. 8.1.1 lid 3 Jw.

35

5.13 Herindicatie en verzoek om pgb Na afloop van de indicatie kan de jeugdige of ouder(s) zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor jeugdhulp. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verstrekking geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de jeugdigen of zijn ouder(s) de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan moet worden opgesteld. Bij een verlenging of wijziging in de indicatie en de ondersteuning wordt door dezelfde ondersteuner uitgevoerd hoeft niet altijd opnieuw een VOG-verklaring ingediend te worden. Er wordt aangesloten bij de regels van de inkoop Samen Twente.

36

6

Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik

Hoofdstuk 6 Verordening 6.1 Inleiding Algemeen De wet schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de jeugdhulp (tenzij de Inspectie daartoe bevoegd is) of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Op het college rust een voorlichtingsplicht om tijdens het onderzoek de jeugdige of zijn ouder(s) te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij nietnaleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder.

Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder, maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan of een aan een derde gelieerde (rechts)persoon. 6.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van art. 6.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning, tenzij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd daartoe bevoegd is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De jeugdhulpaanbieder, budgethouder of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 6.3 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden.

6.3 Weigering pgb De verordening bevat een aantal weigeringsgronden voor het pgb. Artikel 6.4 lid 1 Verordening Het college bespreekt het ingevulde Budgetplan met de jeugdige en zijn ouder(s) (budgethouder). Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens wettelijk vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan alsnog in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken. Artikel 6.4 lid 2 Verordening In de verordening worden een aantal situaties beschreven die kunnen leiden tot een weigering van het pgb.

37

Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgbverplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: • onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwalitatief. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Alvorens over te gaan tot het weigeren van het pgb stelt het college stelt de budgethouder in de gelegenheid een andere pgb-vertegenwoordiger aan te wijzen die de gewaarborgde hulp wel kan bieden. Inschrijving BRP Als de derde niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), dan roept dat de vraag op of de continuïteit van de aangewezen jeugdhulp wel kan worden geboden. De derde die niet staat ingeschreven in de BRP moet daar een afdoende verklaring voor geven. Rechtens zijn vrijheid ontnomen Is de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) rechtens zijn vrijheid ontnomen dan bestaat in die gevallen er feitelijk geen of onvoldoende mogelijkheid voor de derde om ondersteuning te bieden. Verklaring van gewaarborgde hulp Zoals eerder gezegd kan de jeugdige of zijn ouder(s) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp.

Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Deze derde zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgbverplichtingen. 6.4 Opschorting betaling pgb en opschorting inzet jeugdhulp Artikel 6.5, 6.6 en 6.7 Verordening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het pgb-besluit. Opschorting betaling pgb algemeen Een opschorting van de pgb-betaling is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Opschorting van de pgb-betaling is een bevoegdheid, waarvoor het college een gegrond vermoeden moet hebben. Gebruikmaking van de bevoegdheid brengt een belangenafweging met zich mee. Het belang van de jeugdige of ouder(s) aan wie een individuele voorziening (in de vorm van een pgb) is toegekend, wordt afgezet tegen de ernst van het gegronde vermoeden en de opschorting van de pgb-betaling. Er zijn situaties denkbaar waarbij de inzet van de opschorting niet proportioneel is en ook niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel.

Dat wil zeggen dat het college dan - gelet op het belang van de jeugdige of ouder(s) - een minder belastend middel zal moeten inzetten om het beoogde doel te bereiken. De toezichthoudende ambtenaar kan bijvoorbeeld op bezoek gaan bij de derde of deze uitnodigen voor een gesprek waarbij desgevraagd bepaalde gegevens overlegd moeten worden. Aan de hand van de uitkomsten van dit gesprek kan het college bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing en een volgend onderzoek in de vorm van een gesprek aankondigen. Daaruit moeten dan in ieder geval verbeterpunten blijken. Een dergelijke werkwijze kan het college ook hanteren als het onderzoek zich richt op de budgethouder. Aan de andere kant kan de ernst van het gegronde vermoeden juist zwaar wegen waardoor er toch tot opschorting van de pgb-betaling wordt overgegaan. Denk aan situaties waarin het belang van de jeugdige of ouder(s) onder druk staat omdat een gegrond vermoeden bestaat dat hij niet de juiste ondersteuning (aard/omvang/kwaliteit) krijgt waarop hij is aangewezen. In de verordening zijn twee mogelijkheden neergelegd over de opschorting van de pgb-betaling.

38

• Opschorting betaling pgb aan de SVB (zie onder 6.5 van deze beleidsregels), • Opschorting betaling pgb door de SVB (zie onder 6.6 van deze beleidsregels). 6.5 Opschorting betaling pgb aan SVB Artikel 6.5 Verordening Het college kan de betaling van het pgb aan de SVB voor maximaal 13 weken opschorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, maar het voorschot nog niet heeft uitbetaald aan de SVB en er aanleiding is om dat ook niet te doen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 8.1.4 lid 1 onder a, d of e Jw. Gegevens Art. 8.1.4 lid 1 onder a Jw heeft betrekking op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de jeugdige of zijn ouder(s) die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid. Voorwaarden pgb Art. 8.1.4 lid 1 onder d Jw heeft betrekking op de jeugdige of zijn ouder(s) die niet voldoet aan de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden. Gebruik pgb Art. 8.1.4 lid 1 onder e Jw heeft betrekking op de jeugdige of zijn ouders die het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

Jeugdige, ouders of derde Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de jeugdige, de ouder(s) maar volgens de verordening ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Zoals gezegd gaat het dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn. Gedurende de termijn van opschorting voert het college of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn: • Een door de SVB -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het budgetplan. Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst. • Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen. • Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie). • Een (plotselinge) toename van het aantal jeugdigen waar een derde ondersteuning aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt. Schriftelijke kennisgeving Het opschorten van de betaling moet worden aangemerkt als besluit in de zin van een rechtshandeling. Immers, de opschorting van de betaling van het pgb wijkt af van het toekenningsbesluit.

Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de jeugdige of zijn ouder(s) in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de jeugdige of zijn ouder(s), dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. De uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden.

39

Inzet in natura Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek tijdelijk individuele jeugdhulp in natura. Immers middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de jeugdige of zijn ouder(s) een noodzaak bestaat voor jeugdhulp (al dan niet in de vorm van een pgb). Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de ondersteuning - zonder daarvoor betaald te worden - voortzet. Er bestaat immers ook een risico dat het pgbbesluit met terugwerkende kracht wordt ingetrokken en de facturen niet door de SVB zullen worden betaald. 6.6 Verzoek opschorting betaling door SVB Artikel 6.6 Verordening Zoals gezegd zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Het college kan de SVB verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de SVB en er aanleiding is om de SVB te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art.

8.1.4 lid 1 onder a, d of e Jw. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar, volgens de verordening, ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat daar sprake van is. Gedurende de termijn van opschorting voert het college of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Schriftelijke kennisgeving Of het college de budgethouder schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Inzet in natura Of het college voor de budgethouder tijdelijk jeugdhulp in natura inzet, is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Gevolgen onderzoek Het gevolg van het onderzoek kan zijn dat het besluit wordt herzien of ingetrokken en bij gevolg daarvan wordt overgegaan tot terugvordering. Zie verder hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Opschorting inzet jeugdhulp Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij individuele jeugdhulp in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Schriftelijke kennisgeving Of het college de jeugdige of zijn ouder(s) schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Vergelijk de toelichting bij opschorting betaling.

6.7 Opschorting inzet individuele voorziening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij een individuele voorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Schriftelijke kennisgeving Of het college de ouder(s) of de jeugdige schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie, vergelijk de verschillende toelichtingen onder opschorting betalingen pgb van deze beleidsregels.

40

7 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terugvordering en invordering Artikel 8.1.3 Jeugdwet Artikel 4.7 Verordening Hoofdstuk 7 Verordening 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen van een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de jeugdige of zijn ouder(s) om op verzoek van het college, maar ook uit eigen beweging, relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid (kan-bepaling) gaat, zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. Het college hanteert als uitgangspunt dat als er: geen, een gedeeltelijk of een gewijzigd recht bestaat op jeugdhulp, gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid. Het college vordert het pgb of de geldswaarde van de individuele voorziening terug, tenzij dat in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. Zie 7.5 van dit hoofdstuk. 7.2 Heroverweging besluit Het college is verplicht om pgb-besluiten periodiek te heroverwegen (art. 8.1.3 Jw). De verordening bepaalt dat het college ook de besluiten in natura heroverweegt (art. 4.7 Verordening). De wet en de verordening schrijven niet voor wanneer het college dat moet doen.

Het is aan de professional van Dinkelland om daar een inschatting van te maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstrekken, het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarbij ondersteuning is toegekend. Bij die heroverweging zijn alle onderzoeksactiviteiten onverkort van toepassing. Dat wil ook zeggen dat de beoordeling of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb onderdeel kan zijn van de heroverweging. Periodiek onderzoek jeugdhulp in natura Het college bepaalt in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Het gaat immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden jeugdhulp. Denk aan het wel of niet behalen van het resultaat dat met de individuele voorziening is beoogd. Mogelijk dat het bestaande besluit moet worden bijgesteld. Bijvoorbeeld omdat ondersteuningsbehoefte daarvan bijgesteld kan (of moet) worden. Wordt de indicatie voor een korte periode verstrekt, dan ligt het niet voor de hand dat het besluit wordt heroverwogen. De jeugdige of zijn ouder(s) zal zich doorgaans opnieuw melden met een hulpvraag (verzoek om verlenging van de indicatie) of het college neemt voor het aflopen van de indicatie zelf contact op met de jeugdige of zijn ouder(s).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/858/documents/22856