CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

B_B_ontwerp_1_toelichting_Bijlage_9_MER.PDF

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld30.436 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Wanneer negatieve effecten optreden, zijn in het MER optimalisatievoorstellen gedaan. Deze optimalisatievoorstellen kunnen zowel betrekking hebben op de aanlegfase als de uiteindelijk gerealiseerde fase. Optimalisatievoorstellen voor de aanlegfase hebben betrekking op de werkzaamheden in het gebied ten behoeve van de realisatie van de plannen, bijvoorbeeld het verminderen van tijdelijke hinder voor omwonenden en het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen ten behoeve van de fauna in het gebied. Voor de uiteindelijk realisatiefase vormen de optimalisatievoorstellen zogenaamde varianten, waarvan de effecten eveneens in beeld worden gebracht. Het planalternatief vormt met de optimalisatiemogelijkheden de uiteindelijke milieu-informatie voor het ontwerp PIP en de ontwerp-ontgrondingsvergunning.

5.1

Beoordelingsmethodiek

De milieuonderzoeken in het MER zijn uitgevoerd met als leidraad de Handreiking MIRT-verkenning (Rijkswaterstaat 2010) en de Koepelnotitie Zinvol Effecten Bepalen (Rijkswaterstaat 2010) conform het advies van de Commissie Elverding. Dit betekent dat de effectbepaling is afgestemd op de te maken keuze: • •

Zinvolle effectbepaling: alleen de effecten die relevant zijn. Dit zijn effecten voor die aspecten die naar verwachting significant en/of duidelijk onderscheidend zijn Effecten zinvol bepalen: niet meer detail dan nodig. Het detailniveau moet een keuze voor een alternatief mogelijk maken

Voor ieder thema zijn beoordelingscriteria benoemd. Beoordelingscriteria zijn concrete maatstaven waarmee effecten vastgesteld kunnen worden. De beoordelingscriteria die worden gebruikt, zijn afgeleid uit de kader- en randvoorwaardenstellende uitspraken uit relevant milieubeleid en -regelgeving. De effecten zijn vastgesteld op basis van kwantitatieve en

58/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

kwalitatieve gegevens. Kwantitatieve gegevens zijn bijvoorbeeld beschikbare kengetallen, cijfers verkregen op basis van onderzoeken en/of modellen. Bij kwalitatieve gegevens gaat het bijvoorbeeld om gegevens uit een literatuuranalyse, een beoordeling door experts of interviews. Vervolgens zijn deze effecten ten behoeve van de effectbeoordeling vertaald in een kwalitatieve score. De beoordeling van effecten gebeurt met behulp van plussen en minnen in een zevenpuntsschaal. In onderstaande tabel staan de waarden en corresponderende scores die in de beoordeling gebruikt zullen worden. Tabel 5.1 Beoordelingsschaal Score

Betekenis

++

Zeer positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/+

Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

Neutraal effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

--

Zeer negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

5.2

Ecohydrologie

Ten aanzien van het aspect ecohydrologie is de huidige situatie in het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse veld onderzocht. Daarnaast zijn onderzoeken uitgevoerd voor de nadere uitwerking van de verschillende maatregelen. De volgende onderzoeken hebben een rol gespeeld in het samenstellen van het definitieve maatregelenpakket:

•

Rapport Bergvennen en Brecklenkampse Veld, uitwerking maatregelenpakket. Unie van Bosgroepen 2017, 2 juni 2017; Rapport Bergvennen en Brecklenkampse Veld, systeemanalyse. Unie van Bosgroepen 2017,

• •

2 juni 2017; Projectgroep en deskundigenoverleg Bergvennen & Brecklenkampse Veld op 28 juni 2018. Aanvullend overleg op 31 juli 2018 met Fons Eysink gericht op het herstel van de vennen op

•

landschapsschaal (kwel uit patatzak via laagte naar vennen laten stromen) en het implementeren van dit scenario in het grondwatermodel; Scenarioberekeningen Bergvennen & Brecklenkampse Veld, scenario 1 t/m 10. TAUW,

•

•

2018/2019; Uitwerking onderzoeksvragen in het kader van Natura 2000 gerelateerd aan bodemonderzoek, grondwaterkwaliteit en inschatting interne eutrofiëring. B-ware (Lucassen

•

& Roelofs), 6 juni 2017; Bergvennen & Brecklenkampse Veld – definitief maatregelenpakket Natura 2000 – uitkomsten iteratief proces. Unie van Bosgroepen (A.A.M. Kieskamp & A.T.W. Eysink), 23 januari 2020.

59/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Op basis van deze onderzoeken zijn de maatregelen uit de Gebiedsanalyse nader beschouwd en uitgewerkt. De maatregelen hebben een effect op de hydrologische situatie met als doel het ondersteunen van specifieke habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling. 5.2.1 Referentiesituatie In 1993 is een studie door Grontmij uitgevoerd over de historie en de geohydrologische opbouw van het gebied, aanvullend daarop is onderzoek uitgevoerd naar ecohydrologie door Aggenbach (2004) en Jansen et al. (1997). Aggenbach en Van Loon hebben (2012) een advies opgesteld om de zeer zwakgebufferde vennen in de zuid-oosthoek van het Natura 2000 gebied te herstellen. In het kader van de planuitwerkingsfase en het opstellen van het inrichtingsplan heeft de Unie van Bosgroepen in 2017 een aanvullende landschapsecologische systeemanalyse uitgevoerd. De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld zijn twee restanten ‘woeste grond’ die als fragmenten verspreid in het jonge heide- en broekontginningenlandschap liggen. Het waren de minst aantrekkelijke gronden, die van oudsher lastig te ontginnen waren. Door veranderende maatschappelijke inzichten werd er begin jaren ’60 van de vorige eeuw gestopt met het ontginnen van woeste grond, waardoor de gebieden ‘gespaard’ werden. De Bergvennen is een heidegebied met beeldbepalende vennen.

Het Brecklenkampse Veld is een reliëfrijk gebied met zeer veel gradiënten: heide, schraallanden, laagten met vennen en oeverkruidbegroeiingen en vochtige eiken-berkenbossen. De bodems in het gebied bestaan voornamelijk uit veldpodzolen, met in de laagten in het Brecklenkampse Veld ook associaties van venige beekdalgronden en in het zuidoostelijke deel van de Bergvennen haarpodzolen. Hieronder wordt per deelgebied een nadere beschrijving van het (eco- en geo-) hydrologische systeem opgenomen. Bergvennen Het gebied is een zwak glooiend dekzandlandschap dat in hoogte afloopt van zuidoost naar noordwest. De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld maken onderdeel uit van hetzelfde hydrologische systeem, dat ook zuidoost-noordwest georiënteerd is. De twee gebieden functioneren echter verschillend: Bergvennen is een infiltratiegebied waar regenwater in de bodem wegzijgt; het Brecklenkampse Veld is een kwelgebied waar grondwater als kwel omhoog komt. De Bergvennen bestaat uit de zuidelijke vennen ven 1 noord en ven 1 zuid, het Rietven, Ronde Ven, Eilandven en Pluzenven (met ten noordwesten daarvan een naamloos ven). Van nature bestond het gebied de Bergvennen uit een hoog vochtig gebied met veen in de laagtes. Eeuwen geleden zijn vennen opnieuw ontstaan door turfwinning uit deze laagtes ten behoeve van brandstofwinning voor woningen. Ze werden opgeschoond tot op de minerale bodem.

Hierdoor ontstonden zeer zwak gebufferde vennen die, vanwege hun hoge ligging in het landschap, vooral gevoed werden door regenwater. Het regenwater van vóór de opkomst van industrie (die een verzurende invloed had) had een hogere pH dan tegenwoordig en had bicarbonaat gehaltes van enkele tientallen micromollen. Dit was gunstig voor de aanwezigheid van waterlobelia vegetaties. In de winter bolt het water in de naast de vennen gelegen dekzandruggen op; dit is in het verleden waargenomen en ook te zien aan het voorkomen van vochtige heiden op de flanken van de dekzandruggen. Ook de vegetatie (gagelstruwelen en beenbreek) wijst op het voorkomen van zijdelings toestromend water.

60/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Momenteel kunnen zeer zwak gebufferde en zure vennen worden onderscheiden: • De Bergvennen (Rietven, Ronde ven en Eilandven) zijn voedselarm en zeer zwak gebufferd door het uitbaggeren van de vennen in de jaren ’90 en de inlaat van gebufferd grondwater •

(werkzaamheden: start begin jaren ’90, laatste keer in 2014) Het Pluzenven is pas sinds het herstelplan van begin jaren ‘90 zeer zwak gebufferd geworden. Iets noordwestelijker ligt, hoger in het landschap, nog een (naamloos) ven dat zuur is, dit is te zien aan de vegetatie. Het ven ligt hoger in het landschap en is waarschijnlijk nooit gevoed met licht gebufferd water. Het ven is wel geëutrofieerd, te zien aan het voorkomen van bijvoorbeeld Mannagras. Het ligt tegen een landbouwperceel aan,

•

uit-/afspoeling van meststoffen van dit landbouwperceel naar het ven is waarschijnlijk de oorzaak De vennen in het zuiden (ven 1 noord en ven 1 zuid) zijn hydrologisch gezien geïsoleerd

•

geraakt van de overige vennen en vertonen kenmerken van zure vennen. Er wordt geen gebufferd grondwater ingelaten. Het water in de vijver op het recreatiepark de Bergvennen is zeer sterk gebufferd van samenstelling in tegenstelling tot alle andere wateren in de Bergvennen. De vijver wordt gevoed met opgepompt, basenrijk grondwater en grondwater dat door de verdiepte ligging naar het ven wordt aangetrokken.

De Bergvennen zijn dus van oorsprong zure vennen, waarvan de meeste als gevolg van menselijk handelen zeer zwak gebufferd zijn geworden (habitattype H3110, Zeer zwak gebufferde vennen). De vennen zijn uniek voor Nederland onder andere vanwege hun grote populatie waterlobelia’s Brecklenkampse Veld In het lager gelegen Brecklenkampse Veld treedt grondwater uit (kwel) aan maaiveld. Door de aanwezigheid van kalk in de ondergrond is dit grondwater gebufferd van karakter. Lokale systemen (opbolling van water in de dekzandruggen) zijn in de winter dominant, maar vallen in de zomer stil. In die periode is het regionale watersysteem dominant: het grondwater stroomt dan van zuidoost naar noordwest. Het Brecklenkampse Veld kent lagere slenken en hogere dekzandruggen. De slenken, die van zuidoost naar noordwest lopen, zijn van nature ‘afvoerloze’ laagten. Hoewel de logische gedachte is dat grondwater in de laagste delen van het gebied uittreedt, geldt dat in het Brecklenkampse Veld niet per definitie. Hier komt juist op de overgang van hoog naar laag het grondwater (kwel) aan maaiveld. Vooral op die plekken komen de basenminnende vegetaties van de habitattypen Kalkmoeras, Blauwgrasland en Heischraal grasland voor. Ook onderin de slenken treedt lokaal grondwater uit dat zich mengt met regenwater. Het proces van opbolling en inundatie is zeer weersafhankelijk en wisselt van jaar tot jaar.

De menging van het basenrijke grondwater met het zure regenwater zorgt ervoor dat de vennen in het Brecklenkampse Veld zwak gebufferd zijn. Het oorspronkelijke reliëf van ruggen en slenken is aan de zuidwestzijde van het Brecklenkampse Veld niet meer aanwezig, door een combinatie van landbouwkundig gebruik en een herinrichting waarbij grond afgegraven is.

61/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

5.2.2 Beleid Keur De keur is een algemene verordening van het waterschap waarin staat aangegeven welke activiteiten in of nabij oppervlaktewaterlichamen zijn toegestaan en welke activiteiten vergunningplichtig zijn. Het gaat hierbij om zaken als waterbeheersing (grond- en oppervlaktewater), bescherming van sloten, kanalen, stuwen en gemalen. Naast algemene regels zijn ook beleidsregels vastgesteld. Hierin is opgenomen en gemotiveerd hoe waterschap Vechtstromen omgaat met de diverse activiteiten c.q. werkzaamheden in haar watersysteem. WaterBeheerplan 2016-2021 In het WaterBeheerplan beschrijft het waterschap op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven en komen in hoofdlijnen de hiervoor benodigde maatregelen aan de orde. De Waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel hebben gezamenlijk het WaterBeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin staat dat de waterschappen voor de Natura 2000gebieden de GGOR-maatregelen bepalen, als onderdeel van het door de provincies geregisseerde gebiedsproces. GGOR staat voor Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime. GGOR-maatregelen zijn hydrologische maatregelen op inrichtingsniveau, die zich richten op de inrichting van de waterhuishouding in een gebied, mede rekening houdend met de eisen die de ecologie aan een oppervlaktewater stelt 4. 5.2.3

Alternatieven

De maatregelen zoals deze zijn opgenomen in de Gebiedsanalyse (2017) zijn niet op perceelsniveau uitgewerkt. In het doorlopen gebiedsproces zijn de maatregelen nader uitgewerkt in het inrichtingsplan. Om te komen tot deze uitwerking zijn in een iteratief proces maatregelenscenario’s (alternatieven) doorgerekend en verfijnd. Het doel was om te komen tot een maatregelenpakket dat nodig is om de achteruitgang van de kwaliteit van de habitattypen te stoppen, de langetermijndoelen te realiseren (en daarmee zorgt voor verduurzaming van de kwaliteit van de habitattypen op lange termijn) met zo min mogelijk negatieve effecten op andere functies in het gebied (wonen, werken). Binnen de doorgerekende scenario’s is sprake van drie onderscheidende varianten: het Gebiedsanalyse-scenario, het Bosgroepen-scenario en het Eindscenario. Deze alternatieven en de effecten zijn onderstaand in tekst en figuren beschreven. Gebiedsanalyse-scenario Dit scenario bestaat uit de maatregelen zoals voorgesteld in de Gebiedsanalyse voor de korte termijn. De maatregelen in dit scenario zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5.2 Maatregelen in het Gebiedsanalyse-scenario Maatregel M2a

4

Beschrijving conform PAS Gebiedsanalyse Verwerven en natuurontwikkeling landbouwgebied door het dempen van de aanwezige watergangen en verwijderen van drainage.

WaterBeheerplan 2016-2021 Waterschap Vechtstromen, Rijn en IJssel, Drents-Overijsselse Delta, november 2015

62/142

Kenmerk

Maatregel M2b M3a

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Beschrijving conform PAS Gebiedsanalyse Dempen van waterleiding 33-0-02-4 binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied (maatregel voor de korte termijn). Verwerven, opnieuw inrichten en vernatting landbouwgebied ten zuidoosten van Bergvennen. Het gebied wordt oppervlakkig afgegraven om de voedselrijke bovengrond te verwijderen. Daarnaast wordt lokaal dieper afgegraven voor het herstel van de hier vroeger voorkomende Lattropse Vennen.

M3b

Dempen ontwateringssloot ten zuiden van gebied. Het deel van de waterloop binnen het uitwerkingsgebied wordt gedempt. Het deel van de waterloop langs de Frensdorferweg blijft behouden.

M3c

Verminderen ontwatering en tegengaan natschade op camping. Doel van deze maatregel is om verdroging in het aangrenzende Natura 2000-gebied te verminderen en om eventuele ongewenste effecten van vernatting als gevolg van maatregelen in de omgeving tegen te gaan. In dit scenario vormgegeven door de watergang op camping verondiepen tot 20 en deels tot 40 cm-mv.

M3d

Vervangende afwatering camping en aangrenzende landbouwperceel. Deze alternatieve afwatering is nodig om het dempen van waterloop 36000101 (maatregel M1h) te compenseren. In dit alternatief is deze afwatering vormgegeven door watergang 36000101 ter hoogte van de camping te verondiepen tot 40 cm-mv zodat deze kan afwateren op de watergang parallel aan de Frensdorferweg (36000008, zie M3b).

M3e

Verminderen ontwatering en tegengaan natschade op landbouwperceel ten zuiden van de camping.

Bovenstaande maatregelen uit dit alternatief zijn op kaart weergegeven in figuur 5.1.

63/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Figuur 5.1 Maatregelen zoals voorgesteld in de Gebiedsanalyse

Bosgroepen-scenario Dit scenario is een doorontwikkeling van het Gebiedsanalyse-scenario door van de Unie van Bosgroepen. Op basis van dit maatregelenpakket en de inzichten opgedaan uit scenario 2 zijn de volgende maatregelen doorgevoerd in scenario 4: Tabel 5.3 Aanpassing grondwatermodel scenario 4 Maatregel M1a

Beschrijving conform PAS Gebiedsanalyse Dempen en deels verondiepen (20 tot 40 cm -mv) van watergang 33000204 ten noorden van het

M1b

Verondiepen watergang 33000003 tot 60 cm-mv.

64/142

Kenmerk

Maatregel M1c

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Beschrijving conform PAS Gebiedsanalyse Door dempen van watergang 33-0-02-4 (M2b) treedt in het gebied ten westen van het Brecklenkampse Veld vernatting op (Zonderwijk, 2011). Dit wordt gemitigeerd door (een deel van) het gebied op te hogen met zand dat vrijkomt bij natuurontwikkeling elders in het gebied.

M1h

Watergang 36000101 verondiepen tot 20 en deels 60 cm-mv.

M1k

Ten westen van de Bergvennen worden buisdrainages verwijderd

M2a

Verwerven en natuurontwikkeling landbouwgebied door het dempen van de aanwezige watergangen en verwijderen van drainage.

M2y

Verondiepen Duitse watergangen. De sloot die het meeste invloed heeft op waterhuishouding ligt in Duitsland ten oosten van de te verwerven landbouwenclave tussen de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld. Duitse watergangen sloten dicht bij de Nederlandse grens verondiept tot 40 cm-mv. Zie implementatie maatregelen voor de sloten die zijn aangepast. Winterpeil=bodemhoogte +10 cm. Zomerpeil=bodemhoogte.

M3a

Verwerven, opnieuw inrichten en vernatting landbouwgebied ten zuidoosten van Bergvennen. Het gebied wordt oppervlakkig afgegraven om de voedselrijke bovengrond te verwijderen. Daarnaast wordt lokaal dieper afgegraven voor het herstel van de hier vroeger voorkomende Lattropse Vennen.

M3b

Dempen ontwateringssloot ten zuiden van gebied. Het deel van de waterloop binnen het uitwerkingsgebied wordt gedempt. Het deel van de waterloop langs de Frensdorferweg blijft behouden en wordt gedeeltelijk verondiepen tot 20 cm-mv.

M3c

Verminderen ontwatering en tegengaan natschade op camping. Doel van deze maatregel is om verdroging in het aangrenzende Natura 2000-gebied te verminderen en om eventuele ongewenste effecten van vernatting als gevolg van maatregelen in de omgeving tegen te gaan. In dit scenario vormgegeven door de watergang op camping verondiepen tot 20 en deels tot 60 cm-mv.

M3d

Vervangende afwatering camping en aangrenzende landbouwperceel. Deze alternatieve afwatering is nodig om het dempen van waterloop 36000101 (maatregel M1h) te compenseren. In dit alternatief is deze afwatering vormgegeven door watergang 36000101 ter hoogte van de camping te verondiepen tot 60 cm-mv zodat deze kan afwateren op de watergang parallel aan de Frensdorferwerg (36000008, zie M3b).

M3e

Verminderen ontwatering en tegengaan/compensatie natschade in landbouwperceel te zuiden van de camping.

-

Het bos aan Duitse zijde (Forst Bentheim) wordt gekapt

Bovenstaande maatregelen uit dit alternatief zijn op kaart weergegeven in figuur 5.2.

65/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Figuur 5.2: Maatregelenkaart Bosgroepen-scenario (Unie van Bosgroepen, 2017)

66/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Eindscenario Het eindscenario is een doorontwikkeling van het Bosgroepen-scenario. Ten opzichte van dat scenario de volgende aanpassingen gedaan: • Aan de noordkant van het Brecklenkampse Veld wordt de leggerwatergang verondiept tot 40 • • •

cm –mv De leggerwaterloop (leggernummer 33000003) wordt niet verondiept tot 60 cm –mv Watergangen in Duitsland verondiepen tot 20 cm-mv Aanleg nieuwe watergang ten westen van de Bergvennen en verwijderen watergangen ten oosten van deze nieuwe watergang. De leggerwatergang ten westen van de Kommiezendijk wordt niet verondiept

Daarnaast worden in het eindscenario ook de uitbreidingsdoelen in de landbouwenclave en de maatregelen in het Lattropseveld meegenomen. Daarvoor worden de landbouwenclave en zogenaamde slenk verworven en ingericht als natuurgebied. In de landbouwenclave en slenk wordt de nutriëntrijke toplaag (gedeeltelijk) verwijderd (ontgrondingsmaatregelen) en wordt alle aanwezige ontwatering (watergangen en drainage) verwijderd. De landbouwenclave ligt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied De maatregelen in dit gebied maken het mogelijk om de uitbreidingsdoelstellingen te realiseren. De slenk ligt buiten het Natura 2000-gebied. De maatregelen die hier getroffen worden hebben als doel om de zuidelijke vennen van gebiedseigen water uit de slenk te voorzien. Dit draagt bij aan instandhoudingsdoelstellingen en kwaliteitsverbetering van deze habitattypen. In figuur 5.3 zijn de maatregelen in het eindscenario op kaart weergegeven.

67/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Figuur 5.3 Maatregelenkaart eindscenario (Unie van Bosgroepen, 2020)

In reactie op het voorontwerp PIP wordt het Lattropse veen minder vergraven dan in het eindscenario is geschetst. Een groot deel van het gebied wordt actief uitgemijnd in plaats van afgegraven. De te ontgraven locaties inclusief ontgravingsdiepten zijn weergegeven in figuur 5.4 en 5.5. Op sommige locaties wordt er grond afgegraven en daarna met andere grond aangevuld, waardoor de maaiveldhoogte gelijk blijft. Bij de daadwerkelijke uitvoering gaat het hier om een geleidelijke overgang op basis van maaiveldhoogtes en de diepte van de fosfaatrijke bouwvoor ter plaatse.

68/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Figuur 5.4 Afgraving maaiveld landbouwenclave

Figuur 5.5 Afgravingscontour nieuwe slenk Lattropse veen

5.2.4 Beoordelingskader Het doel van de voorgestelde maatregelen is het aanpassen van de grondwaterstand aan het voor de habitattypen in het natuurgebied gewenste (hogere) peil en het beperken van de (sterk

69/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

negatieve) invloed van meststoffen op de habitattypen. De mate waarin de alternatieven aan die voorwaarde voldoen is beoordeeld als het effect op Natura 2000-instandhoudingsdoelen. Effecten op het landgebruik van de omliggende (agrarische) percelen in de vorm van een hoger grondwaterpeil zijn daarbij niet gewenst. De mate waarin de alternatieven aan die voorwaarde voldoen is beoordeeld als ‘het effect op het landgebruik van de omliggende percelen’. Ook is een te hoge grondwaterstand ter plaatse van de aanwezige bebouwing in het plangebied niet gewenst. De mate waarin de alternatieven aan die voorwaarde voldoen is beoordeeld als ‘het effect op bebouwing’. De bovenstaande effecten zijn beoordeeld volgens de in tabel 5.2 weergegeven methodiek. Tabel 5.3 Beoordelingsschaal Score

Betekenis

++

Zeer positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/+

Licht Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

Geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

--

Zeer negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

5.2.5

Effectbeoordeling

5.2.5.1 Effect op Natura 2000-doelstellingen De hydrologische effecten van de verschillende alternatieven zijn met het grondwatermodel berekend. Naast dempen of verondiepen van watergangen is ook de boskap hierbij meegenomen. Bij de berekeningen zijn, naast een gebiedsdekkende analyse voor kwel, GVG en GLG (gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), gemiddeld laagste (GLG) en gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG), op zes puntlocaties de effecten beoordeeld. Deze puntlocaties zijn gekozen in de kwetsbare habitattypes. Vier locaties liggen in Brecklenkampse Veld (blauwgrasland (2x), zwakgebufferde vennen en kalkmoeras) en twee locaties in Bergvennen (vochtige heide en pioniersvegetaties met snavelbiezen). Onderstaand is per scenario het effect op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen beschreven. Op deze zes locaties zijn de effecten beoordeeld op het gebied van kwel, duurlijnen (inundatie) en grondwaterstand (GHG, GVG en GLG). Kwel Voor alle locaties en scenario’s is er een toename van kwel of afname van wegzijging berekend. In het Blauwgrasland (H6410), Kalkmoeras (H7230) en Zwakgebufferd ven (H3130) neemt de kwelflux in de winter toe. Dat is gunstig voor de ontwikkeling van deze habitattypen, want deze habitattypen zijn afhankelijk van lokale/regionale kwel. In de Pioniervegetatie met snavelbiezen

70/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

(H7150) en Vochtige heide (H4010A) neemt de wegzijging licht af in de winter. Dit is tevens gunstig voor de ontwikkeling van deze habitattypen. Beide habitattypen vereisen geen kwel, maar dat de waterstanden minder snel en minder diep wegzakken dan de referentiesituatie is wel van belang voor een positievere ontwikkeling van beide habitattypen. Het eindscenario geeft daarbij een beter resultaat dan het Gebiedsanalyse-scenario en de huidige situatie: de kwel neemt meer toe/de wegzijging neemt meer af. Het effect van het eindscenario en het Bosgroepen-scenario is vergelijkbaar. Tabel 5.1 Berekende kwel (mm/dag) op de zes referentielocaties in huidige situatie en na uitvoering maatregelen in de verschillende scenario’s Locatie

17

Habitattype

Kalkmoerassen

Kwel in winter (mm/dag) Huidige

Gebiedsanalyse-

Bosgroepen-

situatie

scenario

scenario

Eindscenario

0,66

0,96

0,96

0,96

-0,31

-0,31

-0,30

-0,30

-0,17

-0,16

-0,12

-0,12

1,77

1,79

1,89

1,87

0,40

0,38

0,62

0,58

0,58

0,83

1,01

0,99

(H7230) 25

Pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150)

27

Vochtige heiden (H4010A)

B29A0796

Zwakgebufferde vennen (H3130)

B29A0734

Blauwgraslanden (H6410)

B29A07799

Blauwgraslanden (H6410)

Duurlijnen (inundatie) Om het effect op de waterstanden op de zes referentielocaties in beeld te brengen zijn voor alle zes locaties per scenario duurlijnen gemaakt. Duurlijnen geven een inzicht in de duur van hoge waterstanden die gunstig zijn voor de grondwaterafhankelijke habitattypen. Uit de duurlijnen blijkt dat alle scenario’s zorgen voor een verhoging van de waterstanden. Zowel voor als na de herstelmaatregelen laten de duurlijnen een kwelsituatie zien in de habitattypen Blauwgrasland (H6410), Kalkmoeras (H7230) en Zwakgebufferd ven (H3130) (‘bolle’ duurlijn). In de Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) en Vochtige heiden (H4010A) is er sprake van zowel stagnatie als infiltratie (’S-curve’). Op alle locaties staat een deel van het jaar water boven maaiveld. Dat betekent dat de situatie optimaler wordt voor de aanwezige habitattypen: de kwel neemt toe en de wegzijging neemt af. De periode dat de waterstanden boven maaiveld uitkomen is echter het langste bij het eindscenario. Dit scenario heeft daarom het meest positieve effect. Grondwaterstand Voor de grondwaterafhankelijke habitattypen in het gebied is de voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en zomergrondwaterstand (GLG) van invloed op de instandhoudingsdoelstellingen. Een te lage

71/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

grondwaterstand in het voorjaar en in de zomer leidt tot verdroging. Daarom zijn de GVG en GLG op de zes referentielocaties in beeld gebracht voor de onderzochte alternatieven. Uit de analyse van de GVG (zie tabel 5.2) blijkt dat het Bosgroepenscenario en het eindscenario een vergelijkbaar effect hebben (stijging tussen de 0,04 en 0,2 m) en leiden tot een grotere stijging van de GVG dan het Gebiedsanalyse-scenario (tot ca. 0,1 m stijging van de GVG). Op de peilbuislocaties is zowel in de huidige situatie als na uitvoering van de scenario’s geen doelgat voor de GVG. Uit de systeemanalyse (Kieskamp et al. 2017) blijkt echter dat op andere locaties wel een doelgat aanwezig is (tussen de 0,1 en 0,93 m). Met een stijging van de GVG van 0,05-0,3 m, wordt verwacht dat in het Bosgroepen-scenario en het eindscenario, het doelgat plaatselijk opgeheven- of in ieder geval verkleind wordt. Tabel 5.2 Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en doelgat op de peilbuislocaties in Brecklenkampse Veld in de huidige situatie en in de onderzochte scenario’s Locatie

B29A0796

B29A0734

B29A0799

Habitattype

Zwakgebufferde

Blauwgraslanden

Blauwgraslanden

vennen (H3130)

(H6410)

(H6410)

Ondergrens (m Referentie

t.o.v. mv)

0,05

-0,4

-0,4

Huidige situatie

GVG

0,22

-0,12

-0,07

Gebiedsanalyse-

Doelgat

nee

nee

nee

Stijging GVG

0,01

0,14

0,04

Nieuwe GVG

0,23

0,02

0

Doelgat

nee

nee

nee

Stijging GVG

0,04

0,2

0,07

Nieuwe GVG

0,26

0,08

0

Doelgat

nee

nee

nee

Stijging GVG

0,04

0,19

0,07

Nieuwe GVG

0,26

0,07

0

Doelgat

nee

nee

nee

scenario

Bosgroepenscenario

Eindscenario

Ook uit de analyse van de GLG (zie tabel 5.3) blijkt dat het Bosgroepen-scenario en het eindscenario een vergelijkbaar effect hebben (stijging tussen de 0,13 en 0,24 m) en dat het Gebiedsanalyse-scenario een minder groot effect heeft (tot ca. 0,1 m stijging van de GVG). Wel lossen alle drie de scenario’s het bestaande doelgat op één van de peilbuislocaties op. Op basis van de systeemanalyse (Kieskamp et al. 2017) blijkt dat op andere locaties een doelgat aanwezig is van tussen de 0 en 1,5 m. Met een stijging van de GLG van 0,1-0,4 m wordt dat doelgat plaatselijk opgeheven of in ieder geval verkleind.

72/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Tabel 5.3 Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) en doelgat op de peilbuislocaties in Brecklenkampse Veld in de huidige situatie en in de onderzochte scenario’s. Locatie

B29A0796

B29A0734

B29A0799

Habitattype

Zwakgebufferde

Blauwgraslanden

Blauwgraslanden

vennen (H3130)

(H6410)

(H6410)

Ondergrens (m Referentie

t.o.v. mv)

-0,8

-0,85

-0,85

Huidige situatie

GLG

0,75

-0,71

-0,91

Doelgat

nee

nee

Ja, 6 cm te laag

Stijging GLG

0,02

0,12

0,07

Nieuwe GLG

-0,73

-0,59

-0,84

Doelgat

nee

nee

nee

Stijging GLG

0,14

0,24

0,19

Nieuwe GLG

-0,61

-0,47

-0,72

Doelgat

nee

nee

Nee

Stijging GLG

0,13

0,22

0,19

Nieuwe GLG

-0,62

-0,49

-0,72

Doelgat

nee

nee

nee

Gebiedsanalysescenario

Bosgroepenscenario

Eindscenario

Conclusie Door het verbeteren van de hydrologische condities ter plaatse van de kwetsbare habitattypen leiden alle scenario’s tot een positief effect op de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. Uit de resultaten blijkt dat het Bosgroepen-scenario en het eindscenario een meer positief effect hebben dan het Gebiedsanalyse scenario. Deze scenario’s zijn daarom zeer positief (+ +) beoordeeld. Het Gebiedsanalyse-scenario is positief (+) beoordeeld, maar is niet toereikend om de achteruitgang van de habitattypen te stoppen (Unie van Bosgroepen, 2020). 5.2.5.2

Effect op landgebruik omliggende percelen

Alle scenario’s bevatten maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de condities ter plaatse van kwetsbare natuur in het Natura 2000-gebied. Deze maatregelen, zoals het dempen of verondiepen van sloten, verwijderen van drainage, bosomvorming en het afgraven van landbouwgrond kunnen echter ook effect hebben op omliggende gronden. In het Gebiedsanalyse-scenario leidt het dempen en verondiepen van de watergangen en het verwijderen van drainage plaatselijk ook buiten het natuurgebied op landbouwgronden tot vernatting. Deze landbouwgronden blijven in landbouwkundig gebruik.. Dit kan natschade tot gevolg hebben. Vanwege de kleinere vernattingseffecten op blijvende landbouwgronden van dit alternatief (zie vorige paragraaf), in combinatie met de mitigerende maatregelen (M3c, M3d en M3e), zijn de effecten op deze landbouwgronden echter beperkt. Omdat effecten echter niet kunnen worden uitgesloten is het effect van dit alternatief beoordeeld als licht negatief (0/-).

73/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Het bosgroepenscenario bevat aanvullende maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen in het natuurgebied te bereiken. Dit heeft grotere vernattingseffecten tot gevolg, zowel binnen als buiten het gebied. De effecten buiten het gebied zijn heviger en reiken bovendien verder dan in het Gebiedsanalyse-scenario (Unie van Bosgroepen, 2020). Het scenario bevat onvoldoende mitigerende maatregelen om negatieve effecten op omliggende functies te voorkomen. In de rapportage van het planvormingsproces (Unie van Bosgroepen, 2020) wordt geconcludeerd dat het scenario daarom veel negatieve effecten heeft op andere functies dan natuur in de omgeving. Dit scenario is daarom negatief (-) beoordeeld op dit aspect. Het eindscenario is een doorontwikkeling van het Bosgroepen-scenario. Op basis van aanvullende berekeningen en keukentafelgesprekken met stakeholders in de omgeving zijn, met behoud van de positieve effecten op het natuurgebied, diverse mitigerende maatregelen opgenomen om effecten op de omgeving te beperken,. Deze maatregelen bestaan uit het niet dempen van sloten, het minder sterk verondiepen van sloten of de aanleg van nieuwe sloten. De aanleg van sloten wordt daarbij ingepast in de bestaande verkavelings- en slotenstructuur. Daarnaast leidt het dempen van watergangen soms tot het samenvoegen van percelen.

Indien deze percelen te nat worden voor agrarisch gebruik, krijgen de percelen een natuurbestemming. Eigenaren worden gecompenseerd door aankoop of ruilgrond. Ruilgrond wordt waar mogelijk zo veel mogelijk in de nabijheid van het betreffende bedrijf gezocht. Het is echter niet uit te sluiten dat ruilgrond verder van het bedrijf ligt of niet aansluit bij de bestaande gronden van een bedrijf. Ruilgrond betekent niet altijd een verbetering ten aanzien van vruchtbaarheid of teeltmogelijkheden. Het is ook mogelijk dat eigenaren grond dichter bij het bedrijf krijgen. Daarnaast betekent het een afname van het regionale agrarische areaal. Het effect van het eindscenario op dit aspect is daarom licht negatief (0/-) beoordeeld. 5.2.5.3 Effect op bebouwing De verwachte grondwaterstandsverhogingen als gevolg van de maatregelen voor de natuur leiden op een vijftal erven (Bergvennenweg, Dennenweg, Frensdorferweg) mogelijk tot grondwaterstandsverhoging onder de bebouwing. Op drie erven worden op basis van het onderzoek problemen verwacht; in de huidige situatie is er hier al sprake van vochtproblematiek in kelders en de verwachting is dat de problemen toenemen. Bij deze erven zijn maatregelen noodzakelijk om schade te voorkomen. Voor de overige twee erven is nog niet te zeggen of er natschade zal optreden.

Aanvullend onderzoek of monitoring moet uitwijzen of aanvullende maatregelen nodig zijn om natschade te voorkomen. Omdat effecten ondanks de voorgenomen aanvullende maatregelen niet geheel kunnen worden uitgesloten, is het effect op bebouwing in alle scenario’s als licht negatief (0/-) beoordeeld. 5.2.5.4 Conclusie Uit de effectbeoordeling blijkt dat het Gebiedsanalyse-scenario ontoereikend is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen in het gebied. Het bosgroepenscenario blijkt gunstig voor de instandhoudingsdoelstellingen, maar leidt tot negatieve effecten op de omliggende functies in het gebied.

74/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Het eindscenario heeft door het toevoegen van een Slenk in het zuidelijke landbouwgebied ten opzichte van het Bosgroepen-scenario een zeer positief effect op zowel instandhoudingsdoelstellingen als uitbreidingsdoelstellingen. Ook zijn in het eindscenario de effecten op omliggende functies zoveel mogelijk gemitigeerd of gecompenseerd, waardoor dit alternatief zeer positief scoort op de instandhoudingsdoelstellingen met slechts licht negatieve effecten op omliggende functies. In onderstaande tabel is de effectbeoordeling van de alternatieven op het aspect ecohydrologie weergegeven. Tabel 5.4 Effectbeoordeling hydrologische maatregelen Effect op N2000-doelstellingen Alternatief

Effect op landgebruik

Effect op bebouwing

omliggende percelen

Gebiedsanalyse-scenario

+

0/-

0/-

Bosgroepen-scenario

++

-

0/-

Eindscenario

++

0/-

0/-

Op basis van bovenstaande effectbeoordeling is het eindscenario verder uitgewerkt in het voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief is opgenomen in het inrichtingsplan en het Beheerplan. Het voorkeursalternatief is in het volgende hoofdstuk uitgebreid beschreven. Het effect van het voorkeursalternatief op de overige thema’s is beschreven in hoofdstuk 7.

75/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

6 Voorkeursalternatief Het voorkeursalternatief is de uiteindelijke keuze van de initiatiefnemers voor de inrichting van het gebied. De beschrijving van het voorkeursalternatief vindt plaats per maatregel. In de beschrijving wordt ingegaan op de gebruiksfase en de werkzaamheden die nodig zijn om dit te bereiken (realisatiefase). Het voorkeursalternatief is tot stand gekomen op basis van ecohydrologisch onderzoek naar verschillende alternatieven, zoals beschreven in hoofdstuk 5.

6.1

Overzicht maatregelen

In het inrichtingsplan zijn externe en interne natuurherstelmaatregelen opgenomen. De externe maatregelen zijn alle voor instandhouding van de habitattypen benodigde maatregelen op of buiten de Natura 2000-begrenzing, aan leggerwatergangen en binnen de begrenzing op percelen die momenteel geen natuur zijn (de landbouwenclave). Interne maatregelen zijn alle maatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing en binnen bestaande natuur. In paragraaf 6.1.1 is een overzicht opgenomen van de externe maatregelen. Paragraaf 6.1.2 beschrijft de interne maatregelen. Naast de externe en interne maatregelen voorziet het voorkeursalternatief in bemestingsbeperkende maatregelen. Deze zijn beschreven in paragraaf 6.1.3. 6.1.1

Externe maatregelen

Het doel van de externe maatregelen in de eerste Beheerplanperiode van zes jaar is het voorkomen van verslechtering van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor de tweede en derde Beheerplanperiode zijn oppervlakte-uitbreiding en kwaliteitsverbetering het doel voor de habitattypen waarvoor deze doelstelling in het Beheerplan is benoemd. De hier beschreven maatregelen geven invulling aan deze doelstelling voor de grondwaterafhankelijke habitattypen Zeer zwakgebufferde vennen (H3110), Zwakgebufferde vennen (H3130), Vochtige heiden (H4010A), Blauwgrasland (H6410), Pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150), Heischrale graslanden (H6230) en Kalkmoerassen (H7320). Tabel 6.1 Externe maatregelen voorkeursalternatief Externe maatregelen M1a

Het verondiepen van watergangen bij de landbouwgronden ten noorden van het Brecklenkampse Veld en het dempen van grenssloten tussen het Brecklenkampse Veld en de landbouwpercelen.

M1h

Verondiepen van waterloop 36000101 aan de rand van het Natura-2000 gebied tot 20 cm onder maaiveld.

M1k

Dempen van alle greppels en watergangen tussen de Bergvennenweg (te verondiepen waterloop 36000101) en de nieuwe landbouwontwateringssloot’

M1m

Graven van een nieuwe leggerwatergang als vervanging van waterloop 36000101. De nieuwe watergang heeft in het landbouwgebied een diepte van maximaal 80 cm onder maaiveld. Dit is de maximale diepte die de watergang mag hebben om geen negatief effect te hebben op de habitattypen binnen de Bergvennen. De nieuwe waterloop watert af richting het noorden.

M2a

Dempen van alle greppels/watergangen in de landbouwenclave. Langs de weg worden greppels verondiept i.p.v. gedempt. Het verwijderen van detailontwatering is nodig voor hydrologisch herstel van de habitattypen. Natuurontwikkeling in de landbouwenclave is op zichzelf niet

76/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

noodzakelijk voor het hydrologisch herstel. Delen van de enclave worden echter te nat voor de landbouw. Dit, in combinatie met bemestingsbeperkende maatregelen, maakt dat voor de landbouwenclave natuurontwikkeling wordt ingezet om een goede uitgangsituatie te creëren voor uitbreiding van habitattypen. Om nalevering van nutriënten en verruiging te voorkomen wordt de fosfaatrijke toplaag in fases afgegraven, waarna deze weer wordt opgevuld met leemarm, humus- en nutriëntenarm fijn zand. De ontgravingsdiepte varieert van 20 tot 45 cm. Een bestaande houtwal binnen de landbouwenclave wordt verwijderd. M2b

Het deels verondiepen van waterleiding 330024 tot 20 cm onder maaiveld en (verder noordelijk) naar 40 cm onder maaiveld. Alleen op de grens met de landbouwenclave wordt deze watergang gedempt. Binnen het Brecklenkampse Veld wordt deze watergang verondiept naar 20 cm onder maaiveld. Buiten het Brecklenkampse Veld richting het noorden wordt deze watergang verondiept naar 40 cm onder maaiveld.

M2y

De twee noord-zuid gerichte sloten het dichtst bij de grens worden verondiept naar 20 cm onder maaiveld, zodat oppervlakkige afvoer van regenwater mogelijk blijft. De sloot op de grens met het bosgebied in het noorden wordt verondiept tot 40 cm onder maaiveld. De iets zuidelijk gelegen sloot richting het grenspad wordt verondiept tot 20 cm onder maaiveld. Deze maatregelen kunnen op dit moment alleen met instemming van de eigenaar worden uitgevoerd. Hiervoor is grondcompensatie nodig. Gelet op de hoge gronddruk in Duitsland wordt de maatregel doorgeschoven naar de volgende Beheerplanperiode.

M3a

Dempen van alle greppels en watergangen en verwijderen van buisdrainage in het landbouwgebied. Dit is nodig voor hydrologisch herstel en daarmee behoud van de aanwezige habitattypen. Hierdoor verhogen de grondwaterstanden in de percelen. Dit in combinatie met bemestingsbeperkende maatregelen, maakt dat wordt ingezet op natuurontwikkeling. De voedselrijke bovenlaag in het gebied wordt verwijderd om uit-/afspoeling van nutriënten naar de slenk te voorkomen. Hierdoor kan het overgrote deel van het gebied niet meer landbouwkundig worden gebruikt en krijgt het een natuurbestemming. Een smalle zone langs de Dennenweg kan met beperkingen in landbouwkundige gebruik blijven.

M3b

Verondiepen van waterloop 36000008 tot 20 en 60 cm onder maaiveld. De overgang van 20 cm naar 60 cm vindt niet abrupt plaats, maar geleidelijk van de hoek van het Natura 2000-gebied tot de Dennenweg.

M3c

Verondiepen van watergangen. De watergang ten zuiden van camping Bergvennen wordt verondiept tot 20 cm onder maaiveld in het oostelijk en middelste deel en 60 cm in het westelijk deel. Bij de overgang van 20 naar 60 cm wordt een bodemval van 40 cm gerealiseerd.

M3d

Aanleg van nieuwe watergang met een diepte van maximaal 60 cm beneden maaiveld om het dempen van waterloop 36000101 (maatregel M1h) te compenseren. De waterloop is nodig om te zorgen dat de camping (zie ook maatregel M3c) en een aangrenzend landbouwperceel een afwatering blijven houden. De watergang water naar het zuiden af via watergang 36000008 en wordt niet gekoppeld aan watergang 36000101.

M3x

Aanleg van een slenk in het Lattropse Veen, waardoor gebufferd grondwater in de slenk aan het oppervlak komt en vervolgens kan worden doorgevoerd naar de zuidelijke vennen. Aangezien de percelen landbouwkundig in gebruik zijn (geweest) is het noodzakelijk om uit te mijnen of de voedselrijke toplaag te verwijderen en bemesting binnen het beïnvloedingsgebied te stoppen.

-

Landgebruik van het gebied wordt aangepast om bosvorming te stimuleren

77/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Naast de bovenstaande maatregelen is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de zwemvijver bij Camping Bergvennen (het campingven). Dit ven is in het verleden diverse malen verdiept en geschikt gemaakt als recreatieplas. Hierdoor trekt het ven ongewenst, te voedselrijk grondwater aan. Dit leidt tot knelpunten voor aanliggende habitattypen. Om de negatieve invloed weg te nemen dient het ven tot op de oorspronkelijke venbodem (circa 50 cm onder maaiveld) verondiept te worden met fijn zand (zoals ook aanwezig in de vennen op de Bergvennen). Op de oevers van het ven is de oorspronkelijke bodem nog te herkennen. Deze maatregel kan leiden tot ongewenste vernatting op de camping. In overleg met de eigenaren is afgesproken om deze vernatting te mitigeren d.m.v. het uitvoeren van terreinophogingen (circa 30 cm op maaiveld). Alle bovenstaande maatregelen zijn op kaart weergegeven in figuur 6.1. Zie bijlage 2 voor een groot kaartbeeld.

78/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Figuur 6.1 Overzicht uitwerking maatregelen Inrichtingsplan Bergvennen en Brecklenkampse veld (bijlage 2).

79/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

6.1.2 Interne maatregelen Interne maatregelen zijn alle maatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing en binnen bestaande natuur. Deze paragraaf gaat nader in op de uitwerking van de interne maatregelen voor het Natura 2000 gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. Interne maatregelen M11a

Aanvoer basenrijk water

M11b

Herstellen doorstroomsysteem vennen

M12

Toepassen steenmeel/bekalking

M14

Opschonen van vennen en het schrapen van vegetatie

M15

Kleinschalig plaggen of strooisel verwijderen

M16 en

Bosomvorming en verwijderen van opslag en ongewenste vegetatie

M16a M17

Drukbegrazing bij Jeneverbesstruwelen en uitrasteren jonge kiemplanten

M11a Aanvoer basenrijk water De aanleg van een slenk zorgt voor aanvoer van basenrijk water naar de zuidelijke vennen. Wanneer na monitoring in de toekomst blijkt dat de chemische samenstelling van het water in de zuidelijke vennen van een voor zeer zwak gebufferde vennen goede kwaliteit is kan overwogen worden een doorstroming richting het Rietven te realiseren. M11b Herstellen doorstroomsysteem vennen Deze maatregel bestaat uit het herstellen van bestaande en/of het aanleggen van nieuwe verbindingen tussen de vennen en de afwatering van het laagst gelegen ven naar de omgeving. De maatregel omvat een pakket aan civieltechnische kunstwerken (duikers, stuw-, afsluit- en doorspuitputten) en grondwerk (herstellen van het oorspronkelijke reliëf (enkele kleine slenken en herstel van een grondwal). M12 Toepassen steenmeel/bekalken Het intrekgebied wordt éénmalig behandeld met steenmeel (in plaats van kalk). Steenmeel bevat in tegenstelling tot kalk een veelzijdig palet aan mineralen en sporenelementen en brengt daardoor de bodem meer in balans. De maatregel wordt uitgevoerd rondom de vennen, op plekken waar bos verwijderd wordt en in heidegebied waar mineralenonderzoek heeft aangetoond dat deze maatregel nodig is. Dit is een groot deel van het totale areaal van de Bergvennen en het Brecklenkampse veld.

M14 Opschonen van vennen en het schrapen van vegetatie Het opschonen van vennen en het schrapen van vegetatie in de zuidelijke vennen. De maatregel is vooral noodzakelijk om versnelde successie door verhoogde stikstofdepositie tegen te gaan en de ontwikkeling van venvegetaties met onder andere waterlobelia en oeverkruid te stimuleren. De maatregel is structureel, maar de verwachting is dat deze maatregel - na uitvoering van de overige maatregelen - minder vaak hoeft te worden toegepast dan in de huidige situatie.

80/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

M15 Kleinschalig plaggen of strooisel verwijderen Plaggen (of strooisel verwijderen, evt. in combinatie met eenmalige bekalking). Het doel van deze maatregel is de voor vochtige heide kenmerkende mozaïekstructuur terug te brengen, daar waar deze is verdwenen. Ook worden zo ernstig vergraste delen weer vrijgemaakt van pijpenstrootje en bevordert de maatregel de kieming en groei van gebiedskarakteristieke plantensoorten als jeneverbes, rode/blauwe bosbes en (korst)mossen. Plaggen is een maatregel om de verhoogde ophoping van stikstof tegen te gaan en een deel van het opgehoopte stikstof af te voeren. Plaggen kan echter ook nadelige effecten hebben op de soortenrijkdom en de structuurvariatie in heide. Plaggen vindt uitsluitend plaats op basis van de monitoringsresultaten van de vegetatieontwikkeling ter plaatse. Mocht de vegetatieontwikkeling hiertoe aanleiding geven dan wordt overgegaan tot kleinschalig plaggen. Bij het plaggen van de bodem wordt alleen organisch materiaal verwijderd, zonder dat de minerale bodem wordt aangetast. Na het plaggen wordt op de plaglocaties steenmeel toegepast. M16 en M16a Bosomvorming en verwijderen van opslag en ongewenste vegetatie Deze maatregel betreft het omvormen van bos naar heide of blauwgrasland in delen van het gebied Bergvennen.

Daarnaast wordt naaldbos in het bosgebied ten oosten van het Brecklenkampse Veld (Duits grondgebied) omgevormd naar loofbos. Deze maatregelen hebben het tegengaan van verdroging, herstel van de vochthuishouding en betere werking van lokale hydrologische systeempjes tot doel. De bestaande houtopstanden worden gedomineerd door grove den en onttrekken jaarrond veel water aan de bodem. M17 Drukbegrazing bij Jeneverbesstruwelen en uitrasteren jonge kiemplanten Deze beheermaatregel verbetert de kiemplantcondities voor jonge Jeneverbesstruiken. Hierdoor ontstaat er weer inzicht in de juiste kiemplancondities van Jeneverbesstruweel en kan hier in de derde beheerplanperiode extra maatregelen te worden getroffen om dit ook voor de lange termijn in het gehele natuurgebied te verbeteren.. Het is van wezenlijk belang om terreindelen met jonge kiemplanten uit te rasteren. 6.1.3

Bemestingsmaatregelen

Het bemesten en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan een negatief effect hebben op de kwaliteit van het grondwater. Het grondwater kan hierdoor geëutrofieerd en vervuild raken. Ook kunnen meststoffen en bestrijdingsmiddelen oppervlakkig afspoelen in sloten en greppels en een negatief effect hebben op de habitattypen en habitatsoorten in het Natura 2000-gebied. In het Inrichtingsplan zijn daarom voor enkele percelen bemestingsbeperkende maatregelen opgenomen en/of is de bemesting gestopt.. Daarbij is uitgegaan van de toekomstige hydrologische situatie (na uitvoering hydrologische maatregelen), inclusief de beoogde natuurinrichting van de landbouwenclave en het Lattropse Veen. Op basis van risico's van uitspoeling van stikstof en fosfaat richting de habitattypen zijn met de bemestingsmaatregelenwijzer per (huidig) agrarisch perceel of perceelgedeelte (binnen het invloedsgebied) de benodigde bemestingsmaatregelen berekend. De maatregelen bestaan,

81/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

afhankelijk van het perceel, uit bijvoorbeeld het stoppen van bemesting, het bemesten gedurende een bepaalde periode in het jaar en het uitmijnen van de nutriëntenrijke bodem. Ook worden technische maatregelen uitgevoerd die moeten voorkomen dat mest oppervlakkig afspoelt richting de habitattypen. Door het uitvoeren van deze maatregelen in de eerste Beheerplanperiode worden de negatieve effecten zo ver verminderd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen.

82/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

7 Beoordeling voorkeursalternatief In dit hoofdstuk zijn de effecten van het voorkeursalternatief per milieuaspect beschreven en beoordeeld. Elk milieuaspect bevat een beschrijving van het beleidskader, de referentiesituatie en een beoordeling van de effecten. Na de effectbeoordeling worden, indien mogelijk, mitigerende maatregelen beschreven. De in dit MER genoemde mitigerende maatregelen zijn aanbevelingen voor het PIP en de ontgrondingsvergunning. Het is aan het bevoegd gezag of deze aanbevelingen in het besluit en/of plan worden overgenomen. Onderstaande tabel geeft voor de verschillende relevante milieuthema’s aan waar de belangrijke aandachtspunten liggen voor de effectbeschrijving in het MER van de voorgenomen maatregelen. Tabel 7.1 Overzicht milieuthema’s waarvoor effecten worden beoordeeld Milieuthema

Beoordelingscriterium

Bodem en water

•

Effecten op de bodemkwaliteit

•

Effecten op de hydrologische situatie (oppervlakte

Kwantitatief/kwalitatief Kwalitatief

water en grondwater) •

Effecten op bebouwing

•

Effecten op grondgebruik

•

Effecten op waterkwaliteit

•

Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase

Klimaat en

•

Robuustheid plan voor klimaatverandering

duurzaamheid

•

Bijdrage plan aan duurzaamheidsdoelstellingen

•

Kwalitatief

Effecten op de robuustheid van het systeem voor duurzaam beheer en onderhoud

Natuur

•

Effecten op beschermde soorten Wet

Kwalitatief / kwantitatief

natuurbescherming •

Effecten op Natuur Netwerk Nederland

•

Effecten op Natura 2000-gebied (doelbereik)

•

Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase (verzuring/vermesting, verstoring door geluid, licht en beweging)

Landschap

•

Beïnvloeding gebiedskarakteristiek (landschappelijke

Kwalitatief

lijnen, gebieden en elementen) •

Ruimtelijke kwaliteit (beleving) van het gebied na realisatie

Cultuurhistorie en

•

archeologie

Effect op aanwezige cultuurhistorische waarden in

Kwalitatief

het plan- en studiegebied (historische bouwkunde en -geografie) •

Effect op aanwezige archeologische waarden in Kwalitatief het plan- en studiegebied (verwachtingswaarde en bekende waarden)

83/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Milieuthema

Beoordelingscriterium

Woon-, werk- en

•

Effect op bereikbaarheid woningen en bedrijven

leefmilieu

•

Tijdelijke hinder (geluid, trillingen) tijdens

Kwantitatief/kwalitatief Kwalitatief / kwantitatief

realisatiefase •

Landbouw

Effecten op woon-, werk- en recreatieve functie

•

Effecten op agrarische verkavelingsstructuur

•

Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase

•

Effect op grondgebruik (zie bodem en water)

•

Effecten op agrarische verkavelingsstructuur (zie woon-, werk- en leefmilieu)

Verkeer

•

Effecten op verkeersafwikkeling en veiligheid

Kwalitatief / kwantitatief

Lucht

•

Effecten op de luchtkwaliteit

Kwantitatief

•

Tijdelijke effecten tijdens realisatie

•

Effecten op aanwezige kabels en leidingen

•

Effecten op niet gesprongen explosieven (NGE)

Externe veiligheid

Kwalitatief

Bovenstaande effecten worden beoordeeld volgens de in tabel 7.2 weergegeven methodiek. Tabel 7.2 Beoordelingsschaal Score

Betekenis

++

Zeer positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/+

Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

Neutraal effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

--

Zeer negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

7.1

Bodem en water

7.1.1 Beleidskader Bodem Op internationaal niveau is de Kaderrichtlijn Bodem van kracht. De Kaderrichtlijn bodem heeft als doel om verontreinigingen structuurverlies en aantasting van bijzondere waarden in de bodem te voorkomen. De Wet bodembescherming (Wbb) geldt als algemeen wettelijk kader. Hierin is het beoordelingskader vastgelegd om de bepalen of het saneren van de (water)bodem noodzakelijk is. Saneren is noodzakelijk indien sprake is van milieuhygiënisch onaanvaardbare risico’s. Hiervoor is een beschikking Wet bodembescherming nodig van het bevoegde gezag. Voor saneringen van de landbodem is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Ook de Wet milieubeheer stelt wettelijke normen aan de bodemkwaliteit. Voor het afvoeren van de grond is de provincie Overijssel niet het bevoegde gezag. De afvoer van grond is geen onderdeel van de ontgrondingsvergunning.

84/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater waaraan de Europese wateren vanaf moeten voldoen. Op nationaal en regionaal niveau is de Waterwet het kader voor ingrepen aan het watersysteem. Daarnaast schrijft de Waterwet een vorm van integraal waterbeheer voor die gericht is op vasthouden - bergen en afvoeren en schoon houden - scheiden en schoonmaken van water. De Keur is een verordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. De Keur heeft een aanvullende functie op de Waterwet omdat de Keur algemene regels geeft die in bepaalde gevallen de vergunningplicht uit de Waterwet opheft. Er is onderscheid gemaakt in kwantitatieve aspecten (waterhoeveelheid) en kwalitatieve aspecten (waterkwaliteit). Hiermee wordt dus de KRW in het Nederlandse recht geïmplementeerd. 7.1.2 Referentiesituatie In het plangebied komt een aantal dekzandruggen en -welvingen voor. Op de hogere delen heeft zich vermoedelijk een haarpodzolbodem gevormd. Op de wat lagere en vochtigere gronden is een veldpodzolbodem ontstaan. Her en der komen vennetjes voor. In historische tijden is het plangebied aldoor onontgonnen geweest. Vanaf ongeveer 1940 werden delen van het plangebied in cultuur gebracht.

In het plangebied worden met name resten uit de steentijd (mesolithicum – neolithicum) verwacht: de diverse dekzandruggen in het plangebied en de aanwezige vennen en pingo-ruïnes maakten dit gebied tot biotopisch gevarieerd gebied, wat met name aantrekkelijk moet zijn geweest voor jagers/verzamelaars. Ook nederzettingen van vroege landbouwers kunnen op de grotere dekzandopduikingen niet worden uitgesloten. In het neolithicum was zeer kleinschalige landbouw een van de methoden waarin in voedsel werd voorzien, naast veeteelt en jagen/verzamelen. Het gebied was gezien de drassigheid in grote delen van het plangebied en de relatief kleine dekzandruggen waarschijnlijk weinig aantrekkelijk voor latere landbouwers, met name omdat ten westen ervan grotere en hogere opduikingen voorkomen. 7.1.3 Beoordelingskader Het effect op bodemkwaliteit wordt beoordeeld op basis van de gevolgen van de maatregelen voor de chemische, biologische en fysische samenstelling van de bodem. De biologische bodemkwaliteit gaat over beworteling, organische stof en biodiversiteit. De chemische bodemkwaliteit wordt bepaald door macro-elementen (onder andere stikstof, kalium, fosfor) en micro elementen (koper, zink, ijzer) en de zuurgraad. Indicatoren voor de fysische bodemkwaliteit zijn textuur, structuur, draagkracht, poriën en water.

Voor het beoordelen van de hydrologische effecten worden de gevolgen van de maatregelen beschreven op de grond- en oppervlaktewaterniveaus. De beoordeling vindt vervolgens plaats op basis van de effecten op de hoofdfunctie van het effectgebied. Dat betekent dat met name wordt gekeken naar de hoofdfunctie van het gebied als natuurgebied, waarvoor in het kader van Natura 2000 instandhoudings- en uitbreidingsdoelstellingen zijn opgenomen waarvoor een grondwaterstijging is benodigd. Effecten op omliggende functies (bebouwing, agrarisch grondgebruik en de camping) worden apart beoordeeld op basis van optredende vernattingseffecten op de omgeving. Hier gaat het om het ontstaan van eventuele

85/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

grondwateroverlast door hogere grondwaterstanden en/of verzakking als gevolg van lagere grondwaterstanden. Onderzoek externe eutrofiering (grondwaterkwaliteit) Onderzocht is of er risico is op het uitspoelen van nutriënten vanuit landbouwgronden en bos richting de Bergvennen, de zuidelijke vennen en het Brecklenkampse Veld (Bor M., Capel W. , Willems G., 2018). Hiertoe is de grondwaterkwaliteit bemonsterd op een aantal locaties langs de randen van het Natura 2000 gebied. Uit het onderzoek blijkt dat het doorgemeten grondwater dat vanaf de aangrenzende landbouwgronden en bos naar het natuurgebied stroomt, lage concentraties aan nitraat, fosfor en ammonium bevat. Vanaf de zuidelijk gelegen landbouwgronden bevat het grondwater wel verhoogde concentraties aan sulfaat wat duidt op een hoge aanvoer van nitraat (en door aanraking met Pyriet ontstaat Sulfaat). Onderzoek verbetering jeneverbesstruwelen In de Bergvennen zijn jeneverbesstruwelen aanwezig die niet meer verjongen, terwijl wel mannelijke en vrouwelijke exemplaren aanwezig zijn. Op een zevental locaties waar vrouwelijke struiken aanwezig waren zijn bodemprofielen bemonsterd. Hierbij zijn zowel de toplaag als ook de diepere bodemlagen bemonsterd. Het onderzoek toont aan dat de kwaliteit van de toplaag van de bodem op sommige locaties gunstig is, terwijl de diepere bodemlagen in het algemeen ongunstig lijken.

De basenverzadiging van de toplaag (0 – 20 cm) is op een tweetal locaties (locatie 3 en 4) zeer gunstig. Op de andere locaties (locatie 2, 5 en 6) is de basenverzadiging van de bodemtoplaag te laag, m.n. veroorzaakt door een relatief lage beschikbaarheid aan calcium en magnesium. De diepere bodemlagen zijn zeer arm aan magnesium. De data tonen dat er in de Bergvennen slechts één locatie voorkomt waar zowel de bodemtoplaag als diepere bodemlaag een goede basenverzadiging hebben (Locatie 4). De toplaag is hier echter wel rijk aan stikstof. Mogelijk speelt hier een beperkte kiemkans, door een te dichte begroeiing (moslaag) een rol in het niet tot ontwikkeling komen van kiemplanten. Onderzoek verbetering kwaliteit heide In en rondom de (vochtige) heide van de Bergvennen zijn op vijfentwintig locaties bodemmonsters genomen van het strooisel en van onderliggende bodemlagen, om te onderzoeken of de bodem een gunstige mineralensamenstelling heeft, die ook op de langere termijn niet zal verzuren. Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid landbouwpercelen Dit door Aequator Groen & Ruimte uitgevoerde onderzoek (rapport Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid landbouwgebied Breklenkamp en Bergvennen, Van Essen et al, 20 mei 2019). De huidige bodem- en grondwatersituatie zijn in het veld in kaart gebracht en samengevat in een bodem- en grondwaterkaart.

Op basis van de bodemsamenstelling en grondwaterstanden is de huidige bodemgeschiktheid voor landbouw bepaald. Door TAUW zijn de effecten van de maatregelen op het grondwater berekend. Deze modelmatige verandering van de grondwaterstanden is gebruikt om de toekomstige bodemgeschiktheid voor landbouw te berekenen. Zo zijn de effecten van de natuurherstelmaatregelen op de landbouw in beeld gebracht. De zogenaamde grondgebruikswaarde is naast bodemgeschiktheid uitgedrukt in

86/142

Kenmerk

R003-1273168LJL-V01-mdg-NL

opbrengsten van zowel grasland als maisland. Er is gebruik gemaakt van de WIB-C methode (bodemgeschiktheid) en de HELP-methode (opbrengsten). Huidige bodem en grondwatersituatie De bodemgesteldheid en hoogteligging hebben een sterke relatie met elkaar. Het gebied wordt gekenmerkt door zandgronden en/of late veldontginningen van heide. Met name aan de zuidkant (Lattropse Veen) komen droogtegevoelige zandgronden voor. Dit gedeelte ligt ook het hoogst. In het middengebied (westkant Bergvennen en de landbouwenclave) komen ook lager gelegen zandgronden voor met hoge grondwaterstanden in het voorjaar. Deze gronden hebben een beperking in de draagkracht, maar zijn minder droogtegevoelig. Het noordelijke deel (ten noorden van het Brecklenkampse Veld) komen natte zandgronden voor, die lemiger zijn en waar in de ondergrond vaak restjes veen zijn aangetroffen. De ondergrond is veelal diep geroerd (en dus gemengd) om de doorlatendheid te verbeteren. Fosfaatonderzoek op landbouwgronden Ter plaatse is een fosfaatonderzoek (Essen E. van, Salm S. v.d., 2019) uitgevoerd op (voormalige) landbouwgronden om inzicht te krijgen in de mogelijkheid tot natuurontwikkeling. Hieruit blijkt dat de fosfaatbeschikbaarheid voor planten op de onderzochte locaties in de toplaag van de bouwvoor te hoog is. De concentraties nemen over het algemeen af in de diepte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/504/documents/16895